NJ 1971, 380
HR, 23-04-1971, nr. 10469
HR 23-04-1971, ECLI:NL:PHR:1971:AC5107
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23 april 1971
- Magistraten
De Jong, Dubbink, Ras, Minkenhof, Drion
- Zaaknummer
10469
- LJN
AC5107
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Erfrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1971:AC5107, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑04‑1971
ECLI:NL:PHR:1971:AC5107, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑04‑1971
- Wetingang
BW art. 967; Rv (oud) art. 250; Rv (oud) art. 251; Rv (oud) art. 252; Rv (oud) art. 253
Essentie
Ontvankelijkheid van reconventionele vordering. Geldend maken en overgang van aanspraak op inkorting van making ten gunste van derde echtgenoot.
Samenvatting
De regeling van de reconventie in de artt. 250253 Rv. laat een eis in reconventie slechts toe wanneer deze wordt ingesteld door de gedaagde tegen de oorspronkelijke eiser en niet wanneer zij wordt gericht tegen een medegedaagde, ook niet onder de bijzondere omstandigheden, vermeld in de beide onderdelen van middel I (zie hieromtrent het arrest. Red. ).
Geen steun in de wet vindt de stelling, dat het slechts aan een voorkind zelf toekomt om aanspraak te maken ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.