HR, 31-03-1978, nr. 11251
ECLI:NL:PHR:1978:AC6231
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31-03-1978
- Zaaknummer
11251
- LJN
AC6231
- Roepnaam
Beverwijk/Born
- Vakgebied(en)
Huurrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1978:AC6231, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑03‑1978; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1978:AC6231
ECLI:NL:PHR:1978:AC6231, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 31‑03‑1978
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1978:AC6231
- Vindplaatsen
Uitspraak 31‑03‑1978
Inhoudsindicatie
Eigendomsovergang; verhuurder; bedrijfsruimte.
31 maart 1978
E.K.
De Hoge Raad der Nederlanden,
in de zaak nr, 11.251 van
De gemeente Beverwijk, zetelende te Beverwijk, eiseres tot cassatie van een tussen partijen gewezen vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 31 mei 1977, vertegenwoordigd door Mr. F.H.A.M. Thunnissen, advocaat bij de Hoge raad
t e g e n
[verweerder] , wonende te [woonplaats] , verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. K.G.W. van Oven, eveneens advocaat bij de Hoge Raad
Gehoord partijen;
Gehoord de Advocaat-Generaal ten Kate in zijn conclusie strekkende tot vernietiging van het bestreden vonnis met verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam;
Gezien de stukken van het geding, waaruit blijkt:
dat eiseres tot cassatie - de gemeente - bij exploot van 27 februari 1976 de verweerder in cassatie - [verweerder] — heeft gedaagd voor de Kantonrechter te Haarlem, en heeft gevorderd dat de Kantonrechter de met [verweerder] bestaande huurovereenkomst van het pand [a-straat 1] te [woonplaats] ontbindt met ingang van de datum van het te wijzen vonnis, althans zodanige termijn als de Kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, met veroordeling van [verweerder] om per datum van de ontbinding het genoemde pand te ontruimen, daartoe stellende:
“1. dat de gemeente 26 november 1975 de eigendom heeft verkregen van een pand, gelegen te [woonplaats] aan de [a-straat 1] , welk onroerend goed ten tijde van de eigendomsverkrijging was verhuurd aan [verweerder] voor een prijs van ƒ 101,70 per week;
2. dat dit pand blijkens het destijds met [verweerder] gesloten huurcontract van 1 september 1958 was verhuurd om te dienen tot winkel van radio- en televisie-artikelen;
3. dat de huurovereenkomst gold voor zes jaar met het recht van verlenging voor een tijdvak van zes jaar en daarna voor onbepaalde tijd is voortgezet;
4. dat ter plaatse van kracht is het bestemmingsplan “ [A] ”, vastgesteld bij besluit van de Raad van 16 januari 1970, goedgekeurd door Gedeputeerde Staten bij besluit van 2 maart 1971 en Koninklijk Besluit van 14 december 1973;
5. dat de Gemeente de op het verhuurde liggende bestemming te weten “voetgangersgebied/paden” wil verwezenlijken, waartoe het pand op korte termijn dient te worden afgebroken;
6. dat de Gemeente derhalve gerechtigd is de ontbinding van de met [verweerder] bestaande huurovereenkomst te vorderen;”;
dat [verweerder] tegen deze eis verweer heeft gevoerd en in reconventie, voorwaardelijk voor het geval de vordering in conventie toewijsbaar wordt geacht, een schadeloosstelling heeft gevorderd van ƒ 173.600,-- met wettelijke interessen;
dat de Kantonrechter. bij vonnis van 17 januari 1977 in conventie de huurovereenkomst heeft ontbonden met ingang van 1 mei 1977 en [verweerder] heeft veroordeeld uiterlijk 30 april 1977 het pand te ontruimen, dit vonnis in zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard en de Gemeente heeft veroordeeld in de kosten van het geding, en in reconventie een deskundigenonderzoek heeft gelast ten aanzien van de door de gemeente aan [verweerder] te verlenen schadeloosstelling als bedoeld in artikel 1636 b van het Burgerlijk wetboek, met aanwijzing van drie deskundigen;
dat [verweerder] van deze uitspraak in hoger beroep is gekomen bij de Arrondissementsrechtbank te Haarlem onder aanvoering van drie grieven, terwijl de gemeente incidenteel in hoger beroep is gekomen tegen haar veroordeling in de kosten van het geding;
dat de Rechtbank bij het bestreden vonnis de uitspraak van de Kantonrechter heeft vernietigd met uitzondering van de beslissing omtrent de kosten in conventie, en in conventie de vorderingen van de Gemeente heeft afgewezen en in reconventie heeft verstaan dat de reconventionele vordering niet aan de orde komt, met veroordeling van de Gemeente in de kosten in hoger beroep zowel in het principaal als in het incidenteel appel gevallen;
dat de Rechtbank daartoe onder meer heeft overwogen:
“In conventie:
De Kantonrechter grondde zijn beslissing, voor zover thans van belang, o.m. op de volgende overwegingen:
“Dat 1636 a is geschreven voor opzegbare overeenkomsten, vermag echter geen beletsel opleveren voor een verhuurder om van een zodanige overeenkomst ontbinding te vorderen volgens 1636 b. Dat laatste artikel bevat geen beperkende bepaling ten aanzien van de looptijd van de overeenkomst.”
en voorts:
“Voorts kan ook bij een opzegbare overeenkomst spoed betracht moeten worden waardoor bezwaarlijk de opzegtermijn van een jaar afgewacht kan worden, waardoor de vordering tot ontbinding uitkomst kan bieden.”
Grief 1 richt zich met name tegen de hiervoor weergegeven overwegingen van de Kantonrechter.
[verweerder] erkent dat naar de letter van artikel 1636 b van het Burgerlijk Wetboek door de gemeente aan de vereisten van deze bepaling wordt voldaan. Hij meent echter dat de vordering tot ontbinding van artikel 1636 b niet gebruikt mag worden in die gevallen waarin, zoals in casu, sprake is van een voor onbepaalde tijd lopende, opzegbare huurovereenkomst.
Daartoe beroept hij zich onder meer op het wettelijk stelsel ten aanzien van de zogenaamde “middenstands-bedrijfsruimten” en op de wetsgeschiedenis. Onder verwijzing naar de memorie van toelichting stelt [verweerder] dat uit de inhoud daarvan blijkt dat het in genoemd artikel 1636 b ging om het wegnemen van een beletsel tegen minnelijke aankoop van zogenaamde “1624 B.W. panden”, welk beletsel wordt gevormd door de wettelijke regeling betreffende de huur van de in dat artikel bedoelde bedrijfsruimten, inhoudende twee dwingend voorgeschreven huurtermijnen van minimaal in totaal 10 jaren (als regel 2 x 5 jaar), met alleen een mogelijkheid van opzegging op een termijn van één jaar tegen het eind van de duur.
De Rechtbank is met [verweerder] van oordeel dat het kennelijk de bedoeling van de wetgever is geweest de werking van artikel 1636 b van het Burgerlijk Wetboek te beperken tot die gevallen, waarin het gaat om de beëindiging van een huur tijdens de duur van een termijn.
Daarop wijst niet alleen het door [verweerder] aangehaalde citaat uit de memorie van toelichting, doch met name ook hetgeen door minister Polak destijds bij de behandeling in de tweede kamer is opgemerkt naar aanleiding van een door de heer van de Heuvel ingediend amendement op artikel 1636 a van het Burgerlijk Wetboek.
De minister heeft toen, voor zover thans van belang, onder meer het volgende betoogd: (Hand. Tweede Kamer, blz. 86/86)
“Bovendien speelt dit artikel (rechtbank: gedoeld wordt hier op artikel 1636 a van het Burgerlijk Wetboek) niet gedurende de eerste twee termijnen van vijf jaar. In dat geval geldt artikel 1636 b; het gaat dus om de toestand waarin de huurder verkeert na tien jaar als de huur van jaar tot jaar opzegbaar is. De huurder weet dat de huur, ook al had de Gemeente het pand niet gekocht, elk jaar een einde had kunnen nemen en wel zonder schadeloosstelling. Artikel 1636 a is namelijk slechts van toepassing als de huurovereenkomst al ten minste tien jaar heeft geduurd. Het gaat hierbij dus om de periode, waar de huur zonder schadeloosstelling elk ogenblik kan worden opgezegd. Het gaat dus ook om de periode, waarin de huurder van zijn eventuele investeringen het volle profijt heeft getrokken”. en:
“Bij artikel 1636 b gaat het om het beëindigen van de huur tijdens de duur van een termijn en niet aan het einde ervan, zoals het geval is in artikel 1636 a. In het geval van artikel 1636 b mag de huurder erop rekenen in ieder geval nog tot het einde van de termijn in het genot van het gehuurde te blijven.”
Een uitleg van artikel 1636 b in voormelde zin past ook in het systeem der wet. In deze uitleg is duidelijk waarom artikel 1636 b - anders dan artikel 1636 a - alleen van toepassing is op bedrijfsruimten in de zin van artikel 1624 van het Burgerlijk Wetboek. Immers, alleen voor bedrijfsruimten in de zin van dat artikel bevat de wet de hiervoor reeds ter sprake gekomen dwingende bepalingen omtrent de minimale duur van - als regel - tweemaal 5 jaren der huurovereenkomsten, zodat alleen voor die bedrijfsruimten de doorbreking van die duur door middel van een te vorderen ontbinding noodzakelijk werd geacht. Toepassing van artikel 1639 b ook op met een jaar opzegbare huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd komt in strijd met de hiervoor weergegeven ratio van het artikel en zou leiden tot het onredelijke resultaat dat die opzegtermijn van een jaar wèl zou kunnen worden doorbroken ten aanzien van een huur betreffende een bedrijfsruimte in de zin van art. 1624, doch niet ten aanzien van een ander gebouwd onroerend goed, dat voor de uitoefening van een bedrijf is verhuurd.
Uit het vorenoverwogene volgt dat grief 1 gegrond is, terwijl daaruit tevens voortvloeit de gegrondheid van grief 2, inhoudende dat de Kantonrechter ten onrechte tot ontruiming heeft veroordeeld per 30 april 1977, zodat het vonnis, in conventie gewezen, in zoverre behoort te worden vernietigd en de in prima ingestelde vorderingen alsnog dienen te worden ontzegd.
In reconventie voorts:
Nu ten gevolge van de gegrondbevinding van de grieven 1 en 2 de conventionele vorderingen alsnog moeten worden afgewezen, is de voorwaarde, waaronder de reconventionele vordering in prima werd ingesteld, niet vervuld, zodat deze vordering niet aan de orde komt en [verweerder] terecht in zijn derde grief heeft gesteld dat bedoelde vordering ten onrechte is beoordeeld en ten onrechte door de Kantonrechter daarop is beslist gelijk hij heeft gedaan.
Ook de beslissing in reconventie kan derhalve niet in stand blijven.
In het incidenteel appel in conventie:
Nu de gemeente in prima alsnog in het ongelijk is gesteld, is zij terecht veroordeeld in de gedingkosten in eerste aanleg, wat er ook moge zijn van de door de Kantonrechter voor die beslissing gebezigde grond, zodat de tegen deze kostenuitspraak gerichte incidentele grief van de Gemeente faalt en het vonnis van de Kantonrechter in zoverre kan worden bekrachtigd.”;
Overwegende dat de Gemeente deze uitspraak bestrijdt met het volgende middel van cassatie:
“Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen doordat de Rechtbank heeft overwogen en op grond daarvan heeft recht gedaan als in het bestreden vonnis, dat als hier ingelast en herhaald moge gelden, weergegeven en heeft beslist als in het dictum van het bestreden vonnis is weergegeven met name de oorspronkelijke vordering van de Gemeente heeft afgewezen, het beroepen vonnis met betrekking tot de kosten in conventie heeft bekrachtigd en de Gemeente in de kosten in hoger beroep zowel in het principaal als in het incidenteel appel gevallen heeft veroordeeld, alles ten onrechte om de navolgende redenen:
(1) De Rechtbank beslist in strijd met het recht (en grondt daarop haar uitspraak) dat art.ikel1636 b van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is op een voor onbepaalde tijd lopende, met een termijn van 1 jaar opzegbare, overeenkomst van huur/verhuur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 1624 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, ten onrechte aangezien eerstgenoemde bepaling op een dergelijke overeenkomst wel van toepassing is en/of (onder omstandigheden) kan zijn.
(2) De Rechtbank beslist dat artikel 1636b van het Burgerlijk Wetboek geen toepassing vindt in de onderhavige situatie waarin het gaat om een overeenkomst waarbij [verweerder] per 1 sept. 1958 voor 6 jaar een bedrijfsruimte in de zin van artikel 1624 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek had gehuurd, welke huur na eerst met 6 jaar te zijn verlengd, voor onbepaalde tijd is voortgezet en de Gemeente vervolgens (in november 1975) door eigendomsovergang verhuurster van de betreffende bedrijfsruimte is geworden. Deze beslissing is in strijd met het recht en/of onbegrijpelijk althans niet zonder meer begrijpelijk, althans verzuimt de Rechtbank aan te geven op grond van. welke bijzondere omstandigheden dit oordeel in het onderhavige geval juist zou zijn.
(3) De Rechtbank beslist in strijd met het recht dat de werking van artikel 1636 b van het Burgerlijk Wetboek is beperkt tot die gevallen, waarin het gaat om de beëindiging van een huur tijdens de duur van een termijn.”;
Overwegende omtrent dit middel:
Het middel richt zich, en zulks terecht, tegen de opvatting van de Rechtbank dat artikel 1636 b van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is op een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd welke op grond van artikel 1631 met een termijn van 1 jaar kan worden opgezegd. Een dergelijke beperking van de draagwijdte van artikel 1636 b vindt geen steun in de tekst van het voorschrift, noch in de wetsgeschiedenis.
In de algemene inleiding van de memorie van toelichting wordt met betrekking tot de in artikel 1636 b voorziene mogelijkheid van tussentijdse ontbinding onder 21 opgemerkt:
“Een publiekrechtelijk lichaam dat een verhuurd pand koopt zal, rekening houdend met de voorgestelde opzeggingstermijn, in het gunstigste geval na één jaar, in het ongunstigste geval eerst na zes jaar de huur kunnen beëindigen. In het bijzonder in die gevallen waarin het publiekrechtelijk lichaam zal overgaan tot verwezenlijking van een bij een goedgekeurd bestemmingsplan vastgestelde bestemming, kunnen deze lange termijnen een bezwaar opleveren tegen verkrijging van verhuurde bedrijfsruimte door minnelijke aankoop. Het is daarom gewenst om in het bijzonder in die gevallen aan het publiekrechtelijk lichaam de bevoegdheid te geven om tussentijds ontbinding van de huurovereenkomst te vorderen.”
De door de Rechtbank geciteerde opmerkingen van de Minister bij de mondelinge behandeling zijn hiermee niet in strijd. Uit deze opmerkingen volgt immers niet méér dan dat artikel 1636 a niet van toepassing is “gedurende de eerste twee termijnen van vijf jaar”, doch niet dat dit artikel daarná met uitsluiting van artikel 1636 b van toepassing zou zijn.
Evenmin geeft het systeem van de wet steun aan de opvatting van de Rechtbank. In dit systeem betreft artikel 1636 a immers de gevallen waarin de huurovereenkomst door opzegging beëindigd wordt en kan worden, terwijl artikel 1636 b een regeling geeft voor het geval een eerdere beëindiging van de huurovereenkomst gewenst is dan met inachtneming van de tijd waarvoor de overeenkomst is gesloten of van de voorgeschreven opzeggingstermijn, mogelijk is.
Ten slotte rechtvaardigt ook het feit dat de wetgever heeft nagelaten artikel 1636 b van toepassing te verklaren op iedere huur van gebouwd onroerend goed dat voor de uitoefening van een bedrijf is verhuurd, niet de beperkende uitleg van artikel 1636 b als door de Rechtbank voorgestaan. Weliswaar leidt niet-aanvaarding van deze uitleg tot het resultaat dat de opzegtermijn van ëën jaar met een beroep op bedoeld artikel ten aanzien van een huur betreffende een bedrijfsruimte in de zin van artikel 1624 wel kan worden doorbroken en niet ten aanzien van een ander gebouwd onroerend goed dat voor de uitoefening van een bedrijf is gehuurd, maar een dergelijke discrepantie bestaat ook in de opvatting van de Rechtbank, wanneer de niet onder artikel 1624 vallende huur van bedrijfsruimte voor een bepaalde tijd van - bijvoorbeeld - vijf jaar is aangegaan.
Het middel is derhalve terecht voorgesteld, zodat het vonnis van de Rechtbank dient te worden vernietigd.
Overwegende dat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen:
In het principale appel heeft [verweerder] als tweede grief aangevoerd: “Ten onrechte heeft de Kantonrechter [verweerder] tot ontruiming veroordeeld per 30 april 1977”. In zijn toelichting op deze grief heeft hij als eerste argument aangevoerd dat hij niet over andere bedrijfsruimte beschikt en ten minste zes maanden behoeft, als ontruiming niet te vermijden zou zijn. Daar deze zes maanden intussen reeds lang verlopen zijn, en het vonnis van de Kantonrechter waarbij hij tot ontruiming per 30 april 1977 is veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad was verklaard, kan er geen reden zijn nog een langer uitstel voor de ontruiming toe te staan, zodat [verweerder] thans in zover bij deze grief geen belang meer heeft.
Als tweede argument voor genoemde appelgrief heeft [verweerder] aangevoerd dat de Kantonrechter zijn uitspraak inzake de ontruiming had moeten aanhouden tot de aan [verweerder] toekomende schadeloosstelling zou zijn vastgesteld, althans de veroordeling tot ontruiming afhankelijk had moeten maken van betaling door de Gemeente van een door de Kantonrechter in redelijkheid te bepalen voorschot op de schadevergoeding. Deze stelling vindt echter geen steun in de wet. Hierbij verdient nog opmerking dat de Kantonrechter bij het in appel bestreden vonnis deskundigen heeft benoemd om tot vaststelling van de schadeloosstelling te komen, welke deskundigen voor beëdiging op 21 februari 1977 waren opgeroepen.
De genoemde appelgrief kan dus niet tot vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter leiden.
In het incidentele appel heeft de Gemeente als grief aangevoerd dat, waar [verweerder] in conventie in het ongelijk was gesteld, de Kantonrechter [verweerder] in plaats van de gemeente in conventie had dienen te verwijzen in de proceskosten. De Rechtbank heeft deze grief verworpen in verband met haar beslissing tot afwijzing van de vorderingen van de Gemeente. Nu deze beslissing niet in stand kan blijven, zal de in het incidentele appel door de Gemeente opgeworpen grief alsnog moeten worden beoordeeld.
Het bijzondere verband tussen de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en die tot schadeloosstelling, zoals dat voortvloeit uit de strekking van de in artikel 1636 b gegeven regeling, brengt wèl mee dat de rechter bij zijn beslissing over de vordering in conventie tot ontbinding van de huurovereenkomst de beslissing over de proceskosten kan aanhouden tot zijn uitspraak over de vordering in reconventie inzake de door de huurder gevorderde schadeloosstelling, maar het staat de rechter niet vrij, in zijn beslissing over de vordering in conventie de partij aan wie deze vordering is toegewezen in de kosten van het geding in conventie te veroordelen.
De grief in het incidentele appel was dus terecht voorgesteld;
Vernietigt het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 31 mei 1977;
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter te Haarlem van 17 januari 1977, doch alleen voor zover de gemeente daarbij is veroordeeld in de kosten van het geding in conventie, en bekrachtigt dat vonnis voor het overige;
Verstaat dat over de kosten van het geding in conventie in eerste aanleg en in hoger beroep zal worden beslist bij de uitspraak over de vordering in reconventie;
Veroordeelt [verweerder] in de kosten op de voorziening in cassatie gevallen welke aan de zijde van de Gemeente tot aan deze uitspraak worden begroot op ƒ 289,05 aan verschotten en ƒ 2.000,-- voor salaris.
Aldus gedaan door Mrs. Dubbink, President, van Dijk, Drion, Köster en Haardt, Raden, en door de President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de een en dertigste maart 1900 acht en zeventig, in tegenwoordigheid van de Advocaat-generaal ten Kate.
Conclusie 31‑03‑1978
Inhoudsindicatie
Eigendomsovergang; verhuurder; bedrijfsruimte.
v.R.
Nr. 11.251.
Zitting 3 februari 1978.
Mr. ten Kate.
Conclusie inzake:
Gemeente Beverwijk
tegen
[verweerder]
Edelhoogachtbare Heren,
De Gemeente (eiseres tot cassatie) heeft op 26 november 1975 de eigendom verkregen van het pand, gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats], welk pand om te dienen tot winkel van radio- en televisieartikelen verhuurd was aan [verweerder] (verweerder in cassatie). [verweerder] oefent, naar de Gemeente stelt, ter plaatse nog slechts een reparatiebedrijf uit.
[verweerder] had het pand gehuurd bij huurcontract d.d. 1 september 1958 voor zes jaren, met recht van verlenging voor een tijdvak van zes jaren. De huur is na afloop daarvan voor onbepaalde tijd voortgezet. Ingevolge het in casu toepasselijke art. 1631d B.W. geldt een opzeggingstermijn van tenminste een jaar.
De Gemeente wil de op het verhuurde liggende bestemming “voetgangersgebied/paden” krachtens het bestemmingsplan “[A]” verwezenlijken. Het pand moet daartoe worden afgebroken. Bij de dit geding inleidende dagvaarding van 27 februari 1976 heeft de Gemeente op deze gronden ontbinding als bedoeld in art. 1636b B.W. van de huur verlangd met veroordeling van [verweerder] tot ontruiming per door de rechter te bepalen datum van de ontbinding.
[verweerder] stelde dat in een geval als het onderhavige, waar opzegging van de huur mogelijk is, art. 1636b B.W. toepassing mist. Naar zijn mening kon de Gemeente derhalve op deze wijze niet de opzeggingstermijn van tenminste een jaar ontgaan, terwijl anderzijds op zodanige opzegging de schadeloosstellingsregeling van art. 1636a B.W. van toepassing is. Volledigheidshalve zij hierbij aangetekend dat bij een opzegging ter verwezenlijking van een krachtens een geldend bestemmingsplan op het verhuurde liggende bestemming als in casu een verzoek tot verlenging in ieder geval moet worden afgewezen ingevolge art. 1631a lid 2 onder 4° B.W.
[verweerder] stelde voorts dat de Gemeente geen belang had bij een ontruiming op korte termijn, hetgeen de Gemeente heeft bestreden. Op grond van art. 1636b lid 2, B.W. vorderde [verweerder] zijnerzijds voorwaardelijk in reconventie vaststelling van de door de gemeente verschuldigde schadeloosstelling.
De Kantonrechter wees bij vonnis van 17 januari 1977 de vordering tot ontbinding met ontruiming uiterlijk op 30 april 1977 - zulks uitvoerbaar bij voorraad - toe en gelastte in reconventie deskundigenbericht over de gevraagde schadeloosstelling.
Bij vonnis van 31 mei 1977 vernietigt de Rechtbank dit vonnis. De Rechtbank is van oordeel dat in dit geval van een opzegbare huur van bedrijfsruimte als bedoeld in art. 1624 lid 2, B.W., het aangeroepen art. 1636b B.W. geen toepassing kan vinden. Art. 1636b B.W. opent slechts de mogelijkheid een huur van bedrijfsruimten te beëindigen, waarvan de huurtermijn nog niet verstreken is en ten aanzien waarvan opzegging derhalve nog niet mogelijk is. Ze wijst de vordering af en komt aan de voorwaardelijk ingestelde reconventie niet toe.
Het cassatieberoep is tegen deze beslissing gericht, naar het mij voorkomt terecht.
In dit verband verdient in de eerste plaats opmerking dat voor de door de Rechtbank aangenomen beperkte lezing van art. 1636b B.W. in de tekst daarvan geen enkele aanhaking te vinden is.
De artt. 1636a en 1636b B.W. moeten worden gezien, aldus de M.v.A. (p. 3 l.k.) op de wet van 28 januari 1971 S. 44 waarbij deze artikelen in het Burgerlijk Wetboek werden gevoegd, als speciale voorzieningen in verband met de regeling, die ten aanzien van de schadevergoeding bij onteigening van verhuurde bedrijfsruimte wordt vastgesteld.
Zoals de M.v.T. (p. 11 l.k.; rapport commissie p. 32 r.k.) opmerkt, komt bij onteigening de huurder, die daardoor het gebruik van het gehuurde verliest en aldus met de andere aan het gebruik verbonden goede en slechte kansen de kans op het voortduren van de voor onbepaalde tijd aangegane huurovereenkomst dan wel op het voortduren van de huurverhouding na het verstrijken van de overeengekomen bepaalde duur, daarvoor vergoeding toe, mits de kans op het ontnomen recht steunde. Zou men slechts rekening houden met de lopende overeengekomen duur, dan gebruikt men (aldus p. 11 r.k. resp. 33 l.k.) een voor de feitelijke werkelijkheid willekeurig en voor de betrokkenen onbegrijpelijk criterium.
Uit een oogpunt van de huurder (aldus p. 12 r.k.; vgl. p. 33 r.k.) is het volkomen toevallig of de weg van onteigening dan wel die van minnelijke aankoop gevolgd wordt, waarover de huurder geen enkele zeggenschap heeft. Bij minnelijke aankoop gevolgd door opzegging volgens de wet met overeenkomstig oogmerk, aan welke opzegging in het algemeen geen schadeloosstelling is verbonden, zou de huurder derhalve gelijke vergoedingsrechten moeten hebben. Verlenging is hem in art. 1631a lid 2 onder 4° B.W. uit de hand geslagen. In art. 1636a B.W. is deze schadeloosstelling geregeld. Toen het begrip bedrijfsruimte in art. 1624 lid 2 B.W. bij nota van wijziging (stuk nr. 7) werd beperkt, is dan ook tegelijkertijd het huidige lid 5 aan art. 1636a B.W. toegevoegd. De regeling werd op deze wijze voor de door genoemde beperking buiten de regeling geplaatste huur-verhuur voor de uitoefening van een bedrijf gehandhaafd (M.v.A. p. 13).
De nieuw gegeven bescherming van de huurder in de artt. 1624 e.v. B.W. had niet de strekking, aldus de M.v.T. (p. 13 onder C resp. p. 36 onder C ), om tegen te gaan dat publiekrechtelijke lichamen de door hen benodigde panden, indien deze verhuurd zijn, door minnelijke aankoop in plaats door onteigening zouden zien te verkrijgen. Het in deze bescherming gelegen beletsel moest derhalve worden weggenomen, met uiteraard een gelijke schaderegeling. Dit leidde tot de bijzondere regel van het in dit geding omstreden art. 1636b B.W.
De kern van dit artikel is derhalve dat via minnelijke aankoop van verhuurde bedrijfsruimte dezelfde resultaten geboekt zouden kunnen worden als via toepassing van onteigening (art. 42 Onteigeningswet), welke mogelijkheid bij elke soort huur onbeperkt opengesteld is. De minimale termijn van een jaar voor de ontruiming van de ruimte volgend op de aankoop zou onder meer een bezwaar kunnen opleveren de weg van de minnelijke verkrijging van het onroerend goed op te gaan in plaats van op onteigening aan te sturen.
Weliswaar is duidelijk dat het primaire belang van art. 1636b B.W. schuilt in de voortijdige beëindiging van een nog lopende bepaalde huurtermijn. Doch dat het artikel niet zou mogen worden gebezigd om een opzegtermijn (deze kan langer zijn dan een jaar) bij een bedrijfsruimte ex art. 1624 lid 2 B.W. te doorbreken, stemt niet overeen met de als voorgaand bepaalde strekking van het artikel. Het is het sluitstuk in de regeling, die gericht is op dezelfde mogelijkheden en resultaten voor de minnelijke aankoop in het kader van de hier aan de orde zijnde huurbepalingen als bij onteigening. Vgl. in dit verband ook nog de opmerkingen van de afgevaardigde van den Heuvel, Handelingen Tweede Kamer p. 76, p. 94; M.v.A. Eerste Kamer, p. 4 ad art. 1636a.
Toepassing van art. 1636b B.W. ter doorbreking van een anders in acht te nemen opzeggingstermijn nadat men het goed door minnelijke koop heeft verkregen, ontmoet ook geen bezwaar, daar de datum waartegen ontbonden wordt, door de rechter wordt vastgesteld, die daarbij met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Het niet afwachten van het eind van de opzeggingstermijn heeft anderzijds ingevolge lid 2 van het artikel navenante gevolgen in de bepaling van de schadeloosstelling.
Ik zie aldus geen reden, waarom het stelsel van de wet zich tegen toepassing van art. 1636b B.W. op opzegbare huurovereenkomsten van bedrijfsruimten zou verzetten. Weliswaar ziet dit artikel alleen op bedrijfsruimten als bedoeld in artikel 1624 lid 2 B.W., doch dit is een gevolg van het feit dat deze bepaling tot stand kwam als tegenhanger van de in de wet gegeven nieuwe bescherming van de huurder van bedrijfsruimte. Aldus kwam in het geheel geen aan de Onteigeningswet complementaire regeling tot stand als gegeven in art. 1636b B.W. met betrekking tot voor lange duur gesloten huren of huren met lange opzegtermijn van ruimten voor bedrijfsdoeleinden, niet vallende onder art. 1624 lid 2 B.W.
Dat in het algemeen een ontbindingsvorm als in art. 1636b B.W. voorzien, niet bij opzegbare overeenkomsten zou passen, lijkt mij evenmin juist. Ik moge in dit verband verwijzen naar H.R. 3 december 1948, N.J. 1949, no. 338 (Ph.A.N.H.), waarbij Uw Raad besliste dat de in art. 1684 B.W. op bepaalde gronden toegelaten vordering tot ontbinding van de maatschap die voor bepaalde tijd is aangegaan, ook openstaat ten aanzien van de maatschap die voor onbepaalde tijd aangegaan is. Vgl. ook artt. 51 en 52 tegenover 36 lid 2 Pachtwet , waarnaar bij het ontwerpen van deze regeling gekeken werd (vgl. onder meer M.v.T. p. 11, p. 13, p. 32).
Leiden mij - afgezien van de tekst van het artikel - de strekking van het artikel en het stelsel van de wet, met name gelet op de verhouding tot art. 1636a B.W. dat op een gewone afwikkeling van een opzegbare huur geënt is, tot een andere uitkomst dan de Rechtbank; ook in de wetshistorie heb ik daarvoor in afwijking van het hiervoor daaruit besprokene geen duidelijke aanhakingspunten gevonden.
Gezegd is, dat op de hierboven besproken plaats van de M.v.T. (p. 13 onder C) gesproken wordt over “tussentijdse ontbinding ... vorderen” en dat dit alleen betekenen kan “tijdens de lopende contractstermijn”. Daargelaten dat het op die plaats niet gaat om een woordgebruik met het oog op de onderhavige vraag, komt mij dit niet juist voor. Immers, zolang de huur niet is opgezegd duurt de huur voort en wel tot de datum waartegen rechtsgeldig zal zijn opgezegd. Ontbinding vóór dit laatste tijdstip is evenzeer tussentijds te noemen.
Men zij bij deze passage uit de M.v.T. er voorts op bedacht, dat het ontwerp toen nog een verlenging van de huurtermijn met telkens vijf jaren kende, indien opzegging een jaar voor het einde van de huurtermijn achterwege bleef. De huidige regeling van opzegging en verlenging in de artt. 1631-1631d B.W. evenals de huidige beperking van het begrip bedrijfsruimte in art. 1624 lid 2 BW - om welk een en ander het in casu gaat - is eerst bij de met de M.v.A. ingediende Nota van wijzigingen (stuk nr. 7) voorgesteld. Hantering van de M.v.T. dient derhalve in dit verband voorzichtig te geschieden.
Voorts is een beroep gedaan op de woorden van minister Polak (Handelingen Tweede Kamer p. 85/86). Deze richtte zich op de aangehaalde plaats tegen het amendement van den Heuvel (stuk nr. 21), welk amendement het recht op schadeloosstelling van de huurder uit art. 1636a lid 1 B.W. niet slechts erkend wilde zien, indien de opzegging door de nieuwe eigenaar/verhuurder binnen een termijn van vijf jaren na de eigendomsovergang zou plaats vinden, zoals in het ontwerp was bepaald. Het amendement, dat aangenomen zou worden, stelde schrapping van deze termijn voor. In dat verband zet de minister t.a.p. de betekenis van art. 1636a lid 1 B.W. uiteen. Het gaat niet om art. 1636b B.W., tegen welk artikel hij zich in zijn betoog afzet, omdat dat artikel, zoals door van den Heuvel ter toelichting van het amendement was gezegd, zodanige termijn van vijf jaren niet kende en kent.
In dat betoog, dat ik hier zal parafraseren, is het duidelijk dat de Minister de aandacht erop vestigt dat art. 1636b B.W. nu juist, anders dan met art. 1636a B.W. het geval kan zijn (zo ook de Minister, Handelingen Tweede Kamer p. 94 r.k.), op de eerste twee termijnen van vijf jaren van toepassing is. Tijdens de overeengekomen termijn van de huur mag de huurder erop rekenen in ieder geval tot het einde van de huurtermijn in het genot van het gehuurde te blijven. Art. 1636a lid 1 B.W. betreft de situatie dat de huur opzegbaar is, dus als de huur al tenminste tien jaren heeft geduurd en de huur in het algemeen zonder enige schadeloosstelling op elk ogenblik kan worden opgezegd. Het gaat om een periode, waarin de huurder het volle profijt heeft getrokken. Daarom achtte de Minister het niet rationeel nog recht op schadeloosstelling aan de huurder toe te kennen, ook wanneer reeds meer dan vijf jaren na de verkrijging door de nieuwe eigenaar/verhuurder zouden zijn verstreken, in het geval voorzien in art. 1636a B.W.
Uit dit betoog, dat niet gericht was op een nadere omlijning van art. 1636b B.W. en met name niet op de vraag in welke gevallen dat artikel toegepast zou kunnen worden, valt m.i. geen argument te putten voor een enge uitleg van art. 1636b B.W., die noch uit de tekst zelf noch uit de strekking van het artikel of het stelsel van de wet volgt. In dit licht werden de gebezigde woorden door de spreker niet gewogen.
Ik kom aldus tot dezelfde uitkomst als van den Heuvel, losbladig “Huurrecht”, aant. 2 op het met art. 1636b overeenstemmende art. 1623g B.W., welke schrijver bij zijn commentaar op art. 1636b geen duidelijk standpunt hieromtrent onderkennen laat.
Het is in dit verband wellicht goed op te merken, dat art. 1623g eerst bij de eerste Nota van wijzigingen (stuk nr. 6) in de wet van 15 juni 1972 S. 305 werd voorgesteld, bij welke wet de artt. 1623a–1623g in het Burgerlijk Wetboek werden gevoegd. Ik heb bij dit voorstel geen toelichting gevonden. Het met art. 1631a lid 2 onder 4°, B.W. overeenstemmende art. 1623e lid 1 onder 6° (in ontwerp nog: 7°) B.W. werd bij tweede Nota van wijzigingen (stuk nr. 10) voorgesteld om de regeling in overeenstemming te brengen met de wettelijke regeling inzake huur en verhuur van bedrijfsruimte. Overigens was reeds op de vraag uit het V.V. (p. 4 l.k.) bij M.v.A. (p. 4 l.k.) geantwoord dat onder de term “eigen gebruik” in de zin van art. 1623e lid 1 onder 4° B.W. ook valt afbraak van het verhuurde in verband met een bestemmingsplan.
Middag en van Muiden, “Nieuw huurrecht bedrijfsruimten” (1971), p. 93–97 onderscheiden de artt. 1636a en 1636b in dier voege dat art. 1636b de oplossing biedt als de verhuurder langs minnelijke weg eigenaar geworden, het verstrijken van de contractstermijn niet kan afwachten en er geen opzegging van de huurovereenkomst mogelijk is. Tevoren hebben zij besproken dat art. 1636a B.W. aan opzegging van een opzegbare huur schadeloosstelling verbindt, indien dit door de nieuwe eigenaar geschiedt met het oog op afbraak ter uitvoering van werken in het algemeen belang. Het blijkt niet dat men zich verdiept heeft in de vraag of art. 1636b B.W. ook toepassing zou kunnen vinden om een opzeggingstermijn te doorbreken. Van die mogelijkheid gaan zij in ieder geval niet uit. In zijn “Nieuw huurrecht woonruimten” (1972), p. 40 onder e neigt Middag in de richting van een beperkte uitleg van het overeenkomstige art. 1623g B.W. Maar ook hier is niet duidelijk, of de schrijver daarbij aan het onderhavige probleem gedacht heeft.
Hetzelfde schijnt mij te gelden t.a.v. de Mol, “Huurrecht” (1977), onder 3.16.2, p. 260, die met betrekking tot de artt. 1623g en 1636b schrijft, dat deze daarin voorzien dat “op het moment dat zij (die de reeds verhuurde panden hebben aangekocht; t.K.) tot verwezenlijking van het bestemmingsplan willen en kunnen overgaan”, het allerminst zeker is “dat zij ook de huurovereenkomsten geldig zullen kunnen opzeggen”.
Een en ander samenvattende kom ik tot de conclusie dat onderdeel 1 van het middel gegrond te achten is. De overige klachten behoeven derhalve geen bespreking meer, nu deze uitsluitend varianten op de klacht in het eerste onderdeel inhouden.
Aangezien de tweede appelgrief opkwam tegen de door de Kantonrechter in conventie bepaalde ontruimingstermijn en de Rechtbank aan de bespreking van die grief niet is toegekomen, zal Uw Raad, indien hij tot vernietiging van het bestreden vonnis komt, de zaak in conventie niet ten principale kunnen afdoen door een bekrachtiging van het vonnis van de Kantonrechter.
Het cassatiemiddel gegrond bevindende, concludeer ik tot vernietiging van het bestreden vonnis van de Rechtbank met verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ten einde deze verder te behandelen en te beslissen met inachtneming van het door Uw Raad te wijzen arrest en met een beslissing omtrent de kosten naar Uw Raad zal vermenen te behoren.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,