HR, 14-03-1980, nr. 11541
ECLI:NL:PHR:1980:AC3465
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-03-1980
- Zaaknummer
11541
- LJN
AC3465
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1980:AC3465, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑03‑1980; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1980:AC3465
ECLI:NL:PHR:1980:AC3465, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑03‑1980
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1980:AC3465
- Vindplaatsen
Uitspraak 14‑03‑1980
Inhoudsindicatie
Geval waarin geen plaats is voor wijziging van rechtswege (van bij rechterlijke uitspraak of overeenkomst vastgesteld bedrag voor levensonderhoud) per 1 januari van het jaar waarin de uitkering is vastgesteld.
14 maart 1980
J.O.
De Hoge Raad der Nederlanden,
in de zaak nr. 11.541 van
[de man] , wonende te [woonplaats], eiser tot cassatie. van een tussen partijen, zo in conventie als in reconventie, gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 april 1979, kosteloos procederende krachtens. beschikking van de Hoge Raad van 14 september 1979, vertegenwoordigd. door Mr. R. Laret, advocaat bij de Hoge Raad,
tegen
[de vrouw] , wonende te [woonplaats], verweerster in cassatie, kosteloos procederende krachtens beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 20 juli 1978, vertegenwoordigd door Mr. H.A. Groen, eveneens advocaat bij de Hoge Raad;
Gehoord partijen;
Gehoord de Advocaat-Generaal Haak in zijn conclusie tot verwerping van het beroep, met compensatie van kosten;
Gezien de bestreden uitspraak en de overige stukken van het geding, waaruit blijkt:
Verweerster (de vrouw) heeft bij exploot van 21 augustus 1978 eiser (de man) gedagvaard voor het Gerechtshof te Amsterdam, stellende:
1. De vrouw verschilt met de man van mening over de vraag of de krachtens beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 januari 1978 door de man met ingang van 1 februari 1977 verschuldigde uitkering voor levensonderhoud van de vrouw ten bedrage van f 700, -- per maand op 1 januari 1978. ingevolge artikel 402a van het Burgerlijk Wetboek van rechtswege is gewijzigd;
2. blijkens aangehechte akte van prorogatie zijn partijen overeengekomen hun geschil aan het Hof voor te leggen omdat het immers een beschikking van het Hof betreft;
3. de vrouw is van oordeel dat nu het Hof, met vernietiging van de beschikking waarvan beroep de door de man verschuldigde alimentatie ingaande 1 februari 1977 heeft bepaald op f 700, -- , dit bedrag op 1 januari 1978 krachtens artikel 402a van het Burgerlijk Wetboek van rechtswege is gewijzigd en dat alleen anders zou kunnen worden geoordeeld indien het Hof in zijn beschikking een zodanige wijziging had uitgesloten.".
Op grond van het vorenstaande heeft de vrouw gevorderd dat het Hof zal verklaren voor recht dat de door de man verschuldigde uitkering voor het levensonderhoud van de vrouw op 1 januari 1978 van rechtswege is gewijzigd.
De man heeft bij conclusie van antwoord de vordering van de vrouw bestreden en in reconventie gevorderd dat het Hof zal verklaren voor recht dat de bij 's Hofs beschikking van 11 januari 1978 vastgestelde alimentatie van f 700, -- per maand niet op 1 januari 1978 van rechtswege is gewijzigd.
Het Hof heeft bij zijn voormelde arrest van 18 april 1979 in conventie voor recht verklaard dat de door de man voor het levensonderhoud van de vrouw verschuldigde uitkering op 1 januari 1978 van rechtswege is gewijzigd. In reconventie heeft het Hof de vordering afgewezen. Het Hof heeft overwogen:
"1. Partijen hebben een geschil over de vraag of de krachtens de tussen partijen gewezen beschikking van het Hof van 11 januari 1978, waarvan een fotokopie aan dit arrest is gehecht, door de man met ingang van 1 februari 1977 verschuldigde uitkering voor het levensonderhoud van de vrouw ad f 700, -- per maand op 1 januari 1978 ingevolge artikel 402a van het Burgerlijk Wetboek van rechtswege is gewijzigd.
Partijen zijn schriftelijk - bij akte van 31 juli 1978 - overeengekomen om bedoeld geschil bij wege van prorogatie door het Hof te doen beslissen.
2. Ingevolge artikel 402a van het Burgerlijk Wetboek dient de onderhoudsuitkering, zoals vastgesteld bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst, aan het eind van het jaar te worden aangepast met een percentage, als in voormeld artikel genoemd.
De wetgever heeft hiermee beoogd de uitkeringen zoveel mogelijk de - landelijke - ontwikkeling van de lonen te doen volgen.
De rechter kan - evenwel - op grond van het bepaalde in lid 5 van artikel 402a van het Burgerlijk Wetboek, de wijziging van rechtswege uitsluiten, bijvoorbeeld voor een jaar. Voor het laatste zal aanleiding bestaan, indien bij de vaststelling van de uitkering reeds rekening is gehouden met de gegevens, geldend voor dat betreffende jaar.
3. In het onderhavige geval is de uitkering aangevangen op 1 februari 1977. De wijziging van rechtswege is niet bij de beschikking van 11 januari 1978 uitgesloten. Voorts blijkt uit de beschikking niet dat bij de bepaling van de uitkering rekening is gehouden met de gegevens, geldend voor 1978, welke gegevens aan het Hof trouwens nog niet bekend waren. Dit brengt mee dat op de uitkering toepasselijk is de verhoging van rechtswege per 1 januari 1978.
De omstandigheid dat de "vaststelling" van de uitkering is geschied bij een uitspraak, gelegen na 1 januari 1978, is in dit verband zonder betekenis. ";
Overwegende dat de man 's Hofs arrest bestrijdt met het volgende middel van cassatie:
"In dit beroep in cassatie wordt geklaagd over schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich medebrengt, zulks op grond van het navolgende:
(1) In het te dezen bestreden arrest heeft het Hof voor recht verklaard dat de door de man voor het levensonderhoud van de vrouw verschuldigde uitkering op 1 januari 1978 van rechtswege is gewijzigd. Het Hof heeft daarbij overwogen, dat de uitkering is aangevangen op 1 februari 1977, dat de wijziging van rechtswege bij de beschikking van 11 januari 1978 (waarbij die uitkering werd vastgesteld) niet is uitgesloten en tenslotte dat de omstandigheid dat de "vaststelling" van de uitkering is geschied bij een uitspraak, gelegen na 1 januari 1978 in dit verband zonder betekenis is.
Aldus overwegende en beslissende heeft het Hof het recht geschonden. Een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud is vatbaar voor wijziging wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Een voorbeeld van zodanige wijziging is de wijziging van rechtswege ingevolge artikel 402a van het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek. Ook deze wijziging kan dus slechts van toepassing zijn na het tijdstip waarop de uitkering is bepaald en niet na het tijdstip waarop de uitkering is ingegaan.
(2) In de te dezen bestreden uitspraak heeft het Hof tevens overwogen, dat uit de beschikking niet blijkt, dat bij de bepaling van de uitkering rekening is gehouden met de gegevens, geldend voor 1978, welke gegevens aan het Hof trouwens niet bekend waren.
Aldus overwegende heeft het Hof het recht geschonden althans zijn beslissing niet naar de eis der wet met redenen omkleed zulks op grond van de navolgende zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang te lezen redenen:
( a) De Rechter, uitspraak doende betreffende levensonderhoud, wordt geacht die uitspraak te doen steunen op de omstandigheden van partijen zoals die hem bij het geven van zijn uitspraak bekend zijn. In het onderhavig geval is uitspraak gedaan in 1978 zodat er van moet worden uitgegaan dat aan die uitspraak de omstandigheden van partijen als geldend voor dat jaar ten grondslag hebben gelegen. Anders dan het Hof aanneemt had derhalve uit de beschikking moeten blijken, dat daarin met de omstandigheden geldend voor 1978 geen rekening was gehouden om met zodanig gegeven bij de uitleg van de beschikking rekening te mogen houden.
( b) De omstandigheid dat uit de beschikking niet blijkt, dat bij de bepaling van de uitkering rekening is gehouden met de gegevens, geldend voor 1978, welke gegevens aan het Hof trouwens niet bekend waren is een stelling van feitelijke aard, die uit de door partijen in dit geding genomen conclusies niet blijkt. Aldus heeft het Hof in strijd met zijn taak de feitelijke gronden aangevuld en is getreden buiten de grenzen die partijen aan hun rechtsstrijd hadden gegeven.
( c) De overweging van het Hof dat bij de bepaling van de uitkering de gegevens geldend voor 1978 trouwens aan het Hof nog niet bekend waren is onbegrijpelijk. De beschikking - gegeven op 11 januari 1978 - vermeldt omstandig hetgeen ten aanzien van de levensomstandigheden van partijen is gebleken en wel met name welke leeftijd zij thans hebben, welke inkomsten zij genieten, welke uitgaven te hunner laste komen en wat voor het overige hun persoonlijke omstandigheden waren die bij de vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud van betekenis waren. In het licht van deze gegevens blijkt uit de door het Hof gegeven uitspraak - in ieder geval zonder nadere uitleg - niet welke voor 1978 geldende gegevens naar het oordeel van het Hof nog niet bekend waren toen de beschikking werd gegeven waarvan partijen in het onderhavig geding de inhoud door het Hof nader wilden zien uitgelegd. Aldus is de te dezen door het Hof gegeven uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed. ";
Overwegende daaromtrent:
Het Hof heeft bij beschikking van 11 januari 1978 - een "latere uitspraak" als bedoeld in artikel 157 lid 1 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek - aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud ten bedrage van f 700, -- per maand ten laste van de man toegekend. Het Hof heeft bij die beschikking bepaald dat dit bedrag door de man verschuldigd is vanaf 1 februari 1977.
Het cassatiemiddel stelt de vraag aan de orde of dit bedrag ingevolge artikel 402a leden 1 en 2 van rechtswege is gewijzigd met ingang van 1 januari 1978. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord.
Volgens artikel 401 lid 1 kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij "nadien" door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Met "nadien" is bedoeld: na het tijdstip waarop de uitkering is vastgesteld.
De in artikel 402a leden 1 en 2 vervatte regeling beoogt de wijziging van omstandigheden, die haar uitdrukking vindt in de ontwikkeling van het in de laatste zinsnede van het eerste lid bedoelde indexcijfer, van rechtswege - dus zonder daartoe strekkend verzoek - te doen leiden tot een overeenkomstige wijziging van de bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst "vastgestelde" bedragen voor levensonderhoud, welke wijziging volgens het tweede lid ingaat op 1 januari volgende op de in het eerste lid genoemde datum.
Gelet op het verband tussen artikel 401 lid 1 en artikel 402a leden 1 en 2 en de in die artikelen gebezigde terminologie - "nadien" (artikel 401 lid 1), de bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst "vastgestelde" bedragen (artikel 402a lid 1) - moet worden aangenomen dat in een geval als het onderhavige geen plaats is voor een wijziging van rechtswege per 1 januari van het jaar waarin de uitkering is vastgesteld.
Het Hof, in zijn bestreden arrest overwegende dat "uit de beschikking niet (blijkt) dat bij de bepaling van de uitkering rekening is gehouden met de gegevens, geldend voor 1978, welke gegevens aan het Hof trouwens nog niet bekend waren", hecht voor de vraag of in een geval als het onderhavige plaats is voor een wijziging van rechtswege als in de vorige alinea bedoeld, kennelijk betekenis aan de vraag van welke gegevens de rechter bij zijn beschikking is uitgegaan. Een dergelijke uitleg van de indexeringsregeling, welke regeling erop is gericht dat partijen zonder inschakeling van de rechter kunnen vaststellen welk bedrag moet worden betaald, zou echter in de praktijk tot teveel onzekerheden leiden.
Wijziging van een bij een uitspraak als de onderhavige vastgestelde uitkering kan - afgezien van toekomstige wijzigingen van rechtswege - alleen worden verkregen door wijziging te verzoeken op grond van artikel 401 lid 1 of lid 2.
Onderdeel 1 van het middel is dus gegrond en onderdeel 2 behoeft geen bespreking.
Het arrest van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen;
Vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 april 1979;
In conventie:
Wijst af de vordering van de vrouw;
In reconventie:
Verklaart voor recht dat de bij 's Hofs beschikking van 11 januari 1978 vastgestelde alimentatie van f 700, -- per maand niet op 1 januari 1978 van rechtswege is gewijzigd;
Met betrekking tot de kosten van het geding, zo in cassatie als voor het Hof, in conventie en in reconventie: Compenseert die kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Aldus gedaan door Mrs. Ras, Vice-President, Drion, Snijders, Haardt en Royer, Raden, en door Mr. Drion voornoemd bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van de veertiende maart 1900 tachtig, in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Franx.
Conclusie 14‑03‑1980
Inhoudsindicatie
Geval waarin geen plaats is voor wijziging van rechtswege (van bij rechterlijke uitspraak of overeenkomst vastgesteld bedrag voor levensonderhoud) per 1 januari van het jaar waarin de uitkering is vastgesteld.
na .-
Nr. 11.541
Zitting 25 januari 1980
Mr. Haak.
Conclusie inzake:
[de man]
tegen
[de vrouw]
Edelhoogachtbare Heren,
1. De in deze zaak aan Uw Raad voorgelegde rechtsvraag luidt in zijn algemeenheid aldus: Wordt een, in een na 1 januari van enig jaar gegeven rechterlijke uitspraak vastgesteld maandelijks bedrag aan levensonderhoud, ingaande op een voor 1 januari vallend tijdstip, met ingang van die datum van 1 januari ingevolge art. 402a Boek 1 BW van rechtswege gewijzigd?
Reeds aanstonds vermeld ik, dat voor een soortgelijk geval reeds een beslissing is gegeven; H.R. 29 nov. 1974, NJ 1975, 228, m.o. E.A.A.L. De casuspositie is daar echter net andersom: daar ging het om een rechterlijke uitspraak van voor 1 januari, waarin een bijdrage een levensonderhoud werd vastgesteld, die na 1 januari inging. Uw Raad besliste toen, dat indien tussen de uitspraak van de rechter en het tijdstip waarop de uitkering ingaat de datum van 1 januari verstrijkt, de wijziging van rechtswege van toepassing is, uiteraard behoudens de bevoegdheid van de rechter om in zijn vonnis anders te bepalen.
2. Thans de onderhavige zaak:
De man - eiser tot cassatie - en de vrouw - verweerster in cassatie - zijn van echt gescheiden. De Rechtbank bepaalde bij beschikking van 23 juni 1977 op het verzoek van de vrouw, dat de man met ingang van 23 juni 1977 maandelijks f 800,- aan levensonderhoud aan de vrouw diende te voldoen. De man ging van die beschikking in hoger beroep en verzocht het Hof, met vernietiging van die beschikking, het in eerste instantie gedane verzoek van de vrouw af te wijzen voor zover te boven gaande het bedrag van f 400,- per maand tot 1 januari 1978, en tot bepaling dat de man na 1 januari 1978 geen levensonderhoud aan de vrouw verschuldigd zal zijn.
De vrouw verzocht, incidenteel appellerende, het bedrag aan levensonderhoud met ingang van 1 februari 1977 vast te stellen op f 1.100, - per maand. Men zie voor de achtergrond van het door haar verzochte tijdstip van 1 februari 1977 de beschikking van het Hof p. 2 in de eerste rechtsoverweging. Het verhoor van partijen en hun raadslieden heeft plaatsgevonden op 23 december 1977 (pleitnotities mr. Groen, p. 2, derde alinea). Het Hof heeft vervolgens een op 11 januari 1978 uitgesproken beschikking gegeven. Op het principaal en in het incidenteel hoger beroep beslist het Hof, met vernietiging van de beroepen beschikking, dat de man met ingang van 1 februari 1977 f 700,- per maand ten levensonderhoud aan de vrouw verschuldigd is.
Werd dit bedrag nu per 1 januari 1978 verhoogd met 8%, het indexeringspercentage voor 1978 (Stort. 14 nov. 1977)? Hierover ontstond een geschil tussen partijen, dat bij prorogatie aan het Hof is voorgelegd (art. 66 RO, artt. 329-331 Rv. ; Hugenholtz- Heemskerk, 12e druk, p. 19, 20). De vrouw vorderde verklaring voor recht, dat de door de man verschuldigde uitkering voor het levensonderhoud op 1 januari 1978 van rechtswege is gewijzigd. De man verweerde zich, zijnerzijds in reconventie verklaring voor recht vorderend dat deze wijziging van rechtswege niet per 1 januari 1978 is ingegaan.
Het Hof heeft bij arrest van 18 april 1979 de vrouw in het gelijk gesteld en 's mans vordering afgewezen.
Tegen dit arrest heeft de man beroep in cassatie ingesteld, één middel van cassatie aanvoerend, dat uiteenvalt in twee onderdelen, het tweede onderdeel in drie subonderdelen.
Het middel zal mijns inziens in al zijn onderdelen moeten falen. Ik ga eerst echter in op de algemene rechtsvraag.
3. Op het eerste gezicht lijkt H.R. 29 nov. 1974, NJ 1975, 228 ook een antwoord te geven op de onderhavige vraag. Uw Raad overwoog daar,
"dat toch met betrekking tot wijzigingen van uitkeringen tot levensonderhoud ingevolge art. 401 lid 1 van boek 1, zoals ook blijkt uit hetgeen in art. 401 lid 2 is bepaald, wordt uitgegaan van de toestand zoals deze was ten tijde dat de uitkering, waarvan wijziging wordt verzocht, werd bepaald, volgens de aan de rechter toen ten dienste staande gegevens; dat ook waar in het eerste lid van art. 401 wordt bepaald dat een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij 'nadien' door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen, met 'nadien' niet is bedoeld: na het tijdstip waarop de uitkering is ingegaan, maar: na het tijdstip waarop de uitkering is bepaald;
dat met de indexeringsregeling van onderhoudsuitkeringen is beoogd als algemeen beschouwde wijzigingen in de draagkracht van onderhoudsuitkeringen, - zoals deze zijn vastgesteld bij de in art. 402a lid 2 bedoelde ministeriële beschikking, - van rechtswege en zonder daartoe strekkend verzoek van de onderhoudsgerechtigden te doen leiden tot een overeenkomstige wijziging in de voor onderhoud verschuldigde bedragen, voor welke algemene wijziging de datum van 1 jan. is aangenomen;
dat ook voor deze wijziging van rechtswege vorenbedoeld uitgangspunt geldt zodat, indien tussen de uitspraak van de rechter en het tijdstip waarop de uitkering ingaat de datum van 1 jan. verstrijkt de wijziging van rechtswege van toepassing is, uiteraard behoudens de bevoegdheid van de rechter om in zijn vonnis anders te bepalen;"
Zou men ook in het onderhavige geval vasthouden aan de overweging dat met 'nadien' niet is bedoeld: na het tijdstip waarop de uitkering is ingegaan, maar: na het tijdstip waarop de uitkering is bepaald, dan zou een oppervlakkige vergelijking tot de opvatting kunnen leiden, dat in het onderhavige geval de eerste wijziging van rechtswege na het tijdstip waarop de uitkering is bepaald (dus 1 jan. 1979), en niet de eerste wijziging van rechtswege na het ingaan van de uitkering, maatgevend is. Een verdergaande beschouwing brengt mij echter tot de overtuiging, dat een zo algemene betekenis aan voornoemd arrest niet kan worden gegeven zonder in strijd te komen met de strekking van de op 1 jan. 1973 in werking getreden Wet van 6 juli 1972, S. 390, die de indexering van uitkeringen tot levensonderhoud invoerde. Voornoemd arrest is, toegepast op de gevallen waarop het m.i. is toegesneden ( - bepaling uitkering/1 jan./ingaan uitkering -) geheel in overeenstemming met de strekking van deze wet. In het onderhavige geval gaat het om een geheel andere casuspositie ( - ingaan uitkering/1 jan./bepaling uitkering met terugwerkende kracht - }.
De strekking van de Wet van 6 juli 1972, S. 390 is om de regelmatige stijging van het inkomens- en prijspeil te doen resulteren in een bij benadering overeenkomstige stijging van de uitkeringen, zonder dat de onderhoudsgerechtigde genoodzaakt is om met beroep op art. 401 Boek 1 B.W. langs de weg van een rechterlijke uitspraak deze verhoging te bewerkstelligen; cf. H.R. 6 jan. 1978, NJ 1978, 466. De ontwikkeling van een algemeen indexcijfer geeft niet meer dan een vermoeden dat de individuele draagkracht en behoeften van partijen in een alimentatieverhouding in ongeveer gelijke mate zijn gewijzigd; cf. M.v.T., gepubliceerd in Bijlage 23 van de losbladige uitgave Personen- en Familierecht, ad. p. 5. De door deze wet gekozen maatstaf is vrij grof, zoals de M.v.A. (t.a.p., p. 16) ook toegeeft. In individuele gevallen geeft "het wettelijke stelsel ( ..... ) de nodige ruimte voor een billijke oplossing, nu ( ..... ) de wijziging van rechtswege ( ..... ) kan worden uitgesloten", M.v.A., t.a.p., p. 17.
Men zie over bovenstaande materie de losbladige uitgave Personen- en Familierecht, Deel II, ad art. 402a; Van Mourik- Jongsma, Het Nederlands vermogensrecht bij echtscheiding, 1978, p. 336 et seq .; Asser-De Ruiter- Moltmaker, Personen- en Familierecht, Deel II, p. 304-305; Minkenhof, De Wet herziening echtscheidingsrecht, p. 73 e.v., J.A.M.P. Keijser, Handleiding bij scheiding, Serie Recht en Praktijk, p. 84 e.v .; F.W. Grosheide en F.J.A. van der Velden, Uitkering en indexering na echtscheiding, preadvies Ned. Ver. voor Rechtsvergelijking, 1980, Hoofdstuk II, Stand van het alimentatiedebat en de wettelijke indexering in Nederland, en Hoofdstuk IV, Indexeren.
Het preadvies van Grosheide en Van der Velden (dat eerst in februari 1980 zal verschijnen, doch dat ik thans - januari 1980 - in manuscript heb kunnen inzien) acht het Nederlandse wettelijke stelsel bij onderhoudsverplichtingen te berusten op een wettelijk valorisme, evenals in Frankrijk, België en Zweden, waarbij niet de nominale, maar de koopkrachtwaarde van het geld als uitgangspunt wordt genomen. Men zie het Preadvies, Hfdst. IV, par. 6 en noot 57. Daarbij kent Frankrijk een wettelijke indexering waar voor de concretisering rechterlijke tussenkomst vereist is, België een wettelijke indexering bij echtscheiding op grond van bepaalde feiten, terwijl Nederland en Zweden zonder meer een automatische wettelijke indexering kennen bij onderhoudsuitkeringen (Preadvies, Hfdst. VI, Evaluatie, par. 10, Indexering en onderhoudsuitkering). Hoofdkenmerk van de wettelijke indexering in Nederland en in Zweden is het "automatisme', d.w.z. het optreden van rechtswege, en uitsluiting eerst door rechterlijke tussenkomst.
Daarbij wordt het indexeringspercentage, waarmede de alimentatie per 1 januari wordt verhoogd, weliswaar afgestemd op de loonontwikkeling in het afgelopen jaar, doch de verhoging van rechtswege gaat in op de onderstelling van een verhoogd geldelijk inkomen van de onderhoudsplichtige per 1 januari bij overigens gelijkblijvende omstandigheden; vgl. H.R. 1 okt. 1976, NJ 1977, 420. Voor de bepaling of de indexering moet worden uitgesloten zal men dan ook moeten beschikken over de gegevens van het inkomen van de alimentatieplichtige over het nieuwe jaar. Zoals Uw Raad ook heeft beslist in H.R. 19 nov. 1976, NJ 1977, 497. Een andere opvatting zou in strijd komen met het rechtskarakter van de alimentatieuitkering ten behoeve waarvan de wetgever zich heeft bediend van een valoristisch systeem. De onderhoudsaanspraak geeft dus recht op levensonderhoud -- en nu citeer ik het eerdergenoemde preadvies, Hfdst. IV, par. 8 -- " dat wil zeggen, voorzover voldoening aan de daarmee corresponderende verplichting niet in natura plaatsvindt op de waarde, die hoeveelheid koopkracht die de alimentatiegerechtigde blijvend in staat stelt uit de eenmaal toegekende uitkering en overeenkomstig het daarmee nagestreefde doel in zijn levensonderhoud te voorzien. Daarmee is tevens gezegd dat de aanpassing aan de geldontwaarding met toekenning van de uitkering gegeven is, daarin van meet af aan zit ingeweven. " Men vergelijke ook de aanhaling in dit preadvies, Hfdst. IV, par. 8, o.m. nt. 89 van S. Simitis, Inflationsbewältigung im Zivil- und Arbeitsrecht (General-referat), in Kötz/Reichert-Facilides, p. 49 e.v. Voor de wetshistorische basis, die aan dit standpunt in Nederland ten grondslag ligt verwijs ik naar de M.v.A. bij het wetsontwerp, dat leidde tot de Wet van 6 juli 1972, S. 390, en naar hetgeen de Min. van Justitie heeft betoogd naar aanleiding van een amendement Haas-Berger. Beide relevante passages zijn integraal weergegeven in de conclusie van mijn ambtgenoot Van Soest bij H.R. 19 nov. 1976; men zie NJ 1977, p. 1652 linker- en rechterkolom.
Ofschoon deze passages op zichzelf niet in overeenstemming zijn met de M.v.T.,kan meer gezag worden toegekend aan het in die passages vervatte standpunt dan aan dat in de M.v.T. Men zie Mevr. Minkenhof, in de losbladige uitgave Personen- en Familierecht, Kluwer, ad art. 402a, p. 4 en 5 alsmede de zoëven genoemde conclusie van A .- G. van Soest. Bedoeld standpunt meen ik ook te lezen uit H.R. 19 nov. 1976, NJ 1977, 497.
De opvatting, dat een rechter, die met terugwerkende kracht een bedrag tot levensonderhoud vaststelt op een tijdstip waarop het wettelijk indexeringspercentage voor het jaar volgend op dat, ten aanzien waarvan hem de gegevens van partijen ten dienste staan reeds bekend is (men denke aan het onderhavige geval; meestal is het percentage reeds in november bekend, cf. Personen- en Familierecht, Kluwer, art. 402a, overgangsbepaling, p. 3), bij het bepalen van dat bedrag reeds geacht moet worden rekening te hebben gehouden met dat percentage, zodat in dat bedrag reeds verdisconteerd zou zijn het wettelijk percentage per de datum van 1 januari na het ingaan van die bijdrage, lijkt mij daarom met bedoeld standpunt niet te verenigen. Iets anders is, dat het ongetwijfeld aanbeveling verdient, dat de rechter in zijn uitspraak geen misverstand laat bestaan, en duidelijk aangeeft of de wettelijke indexering al dan niet is uitgesloten, waarover J.A.M. P. Keijser, Alimentatie en indexering, in: WPNR 5303, p. 280 e.v. Veeleer brengt genoemde opvatting met zich mee, dat een rechter die aan de hand van gegevens over een bepaald jaar een uitkering tot levensonderhoud vaststelt, geen rekening behoeft te houden met de wettelijke indexering, die van rechtswege zal gelden over het eenmaal vastgestelde bedrag met ingang van de eerstvolgende datum van 1 januari van het jaar volgend op dat ten aanzien waarvan gegevens aan de rechter ten dienste staan. De rechter mag er immers vanuit gaan, dat het inkomen van de onderhoudsplichtige met ingang van de datum van 1 januari van het jaar volgend op dat, waarvan de gegevens aan de rechter ten dienste staan, omhoog gaat bij overigens gelijkblijvende omstandigheden. De wet opent de mogelijkheid de wijziging van rechtswege uit te sluiten, doch "dit punt zal bij het voor het eerst vaststellen van een uitkering aan de orde dienen te worden gesteld ( ..... ) door de onderhoudsplichtige, want het ligt op zijn weg aan te voeren dat het vermoeden van inkomsten, waarvan de wet uitgaat, voor zijn geval niet geldt", aldus Mevr. Minkenhof, Personen- en Familierecht, Kluwer, losbladig, art. 402a, aant. 1, p. 2, 3. In dit systeem past een beslissing als Uw Raad in 1974 heeft gegeven (NJ 1975, 228), althans voor gevallen waarbij de uitkering is bepaald voor 1 januari, terwijl die uitkering ingaat nà 1 januari. Alsdan geldt dus de wijziging van rechtswege per die datum van 1 januari. Uw Raad hanteerde in dat arrest als extra argument, dat een andere uitlegging het niet te aanvaarden resultaat zou meebrengen, dat wanneer tegelijkertijd een voorlopige en een definitieve uitkering wordt bepaald, de eerste wel van rechtswege zou worden verhoogd en de tweede, indien het vonnis inmiddels niet is ingeschreven, niet. Zou aan dit arrest een zo wijde strekking worden toegekend, dat het óók van toepassing geacht moet worden te zijn op gevallen als de onderhavige, waarin de uitkering is ingegaan vóór 1 januari op grond van een beschikking nà 1 januari, waarin de uitkering met terugwerkende kracht is bepaald, dan zal m.i. voor die gevallen een resultaat worden bereikt, dat tegenovergesteld is aan hetgeen de wetgever in 1972 nu trachtte te bereiken. Dit resultaat zou voor die gevallen ook niet stroken met het uitgangspunt van Uw Raad in dat arrest. Dat uitgangspunt is, dat in het algemeen bepalend voor de vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud is de toestand zoals deze was ten tijde dat de uitkering werd bepaald volgens de aan de rechter toen ten dienste staande gegevens.
In het onderhavige geval heeft het Hof die uitkering met ingang van 1 februari 1977 vastgesteld aan de hand van ter zitting van het Hof in december 1977 beschikbare gegevens over 1977. Althans geen gegevens over 1978, ik kom daar nog op terug. Ik merk terzijde op, dat het Hof in het onderhavige geval de beschikking heeft uitgesproken in januari 1978. Dat reeds daaruit moet volgen, dat het Hof de uitkering heeft bepaald aan de hand van gegevens uit 1978, gegevens die het Hof 'op dat moment' ten dienste stonden, lijkt mij onjuist. Het arrest H.R. 29 nov. 1974, NJ 1975, 228 dient niet zo letterlijk te worden begrepen als de man voorstaat. De zinsnede "na het tijdstip waarop de uitkering is bepaald" dient in het verband met het daaraanvoorafgaande, in het bijzonder het uitgangspunt van dat arrest in aanmerking genomen, te worden begrepen als "na het tijdstip waarop de uitkering volgens de aan de rechter toen ten dienste staande gegevens is bepaald". Uit de dagbepaling waarop de beschikking zal worden gegeven (art. 429 k Rv. ) of waarop de uitspraak zal plaatshebben (art. 45 Rv. ), een datum die nog kan worden aangehouden, kan toch niet zonder meer worden afgeleid, dat tot dat tijdstip aan de rechter gegevens daterend van dat tijdstip ter beschikking hebben gestaan. Ook daarop kom ik hieronder terug.
Gelet op de strekking der wet, mede in aanmerking genomen H.R. 29 nov. 1974, NJ. 1975, 228 en H.R. 19 nov. 1976, NJ 1977, 497, dient m.i. het volgende systeem in acht te worden genomen: Wanneer de uitkering is bepaald aan de hand van gegevens over het jaar 1977, en de uitkering gaat in op een datum in 1978, is de wettelijke indexering per 1 januari 1978 van toepassing. Evenzeer zal, wanneer de uitkering is bepaald aan de hand van gegevens over het jaar 1977, en de uitkering gaat in op een eerdere datum in 1977, het eenmaal vastgestelde bedrag per 1 januari 1978 worden verhoogd met het percentage van de wettelijke indexering. Irrelevant is daarbij of de rechter deze beslissing in de loop van 1978 uitspreekt. Maatgevend is slechts over welk jaar materiaal aan de rechter ten dienste staat ter bepaling van de uitkering.
4. Met het vorenstaande staat het lot van het middel naar mijn mening reeds vast.
Het eerste onderdeel bestrijdt 's Hofs verklaring voor recht, dat de door de man voor het levensonderhoud van de vrouw verschuldigde uitkering op 1 januari 1978 van rechtswege is gewijzigd. Zoals uit het hiervoor onder 3. gestelde volgt, heeft het Hof, overwegende als in het eerste onderdeel van het middel is weergegeven, niet het recht geschonden.
Het tweede onderdeel van het middel klaagt erover, dat het Hof heeft overwogen, dat uit de beschikking niet blijkt, dat bij de bepaling van de uitkering rekening is gehouden met de gegevens, geldend voor 1978, welke gegevens trouwens aan het Hof nog niet bekend waren.
Zoals uit het onder 3. uiteengezette volgt, impliceert het feit, dat 's Hofs beschikking in 1978 is uitgesproken niet zonder meer, dat aan die uitspraak de omstandigheden van partijen als geldend voor 1978 ten grondslag hebben gelegen. Bepalend zijn de gegevens die de rechter ten tijde van de vaststelling ten dienste hebben gestaan. Dit zijn, zoals uit bedoelde beschikking kan worden opgemaakt, gegevens uit 1977. Althans die gegevens kunnen moeilijk anders dan op 1977 betrekking hebben. Men vergelijke bijvoorbeeld de vermelding van 's mans vakantietoeslag over 1977, alsmede de vermelding dat de man per 1 dec. 1977 zijn werkkring in het Jeugdcentrum heeft opgegeven. Daarbij gaat de rechter in onderhoudszaken als deze af op de gegevens, zoals deze hem schriftelijk worden verstrekt, en zoals deze mondeling nog worden aangevuld bij het verhoor van partijen en hun raadslieden, dat in het onderhavige geval plaatsvond in december 1977. In de onderhavige zaak, die in een beschikking uitmondde, is na dit verhoor het onderzoek gesloten en heeft de rechter, te dezen het Hof, na afloop van de behandeling de dag bepaald, waarop hij de beschikking zal geven, cf. art. 429 k Rv. Het geven van de beschikking (die in het onderhavige geval op 11 januari 1978 is uitgesproken) behoort niet tot de behandeling, cf. Kluwer, Rechtsvordering, losbladig, Boek I, ad art. 429 k, p. 985 in fine. Voor vonnissen zou men kunnen wijzen op art. 45 Rv .; men vergelijke hetgeen Van Rossem-Cleveringa, ad art. 45, aant. 4, alsmede Deel I, p. 629 in fine hierover zegt. Het Hof baseert de feiten in de beschikking van 11 jan. 1978 op de stukken en het verhoor van december 1977, Wanneer het Hof spreekt over 'thans', dient daaronder dus te worden verstaan de situatie, zoals deze uit de stukken en tijdens de behandeling (en niet na afloop van de behandeling) is gebleken.
Subonderdeel a treft derhalve geen doel.
Hierop strandt evenzeer subonderdeel b, dat zich tegen de derde rechtsoverweging van 's Hofs arrest richt. Afgaande op de gegevens in de op 11 januari 1978 uitgesproken beschikking na het verhoor van partijen in december 1977 kon het Hof in zijn arrest (gewezen door dezelfde kamer van het Hof met dezelfde kamervoorzitter) zonder aanvulling van feitelijke gronden en zonder te treden buiten de grenzen die partijen aan hun rechtsstrijd hadden gegeven, overwegen dat uit de beschikking niet blijkt dat bij de bepaling van de uitkering rekening is gehouden met de gegevens geldend voor 1978, welke gegevens trouwens - aldus overweegt het Hof ten overvloede - het Hof nog niet bekend waren.
Eenzelfde lot treft subonderdeel c, dat met een motiveringsklacht opkomt tegen de hiervoor genoemde overweging ten overvloede. Deze overweging is begrijpelijk, mede gezien in verband met de vastgestelde feiten nopens de levensomstandigheden van partijen aan de hand van de gegevens die het Hof ten dienste stonden bij de mondelinge behandeling van de zaak in december 1977, waarna de behandeling is gesloten.
5. Het middel in al zijn onderdelen ongegrond bevindend concludeer ik tot verwerping van het beroep, met compensering van de kosten tussen partijen, gewezen echtelieden.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,