HR, 23-05-1980, nr. 11544
ECLI:NL:PHR:1980:AC6896
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-05-1980
- Zaaknummer
11544
- LJN
AC6896
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht (V)
Goederenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1980:AC6896, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑05‑1980; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1980:AC6896
ECLI:NL:PHR:1980:AC6896, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 23‑05‑1980
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1980:AC6896
- Vindplaatsen
NJ 1980, 432 met annotatie van G.J. Scholten
NJ 1980, 432 met annotatie van G.J. Scholten
Uitspraak 23‑05‑1980
Inhoudsindicatie
Gift van hand tot hand van vader aan kinderen.
23 mei 1980
Br.
De Hoge Raad der Nederlanden,
in de zaak nr. 11.544 van
1. [eiser 1] , wonende te [woonplaats] , en
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres 2] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eisers tot cassatie van een tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 mei 1979, vertegenwoordigd door Mr. J.W. Lely, advocaat bij de Hoge Raad;
tegen
1. [verweerder 1] , wonende te [woonplaats] , en
2. [verweerster 2] , wonende te [woonplaats] , verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. H.A. Groen, eveneens advocaat bij de Hoge Raad;
Gehoord partijen;
Gehoord de Advocaat-Generaal Franx in zijn conclusie tot verwerping van het beroep;
Gezien het bestreden arrest en de stukken van het geding, waaruit het volgende blijkt:
Bij exploiten van 24 en 29 januari 1975 hebben de verweerders in cassatie - hierna ook te noemen [verweerder 1] en [verweerster 2] - de eisers tot cassatie - hierna ook aan te duiden als [eiser 1] en de B.V. - gedaagd voor de Arrondissements-rechtbank te Amsterdam. Zij hebben daarbij de veroordeling gevorderd van [eiser 1] en de B.V. om (1) de boeken van de B.V. open te leggen vanaf 1968, voor zover deze betrekking hebben op de rekeningen ten behoeve of ten name van [verweerder 1] en [verweerster 2] , en (2) aan [verweerder 1] en [verweerster 2] te betalen f 40.000, -- aan ieder van hen, met de daarop gekweekte rente, althans een dusdanig bedrag als uit de boeken zal blijken aan [verweerder 1] en [verweerster 2] toe te komen, doch in geen geval minder dan f 38.862,01, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Zij hebben daartoe - kort samengevat - het volgende gesteld:
dat [eiser 1] en zijn toenmalige echtgenote [betrokkene 1] aan elk der toen nog minderjarige [verweerder 1] en [verweerster 2] beiden f 20.000, -- hebben geschonken, dat het beheer over die gelden casu quo geldswaarden aanvankelijk door [betrokkene 1] is gevoerd, dat dit beheer in 1968 door [eiser 1] is overgenomen, dat [eiser 1] nog in datzelfde jaar het beheer heeft opgedragen aan de B.V. waarvan hij directeur is, dat [eiser 1] en de B.V. weigeren aan [verweerder 1] en [verweerster 2] enig inzicht te verschaffen ter zake van de hun uit voormelden hoofde toekomende bedragen en dat zij eveneens weigeren aan [verweerder 1] en [verweerster 2] het hun toekomende uit te betalen.
[eiser 1] en de B.V. verweerden zich - kort samengevat - met te stellen dat [eiser 1] en zijn toenmalige echtgenote nimmer aan [verweerder 1] en [verweerster 2] enige schenking hebben gedaan, doch dat hij het door [verweerder 1] en [verweerster 2] bedoelde gedeelte van zijn vermogen uitsluitend administreerde ten name van zijn kinderen.
Bij vonnis van 21 februari 1978 heeft de Rechtbank de vordering afgewezen. [verweerder 1] en [verweerster 2] zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam, onder aanvoering van twee grieven, welke door [eiser 1] en de B.V. zijn bestreden.
Bij het in cassatie bestreden arrest heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank vernietigd en een verschijning van partijen tot het geven van inlichtingen bevolen. Het Hof heeft daartoe overwogen:
"2. Tussen partijen staat vast dat sedert ongeveer 1965 bepaalde vermogenswaarden afzonderlijk ten name van [verweerder 1] en [verweerster 2] en hun broer [betrokkene 2] zijn beheerd, aanvankelijk door de moeder van de toen nog minderjarige [verweerder 1] en [verweerster 2] , [betrokkene 1] , die dit beheer in 1968 overdroeg aan [eiser 1] , die dit op zijn beurt toevertrouwde aan de B.V.
"3. Partijen verschillen echter van mening over de vraag, aan wie deze afzonderlijk beheerde vermogenswaarden toebehoren: [eiser 1] en de B.V. stellen dat zij tot het eigen vermogen van [eiser 1] behoren en dat hij dit deel van zijn vermogen bij zijn terugkeer uit Mexico in de zestiger jaren slechts uit fiscale motieven afzonderlijk via Zwitserland naar Nederland heeft doen komen en verder afzonderlijk - ten name van zijn kinderen, te weten [verweerder 1] en [verweerster 2] en hun broer [betrokkene 2] , - heeft doen administreren. [verweerder 1] en [verweerster 2] daarentegen stellen dat zij het totaal vormen van door [eiser 1] en hun moeder, [betrokkene 1] , destijds aan hen gedane schenkingen, zoals deze door het gevoerde beheer zijn aangegroeid.
"4. Omtrent dit geschil, dat door de beide grieven thans opnieuw aan de orde wordt gesteld, moet worden geoordeeld op grond van de volgende, door [verweerder 1] en [verweerster 2] gestelde, door [eiser 1] en de B.V. niet (voldoende) betwiste en dus vaststaande feiten en door [verweerder 1] en [verweerster 2] geproduceerde bescheiden:
Blijkens producties I - IV bij conclusie van repliek heeft [betrokkene 1] op 9 november 1965 - toen zij en de kinderen van partijen in Nederland woonden, maar [eiser 1] nog in Mexico woonachtig was - aan Crédit Suisse te Genève schriftelijk verzocht, haar 3 cheques ten name van de drie kinderen Wolf te zenden, elk ten bedrage van Zw.frs. 22.000, -- en is aan dit verzoek voldaan. De bedragen van de cheques werden betaald uit gelden van [eiser 1] die hij van Mexico naar Zwitserland had overgemaakt, naar hij stelt. Hij geeft ook op dat de overmaking der gelden naar Nederland overeenkomstig zijn wens is geschied. De Algemene Bank Nederland, aan welke deze bedragen zijn overgemaakt, heeft " [betrokkene 1] , adm. [verweerder 1] " respectievelijk " [verweerster 2] " voor deze bedragen gecrediteerd (ieder voor f 18.340, 30). Zij heeft daarvoor aandelen Robeco gekocht, van welke aankoop zij in haar genoemde hoedanigheid op 17 november 1965 schriftelijk bericht van de ABN heeft ontvangen. [betrokkene 1] heeft in 1968 van de opbrengsten van een te haren name staand huis in Mexico ad circa f 150.000, -- aan elk van de drie kinderen Wolf f 20.000, -- geschonken. Voor het restant (+ f 90.000, -- ) nam zij een cheque op eigen naam; zij gaf vervolgens het geld in beheer bij de B.V .; hierop heeft betrekking het als productie VI bij repliek overgelegde "betalingsadvies".
De in voorlopig getuigenverhoor gehoorde boekhouder van de B.V., [betrokkene 3] , verklaarde dat in 1968 door de ABN aan [eiseres 2] N.V. werd overgemaakt driemaal f 37.000, -- , van welk bedrag voor driemaal circa f 17.000, -- effecten werden gekocht (hetgeen bevestiging vindt in de brief van ABN aan [betrokkene 2] van 27 augustus 1969 (productie X bij conclusie van repliek) ) , terwijl het restant ad driemaal f 20.000, -- . werd geboekt als een schuld aan ieder van de drie kinderen [familienaam] , waarop aan het einde van ieder boekjaar rente werd bijgeschreven volgens een door een externe accountant van de N.V. vastgesteld percentage, tengevolge waarvan de saldi ten gunste van de kinderen in juni 1974 waren opgelopen tot f 26.000, -- à f 28.000, -- per persoon.
Ook de procuratiehouder van de B.V., [betrokkene 4] , verklaarde als getuige dat op de balans van de B.V. een schuld aan ieder van de kinderen Wolf voorkwam, welke per 30 juni 1973 f 28.000, -- per kind bedroeg en dat op die schulden jaarlijks rente werd bijgeboekt.
"5. Op grond van deze gegevens moet worden aangenomen dat zekere bestanddelen uit het vermogen van vader en moeder Wolf niet slechts sedert omstreeks 1965 afzonderlijk zijn geadministreerd, zoals [eiser 1] en de B.V. volhouden, maar dat zij destijds zijn afgescheiden van deze vermogens en sindsdien als afzonderlijke vermogens zijn beheerd. Een andere conclusie is niet mogelijk, nu voor een deel van deze. afgezonderde vermogenswaarden effecten ten name van [verweerder 1] en [verweerster 2] zijn gekocht, die door de ABN te hunnen name in depot worden gehouden, terwijl [verweerder 1] en [verweerster 2] voor het overige jaarlijks op de balansen van de B.V. voorkomen en deze vermogens tot heden als zodanig in stand zijn gehouden.
Een en ander vindt steun in het feit dat, zoals [verweerder 1] en [verweerster 2] onweersproken bij conclusie van repliek hebben gesteld, ten behoeve van [betrokkene 2] in mindering op zijn rekening bij de B.V. de op een blijkens diens verklaring door de getuige [betrokkene 3] opgemaakt rekeningoverzicht vermelde betalingen voor een auto, een autoverzekering en aankoop van effecten werden verricht tot een totaal bedrag van f 22.906,58.
"6. [eiser 1] en de B.V. hebben bij dupliek gesteld dat [eiser 1] bij zijn terugkeer uit Mexico naar Nederland, waar hij eerst in 1967 weer belastingplichtig werd, een deel van zijn vermogen ten name van zijn kinderen is gaan administreren uitsluitend teneinde in Nederland belastingheffing over dit deel van zijn vermogen te ontgaan. Dit fiscale doel was evenwel slechts bereikbaar, indien hij dit deel van zijn vermogen metterdaad van zijn eigen vermogen afscheidde, zodat dit fiscale motief de realiteit van de vermogensafzondering niet aantast maar juist onderstreept.
"7. De vraag is nu of de stelling van [verweerder 1] en [verweerster 2] juist is dat de in de zestiger jaren uit de vermogens van vader en moeder Wolf afgezonderde en op naam van hun kinderen gestelde vermogens aan deze kinderen zijn geschonken. Het Hof beantwoordt deze vraag bevestigend.
"8. Vaststaat - het tegendeel is gesteld noch gebleken - dat de genoemde vermogensverschuiving geschiedde om niet en zonder dat daartoe enige juridische of natuurlijke verbintenis bestond.
Hieruit moet worden geconcludeerd dat [eiser 1] en zijn toenmalige echtgenote de bedoeling hebben gehad hun kinderen te bevoordelen en de vermogensverschuiving dus uit vrijgevigheid plaatsvond.
"9. [eiser 1] en de B.V. hebben subsidiair aangevoerd dat de schenkingen nietig zouden zijn wegens het ontbreken van notariële akte(n). Dit verweer gaat niet op, omdat dit wettelijk vorm-vereiste hier niet geldt: voor zover hier sprake was van formele schenkingen, omdat het dan ging om schenkingen in de zin van artikel 1724 van het Burgerlijk Wetboek, welke van kracht waren "door de enkele overlevering"; voor zover het materiële schenkingen waren, omdat het dan geen schenkingen waren als bedoeld in artikel 1703 van het Burgerlijk Wetboek en dus geen authentieke akte vereist was.
"10. De geschonken gelden zijn aanvankelijk beheerd door [betrokkene 1] . [eiser 1] stelde bij dupliek dat zij, dit doende, het door hem voorgenomen beleid uitvoerde. Zelf nog in Mexico blijvende, heeft [eiser 1] klaarblijkelijk met zijn echtgenote afgesproken dat zij in Nederland de afgezonderde gelden zou beheren. Aldus handelende heeft [eiser 1] naar 's Hofs oordeel, daarbij uitoefenende de ouderlijke beheersmacht over de kinderen, de schenkingen voor hen aanvaard.
"11. Uit het voorgaande volgt dat de beide aangevoerde grieven gegrond zijn, zodat het vonnis waarbij de vorderingen van [verweerder 1] en [verweerster 2] werden afgewezen, niet in stand kan blijven. Deze vorderingen zijn thans in beginsel toewijsbaar.
[eiser 1] en de B.V. hebben nog wel aangevoerd dat de B.V. nimmer kan worden veroordeeld tot betaling van enig bedrag aan [verweerder 1] en [verweerster 2] , omdat dezen niet hebben gesteld uit welken hoofde de B.V. hun iets schuldig zou zijn.
Dit verweer gaat evenwel niet op: de B.V. voerde beheer voor [verweerder 1] en [verweerster 2] ; zij heeft de gevorderde vermogens dus onder zich; bovendien zijn, zoals de getuige [betrokkene 3] heeft verklaard, de beheerde gelden gedeeltelijk opgenomen onder de geldmiddelen van de B.V. Daarom is de B.V. in staat en verplicht samen met [eiser 1] zorg te dragen voor betaling aan [verweerder 1] en [verweerster 2] van het hun toekomende.
"12. Met betrekking tot de omvang van het verschuldigde wenst het Hof thans eerst nadere inlichtingen van partijen te ontvangen, waartoe een persoonlijke verschijning van partijen wordt bevolen.".
[eiser 1] en de B.V. bestrijden het arrest van het Hof met de volgende middelen van cassatie (de onderdelen 2, 3, 4 en 6 van middel IV zijn ingetrokken) :
"I. Schending van het recht alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven omdat het Hof op in zijn arrest vervatte en hier als overgenomen te beschouwen gronden heeft overwogen en beslist als in voormeld arrest omschreven, en wel om een of meer van de redenen die zijn vermeld in het navolgende.
(1) Het Hof overweegt in rechtsoverweging 5 dat moet worden aangenomen dat zekere bestanddelen uit het vermogen van vader en moeder Wolf niet slechts sedert omstreeks 1965 afzonderlijk zijn geadministreerd, maar dat zij destijds zijn afgescheiden van deze vermogens en sindsdien als afzonderlijke vermogens zijn beheerd. In rechtsoverweging 6 overweegt het Hof vervolgens, naar aanleiding van het aldaar nader omschreven fiscale motief voor administratie van een deel van het vermogen door [eiser 1] ten name van zijn kinderen, dat dit fiscale doel slechts bereikbaar was indien hij - [eiser 1] - dit deel van zijn vermogen metterdaad van zijn eigen vermogen afscheidde. Aan de hand hiervan oordeelt het Hof vervolgens, dat dit fiscale motief de realiteit van de vermogensafzondering niet aantast maar juist onderstreept.
(2) In rechtsoverweging 7 stelt het Hof vervolgens aan de orde, of de uit de vermogens van vader en moeder Wolf afgezonderde en op naam van hun kinderen gestelde vermogens aan deze kinderen zijn geschonken.
(3) Bij de beantwoording van deze vraag in de volgende rechtsoverwegingen overweegt het Hof in rechtsoverweging 8, dat de "genoemde vermogensverschuiving" geschiedde om niet en zonder dat daartoe enige juridische of natuurlijke verbintenis bestond.
(4) Onduidelijk en onbegrijpelijk is vooreerst hoe het Hof, terwijl in de voorafgaande overwegingen slechts sprake was van een vermogensafscheiding respectievelijk vermogensafzondering, blijkens rechtsoverweging 8 een vermogensverschuiving aanwezig oordeelt en wat het Hof met dit begrip bedoelt.
(5) Indien het Hof met de uitdrukking "vermogensverschuiving" bedoeld heeft, dat de uit de vermogens van vader en moeder afgezonderde en op naam van hun kinderen gestelde vermogens zijn overgegaan in eigendom althans in het bezit van laatst genoemden, is dit oordeel juridiek onjuist terwijl althans dit oordeel is onduidelijk en onbegrijpelijk, zoals hieronder zal worden uitgewerkt.
(6) Het oordeel is alsdan onjuist omdat afscheiding respectievelijk afzondering, als door het Hof onder meer in rechtsoverweging 5 en rechtsoverweging 6 weergegeven en besproken, rechtens niet althans niet zonder meer kan inhouden en met zich brengen, dat de aldus afgescheiden respectievelijk afgezonderde vermogensbestanddelen in eigendom en/of in het bezit van laatstgenoemden zijn overgegaan. Zulks onder meer omdat van enige titel en/of oorzaak voor een eigendoms- respectievelijk bezitsovergang niet blijkt terwijl evenmin blijkt noch door het Hof is vastgesteld, dat bedoelde vermogensbestanddelen in de feitelijke macht zijn gekomen van de kinderen.
(7) Het oordeel is onduidelijk en onbegrijpelijk omdat ondoorzichtig is hoe het Hof heeft kunnen oordelen, dat de meer bedoelde vermogensafscheiding respectievelijk vermogensafzondering is aan te merken als een vermogensverschuiving in die zin, dat bedoelde bestanddelen uit het vermogen van vader en moeder Wolf zijn overgegaan naar hun kinderen.
(8) Indien het Hof met de uitdrukking "vermogensverschuiving" heeft bedoeld te verwijzen naar de eerder in het arrest bedoelde (administratieve) afscheiding en afzondering door [eiser 1] van zijn overig vermogen, dan is onduidelijk en onbegrijpelijk hoe - bij gebreke van enige juridieke en/of feitelijke overgang van de vermogensbestanddelen naar de kinderen - van een schenking sprake kan zijn. In ieder geval heeft het Hof alsdan miskend, dat van schenking slechts sprake zou kunnen zijn bij zodanige vermogensovergang.
II. Schending van het recht alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven omdat het Hof op in zijn arrest vervatte en hier als overgenomen te beschouwen gronden heeft overwogen en beslist als in voormeld arrest omschreven, en wel om een of meer van de redenen die zijn vermeld in het navolgende.
(1) In de rechtsoverwegingen 7 en 8 beantwoordt het Hof bevestigend de vraag, of hier sprake is van een schenking.
(2) Het Hof motiveert dit oordeel door te overwegen, dat de onder middel I bedoelde vermogensverschuiving "geschiedde om niet en zonder dat daartoe enige juridische of natuurlijke verbintenis bestond". Nog geheel afgezien van hetgeen omtrent het begrip "vermogensverschuiving" is opgemerkt onder middel I en nog daargelaten hetgeen hierna zal worden gesteld, zijn de door het Hof vermelde omstandigheden rechtens niet voldoende voor het oordeel, dat een schenking heeft plaatsgevonden aangezien hiervoor (mede) vereist is dat de bedoeling heeft bestaan om een ander te bevoordelen. Omtrent een zodanige eventuele bedoeling van [eiser 1] wordt door het Hof evenwel niets vastgesteld. De omstandigheid dat de "vermogensverschuiving" geschiedde om niet en zonder enige verbintenis als voorschreven, brengt niet mee, noch in zijn algemeenheid noch in de omstandigheden van het onderhavige geval, dat een bedoeling als evenbedoeld zou hebben bestaan.
III. Schending van het recht alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven omdat het Hof op in zijn arrest vervatte en hier als overgenomen te beschouwen gronden heeft overwogen en beslist als in voormeld arrest omschreven, en wel om een of meer van de redenen die zijn vermeld in het navolgende.
(1) In rechtsoverweging 9 overweegt het Hof, dat het wettelijk vorm-vereiste van notariële akte(n) hier niet geldt. Hierbij laat het Hof in het midden of sprake is geweest van formele dan wel materiële schenkingen. In cassatie kan derhalve 's Hofs oordeel dat - voor zover sprake is geweest van formele schenkingen - notariële akten niet vereist waren getoetst geworden.
(2) 's Hofs oordeel is hierop gebaseerd, dat - voor zover sprake was van formele schenkingen - het ging om schenkingen in de zin van artikel 1724 van het Burgerlijk Wetboek welke van kracht waren door de "enkele overlevering".
(3) Aldus heeft het Hof vooreerst miskend, dat van overlevering als evenbedoeld geen sprake is en/of kan zijn in een geval als het onderhavige. Het door [eiser 1] van zijn eigen vermogen afgescheiden en afgezonderde gedeelte is hij ten name van zijn kinderen gaan administreren. Het aldus afgezonderde vermogen is niet in het bezit of de feitelijke macht gekomen van de kinderen. Althans is daaromtrent ten processe niets gebleken noch door het Hof vastgesteld. Van een gift van hand tot hand als bedoeld in artikel 1724 van het Burgerlijk Wetboek kan reeds hierom geen sprake zijn.
(4) Voorts ziet het Hof voorbij, dat artikel 1724 van het Burgerlijk Wetboek slechts van toepassing is op roerende lichamelijke zaken of schuldvorderingen aan toonder. Van het een noch het ander is in casu sprake, waar het gaat om "een deel" van het vermogen van [eiser 1] respectievelijk om "bepaalde vermogenswaarden" van laatstgenoemde. Vergelijk respectievelijk rechtsoverweging 3 en rechtsoverweging 2. Voor zover al sprake is van de aankoop van "aandelen Robeco" respectievelijk van "effecten" - vergelijk rechtsoverweging 4 -, zou evenmin voldaan zijn aan het hier bedoelde vereiste van artikel 1724 aangezien "aandelen Robeco" niet zijn roerende lichamelijke voorwerpen of schuldvorderingen aan toonder althans zulks in zijn algemeenheid niet het geval is, terwijl dit evenmin aldus het geval is ten aanzien van "effecten".
(5) In ieder geval is onduidelijk en onbegrijpelijk, hoe het Hof artikel 1724 toepasselijk heeft kunnen achten respectievelijk welk juridiek criterium door het Hof is gehanteerd met betrekking tot het in deze bepaling gestelde vereiste van enkele overlevering respectievelijk de aldaar bedoelde begrippen roerende lichamelijke voorwerpen en schuldvorderingen aan toonder.
(6) Onduidelijk en onbegrijpelijk is voorts van welk criterium het Hof is uitgegaan omtrent het in het arrest gehanteerde begrip materiële schenkingen. Voor geval is bedoeld, dat de door het Hof aanwezig geoordeelde schenking niet zou vallen onder het in de artikelen 1703 en volgende van het Burgerlijk Wetboek bedoelde begrip "schenking" wegens het ontbreken van een of meer aldaar gestelde wettelijke vereisten, is dit uitgangspunt onjuist althans in zijn algemeenheid onjuist. Een rechtsfiguur die in verband met afwezigheid van een of meer van even bedoelde vereisten niet als een "formele" schenking kan worden aangemerkt, kan vervolgens niet - althans niet zonder meer - gekwalificeerd worden als "materiële" schenking.
(7) Indien bedoeld mocht zijn, dat het begrip "materiële schenking“ een zelfstandige rechtsfiguur is in dier voege dat zodanige "materiële schenking" kan dienen als oorzaak of titel voor een vermogensovergang, is zulks rechtens onjuist aangezien dit begrip niet is een zelfstandige rechtsfiguur en slechts gebezigd pleegt te worden ter nadere kwalificatie of omschrijving van (rechts) handelingen die reeds hun juridieke grondslag ontlenen aan andere juridisch relevante feiten of omstandigheden.
(8) Mocht het Hof evenwel bedoeld hebben dat zulke andere feiten of omstandigheden te dezen aanwezig zijn dan is onduidelijk waarop het Hof alsdan het oog heeft gehad. De eerder besproken vermogensafscheiding respectievelijk vermogensafzondering en/of vermogensverschuiving kunnen als zodanig niet dienen, aangezien deze niet een zelfstandige titel of causa opleveren voor een vermogensovergang.
IV. Schending van het recht alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven omdat het Hof op in zijn arrest vervatte en hier als overgenomen te beschouwen gronden heeft overwogen en beslist als in voormeld arrest omschreven, en wel om een of meer van de redenen die zijn vermeld in het navolgende.
(1) In rechtsoverweging 10 stelt het Hof vast, dat de "geschonken" gelden aanvankelijk zijn beheerd door (zijn echtgenote) [betrokkene 1] welk beheer, naar 's Hofs oordeel, berustte op een daartoe door [eiser 1] met zijn echtgenote gemaakte afspraak. Het Hof overweegt vervolgens dat [eiser 1] , daarbij uitoefenende de ouderlijke beheersmacht over de kinderen, de schenkingen voor hen heeft aanvaard.
(5) In ieder geval is onduidelijk en onbegrijpelijk hoe het Hof heeft kunnen oordelen, dat uit het beheer door [betrokkene 1] van de afgezonderde gelden zou kunnen volgen dat [eiser 1] de schenkingen voor de kinderen heeft aanvaard. Voor aanvaarding van een schenking is een (rechts) handeling althans gedraging vereist die naar aard, doel, zin en strekking met zich brengt, dat door of namens de begiftigde het geschonken goed wordt aangenomen. Van een zodanige handeling of gedraging kan geen sprake zijn indien op desbetreffend verzoek van degene, die gelden heeft afgezonderd in voege als in casu is geschied, deze gelden door een ander worden beheerd al is deze ander de moeder van degenen ten name van wie de afgezonderde gelden worden geadministreerd.
(7) Het Hof is voorts, door op grondslag van de in rechtsoverweging 10 vermelde omstandigheden te oordelen dat [eiser 1] de schenkingen voor de kinderen heeft aanvaard, uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de vereisten voor het aanvaarden van schenkingen aangezien het Hof heeft miskend dat hiertoe vereist is een (rechts) handeling althans gedraging als in onderdeel (5) van dit middel omschreven.
V. Schending van het recht alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven omdat het Hof op in zijn arrest vervatte en hier als overgenomen te beschouwen gronden heeft overwogen en beslist als in voormeld arrest omschreven, en wel om een of meer van de redenen die zijn vermeld in het navolgende.
(1) In rechtsoverweging 11 oordeelt het Hof dat de B.V. de gevorderde vermogens onder zich heeft. Dit oordeel doet het Hof hierop steunen dat de B.V. voor [verweerder 1] en [verweerster 2] beheer voerde.
(2) Onduidelijk is evenwel hoe het Hof heeft kunnen oordelen, dat de B.V. beheer voerde voor [verweerder 1] en [verweerster 2] . Van enige beheersovereenkomst tussen de B.V. en [verweerder 1] en [verweerster 2] of van enige beheersopdracht van [verweerder 1] en [verweerster 2] aan deze vennootschap blijkt uit 's Hofs arrest niets, terwijl ook overigens geen feiten of omstandigheden door het Hof zijn vastgesteld op grond waarvan een zodanige beheersverhouding tussen deze vennootschap en [verweerder 1] respectievelijk [verweerster 2] zou kunnen worden aangenomen.
(3) Door te oordelen dat tussen de B.V. en [verweerder 1] en [verweerster 2] een beheersverhouding bestond, heeft het Hof voorts in strijd met het recht beslist aangezien bij gebreke van een overeenkomst of opdracht als even omschreven en bij gebreke aan feiten en omstandigheden waaruit naar wet en recht een beheersverhouding voortvloeit, van een vermogensrechtelijk beheer geen sprake kan zijn.";
Overwegende omtrent deze middelen:
1. Het Hof had te onderzoeken of zekere bestanddelen uit het vermogen van [eiser 1] en zijn toenmalige echtgenote [betrokkene 1] door dezen aan hun kinderen [verweerder 1] en [verweerster 2] zijn geschonken. Daartoe heeft het Hof eerst de vraag beantwoord of die vermogensbestanddelen aan laatstgenoemden zijn overgedragen (rechtsoverwegingen 4 en 5) en vervolgens de vraag of gesproken kan worden van schenkingen (rechtsoverwegingen 7 en 8) . De cassatiemiddelen betreffen, mede blijkens de daarop bij pleidooi gegeven toelichting, alleen de beslissing van het Hof omtrent de volgens [verweerder 1] en [verweerster 2] door [eiser 1] gedane schenking, niet de schenking door [betrokkene 1] .
2. De eerste vraag heeft het Hof bevestigend beantwoord. Het spreekt in dit verband in rechtsoverweging 8 van vermogensverschuiving, hetgeen - anders dan onderdeel 4 van middel I stelt - niet onduidelijk of onbegrijpelijk is. Op vermogensverschuiving heeft het Hof ook het oog wanneer het in rechtsoverweging 5 spreekt van het destijds "afgescheiden" zijn van zekere bestanddelen uit het vermogen van vader (en moeder) Wolf en in rechtsoverweging 6 van vermogensafzondering. Dit wordt miskend in de aanhef en aan het slot van onderdeel 6 en in onderdeel 8 van middel I.
De bevestigende beantwoording van voormelde vraag berust op de feiten zoals het Hof die blijkens rechtsoverweging 4 heeft vastgesteld, uit welke feiten het Hof heeft afgeleid dat hier sprake is van "overlevering" in de zin van artikel 1724 van het Burgerlijk Wetboek. Die feiten laten zich als volgt samenvatten:
(a) uit gelden van [eiser 1] , aanwezig in Zwitserland, heeft Crédit Suisse te Genève overeenkomstig zijn wens aan [betrokkene 1] drie cheques, elk ten bedrage van "Zw.frs. 22.000, -- , doen toekomen, onderscheidenlijk gesteld ten name van [verweerder 1] , [verweerster 2] en hun broer [betrokkene 2] ;
(b) de Algemene Bank Nederland die, naar het Hof kennelijk heeft aangenomen, deze cheques vervolgens op verzoek van [betrokkene 1] heeft geïncasseerd, heeft haar ter zake van de bedragen, ontvangen op de cheques ten name van [verweerder 1] en [verweerster 2] , gecrediteerd met de aanduiding "adm. [verweerder 1] ", onderscheidenlijk "adm. [verweerster 2] ", welke aanduiding het Hof kennelijk, gezien rechtsoverweging 2, heeft begrepen als aangevende dat de aldus bij die bank berustende gelden voor [verweerder 1] en [verweerster 2] werden beheerd door hun moeder en wel, blijkens rechtsoverweging 10, krachtens afspraak met [eiser 1] , bij wie de "ouderlijke beheersmacht over de kinderen" berustte;
(c) in het kader van dat beheer heeft [betrokkene 1] voor die gelden aandelen-Robeco gekocht, waarvan haar als beheerster een bevestiging door de bank is gezonden;
(d) het beheer is in 1968 van [betrokkene 1] overgegaan op [eiser 1] , die daarmede op zijn beurt de B.V. heeft belast, zodat in de boeken van de B.V. een schuld aan ieder van de kinderen Wolf is opgenomen.
Het Hof heeft blijkbaar in de toezending van de ten name van [verweerder 1] en [verweerster 2] gestelde cheques aan, en de ontvangst daarvan door [betrokkene 1] de "overlevering", in de zin van artikel 1724 van het Burgerlijk Wetboek, van de gelden aan [verweerder 1] en [verweerster 2] gezien omdat hun vader die gelden voor hen ontving door [betrokkene 1] als zijn vertegenwoordigster. De creditering van [betrokkene 1] voor de opbrengst van de cheques met voormelde aanduiding, de ten name van [verweerder 1] en [verweerster 2] gedane aankoop van de aandelen- Robeco en het opnemen van een schuld aan [verweerder 1] en [verweerster 2] in de boeken van de B.V. heeft het Hof kennelijk gezien als een bevestiging van de juistheid van zijn opvatting dat de uit Zwitserland overgemaakte gelden bestemd waren voor de kinderen Wolf.
3. Door te oordelen als onder 2 vermeld heeft het Hof geen rechtsregel geschonden. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Dit brengt mee dat van middel I - waarvan de onderdelen 1, 2 en 3 geen klachten bevatten - de onderdelen 5 en 7 falen, terwijl hetzelfde geldt voor de onderdelen 3 en 5 van middel III.
Voorts volgt uit het voorafgaande dat onderdeel 4 van middel III doel mist omdat het miskent dat het Hof de totstandkoming van een schenking heeft aangenomen op grond van de toezending van bovengenoemde cheques aan, en de in ontvangst neming daarvan door [betrokkene 1] als voormeld, hetgeen niet strijdt met wat artikel 1724 voor een gift van hand tot hand vereist. Voor zover onderdeel 4 ervan uitgaat dat het Hof de aankoop van aandelen-Robeco of van effecten beslissend heeft geacht mist het feitelijke grondslag.
De onderdelen 6, 7 en 8 van middel III berusten op een verkeerde lezing van het bestreden arrest: het Hof heeft aangenomen dat hier een schenking als bedoeld in artikel 1724 aan de orde is, dus wat het Hof in rechtsoverweging 9 aanduidt als een formele schenking, zodat de beschouwing die het Hof wijdt aan materiële schenkingen zijn beslissing niet draagt.
Onderdeel 6 van middel I mist feitelijke grondslag voor zover het stelt dat niet blijkt van enige titel of oorzaak. Het Hof heeft immers geoordeeld dat schenking de titel van de eigendomsovergang is, welk oordeel in het nog te bespreken middel II tevergeefs wordt bestreden.
Uit het voorafgaande volgt dat middel I en middel III - waarvan de onderdelen 1 en 2 geen klachten bevatten - niet tot cassatie kunnen leiden.
4. Het Hof heeft vastgesteld dat het hier betreft een verschuiving van vermogen van [eiser 1] naar zijn kinderen, om niet en zonder dat daartoe een verbintenis bestond. Op grond daarvan heeft het Hof geoordeeld dat [eiser 1] de bedoeling had zijn kinderen te bevoordelen, zodat hij uit vrijgevigheid handelde. Dit oordeel, dat van feitelijke aard is, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Middel II faalt dus.
5. Van middel IV - waarvan de onderdelen 2, 3, 4 en 6 zijn ingetrokken - bevat onderdeel 1 geen klacht. Onderdeel 5 mist feitelijke grondslag: dat [eiser 1] de schenking voor zijn kinderen heeft aanvaard volgt naar de opvatting van het Hof (rechtsoverweging 10) niet uit het beheer van de afgezonderde gelden door [betrokkene 1] , maar uit het feit dat zij die gelden krachtens afspraak met de vader van de kinderen in beheer heeft genomen.
Onderdeel 7, dat op onderdeel 5 voortbouwt, deelt het lot van dit laatste.
6. Middel V ziet eraan voorbij dat het Hof in rechtsoverweging 2 heeft vastgesteld dat het beheer van de B.V. berust op toevertrouwing daarvan door [eiser 1] . Ook dit middel is dus tevergeefs voorgesteld.
Waar alle middelen falen moet het beroep worden verworpen ;
Verwerpt het beroep;
Veroordeelt eisers tot cassatie in de kosten op het beroep gevallen, aan de zijde van de verweerders in cassatie tot op deze uitspraak begroot op f 230,45 aan verschotten en f 1.700, -- voor salaris.
Aldus gedaan door Mrs. Ras, Vice-President, Drion, Haardt, Royer en de Groot, Raden, en door Mr. Drion voornoemd bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van de drieëntwintigste mei 1900 tachtig, in tegenwoordigheid van de Procureur-Generaal.
Conclusie 23‑05‑1980
Inhoudsindicatie
Gift van hand tot hand van vader aan kinderen.
sl.
No. 11.544
Zitting 18 april 1980.
Mr. Franx.
Conclusie inzake:
[eisers] / [verweerders]
Edelhoogachtbare Heren,
1. Thans verweerders in cassatie ( [verweerder 1] en [verweerster 2] ) hebben in eerste instantie de veroordeling gevorderd van hun vader, thans eiser tot cassatie sub 1, en van thans eiseres tot cassatie sub 2 (de vennootschap) - waarvan eiser tot cassatie sub 1 directeur is - tot betaling van f 40.000, -- aan elk hunner en tot het openleggen van de boeken van de vennootschap. Aan die vorderingen legden [verweerder 1] en [verweerster 2] o.m. ten grondslag dat hun vader en diens toenmalige echtgenote [betrokkene 1] , hun moeder, beiden aan [verweerder 1] en [verweerster 2] ieder fi 20.000, -- hebben geschonken. De vader en de vennootschap betwistten die schenkingen en wierpen tegen dat de vader genoemde bedragen uitsluitend administreerde ten name van zijn kinderen. Bij vonnis van 21 februari 1978 wees de Rechtbank Amsterdam de vordering af. Dit vonnis werd in appèl vernietigd door het Hof bij arrest van 17 mei 1979, waarbij het Hof overwoog dat de vorderingen van [verweerder 1] en [verweerster 2] in beginsel toewijsbaar zijn, en tevens een inlichtingen comparitie beval.
Het Hof heeft (in r.o. 2) feitelijk vastgesteld "dat sedert ongeveer 1965 bepaalde vermogenswaarden afzonderlijk ten name van [verweerder 1] en [verweerster 2] en hun broer [betrokkene 2] zijn beheerd", aanvankelijk door hun voornoemde moeder, die dit beheer in 1968 overdroeg aan hun vader, die dit op zijn beurt toevertrouwde aan de vennootschap. In r.o. 5 beslist het Hof dat "zekere vermogensbestanddelen" uit het vermogen van vader en moeder [familienaam] "destijds", d.w.z. "omstreeks 1965", zijn "afgescheiden" van deze vermogens. Het Hof adstrueert deze beslissing met een verwijzing naar de in r.o. 4 vermelde gegevens en voorts met een vermelding van een mutatie in de rekening van voornoemde [betrokkene 2] (r.o. 5, tweede alinea) en van het "fiscale motief" van [eiser 1] (r.o. 6). In r.o. 7 rept het Hof van "afgezonderde ...... vermogens" en in r.o. 8 tweemaal van "vermogensverschuiving". Het lijkt mij duidelijk dat het Hof met al deze uitdrukkingen telkens hetzelfde bedoelt, nl. dat het gaat om vermogensbestanddelen die uit de vermogens van vader en moeder [familienaam] zijn overgedragen in de vermogens van hun kinderen. Naar 's Hofs oordeel in r.o. 8 is die vermogensoverdracht geschied om niet en uit vrijgevigheid, en wel - volgens r.o. 9 - krachtens schenking, in het bijzonder als gift van hand tot hand als bedoeld in art. 1724 B.W. Deze schenkingen zijn, naar de in r.o. 10 weergegeven opvatting van het Hof, aanvaard door [eiser 1] in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van de - voor zover thans van belang - toen nog minderjarigen [verweerder 1] en [verweerster 2] .
2. Middel I, waarvan de onderdelen (1), (2) en (3) geen klachten bevatten, richt zich tegen hetgeen het Hof heeft overwogen omtrent bedoelde vermogensoverdracht.
Onderdeel (4) klaagt over onduidelijkheid en onbegrijpelijkheid van r.o. 8, waarin de term "vermogensverschuiving" wordt gebruikt. Zoals door mij uiteengezet onder 1 bedoelt het Hof daarmee kennelijk hetzelfde als met de eveneens gehanteerde noties "afzondering" en "afscheiding" van vermogensbestanddelen (of - waarden): deze hebben de vermogens van vader en moeder [familienaam] verlaten en zijn overgedragen aan de kinderen (oftewel: overgegaan in die van de kinderen). Vermogensverschuiving - een term waar ook de Toelichting op art. 7.3.1 N. B.W., p. 894, zich van bedient - betekent enerzijds vermogensvermindering en anderzijds vermogensvermeerdering. Ik beschouw r.o. 8 noch als onduidelijk noch als onbegrijpelijk.
Onderdeel (5) is in de onderdelen (6) en (7) uitgewerkt als motiveringsklacht. Het Hof is kennelijk van oordeel geweest dat er vermogensbestanddelen krachtens schenking, als gift van hand tot hand, zijn overgedragen. Voor zover onderdeel (6) ervan uitgaat dat er volgens het Hof vermogensoverdracht "zonder meer", d.w.z. zonder oorzaak, heeft plaats gevonden, ontbeert het onderdeel mitsdien feitelijke grondslag. De blijkens de toelichting op het middel centrale klacht van de onderdelen (6) en (7) is, dat van bezitsverkrijging door de kinderen, noodzakelijk om van giften van hand tot hand te kunnen spreken, in het aangevallen arrest niet blijkt. Het uitgangspunt van deze klacht, dat de "overlevering" van art. 1724 B.W. bezitsverschaffing vereist, is juist ( Van Wijngaarden en Van Zeben, "Compendium bijzondere overeenkomsten", 1980, p. 294; Land - Losecaat Vermeer, "Verklaring van het Burgerlijk Wetboek" V, 1915, p. 480; Pitlo-Wolffensperger, "De benoemde overeenkomsten", 1979, p. 301-302; Asser- Kamphuisen, "Bijzondere overeenkomsten", 1960, p. 582-583; Schuttevâer, "Schenking", 1975, p. 33-35; H.R. 7 maart 1934, N.J. 1934, p. 1517 m.n. E.M.M., W. 12.797: enkele creditering is niet voldoende; H.R. 28 februari 1940, N.J. 1940, 215: het begrip "overlevering" omvat iedere handeling waardoor de zaak wordt gesteld onder de macht en het bezit van de verkrijger; H.R. 18 februari 1966, N.J. 1967, 109 m.n. J.H.B. ). Voldoende is een overdracht, "gedaan overeenkomstig de wijze waarop van roerend goed door levering de eigendom kan worden verkregen" (H.R. 18 februari 1966 voornoemd), zodat "tradition réelle", feitelijke overgifte, het brengen van de zaak buiten de feitelijke macht van de schenker, niet vereist is. In deze laatste zin reeds het vermelde arrest van 28 februari 1940, zie de noot van Beekhuis onder H.R. 18 februari 1966, N.J. 1967, p. 391. Levering door middel van constitutum possessorium is derhalve mogelijk. Ook is betaling per giro of door overschrijving van een bankrekening voldoende om "overlevering" aan te nemen: H.R. 2 november 1932, P.W. 13.343, B. B. 5314; H.R. 7 april 1978, N. J. 1978, 624 m.n. W.K. In laatstgenoemd arrest fungeert als redengeving, dat thans ook girale betaling "als een normale wijze van voldoening van een geldsom moet worden beschouwd".
Heeft het Hof in de onderhavige zaak voldoende duidelijk gemaakt dat aan de eis van bezitsverschaffing is voldaan? De vermogensafscheiding die "omstreeks 1965" plaats vond (r.o. 5) is in de visie van het Hof klaarblijkelijk geweest de in r.o. 4 feitelijk beschreven "overmaking der gelden naar Nederland" vanuit Zwitserland door het zenden naar [verweerster 2] van drie cheques ten name van de drie kinderen [familienaam] . Het Hof heeft kennelijk tot uiting willen brengen dat door toedoen van [verweerster 2] , die de cheques had ontvangen, de desbetreffende bedragen aan de Algemene Bank Nederland zijn "overgemaakt", waarmee het Hof - blijkens zijn verwijzing naar de bij repliek in prima overgelegde produkties - bedoelt dat [verweerster 2] in haar hoedanigheid van "adm. minderj." [verweerder 1] en [verweerster 2] voor de corresponderende bedragen is gecrediteerd. In de gedachtengang van het Hof is de "overlevering" van art. 1724 B.W. voltooid door hetzij reeds de ontvangst van de cheques door [verweerster 2] in haar voormelde hoedanigheid, hetzij door die ontvangst en bedoelde creditering tezamen. (Vergelijke r.o. 10, die begint met: "De geschonken gelden ... "). Wat daar ook van zij, naar de eerder beschreven maatstaven van Uw Raad was de "overlevering" voltooid door de ontvangst van de cheques. Feitelijk stelt het Hof, in r.o. 4, vast dat "de overmaking der gelden naar Nederland" (lees: het zenden van de cheques ) overeenkomstig de wens van [eiser 1] is geschied. In de laatste twee zinnen van r.o. 10 brengt het Hof tot uiting dat [eiser 1] , door de schenkingen voor de kinderen te aanvaarden, het bezit van het geschonkene voor hen heeft verkregen. Dat vond in de zienswijze van het Hof plaats doordat [betrokkene 1] ingevolge een daartoe strekkende afspraak met [eiser 1] de cheques in beheer ontving. Ik merk op dat in de memorie van grieven onder 3a door [verweerder 1] en [verweerster 2] is gesteld dat hun moeder de voor hen bestemde bedragen namens hen heeft aanvaard. Deze stelling heeft het Hof kennelijk als onvoldoende weersproken beschouwd en mede daarop heeft het Hof zijn constructie gebaseerd dat de aanvaarding, die ook bezitsverkrijging impliceert, rechtens voor rekening van de kinderen komt. [eiser 1] deed in privé een gift van hand tot hand aan zichzelf in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [verweerder 1] en [verweerster 2] , zulks door middel van het verzenden en tegelde maken van cheques, aan resp. door [betrokkene 1]. Dat oordeel van het Hof is ten dele feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk. Reeds door H.R. 31 oktober 1934, N.J. 1934, p. 1675, is de geldigheid aanvaard van een overeenkomst die gesloten was door een persoon met zichzelf, in dubbele hoedanigheid, zonder dat er iets in de feitelijke omstandigheden veranderde.
Een en ander zo zijnde gaan de onderdelen (5), (6) en (7) niet op. Onderdeel (8) vindt eveneens zijn weerlegging in het voorafgaande.
3. Middel II heeft betrekking op de bevoordelingsbedoeling, die noodzakelijk is om een schenking in de zin der wet aanwezig te kunnen achten: Pitlo-Wolffensperger p. 291-292; Asser-Kamphuisen p. 557; Diephuis XI p. 413; H.A. Drielsma, W.P.N.R. 1966 nr. 4896; K. Wiersma, Schenking en hercodificatie, oratie 1963 p. 9; P.L. Dijk, praeadvies Cad .- Not. 1962 p. 6 e.v .; Schuttevaer, a.w., p. 14-16; Van Wijngaarde-Van Zeben p. 281; Land-Losecaat-Vermeer p. 443; C.P. Aubel, A.A. XIII (1963-1964) p. 137-139; H.R. 8 december 1921, N.J. 1922, p. 164; H.R. 8 april 1927, N.J. 1927, p. 1202; H.R. 17 december 1936, N.J. 1937, 650 (E.M.M. ); H.R. 18 januari 1946, N.J. 1946, 99; H.R. 26 juni 1955, B.N.B. 1955/73; H.R. 5 april 1957, N.J. 1959, 3 (D.J.V. ); H.R. 26 februari 1971, N.J. 1971, 189; Toel. art. 7.3.1. N.B.W., p. 894. Deze Toelichting maakt kennelijk verschil tussen "oogmerk de ander te bevoordelen" en "vrijgevigheid", betoogt dat de eis van bevoordelingsoogmerk te ver gaat en kiest dan voor de formulering "dat de overeenkomst de strekking moet hebben dat de schenker ten koste van eigen vermogen de begiftigde verrijkt", hetgeen inhoudt "dat de vermogensverschuiving enerzijds wordt aangeboden, anderzijds wordt aanvaard als een verrijking van de een ten koste van het vermogen van de ander". Met andere woorden: er moet wilsovereenstemming zijn omtrent de "vermogensverschuiving". Ik moge opmerken dat het (fiscale) arrest van 1955 met zoveel woorden de eis stelt van "oogmerk van bevoordeling" en dat in de arresten van 1921 en 1957 bevoordelingsbedoeling als criterium wordt opgevoerd (de "vrijgevigheid" compareert in de arresten van 1927, 1936, 1946 en 1971). Zie vooral het reeds genoemde W.P.N.R .- artikel van Drielsma over de "bonte terminologische verscheidenheid" met betrekking tot het begrip vrijgevigheid (W.P.N.R. 4896 - 4898, b.v. p. 123).
Onderdeel (1) van middel II bevat geen grief.
Onderdeel (2) verwijt het Hof niets te hebben vastgesteld omtrent een eventuele bevoordelingsbedoeling bij [eiser 1] . De vermogensverschuiving om niet impliceert zodanige bedoeling niet, aldus deze klacht. Daarmee bestrijdt het onderdeel r.o. 8 waarin het Hof overweegt: "Vast staat - het tegendeel is gesteld noch gebleken - dat de genoemde vermogensverschuiving geschiedde om niet en zonder dat daartoe enige juridische of natuurlijke verbintenis bestond.
Hieruit moet worden geconcludeerd dat geïntimeerde sub 1 en zijn toenmalige echtgenote de bedoeling hebben gehad hun kinderen te bevoordelen en de vermogensverschuiving dus uit vrijgevigheid plaats vond".
Het komt mij voor dat het Hof op grond van de feitelijke omstandigheden van het geval, zoals beschreven in r.o. 4, zonder rechtsschending heeft kunnen komen tot het oordeel dat [eiser 1] uit vrijgevigheid heeft gehandeld en mitsdien heeft geschonken. Dat oordeel berust mede op de omstandigheid dat hier sprake is van een "onverplichte" vermogensverschuiving, d.w.z. waaraan geen enkele verbintenis ten grondslag lag. Het Hof heeft tevens in zijn oordeel betrokken dat het hier gaat om een vermogensverschuiving tussen een vader en zijn kinderen die zich op een bepaalde, in r.o. 4 beschreven wijze heeft afgespeeld. Het is, dunkt me, hoofdzakelijk daaruit dat het Hof feitelijk heeft afgeleid dat bij [eiser 1] bevoordelingsbedoeling bestond, anders gezegd: dat hij uit vrijgevigheid heeft gehandeld. Die gevolgtrekking is niet onbegrijpelijk en feitelijk van aard en kan in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst.
Hierbij ga ik, met het Hof, uit van de opvatting dat de vrijgevigheid (als element van de schenkingsovereenkomst) niet reeds is gegeven met het feit dat het gaat om een vermogensverschuiving "om niet". Anders gezegd: de vrijgevigheid is een afzonderlijk vereiste, naast de "om niet" - eis. Dit punt is niet onomstreden. Een overeenkomst "om niet" is, volgens de Toelichting op art. 7.3.1 N.B.W. p. 893 (met vele verwijzingen in noot 6), volgens "de thans heersende opvatting" een overeenkomst waarbij "de prestatie plaats vindt zonder juridisch verband met een van de tegenpartij reeds genoten of nog te verwachten contraprestatie". De overeenkomst om niet staat aldus tegenover een wederkerige overeenkomst. Maar niet iedere verrijking om niet van de een ten koste van het vermogen van de ander levert, volgens meer geciteerde Toelichting p. 894, een schenking op: er moet bovendien bevoordelingsbedoeling zijn. Evenzo: Land - Losecaat Vermeer V p. 443; Schuttevaer p. 14-16; Pitlo-Wolffensperger p. 292; Van Wijngaarden-Van Zeben p. 281; H.R. 17 december 1936, N.J. 1937, 650 (E.M.M.); Drielsma, W.P.N.R. 4896-4898. Daartegenover, staan de schrijvers die in het door art. 1703 B.W. vereiste "om niet" reeds de bevoordelingsbedoelings-eis lezen: Diephuis XI p. 421; Opzoomer IX p. 239 e.v .; Eggens, praeadv. Cand .- Not. 1923 p. 5 en 12; Asser-Kamphuisen p. 557. Het verder verwijderde motief (of: de drijfveer) van de schenker pleegt te worden onderscheiden van zijn bevoordelingsbedoeling en daarom te dien aanzien als irrelevant te worden beschouwd: Land - Losecaat Vermeer V. p. 443 (onverschillig is of de schenker gaf uit medelijden, uit bluf, om reclame te maken, in de hoop voordelen te verkrijgen, etc.); Van Wijngaarden-Van Zeben p. 281; Asser-Kamphuisen p. 558; Pitlo-Wolffensperger p. 292. Zo speelt in de onderhavige zaak het "fiscale" motief van [eiser 1] - het ontgaan van belastingheffing - uitsluitend de in r.o. 6 aangegeven rol ten aanzien van de "vermogensafzondering".
Ik sluit mij aan bij de leer dat "bevoordelingsbedoeling" en "om niet" twee afzonderlijke vereisten zijn. Men kan een handeling om niet verrichten zonder bevoordelingsbedoeling, nl. wanneer men meent dat men krachtens een gewone civiele of natuurlijke verbintenis daartoe gehouden is. Iemand die een schuld meent te betalen, schenkt niet (Asser-Kamphuisen p. 558; Land - Losecaat Vermeer V p. 446; Diephuis XI p. 421; Pitlo-Wolffensperger p. 292). Er is geen vrijgevigheid indien en voor zover het de bedoeling was een schuld te voldoen. Mag men dit nu ook omkeren: indien er - bij een vermogensverschuiving om niet - geen sprake is van het betalen van een schuld, is er vrijgevigheid? Het lijkt mij dat dit in het algemeen inderdaad zal opgaan. Zie Drielsma, W.P.N.R. 1966 p. 125 (nr. 4897), in noot 55 verwijzend naar Scholten). In elk geval zal men, dunkt me, op grond van bijkomende omstandigheden van het geval tot die omkering mogen komen. En dat is, als ik het goed zie, wat het Hof in casu heeft gedaan, zoals reeds aangegeven in het voorgaande.
Een en ander zo zijnde kan onderdeel (2) van middel II niet tot cassatie leiden.
4. Middel III richt zich tegen r.o. 9.
De onderdelen (1) en (2) bevatten geen klacht.
Onderdeel (3) stuit af op het eerder, onder 2, door mij betoogde omtrent de onderdelen (5) - (7) van middel I.
Onderdeel (4) miskent dat het object van de ten processe bedoelde schenking van [eiser 1] niet was "aandelen" of "effecten" maar de geldsbedragen waarvoor [verweerster 2] q.q. is gecrediteerd door de Algemene Bank Nederland ter zake van de uit Zwitserland ontvangen cheques. Geld kan object zijn van een gift van hand tot hand als bedoeld in art. 1724 B.W., zie H.R. 2 november 1932 en H.R. 7 april 1978. Ik moge volstaan met een verwijzing naar par. 2 hierboven.
Onderdeel (5) heeft geen zelfstandige betekenis.
De onderdelen (6), (7) en (8) betreffen r.o. 9 voor zover het Hof daarin de begrippen "formele schenkingen" en "materiële schenkingen" hanteert. Met "materiele schenking" bedoelt het Hof m.i. een niet door de vorm - nl. die van wilsverklaringen inhoudende een afstand door de een en aanvaarding door de ander van goed om niet - maar slechts door het economisch resultaat - nl. bevoordeling (of: verrijking) van de een ten koste van de ander - gekenmerkte bevoordeling uit vrijgevigheid. Daarmee sluit het Hof zich dan aan bij de sedert Hamaker, Verspreide Geschriften IV, 1912, p. 402 e.v., gebruikelijke terminologie op dit punt, zie Asser-Kamphuisen p. 561-562. Het materiële schenkingsbegrip speelt op verschillende plaatsen (zie de door Asser-Kamphuisen p. 561 genoemde) in onze wetgeving een rol en is in die zin een "zelfstandige rechtsfiguur". In de context van r.o. 9 ging het er slechts om of de ten processe bedoelde schenking van [eiser 1] al dan niet moet worden getoetst aan het in art. 1719 B.W. vermelde vormvereiste (notariële akte). Het Hof beantwoordt die vraag in r.o. 9 in ontkennende zin. In wezen wordt die 'beslissing, dunkt me, slechts gedragen door de overweging dat alle elementen van art. 1724 B.W. - gift van hand tot hand van roerende lichamelijke voorwerpen, door overlevering. - ten deze aanwezig zijn en dat reeds op die grond bedoeld vormvereiste niet geldt. Het Hof heeft niet meer gedaan dan uit te spreken, dat dat vormvereiste slechts geldt voor formele schenkingen die niet tevens giften van hand tot hand (bedoeld in art. 1724) zijn en dat van een zodanige formele schenking ten deze geen sprake is. Deze gedachtengang van het Hof is, naar mijn mening, begrijpelijk en juist. De onderdelen (6), (7) en (8) lopen hierop vast.
5. Onderdeel (1) van middel IV bevat geen klacht. De onderdelen (2), (3), (4) en (6) zijn ten pleidooie ingetrokken.
Onderdeel (5) (ten pleidooie gecorrigeerd) klaagt over onduidelijkheid en onbegrijpelijkheid van 's Hofs oordeel in r.o. 10 dat uit het beheer door [betrokkene 1] ( [verweerster 2] ) van de afgezonderde gelden zou kunnen volgen dat [eiser 1] de schenkingen voor de kinderen heeft aanvaard. Deze klacht mist feitelijke grondslag, nu het Hof het daardoor bestreden oordeel niet heeft geveld. Het Hof heeft immers de aanvaarding door [eiser 1] niet afgeleid uit het door [betrokkene 1] gevoerde beheer, maar, gelijk in het voorgaande onder 2 uiteengezet, uit het, ingevolge een daartoe strekkende afspraak tussen de beide ouders, in beheer ontvangen van de cheques door [betrokkene 1]. Het Hof heeft het optreden ten deze van [betrokkene 1] toegerekend aan [eiser 1] (en, nu deze - zoals onder 2 betoogd - evenmin daarbij pro se optrad, vervolgens aan de kinderen).
Ook onderdeel (7) stuit op het voorgaande af.
6. Onderdeel (1) van middel V bevat geen grief.
Onderdeel (2) stelt dat onduidelijk is hoe het Hof in r.o. 11 heeft kunnen oordelen dat de vennootschap (eiseres tot cassatie sub 2) beheer voerde voor [verweerder 1] en [verweerster 2] .
Uit het eerder behandelde blijkt dat het hier gaat om aan [verweerder 1] en [verweerster 2] geschonken en in hun ( juridische) bezit overgedragen gelden. Het komt mij voor dat het Hof in de door onderdeel (2) aangevochten r.o. 11 refereert aan de - in zoverre onbestreden gebleven - r.o. 4 en 5, waarin tot uitdrukking is gebracht dat die gelden als afzonderlijke vermogens zijn beheerd door de vennootschap. Daarbij heeft het Hof zich kennelijk gebaseerd op het daaromtrent bij memorie van grieven gestelde; ik citeer uit p. 1: "Het beheer van de destijds geschonken gelden is, nadat de geschonken bedragen voor hen door hun moeder waren aanvaard, door deze later aan hun vader overgedragen, die het nadien aan geïntimeerde sub 2 heeft toevertrouwd".
Zowel onderdeel (2) als onderdeel (3) lopen m.i. hierop vast.
7. Geen van de middelen gegrond bevindende concludeer ik tot verwerping van het beroep, met zodanige beslissing omtrent de op de voorziening gevallen kosten als Uw Raad zal vermenen te behoren.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,