HR, 18-06-1982, nr. 5941
ECLI:NL:HR:1982:AG4410
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-06-1982
- Zaaknummer
5941
- LJN
AG4410
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1982:AG4410, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑06‑1982; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1982:2
ECLI:NL:PHR:1982:2, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 06‑04‑1982
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1982:AG4410
- Vindplaatsen
Uitspraak 18‑06‑1982
Inhoudsindicatie
Alimentatie. Wijziging. Einddatum.
18 juni 1982
Eerste Kamer
Req.nr. 5941
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: Mr. R.A.A. Duk,
PD - HR 11/6/1982,
t e g e n
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr. H.J. Snijders,
PD - HR 11/6/1982.
1. Het geding in voorgaande instanties
Nadat bij vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 16 april 1973 tussen partijen, gehuwd op 31 oktober 1951, de echtscheiding was uitgesproken, waarbij [de man] - de man - werd veroordeeld tot het levensonderhoud van [de vrouw] - de vrouw - uit te keren een bedrag van f 50, -- per week, en nadat deze Rechtbank bij beschikking van 28 augustus 1978 dat bedrag met ingang van 1 april 1978 nader had vastgesteld op f 100, -- per maand, heeft de vrouw bij verzoekschrift van 2 oktober 1979 de Rechtbank te Rotterdam verzocht de alimentatie met ingang van 1 oktober 1979 te stellen op f 400, -- per maand, althans op een bedrag dat de Rechtbank in goede justitie meent te moeten vaststellen; de man heeft zich hiertegen verweerd en in reconventie verzocht de beschikking van de Rechtbank van 28 augustus 1978 te wijzigen in dier voege dat zijn alimentatieverplichting wordt gesteld op nihil, althans op een zodanig lager bedrag dan f 100, -- per maand als de Rechtbank in goede justitie vermag vast te stellen; bij beschikking van 21 januari 1980 heeft de Rechtbank met wijziging voor zover nodig van haar beschikking van 28 augustus 1978, bepaald dat de man met ingang van 1 januari 1980 als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw heeft te voldoen f 150, -- per maand.
Van deze beschikking is de vrouw in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Zij heeft dit Hof verzocht de beschikking van de Rechtbank te vernietigen en het door de man te betalen bedrag aan alimentatie te bepalen op f 400, -- per maand met ingang van 1 oktober 1979, althans een bedrag dat het Hof in goede justitie meent te moeten vaststellen ingaande een door het Hof in goede justitie vast te stellen datum; hiertegen heeft de man zich verweerd en incidenteel appellerend verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de Rechtbank van 21 januari 1980 te vernietigen en alsnog de beschikking van de Rechtbank te Rotterdam in dier voege te wijzigen, dat de alimentatieverplichting van hem ten behoeve van de vrouw wordt gesteld op nihil, althans op een zodanig lager bedrag als het Hof in goede justitie vermag vast te stellen, subsidiair de alimentatieverplichting per 1 oktober 1980 te beeindigen, althans een zodanige afbouwregeling daarvan te treffen als het Hof in goede justitie vermag vast te stellen, tegen welk verzoek de vrouw zich heeft verweerd.
Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft daarop bij beschikking van 28 mei 1980 in het principale appel: de beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 21 januari 1980 vernietigd, met wijziging van de beschikking van dezelfde Rechtbank van 28 augustus 1978 in dier voege dat de man met ingang van 1 januari 1980 aan de vrouw tot haar levensonderhoud dient te betalen een bedrag van f 200, -- per maand (in de toekomst) bij vooruitbetaling te voldoen;
in het incidentele appel: bepaald dat de man met ingang van 1 januari 1982 geen bijdrage verschuldigd is tot het levensonderhoud van de vrouw; en
in het principale en incidentele appel: het anders of meer verzochte afgewezen.
Van deze beschikking heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld, hetwelk ertoe leidde dat de Hoge Raad bij beschikking van 5 december 1980 (NJ 1981,311) de beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 mei 1980 heeft vernietigd en de zaak heeft verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Bij beschikking van 30 september 1981 heeft het Gerechtshof te Amsterdam in het principale appel de beschikking van de Rechtbank te Rotterdam van 21 januari 1980 vernietigd met wijziging van de beschikking van dezelfde Rechtbank van 28 augustus 1978 in dier voege dat de man met ingang van 1 januari 1980 aan de vrouw tot haar levensonderhoud dient te betalen f 200, -- per maand, en in het incidentele appel bepaald dat de man met ingang van 1 januari 1985 geen bijdrage tot levensonderhoud aan de vrouw is verschuldigd, en dat op de door het Hof vastgestelde alimentatie de wettelijke verhogingen niet van toepassing zijn, met afwijzing in het principale en het incidentele appel van het meer of anders verzochte. 's Hofs beschikking van 30 september 1981 is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
De vrouw heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het Hof te Amsterdam van 30 september 1981; het desbetreffende verzoekschrift is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De Advocaat-Generaal van Soest heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 Middel I stelt de vraag aan de orde of de Rechter, die in een door de alimentatiegerechtigde aangevoerde wijziging van omstandigheden grond ziet tot verhoging van de alimentatie, uitsluitend op grond van diezelfde wijziging van omstandigheden tevens mag treden in het verzoek van de alimentatieplichtige om een einddatum voor de alimentatieverplichting vast te stellen. Met het middel moet die vraag ontkennend worden beantwoord.
Daargelaten het in het tweede lid van artikel 401 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde, zal de Rechter ingevolge het eerste lid van dit artikel slechts tot wijziging van een uitspraak betreffende alimentatie mogen overgaan, indien de verzoeker stelt en de Rechter aannemelijk oordeelt dat na de vorige uitspraak een wijziging van omstandigheden is ingetreden die, wanneer alle overige relevante omstandigheden gelijk zouden zijn gebleven, tot een wijziging in de zin als verzocht zou nopen. Weliswaar brengt de aard van de alimentatiebeschikking mede dat, is aan die voorwaarde om in het verzoek te treden voldaan, de Rechter bij zijn beslissing op het verzoek rekening mag houden met alle ten tijde van zijn beschikking bestaande relevante omstandigheden, maar deze vrijheid gaat niet zover dat hij alsdan de alimentatie kan wijzigen in andere zin dan verzocht. Een wijziging van omstandigheden, die is aangevoerd en in aanmerking genomen als grond voor een verhoging van de alimentatie, kan derhalve niet tevens dienen als grond voor het in behandeling nemen van een verzoek tot verlaging of, waar het te dezen om gaat, van een verzoek tot intrekking van de alimentatie vanaf een bepaalde datum. Middel I treft derhalve doel.
3.2 Het Hof dat ingevolge het verwijzingsarrest had te onderzoeken of de man aan zijn in zijn incidenteel appel herhaalde verzoek om de alimentatie in tijdsduur te beperken enige na de vorige uitspraak ingetreden wijziging van omstandigheden ten grondslag heeft gelegd die, wanneer alle overige omstandigheden gelijk zouden zijn gebleven, tot een wijziging als door de man verzocht zou nopen, heeft niet vastgesteld dat de man zulks heeft gedaan. Evenmin blijkt daarvan uit de stukken; de man heeft zich in dit verband in feite slechts beroepen op enkel tijdsverloop sedert die uitspraak, welk tijdsverloop, gezien het op de toekomst gerichte karakter van alimentatiebeschikkingen, in die uitspraak als een natuurlijk uitgangspunt ligt opgesloten en derhalve op zichzelf niet als wijziging van omstandigheden in de zin van het eerste lid van artikel 401 kan worden aangemerkt.
Een en ander betekent dat het Hof bedoeld verzoek van de man niet in behandeling had mogen nemen. Middel II, dat zich richt tegen 's Hofs in het kader van die behandeling gegeven beslissing dat de wettelijke indexering wordt uitgesloten, behoeft derhalve geen bespreking meer.
3.3 Het vorenstaande brengt mede dat 's Hofs beschikking moet worden vernietigd en dat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen. Het vorige cassatieberoep richtte zich uitsluitend tegen de beslissing in het door de man ingestelde incidentele appel; de beslissing in het principaal appel van de vrouw, waarbij de alimentatie werd vastgesteld op f 200, -- per maand ingaande 1 januari 1980, is dus onaantastbaar geworden en moet worden overgenomen.
4. Beslissing
De Hoge Raad :
(1) vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 september 1981;
(2) in het principaal appel:
vernietigt de beschikking van de Rechtbank te Rotterdam van 21 januari 1980 en wijzigt de beschikking van deze Rechtbank van 28 augustus 1978 in dier voege dat de man met ingang van 1 januari 1980 aan de vrouw tot haar levensonderhoud dient te betalen een bedrag van f 200, -- per maand bij vooruitbetaling te voldoen; wijst af het meer of anders gevorderde;
in het incidenteel appel:
bekrachtigt de beschikking van de Rechtbank te Rotterdam van 21 januari 1980 voor zover daarbij het verzoek van de man is afgewezen;
(3) compenseert de kosten van het geding in cassatie en van het geding in hoger beroep, zo in het principaal als in het incidenteel appel, aldus dat elk der partijen haar eigen kosten draagt;
(4) verleent aan beide partijen vergunning om in cassatie kosteloos te procederen.
Deze beschikking is gewezen door de vice-president Drion als voorzitter en de raadsheren Snijders, Haardt, Royer en Martens, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 18 juni 1982.
Conclusie 06‑04‑1982
Inhoudsindicatie
Alimentatie. Wijziging. Einddatum.
JL
Nr. 5941
Request
(wijziging alimentatie)
Parket, 6 april 1982
Mr. Van Soest
Conclusie inzake:
[de vrouw]
tegen
[de man]
Edelhoogachtbaar College,
A. De ontwikkeling van de procedure.
Tussen de partijen is bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 16 april 1973 echtscheiding uitgesproken. Bij deze gelegenheid is de huidige verweerder in cassatie (de man) veroordeeld tot de uitkering van alimentatiebijdragen aan de huidige verzoekster van cassatie (de vrouw).
Bij beschikking van de Rechtbank van 28 augustus 1978 is de laatstbedoelde voorziening gewijzigd. De alimentatiebijdrage werd bij deze gelegenheid gesteld op f 100, -- per maand.
Bij verzoekschrift van 2 oktober 1979 heeft de vrouw verhoging van de alimentatiebijdrage gevraagd, welk verzoek na appel heeft geleid tot de beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 mei 1980, waarin de alimentatiebijdrage met ingang van 1 januari 1980 werd gesteld op f 200, -- per maand en met ingang van 1 januari 1982 op nihil.
H.R. 5 december 1980, nr. 5462, N.J. 1981, nr. 311 met noot E.A.A. Luijten, vernietigde, overeenkomstig de conclusie van mijn ambtgenoot Remmelink, de beschikking van het Hof te 's-Gravenhage en verwees de zaak naar het Hof te Amsterdam.
Het Hof te Amsterdam beschikte op 30 september 1981, welke beschikking thans in cassatie wordt bestreden.
B. Het einde van de alimentatie.
De bestreden beschikking, overweging 8, blz. 3, houdt in, "dat nu zich..... sinds de beschikking van 28 augustus 1978 een wijziging van omstandigheden als bedoeld in het eerste lid van .. artikel 401 (boek 1 Burgerlijk Wetboek - B.W. - ) heeft voorgedaan, de vraag aan de orde komt of er gronden zijn ....
de uitkering in tijdsduur te beperken ... .. , bij de beantwoording van welke vraag alle omstandigheden van het geval, ook die van vóór voormelde beschikking van 28 augustus 1978, in de beoordeling moeten worden betrokken".
Deze overweging is in overeenstemming met de vaste jurisprudentie van Uw Raad (zie H.R. 10 januari 1969, N.J. 1969, nr. 181; 14 november 1975, N.J. 1976, nr. 503; 16 juni 1978, N.J. 1979, nr. 183 met noot E.A.A.L .; 16 mei 1980, N.J. 1981, nr. 99 met noot E.A.A.L.).
Vervolgens bevat de bestreden beschikking, met vermelding van de desbetreffende omstandigheden, de overweging (10, blz. 4), "dat het Hof .... termen aanwezig acht de verdere verplichting van de man tot het betalen van alimentatie aan de vrouw te beperken tot 1 januari 1985".
Dit is een constatering die voor rekening moet blijven van de rechter die over de feiten oordeelt, en die niet nader gemotiveerd behoeft te worden, dan door de vermelding, dat met alle omstandigheden - waaronder in het bijzonder de duur van de samenleving en de sinds de scheiding verstreken tijd - rekening is gehouden.
Aldus beschouwd, is overweging 11, ibid., ten overvloede opgenomen. Deze overweging houdt in, "dat de omstandigheid dat de beslissing .... de alimentatie te verhogen ..... dient te worden overgenomen, er niet aan in de weg staat die alimentatie in tijdsduur te beperken ..... daar toch de beslissing omtrent de hoogte van een alimentatie in beginsel en in hoofdzaak gebaseerd dient te zijn op de financiele omstandigheden van de betrokken partijen, terwijl voor de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een alimentatie in tijdsduur behoort te worden beperkt andere factoren van beslissende betekenis zijn, zoals de duur van de feitelijke samenleving van de betrokken partijen en van de alimentatiebetalingen sinds de feitelijke scheiding van partijen".
Maar ook indien men de laatstgeciteerde overweging als een dragend onderdeel van de redengeving van de beschikking opvat, dient deze, naar ik meen, in cassatie stand te houden. Het Hof te Amsterdam wijst hier op de mogelijkheid, dat de draagkracht van de partijen een uitkering rechtvaardigt en dat de tijdsfactoren leiden tot beperking van die uitkering in de tijd. Deze mogelijkheid komt niet in strijd met de rechtens voor de alimentatie geldende maatstaven.
Derhalve zal middel I niet tot cassatie kunnen leiden.
C. Indexering.
Het Hof te 's-Gravenhage zweeg over de indexering, hetgeen medebracht dat de vastgestelde alimentatiebijdrage aan wettelijke indexering was onderworpen.
Het eerste cassatieberoep - de man stelde geen (incidenteel) beroep in cassatie in - liet deze beslissing onverlet.
Derhalve kwam vast te staan, dat de alimentatiebijdrage tussen 1 januari 1980 en 1 januari 1982 onderworpen zou zijn aan de wettelijke indexering.
In de bestreden beschikking heeft het Hof te Amsterdam besloten tot (overweging 10) "uitsluiting van de wettelijke indexering daar beide partijen een sociale uitkering ontvangen". In het dictum, blz. 5, is beslist, "dat de man .... met ingang van 1 januari 1980 aan de vrouw ..... tot haar levensonderhoud dient te betalen een bedrag van f 200, -- ..... per maand (en bepaald) dat op de hiervoor bepaalde alimentatie de wettelijke verhogingen niet van toepassing zullen zijn".
De man verdedigt in zijn verweerschrift in cassatie, punt 8, blz. 4, dat de bestreden beschikking aldus gelezen moet worden, dat eerst met ingang van 1 januari 1982 de indexering wordt uitgesloten. Deze lezing lijkt mij echter in strijd met de duidelijke woorden van het dictum.
Derhalve zal middel II, onderdeel a, tot cassatie moeten leiden.
Middel II, onderdeel b, richt een motiveringsklacht tegen de beslissing tot uitsluiting van de wettelijke verhogingen. Naar mijn oordeel gaat ook dit onderdeel op. De rechter die over de feiten oordeelt, zou de wettelijke indexering kunnen uitsluiten op grond dat de inkomenspositie van de alimentatieplichtige dreigt achter te blijven (zie H.R. 1 februari 1980, N.J. 1980, nr. 317; verg . ook H.R. 1 oktober 1976, N.J. 1977, nr, 420; 12 november 1976, N.J. 1977, nr. 277), maar dat ism naar van algemene bekendheid is, bij sociale uitkeringen juist niet, althans niet in belangrijke mate, het geval. Zou de rechter die over de feiten oordeelt, de wettelijke indexering uitsluiten op grond dat een deel van het inkomen van de alimentatiegerechtigde min of meer inflatiebestendig is, dan zou dat een miskenning van de strekking van art. 402a boek 1 B.W. zijn (zie H.R. 13 juni 1980, N.J. 1980, nr. 613).
Derhalve zal de bestreden beschikking niet in stand kunnen blijven. Na vernietiging en verwijzing zal naar mijn mening niet alleen de kwestie van de indexering, maar mede die van de duur van de alimentatie aan de orde zijn, aangezien het mogelijk is, dat het Hof te Amsterdam zijn beslissing omtrent de duur mede afhankelijk heeft gesteld van het guldensbedrag - dat in zijn veronderstelling gedurende de jaren 1980 tot en met 1984 gelijk zou blijven -.
D. Conclusie.
Middel II gegrond bevindende, concludeer ik tot vernietiging van de bestreden beschikking, tot verwijzing van het geding naar het Hof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing, tot compensatie van de kosten, op de voorziening gevallen, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt, en tot verlening aan beide partijen van vergunning in cassatie kosteloos te procederen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,