HR, 25-06-1982, nr. 11865
ECLI:NL:PHR:1982:AG4415
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-06-1982
- Zaaknummer
11865
- LJN
AG4415
- Roepnaam
Arrest Vereniging gedetineerden De Schans
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1982:AG4415, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑06‑1982; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1982:AG4415
ECLI:NL:PHR:1982:AG4415, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑06‑1982
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1982:AG4415
- Vindplaatsen
NJ 1983, 296 met annotatie van E.A. Alkema
NJ 1983, 296 met annotatie van E.A. Alkema
Uitspraak 25‑06‑1982
Inhoudsindicatie
-
25 juni 1982
Eerste Kamer
Nr. 11.865
J.O.-L.
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
DE VERENIGING VAN GEDETINEERDEN IN HET HUIS VAN BEWARING ‘’DE SCHANS’’,
gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie,
advocaat: Mr. G. Spong,
PD – HR 26/6/1981
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr. E. Drooglever Fortuijn.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij exploten van 17 en 18 september 1980 heeft eiseres tot cassatie (verder aan te duiden als de Vereniging) (1) [betrokkene 1] in diens functie van directeur van het Huis van Bewaring I (De Schans) te Amsterdam alsmede (2) de verweerder in cassatie (verder aan te duiden als de Staat) gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd veroordeling van (a) [betrokkene 1] om het bestuur van de Vereniging éénmaal per week vergaderruimte ter beschikking te stellen waar dit bestuur kan vergaderen en de Vereniging in staat te stellen de mening van haar leden te peilen door minimaal éénmaal per maand te vergaderen met bestuur en palviljoenafgevaardigden, dan wel de mening van de leden te peilen door schriftelijke enquêtes, en van (b) de Staat om [betrokkene 1] op te dragen de Vereniging evengenoemde faciliteiten toe te staan.
Nadat de Staat en [betrokkene 1] tegen die vordering verweer hadden gevoerd, heeft de President bij vonnis van 2 oktober 1980 de Vereniging niet- ontvankelijk verklaard in haar vordering ten aanzien van [betrokkene 1] en de vordering tegen de Staat toegewezen.
Tegen dit vonnis is de Staat in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 10 april 1981 heeft het Hof het vonnis van de President vernietigd en de vordering alsnog afgewezen.
Het vonnis van de President alsmede het arrest van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft de Vereniging beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen bepleit door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Leijten strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam.
3. Artikel 51 Beginselenwet gevangeniswezen
Nu de Staat in cassatie niet heeft bestreden 's Hofs oordeel dat de Vereniging niet het beklagrecht als bedoeld in artikel 51 lid 1 van de Beginselenwet gevangeniswezen toekomt, moet te dezen van de juistheid van dat oordeel worden uitgegaan. Dat brengt mede dat in het onderhavige geding de vraag of en in hoeverre naast de regeling van het beklag en beroep, vervat in titel XIII van genoemde wet, nog plaats is voor een voorziening in kort geding, niet rijst.
4. Beoordeling van het middel
4.1 In cassatie mag worden ondersteld dat de door de Vereniging aanvankelijk verzochte, en nadien in dit kort geding gevorderde faciliteiten, in aanmerking genomen dat het te dezen gaat om een vereniging van gedetineerden ter bescherming van hun belangen, in beginsel nodig zijn voor een doeltreffende uitoefening van het ook aan dezen toekomende ‘’recht op vrijheid van vereniging’’ (artikel 11 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, onderscheidenlijk artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten), respectievelijk ‘’recht tot vereniging en vergadering’’ (artikel 9 van de Grondwet), zodat het gebruik mogen maken van die faciliteiten moet worden aangemerkt als een noodzakelijk element van dat grondrecht. Daarvan uitgaande moet het besluit van de directeur van het huis van bewaring waarbij het verzoek van de Vereniging haar vorenbedoelde faciliteiten toe te staan werd afgewezen, worden opgevat als een beperking van de uitoefening van het haar leden toekomende grondrecht.
Onderdeel 1 van het middel betoogt nu dat zulk een beperking ‘’slechts dan rechtens mogelijk en toelaatbaar is’’ indien zij berust op — waarmede blijkens de mondelinge toelichting bedoeld is: met zovele woorden is voorzien in — een wet als bedoeld in het tweede lid van elk van de zojuist genoemde bepalingen, hetgeen te dezen niet het geval zou zijn.
4.2 Evenbedoeld betoog, dat bij pleidooi vooral is toegelicht voor wat betreft het beroep op lid 2 an artikel 11 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, kan niet als juist worden aanvaard.
Wat vooreerst evengenoemde bepaling betreft: anders dan in de toelichting op onderdeel onder a is betoogd, brengt deze bepaling niet mede dat een beperking van de uitoefening van het grondrecht slechts dan rechtens toelaatbaar is indien een ‘’wet in materiële zin met zoveel woorden daarin voorziet’’. Lid 2 van artikel 11 laat evenzeer toe dat de uitoefening van het grondrecht wordt beperkt door een beschikking van een uitvoerende autoriteit, mits deze tot het nemen van die beschikking rechtens bevoegd was (en mits, maar dat is te dezen niet aan de orde, die beschikking voldoet aan de verdere in lid 2 van artikel 11 gestelde vereisten). Aan het in deze bepaling gestelde vereiste van ‘’bij de wet zijn voorzien’’ is in dit geval derhalve voldaan indien de directeur van het huis van bewaring tot het nemen van het onderwerpelijke besluit krachtens de wet bevoegd was. De Staat heeft in feitelijke instanties terecht doen betogen dat de bevoegdheid van de directeur tot het nemen van dit besluit voortvloeide uit artikel 23 van de Beginselenwet gevangeniswezen in verbinding met artikel 3 van de behalve op artikel 22 van het Wetboek van Strafrecht mede op evengenoemde wet gebaseerde Gevangenismaatregel en de artikelen 6 en volgende van het krachtens artikel 22 van de Beginselenwet gevangeniswezen door de Minister van Justitie vastgestelde Huishoudelijk Reglement voor het Huis van Bewaring; de Vereniging, die trouwens door zich ter zake tot de directeur te wenden zelf al te kennen had gegeven dat zij hem te dezen rechtens tot het nemen van het verzochte besluit bevoegd achtte, heeft de door de Staat aangegeven basis van de bevoegdheid van de directeur niet bestreden. Het Hof behoefde zich, gelet op het voorgaande, over de rechtsbasis van die bevoegdheid niet uit te laten, zodat ook het eerste onderdeel onder b, voor zover daarin de klacht moet worden gelezen dat het Hof zijn arrest op dit punt onvoldoende met redenen heeft omkleed, niet tot cassatie kan leiden.
Dat lid 2 van artikel 22 van het Internationale Verdrag inzake burgerrechten op dit punt anders zou moeten worden uitgelegd dan lid 2 van artikel 11 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, valt niet in te zien. Voor zover het eerste onderdeel onder a zich op lid 2 van artikel 22 van eerstgenoemd verdrag beroept is het dus eveneens vergeefs voorgesteld.
Wat ten slotte artikel 9 van de Grondwet betreft, ook voor die bepaling moet worden aanvaard dat degenen aan wie rechtmatig hun vrijheid is ontnomen, door een beschikking van de daartoe krachtens voornoemde wettelijke bepalingen bevoegde directeur van het betreffende gesticht kunnen worden beperkt in de uitoefening van hun grondrecht voor zover die uitoefening zich niet met de vrijheidsbeneming verdraagt.
De onderdelen 1a en 1b van het middel — waarvan het laatste in zijn slotalinea nog opkomt tegen een onderdeel van rechtsoverweging 9 dat voor 's Hofs beslissing niet dragend is — falen derhalve.
4.3 Bij het nemen van het onderwerpelijke besluit moest de directeur van het huis van bewaring, nu hij meende de door de Vereniging verzochte faciliteiten niet te kunnen toestaan, het belang van de leden van de Vereniging bij een doeltreffende uitoefening van het grondrecht afwegen tegen één of meer van de in het tweede lid van artikel 11 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, onderscheidenlijk van artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten omschreven belangen: ingevolge deze bepalingen mocht hij die faciliteiten immers slechts weigeren indien zulks nodig was ter bescherming van één of meer van laatstbedoelde belangen. Het Hof heeft terecht slechts onderzocht of de directeur bij zijn afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid tot afwijzing van de verzochte faciliteiten had kunnen komen. Het Hof heeft geoordeeld dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.
Onderdeel 2 voert nu vooreerst aan dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het bij zijn toetsing van de belangenafweging door de directeur mede gewicht heeft toegekend aan ‘’de mate van beschikbaarheid van ruimte en personeel’’. Deze klacht faalt, omdat geen rechtsregel verbiedt dat bij vorenbedoelde afweging mede rekening wordt gehouden met ‘’de mate van beschikbaarheid van ruimte en personeel’’ in het betrokken huis van bewaring. Voornoemde verdragsbepalingen laten integendeel toe dat rekening wordt gehouden met de normale en redelijke eisen die de gevangenhouding stelt; die eisen worden mede bepaald door de mate van beschikbaarheid van ruimte en personeel in het betrokken gesticht.
De subsidiaire motiveringsklacht van dit onderdeel treft reeds daarom geen doel, omdat zij uit het oog verliest dat ingevolge voornoemde bepalingen óók andere belangen dan zulke ‘’die (eveneens) een grondslag vinden in een grondrecht’’ in de afweging mogen worden betrokken: in verband met hetgeen het Hof in rechtsoverweging 10 heeft overwogen kan bijvoorbeeld worden verwezen naar ‘’de bescherming van de openbare veiligheid’’, ‘’de bescherming van de gezondheid’’ en ‘’de rechten en vrijheden van anderen’’. Ook onderdeel 2 is derhalve vergeefs voorgesteld.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Ras als voorzitter en de raadsheren Haardt, Martens, Van den Blink en Verburgh, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 25 juni 1982.
Conclusie 25‑06‑1982
Inhoudsindicatie
-
ebNr. 11 865Zitting 2 april 1982
Mr. Leijten
Conclusie inzake:
DE VERENIGING van GEDETINEERDEN in het Huis van Bewaring " De Schans "
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN
Edelhoogachbaar College,
Feiten uit de voorgeschiedenis.
De Vereniging van Gedetineerden in het Huis van Bewaring " De Schans " te Amsterdam - verder te noemen: de Vereniging - heeft in kort geding voor de president van de rechtbank te Amsterdam gedagvaard de Staat der Nederlanden - verder te noemen: de Staat - alsmede de directeur van dat Huis van Bewaring, die echter als zodanig in cassatie geen rol meer speelt, met vordering, dat, voorzover nu van belang, de Staat zal worden veroordeeld om te bevorderen, dat voormelde directeur binnen een week na betekening van het te wijzen vonnis op straffe van een dwangsom van f 5000,- per overtreding:
-a- het bestuur van de Vereniging éénmaal per week vergaderruimte ter beschikking zal stellen waar dit bestuur kan vergaderen;
-b- de Vereniging in de gelegenheid zal stellen de mening van haar leden te peilen door minimaal eenmaal per maand te vergaderen met bestuur en paviljoensafgevaardigden danwel die mening van de leden te peilen door schriftelijke enquêtes.
Bij vonnis van 2 oktober 1980 heeft de president deze vorderingen toegewezen, met uitzondering van de gevraagde dwangsommen en met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
Van dat vonnis ging de Staat in hoger beroep en voerde bij memorie van grieven drie grieven aan.
Bij arrest van 10 april 1981 vernietigde het hof te Amsterdam van vonnis en weigerde alsnog de (van de Staat) gevraagde voorzieningen met veroordeling van de Vereniging in de gedingkosten in beide instanties.
De Vereniging stelde beroep in cassatie in. De Staat heeft geen incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Vergelijking met de zaak onder rolnr. 11.864.
Ook in deze zaak staan niet (meer) ter beslissing de punten in de zaak onder rolno. 11.864 opgesomd, onder a tot en met f en ook in deze zaak ligt, meen ik, de kern van de zaak gelijk aan die in zaak 11.864 terwijl ik tenslotte ook niet tot een andere formulering van de kernvraag èn van het antwoord daarop kom. Ik ben daarom zo vrij te verwijzen naar die conclusie, waarvan ik een copie aan deze conclusie hecht, opmerkende, dat hier en daar de feitelijke verhoudingen iets anders liggen.
Er zijn dan ook wel enkele - niet onbelangrijke maar toch bijkomstige - verschillen:
Er wordt kwantitatief minder, kwalitatief méér aan faciliteiten gevraagd, zie 2b, tenzij de daar opgevoerde keuze in handen zou liggen van de directie. De president wijst àl het gevorderde toe (behalve de dwangsommen) en het Hof wijst àlles af, ook dus het beschikbaar stellen van vergaderruimte, wat in zaak 11.864 was toegewezen. Beide arresten zijn op dezelfde dag gewezen, echter niet in dezelfde samenstelling. Daaruit kan niet - laat staan met zekerheid - geconcludeerd worden, dat toewijzing afhankelijk is van de personen (én hùn opvattingen) die recht spreken.
Want de marginale toetsing zoals het hof die in beide gevallen toepast kan op grond van uiteenlopende omstandigheden in de beide huizen van bewaring tot verschillende uitkomsten leiden. Maar ik vermoed toch, dat de mensen, die het betreft dit moeilijk zullen kunnen begrijpen. In ieder geval betekent de erkenning van het recht van vereniging en vergadering in het Huis van Bewaring " De Schans " ingevolge dit arrest niets of practisch niets, (ik vraag mij af of het bestuur via de gewone post brieven, bijv. enquêtes inhoudende, mag schrijven aan de leden).
Mijn conclusie in deze zaak is óók dat het hof een niet juist toetsingscriterium heeft aangelegd, wat in dit geval demonstreert, hoe een officieel erkend recht - door beleidsvrijheid - tot nul kan worden gereduceerd. Ik herhaal dat op die manier belangrijke grondrechten (als dat geen pleonasme is) toch min of meer worden gekleineerd met als argument - het blijkt heel duidelijk bij lezing van dit arrest - dat een meer liberale houding een hoop "dol" en extra werk oplevert. En ik herhaal ook, dat ik dat géén waardeloze argumenten vind, maar dat bij afweging met mijn gewichten toch duidelijk de weegschaal naar de andere kant doorslaat. Als dàt niet zo zou zijn, hadden we nooit aan de grondrechten moeten beginnen, althans deze in de sfeer van de filosofie moeten laten (doodbloeden).
Ik merk op, dat de nummering der relevante rechtsoverwegingen uit het arrest van het hof in dit geval opschuift en dat de, naar het mij voorkomt, niet juiste overweging omtrent de aard van de toetsing in dit arrest daarom de negende is.
Het tweede onderdeel van het eerste middel betreft nauwkeurig dezelfde thema's als in de zaak 11.864 en ik zou daarom hierover naar mijn aangehechte conclusie in deze zaak willen verwijzen.
Een tweede middel in cassatie is aangevoerd tegen rechtsoverweging 13 van dit arrest.
Het middel is, ook in zijn toelichting, interessant, Er wordt in betoogd, dat met name "nijpend personeelstekort" geen grond oplevert voor afwijzing van het gevorderde, omdat de uitoefening van het grondrecht van vereniging en vergadering nu eenmaal niet haar begrenzing vindt in de mate van beschikbaarheid van ruimte en personeel. Als echter de opvatting van het Hof neergelegd in rechtsoverweging negen (marginale toetsing) juist is, dan lijkt het mij óók aan geen twijfel onderhevig of rechtsoverweging 13 juist is.
Ook in mijn opvatting van de wijze van toetsing is niet uitgesloten dat een zodanige factor een rol en zelfs een beslissende rol kan spelen in het beslissingsproces, maar toch alleen maar onder zeer uitzonderlijke omstandigheden, waar wij m.i. nog niet aan toe zijn.
Daar de juistheid van het middel afhangt van het omstreden toetsingscriterium lijkt mij een oordeel hierover thans niet van belang; immers:
(a) Heeft het hof gelijk wat betreft dat aan te leggen criterium dan is het middel niet gegrond;
(b) Zou Uw Raad mijn advies volgen, dan zal de rechter, die over de feiten oordeelt, deze zaak opnieuw moeten beoordelen aan de hand van het voorgestelde andere criterium.
Wat betreft rechtsoverweging tien van het arrest van het hof voorzover deze inhoudt, dat faciliteiten aan de Vereniging verleend de belangen van andere gedetineerden zouden verkorten, zou ik menen, dat dit slechts in het uiterste geval aan de uitoefening van een grondrecht in de weg zou mogen staan (de situatie komt ook buiten detentie veel voor) en dat de vraag in hoeverre dit een rol mag spelen opnieuw pas van belang wordt binnen het rechtens juiste toetsingscriterium.
Middel Ia gegrond bevindend, concludeer ik tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 10 april 1981 en tot terugwijzing van de zaak naar dat hof teneinde deze met inachtneming van het arrest van Uw Raad op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen, met zodanige beslissing omtrent de proceskosten als Uw Raad juist zal achten.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,