HR, 03-02-1984, nr. 12227
ECLI:NL:PHR:1984:AG4751
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-02-1984
- Zaaknummer
12227
- LJN
AG4751
- Roepnaam
Damen/Geho
‘t Brouwertje
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1984:AG4751, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 03‑02‑1984; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1984:AG4751
ECLI:NL:PHR:1984:AG4751, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 03‑02‑1984
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1984:AG4751
- Vindplaatsen
NJ 1984, 386 met annotatie van W.C.L. van der Grinten
AA19840412 met annotatie van Schilfgaarde van P. Peter
NJ 1984, 386 met annotatie van W.C.L. van der Grinten
Uitspraak 03‑02‑1984
Inhoudsindicatie
Reikwijdte art. 31 lid 3 Handelsregisterwet. De in artikel 31 lid 3 Handelsregisterwet genoemde inschrijvingsplichtigen kunnen aan de in het artikel bedoelde derden de onjuistheid of onvolledigheid van de inschrijving niet tegenwerpen, ongeacht of die derden in vertrouwen op de inschrijving hebben gehandeld dan wel eerst later het handelsregister hebben geraadpleegd.
3 februari 1984Eerste KamerNr. 12.227AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,wonende te [woonplaats] ,EISER tot cassatie,advocaat: Mr. A.R.M. Berntsen,
VT - HR 10/3/1983,
t e g e n
B.V. [verweerster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: Mr. K.G.W. van Oven.
1. Het geding in feitelijke instanties
[verweerster] heeft bij exploot van 19 augustus 1980 [eiser] gedagvaard voor de Kantonrechter te 's-Hertogenbosch en gevorderd dat [eiser] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling van de som van f. 1.746,75, met rente en kosten.
Nadat [eiser] tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter na een op grond van een tussenvonnis van 4 december 1980 gehouden comparitie van partijen bij eindvonnis van 7 mei 1981 de vordering toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Hertogenbosch.
Bij vonnis van 22 oktober 1982 heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter bekrachtigd.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [verweerster] bepleit door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Biegman-Hartogh strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het Hof van het ressort.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
In deze zaak heeft [verweerster] van [eiser] betaling gevorderd van een bepaald bedrag, stellende dat [eiser] haar dit bedrag verschuldigd is ter zake van in de maand februari 1980 door haar aan [eiser] verkochte en geleverde goederen (een partij glaswerk). [eiser] heeft ontkend die goederen van [verweerster] te hebben gekocht.
De feiten waarop de Rechtbank de veroordeling van [eiser] heeft gebaseerd, zijn, voor zover hier van belang, de volgende. [verweerster] heeft op 14 februari 1980 de bewuste goederen, die telefonisch waren besteld op naam van café "' [A] ", meegegeven aan twee personen die zeiden te komen namens dat café. [eiser] was in februari 1980 weliswaar geen eigenaar meer van dat café - hij had het in oktober 1979 verkocht - maar hij heeft zich pas in augustus 1980 bij het handelsregister als eigenaar laten uitschrijven. [verweerster] was ten tijde van de transactie niet bekend met het feit dat [eiser] niet langer eigenaar was van café " [A] ".
De Rechtbank heeft geoordeeld dat art. 31 lid 3 van de Handelsregisterwet meebrengt dat [eiser] - nu tot het doen van de opgaaf, waartoe de verplichting ontstaat ten gevolge van de overdracht van een onderneming, mede de vorige eigenaar is gehouden (art. 3 lid 3) - aan [verweerster] niet de onjuistheid van de inschrijving kan tegenwerpen. Dit oordeel wordt door het middel bestreden.
3.2 Het middel onder c (a en b bevatten slechts een inleiding) strekt ten betoge dat de bescherming die art. 31 lid 3 aan de daar bedoelde derden biedt, alleen geldt als een derde op grond van de inschrijving in het handelsregister tot een onjuiste voorstelling van zaken is gekomen en op grond daarvan heeft gehandeld. Deze bepaling zou geen bescherming bieden in een geval als het onderhavige, waarin - naar het middel stelt met een verwijzing naar de verklaring van [verweerster] ter comparitie in eerste instantie - raadpleging van het handelsregister heeft plaatsgevonden nadat de goederen waren verkocht en geleverd.
Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. Het vindt geen steun in de tekst van de bepaling - die slechts spreekt van "derden, die daarvan onkundig waren", niet van derden die bij hun handelen op de inschrijving hebben vertrouwd - en het miskent dat het in strijd met de behoeften van een vlot verlopend handelsverkeer zou zijn dat het register vóór het afsluiten van elke transactie met het oog op een eventueel later van pas komen van een beroep op de voormelde bepaling zou moeten worden geraadpleegd, nog afgezien van de moeilijkheden die dan ter zake van het bewijs van een zodanige raadpleging zouden ontstaan. Het belang van het handelsverkeer, welk belang de bepaling beoogt te dienen, noopt in verband daarmee tot toekenning aan die bepaling van een ruimere werking dan in het middel wordt bepleit, en wel in dier voege dat de in die bepaling genoemde inschrijvingsplichtigen aan de daar bedoelde derden de onjuistheid of onvolledigheid van de inschrijving niet kunnen tegenwerpen - dus de ingeschreven gegevens tegen zich moeten laten gelden - ongeacht of die derden in vertrouwen op de inschrijving hebben gehandeld dan wel eerst later het handelsregister hebben geraadpleegd.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de omstandigheid dat - naar de stelling van het middel onder c - raadpleging door [verweerster] van het handelsregister heeft plaatsgevonden nadat de goederen waren verkocht en geleverd, aan de toepasselijkheid van art. 31 lid 3 niet in de weg staat.
Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.
4. Beslissing
De Hoge Raad: verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van [verweerster] tot aan deze uitspraak begroot op f. 305,45 aan verschotten en f. 1.700,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Ras als voorzitter en de raadsheren Snijders, Martens, Bloembergen en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 3 februari 1984.
Conclusie 03‑02‑1984
Inhoudsindicatie
Reikwijdte art. 31 lid 3 Handelsregisterwet. De in artikel 31 lid 3 Handelsregisterwet genoemde inschrijvingsplichtigen kunnen aan de in het artikel bedoelde derden de onjuistheid of onvolledigheid van de inschrijving niet tegenwerpen, ongeacht of die derden in vertrouwen op de inschrijving hebben gehandeld dan wel eerst later het handelsregister hebben geraadpleegd.
ebNr. 12 227Zitting 23 december 1983Mr. Bieman-Hartogh
Conclusie inzake:
[eiser]
tegen
BV [verweerster]
Edelhoogachtbaar College,
1. In februari 1980 is bij verweerster in cassatie [verweerster] telefonisch op naam van cafébedrijf " [A] ", [a-straat 1] te [vestigingsplaats] , een hoeveelheid glaswerk besteld, dat de volgende dag door twee personen werd afgehaald. Toen de naar het café gezonden rekening voor de glazen onbetaald bleef, heeft [verweerster] inlichtingen ingewonnen; hij ontdekte dat eiser tot cassatie [eiser] sinds 1971 in het handelsregister als eigenaar van " [A] " stond ingeschreven (zie prod, bij memorie van antwoord). Daarop heeft [verweerster] [eiser] voor de Kantonrechter gedaagd en betaling gevorderd. Ter comparitie van partijen vertelde [eiser] , die geen procesbijstand genoot, dat hij het café in oktober 1979 had verkocht; hij ontkende dat hij ooit een overeenkomst met [verweerster] had gesloten, en dat de handtekening op de schriftelijke orderbevestiging van hem was. Op 27 augustus 1980 heeft hij zich uit het handelsregister laten uitschrijven.
2. De Kantonrechter heeft de vordering van [verweerster] toegewezen op grond van het feit dat [eiser] de voorgeschreven opgave voor het handelsregister niet (tijdig) had gedaan, terwijl [verweerster] geacht moest worden te goeder trouw op de inschrijving te zijn afgegaan. De Rechtbank heeft dit vonnis bevestigd na te hebben overwogen (vonnis p. 5):
"Nu [eiser] blijkens zijn eigen opgave zich eerst op 27-8-1980 - derhalve pas nadat de dagvaarding was uitgebracht - heeft laten uitschrijven uit het handelsregister, mocht [verweerster] er - in beginsel - vanuit gaan dat [eiser] aansprakelijk was voor betaling van de verkochte en geleverde goederen".
Met "in beginsel" bedoelt de Rechtbank dat ingevolge art. 31 lid 1 van de Handelsregisterwet (hierna HRW):
"tegenover derden alleen dan een beroep kan worden gedaan op een feit dat in het handelsregister behoorde te worden ingeschreven indien die inschrijving inderdaad heeft plaatsgevonden of indien de derde op andere wijze met het feit bekend was".
3. De eerst geciteerde overweging van de Rechtbank wordt in het namens [eiser] aangevoerde cassatiemiddel aangevochten als zijnde rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk. Het middel behelst sub a) en b) slechts inleidende opmerkingen die geen bespreking behoeven. Sub c) wordt de eigenlijke grief geformuleerd; ik meen daarin drie stellingen te kunnen lezen, en wel:
1) Art. 31 HRW beschermt uitsluitend die derden te goeder trouw, die eerst gehandeld hebben nadat zij het register hebben geraadpleegd en op grond van hetgeen zij aldus te weten zijn gekomen;
2) Art. 31 HRW beschermt in elk geval niet [verweerster] , die slechts is afgegaan op de verklaring van de personen die zeiden te komen namens café " [A] ";
3) Althans is de beslissing van de Rechtbank onbegrijpelijk.
4. De eerste stelling komt mij ongegrond voor. Wel was Molengraaff die mening toegedaan (Leidraad I, 1953 p. 67), en ook Houwing prefereerde deze opvatting (zie zijn noten onder HR 18 juni 1952 NJ 1953, 530 en HR 2 januari 1953 NJ 1953, 531; beide arresten zijn eveneens gepubliceerd in AA 1952/1953, resp. op p. 81 en 138 e.v. met noten van J. Wiarda). De Adv.-Gen. Eggens in zijn conclusie voor laatstgenoemd arrest oordeelde echter reeds in andere zin; momenteel kan m.i. wel als heersende leer worden aangenomen dat men, om voor de bescherming van art. 31 HRW in aanmerking te komen, niet reeds tevoren het register heeft behoeven te raadplegen. Dit is met name zo na de wetswijziging van genoemd artikel in verband met de Eerste EG Richtlijn (zie voor gegevens Schuurman & Jordens, Handelsregisterwet, no. 91, 1979 p. 104 e.v.; zie voorts Bloembergen, Vertegenwoordiging, 1981 no. 15, Asser-Van der Grinten 2-I 1977 p. 37/38, Maeijer in zijn noot onder HR 2 juni 1977 NJ 1978, 238 en Van Oven, Handelsrecht 1981, p. 25/26.
5. De stellingen 2) en 3) daarentegen treffen doel, naar het mij voorkomt.
De in art. 31 HRW neergelegde regel brengt met zich mee dat iemand die in het handelsregister staat ingeschreven als eigenaar van een bepaald bedrijf - en nu kan ik in het midden laten of dit al dan niet de in werkelijkheid bestaande rechtstoestand weergeeft -, aansprakelijk kan worden gesteld voor de "schulden van dat bedrijf" (althans voor zover die schulden zijn ontstaan uit contract; Van Oven, a.w. p. 25 en Dorhout Mees I 1978 no. 3.55 betwijfelen , of dit ook geldt voor verbintenissen uit onrechtmatige daad).
Naar mijn mening echter hebben noch de Kantonrechter, noch de Rechtbank in voldoende mate onderzocht òf er in het onderhavige geval wel een "schuld voor het bedrijf" is ontstaan. Daartoe zou, gezien de niet betwiste ontkenning van [eiser] dat hij zelf de overeenkomst had gesloten, toch tenminste moeten vaststaan dat degene die op naam van " [A] " de telefonische bestelling deed en later het bestelde afhaalde (of liet afhalen), bevoegd was aldus te handelen, dat wil dus zeggen: een volmacht bezat (vergelijk art. 3.3.9 NBW, waarover Van Zeben, Parlementaire Geschiedenis van het NBW, Boek 3. p. 282/283. hierna P.G.), ofwel uit anderen hoofde daartoe gerechtigd was (art. 3.3.16b NBW), dan wel dat de schijn van zijn bevoegdheid door de eigenaar van het bedrijf was gewekt (zie reeds het arrest Vas Dias/Salters, HR 6 mei 1926 NJ 1926, 721, en voorts art. 3.3.2 lid 2 NBW, P.G. p. 262 e.v.). Zie nog voor een geval van onbevoegde vertegenwoordiging, mede in verband met art. 31 HRW, HR 26 Juni 1981 NJ 1982, 1 Ma. met de gegevens vermeld in de conclusie van de Adv.-Gen. Franx; zie voorts Asser-Van der Grinten 2-I 1978 p. 66/67 en Bloembergen a.w. nrs. 13, 14, 15 en 23.
Nu omtrent een en ander niets is vastgesteld, schijnt het mij toe dat in de redenering van de Rechtbank een schakel ontbreekt (evenals in het arrest HR 12 juni 1953 NJ 1953, 635 m.b.t. - toen - art. 22 HRW het geval was), zodat het middel terecht over onbegrijpelijkheid van het vonnis a quo klaagt.
Ik concludeer tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het Hof van het ressort ter verdere behandeling en afdoening van de zaak.
De Procureur-Generaalbij de Hoge Raad der Nederlanden,