HR, 03-04-1987, nr. 13233
ECLI:NL:HR:1987:AG5570
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-04-1987
- Zaaknummer
13233
- LJN
AG5570
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1987:AG5570, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 03‑04‑1987; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1987:AG5570
ECLI:NL:PHR:1987:AG5570, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 30‑01‑1987
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1987:AG5570
- Vindplaatsen
NJ 1988, 276 met annotatie van W.M. Kleijn
NJ 1988, 276 met annotatie van W.M. Kleijn
Uitspraak 03‑04‑1987
Inhoudsindicatie
Reële executie. Levering van onroerend goed.
3 april 1987
Eerste Kamer
Nr. 13.233
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: Mr. G.E.M. Later,
t e g e n
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr. J.L.W. Sillevis Smitt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie — verder te noemen [verweerder] — heeft bij exploot van 9 december 1983 eiser tot cassatie — verder te noemen [eiser] — te zamen met [betrokkene 1] , na daarvoor toestemming te hebben verkregen van de President van de Rechtbank, op verkorte termijn gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage, en gevorderd — kort samengevat — dat de Rechtbank:
1. [eiser] en [betrokkene 1] zal veroordelen tot nakoming van de verplichting tot juridische levering van het Herenhuis met erf, plaatselijk bekend gemeente [plaats] , [a-straat 1] en kadastraal bekend gemeente [plaats] sectie [A] nummer [001] en hen te gebieden daartoe te verschijnen bij notaris [betrokkene 2] , [b-straat 1] te [plaats] op een door deze te bepalen tijd en plaats teneinde alsdan aldaar mee te werken aan het passeren van de betrekkelijke transportakte, en
2. zal bepalen, dat, indien [eiser] en [betrokkene 1] — of één hunner — op genoemde tijd en plaats niet zouden verschijnen, of verschenen zijnde, mochten weigeren aan het betrekkelijke transport mee te werken, een door de Rechtbank aan te wijzen vertegenwoordiger namens [eiser] en/of [betrokkene 1] zal laten optreden teneinde het genoemde onroerend goed vrij van hypotheken en beslagen aan [verweerder] te leveren, en subsidiar [verweerder] te machtigen om, indien [eiser] en/of [betrokkene 1] op genoemde tijd en plaats niet zouden verschijnen, of, verschenen zijnde, mochten weigeren aan het betrekkelijke transport mee te werken, het te dezen te wijzen vonnis in de plaats te doen stellen van de wilsverklaring(en) van gedaagden, dan wel één hunner, in de akte van overdracht,
3. voor recht zal verklaren, dat de aldus opgemaakte transportakte rechtsgeldig in de daartoe bestemde openbare registers kan worden overgeschreven.
Nadat [eiser] tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 19 september 1984, [eiser] en [betrokkene 1] veroordeeld tot nakoming van de verplichting tot juridische levering van het in de inleidende dagvaarding omschreven onroerend goed en daartoe te verschijnen bij notaris [betrokkene 2] , [b-straat 1] te [plaats] op een door deze te bepalen tijd en plaats ten einde alsdan aldaar mee te werken aan het passeren van de betrekkelijke transportakte, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 30 mei 1986 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank vernietigt, voor zover daarbij het door [verweerder] in de inleidende dagvaardingen onder 2, subsidiair en onder 3 gevorderde is afgewezen en [verweerder] gemachtigd om, indien [eiser] en [betrokkene 1] — of één hunner — niet zouden verschijnen voor voornoemde notaris, ten einde mee te werken aan het passeren van de transportakte met betrekking tot het in de inleidende dagvaarding omschreven onroerend goed, dan wel, verschenen zijnde, mochten weigeren aan het betrekkelijke transport mede te werken, het door de Rechtbank te 's-Gravenhage op 19 september 1984 tussen partijen gewezen vonnis, waarbij zij daartoe werden veroordeeld, in de plaats te doen stellen van de wilsverklaringen van [eiser] en/of [betrokkene 1] in de notariele akte van levering en verklaard voor recht, dat de aldus opgemaakte transportakte rechtsgeldig in de daartoe bestemde registers kan worden overgeschreven, en heeft het Hof het meer of anders gevorderde afgewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [verweerder] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Het Hof heeft de volgende omstandigheden vastgesteld:
- [eiser] en [betrokkene 1] , die destijds in gemeenschap van goederen met elkaar waren gehuwd, hebben op een datum vóór april 1975 het — niet door hen bewoonde — woonhuis aan de [a-straat 1] te [plaats] voor een bedrag van ƒ. 160.000,-- aan [verweerder] verkocht, welke verkoop voor wat betreft [eiser] , aan wie surséance van betaling was verleend, plaatsvond met medewerking c.q. bijstand van zijn bewindvoerder [betrokkene 3] ;
- op 8 april 1975 is ten overstaan van notaris [betrokkene 4] te [plaats] een akte verleden, waarmede beoogd werd voornoemd pand aan [verweerder] te leveren;
- [verweerder] heeft bij die gelegenheid de koopsom ad ƒ. 160.000,-- volledig voldaan;
- [verweerder] is vervolgens, nadat het pand ingrijpend was verbouwd, in 1976 in dit pand gaan wonen en heeft daarin tevens zijn praktijk — van neuroloog — gevestigd;
- het huwelijk van [eiser] en [betrokkene 1] is in 1976 door echtscheiding ontbonden en de gemeenschappelijke boedel is nog niet gescheiden en gedeeld;
- in 1981 is aan het licht gekomen dat de met voormelde akte beoogde levering van het bewuste pand aan [verweerder] niet rechtsgeldig had plaatsgevonden, omdat bij het verlijden van die akte slechts [betrokkene 3] in zijn genoemde hoedanigheid als verkoper was opgetreden en [eiser] en [betrokkene 1] niet waren verschenen of zich hadden laten vertegenwoordigen;
- [eiser] is tot op heden niet bereid gebleken alsnog zijn medewerking te verlenen aan rechtsgeldige levering van het onroerende goed aan [verweerder] , dit ondanks het door de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage op 29 januari 1982 tussen [verweerder] als eiser en [eiser] als gedaagde in kort geding gewezen vonnis, waarbij [eiser] werd veroordeeld bedoelde medewerking te verlenen op straffe van een dwangsom van ƒ. 350,-- voor elke dag dat hij in gebreke mocht blijven aan die veroordeling te voldoen, en ondanks de betekening van dit vonnis op 8 maart 1982 aan [eiser] in persoon;
- [eiser] heeft te kennen gegeven een dergelijke medewerking ook in de toekomst niet te zullen verlenen en niet voor vonnissen, dwangsommen of gijzeling te zullen zwichten;
- de woon- en/of verblijfplaats van [betrokkene 1] zijn onbekend en van haar kan derhalve evenmin medewerking aan de levering van het pand aan [verweerder] worden verwacht;
- [verweerder] heeft tengevolge van een en ander het betreffende pand niet in zijn praktijkvennootschap kunnen inbrengen en hem hangt in verband daarmede een belastingclaim boven het hoofd ten bedrage van ƒ. 468.635,--;
- [verweerder] — die inmiddels de 65-jarige leeftijd heeft overschreden — verkeert door dit alles voorts in de onmogelijkheid genoemde praktijk, die in het bewuste pand wordt uitgeoefend, te verkopen;
- het is voor [verweerder] niet mogelijk gebleken vermogensbestanddelen van [eiser] (en [betrokkene 1] ) te achterhalen, zodat hij tot op heden zelfs niet enige genoegdoening heeft kunnen verkrijgen door executie van de ingevolge bovengenoemd vonnis inmiddels verbeurde dwangsommen.
3.2 Het Hof heeft geoordeeld — kort samengevat — dat onder deze omstandigheden reële executie van een rechterlijke beslissing, waarbij de verplichting van [eiser] en [betrokkene 1] tot levering van het onderhavige onroerende goed wordt vastgesteld en zij tot medewerking aan die levering worden veroordeeld, mogelijk is in dier voege dat de ontbrekende, voor het tot stand komen van de levering vereiste wilsverklaringen van [eiser] en [betrokkene 1] in de betreffende akte vervangen kunnen worden door die rechterlijke beslissing, waarbij het hof kennelijk voor ogen heeft gestaan dat die akte tezamen met dat vonnis ter voldoening aan het bepaalde in art. 671 BW in de openbare registers zal worden overgeschreven en dat daardoor de levering rechtsgeldig tot stand zal komen. Tegen dit oordeel richt zich het middel.
3.3 Het middel faalt. 's Hofs opvatting is juist. Reële executie van een veroordeling tot levering van een onroerend goed kan inderdaad op boven weergegeven wijze plaatsvinden met dien verstande dat uit de te zamen met de akte over te schrijven uitspraak moet blijken van het in de plaats stellen van die uitspraak voor de verklaring van de veroordeelde(n) en dat, zo dit, zoals hier, slechts uit het in hoger beroep gewezen arrest blijkt, ook dit arrest ter overschrijving in de registers aangeboden dient te worden.
Mede in aanmerking genomen dat in de huidige wetgeving wettelijke waarborgen als vervat in art. 3.11.4a nieuw BW ontbreken, verdient bij dit alles aandacht dat de rechter die deze wijze van tenuitvoerlegging toestaat tot taak heeft na te gaan of in de gegeven omstandigheden voldoende gewaarborgd is dat de gerechtvaardigde belangen van de veroordeelde(n) — van wie er hier één is gedagvaard als zonder bekende woon- of verblijfplaats — niet in het gedrang komen. Het hof heeft zulks evenwel niet miskend, zoals blijkt uit zijn hiervoor onder 3.1 weergegeven vaststellingen, alsook uit zijn hiervoor onder 1 weergegeven beslissing, waarin besloten ligt dat, alvorens tot reële executie als voormeld wordt overgegaan, niet alleen betekening aan beide veroordeelden op de voet van art. 430 lid 3 Rv. dient plaats te hebben gevonden, doch hun ook een laatste gelegenheid dient te zijn geboden om vrijwillig aan de leveringsakte mede te werken, van welk gelegenheid bieden tezamen met het uitblijven van die medewerking in die akte melding zal moeten worden gemaakt.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ. 456,30 aan verschotten en ƒ. 2.500,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Martens, Bloembergen, Roelvink en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Martens op 3 april 1987.
Conclusie 30‑01‑1987
Inhoudsindicatie
Reële executie. Levering van onroerend goed
N.E.
Nr. 13.233
Zitting 30 januari 1987
Mr. Hartkamp
Conclusie inzake:
[eiser]
tegen
[verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
1. De verweerder in cassatie, [verweerder] , heeft van de eiser tot cassatie, [eiser] (en diens toenmalige echtgenote [betrokkene 1] , die niet in cassatie is gekomen) een huis gekocht op een datum vóór april 1975. Deze verkoop vond voor wat betreft [eiser] , aan wie surséance van betaling was verleend, plaats met medewerking van zijn bewindvoerder [betrokkene 3] . Op 8 april 1975 is de notariële transportakte opgemaakt en heeft [verweerder] de koopprijs voldaan. De akte is overgeschreven; [verweerder] heeft het pand ingrijpend verbouwd, is daarin gaan wonen en heeft daarin tevens zijn praktijk van neuroloog gevestigd. In 1981 is gebleken dat de levering niet geldig heeft plaatsgevonden omdat bij het verlijden van de transportakte slechts [betrokkene 3] in zijn genoemde hoedanigheid als verkoper was opgetreden en [eiser] en [betrokkene 1] niet waren verschenen of zich hadden laten vertegenwoordigen. [eiser] heeft geweigerd alsnog zijn medewerking te verlenen aan rechtsgeldige levering van het pand, en zulks ondanks een kortgeding-vonnis uit 1982 waarbij hij daartoe op straffe van een dwangsom van Fl. 350,-- per dag was veroordeeld. De reden van deze weigerachtigheid blijkt niet uit de stukken (wel heeft [eiser] zich bij memorie van antwoord in hoger beroep op een tegenvordering beroepen, doch de hoogte wordt niet vermeld en hij stelt zelf deze vordering niet te kunnen bewijzen). [betrokkene 1] , inmiddels van echt gescheiden van [eiser] , heeft geen bekende woon- of verblijfplaats; de gemeenschappelijke boedel — de echtelieden waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd — is niet verdeeld. [verweerder] is door dit een en ander ernstig gedupeerd. Hij heeft het pand niet in zijn praktijkvennootschap kunnen inbrengen, in verband waarmee hem een belastingclaim boven het hoofd hangt van Fl. 468.635,--; en hij kan zijn praktijk, die in het pand wordt uitgeoefend, niet verkopen (hij is inmiddels de 65-jarige leeftijd gepasseerd). Hij heeft ook geen vermogensbestanddelen van [eiser] kunnen achterhalen waarop hij de dwangsommen heeft kunnen verhalen.
In de onderhavige procedure heeft de Haagse rechtbank [eiser] en zijn ex-echtgenote wel veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan de levering, doch zij heeft de gevorderde reële executie geweigerd omdat deze geen steun in de wet zou vinden. Het hof heeft daarentegen ‘’onder deze omstandigheden’’ reële executie mogelijk geacht, in dier voege dat de ontbrekende wilsverklaringen van [eiser] en [betrokkene 1] in de op te maken transportakte kunnen worden vervangen door het vonnis waarin zij tot medewerking van de levering zijn veroordeeld. Tegen dit arrest van 29 mei 1986 voorziet [eiser] zich — tijdig — in cassatie met één, niet nader toegelicht, middel stellende dat de beslissing van het hof onjuist is.
2. Bij arrest van 23 juni 1899, W. 7302 heeft de Hoge Raad als volgt beslist:
‘’0. dat volgens art. 671 BW de levering of opdracht van onroerende zaken geschiedt door de overschrijving van de akte in de daartoe bestemde openbare registers;
0. dat het woord ‘’akte’’, — zooals ten allen overvloede uit het tweede lid van het artikel ontwijfelbaar volgt, — in art. 671 BW de betekenis heeft van een geschrift door of met medewerking van partijen tot stand gebracht, ten einde van eene overeenkomst van partijen te doen blijken, en dat noch in dit, noch in eenig ander aangevoerd wetsartikel den rechter de bevoegdheid is verleend zijn gewijsde, waarbij koop en verkoop van onroerend goed is geconstateerd, te doen strekken tot akte ter overschrijving, als en met de gevolgen in art. 671 BW bedoeld;’’
Op grond van deze overwegingen verwierp Uw Raad het cassatiemiddel, dat betoogde dat het hof ten onrechte reële executie had afgewezen op de grond dat aan het voorschrift van art. 671 niet kon worden voldaan door de overschrijving van het in kracht van gewijsde gegane vonnis, waarbij het aangaan der overeenkomst wordt geconstateerd.
3. Dit arrest is in de doctrine praktisch unaniem afgekeurd. Ik noem Molengraaff, Preadv. NJV 1900, blz. 30 e.v., 76 e.v., 84, Suyling II, 1e gedeelte (1934), nr. 27, Fischer, De geschiedenis van de reële executie bij koop (1934), blz. 347 v., Van Rossem-Cleveringa, aant. 7 bij art. 430, Star Busmann-Rutten-Ariëns (1972), nr. 415, Hofmann-Van Opstall, blz. 37 v., Pitlo-Bolweg (1979) blz. 15 v., Pitlo-Brahn (1980), blz. 252, Asser-Rutten I (1981) blz. 159, P.A. Stein, WPNR 5616 (1982) en WPNR 5652 (1983), Van Velten, WPNR 5672 (1983) (vgl. ook zijn proefschrift Kopers en economische eigenaars van onroerend goed, 1982, blz. 37 e.v. en Mon. Nieuw BW 65–c, nr. 29), Mijnssen-Schut, Bezit, levering en overdracht volgens BW en NBW (1984), blz. 72 e.v., Asser-Beekhuis I (1985) nr. 395, Hugenholtz-Heemskerk (1986), nr. 272, Losbl. Rv. (Jansen) Boek II, Titel I, aant. 9. Op de argumenten van deze schrijvers kom ik in nr. 6 terug. Daarentegen vinden enige andere schrijvers, onder wie Droogleever Fortuyn, WPNR 2646 (1920), alsmede Heuff, WPNR 5422 (1978), blz. 114 en Jongbloed, WPNR 5624 (1982) blz. 600–601, dat voor het ook door hen op zichzelf wenselijk geachte resultaat een wetswijziging noodzakelijk is.
4. De lagere rechtspraak is verdeeld. Aanvankelijk is het arrest van 1899 in de meerderheid der uitspraken gevolgd. Ik moge verwijzen naar de geciteerde literatuur. Thans is het andersom: tegenover de afwijzende uitspraken van de rechtbank Den Haag in deze zaak (hoe anders was de toon in het vonnis van hetzelfde college van 8 april 1919, NJ 1919, 601, W 10466, WPNR 2580), de Rb. Leeuwarden, WPNR 5616 (1982), blz. 460 en de Rb. Breda (te kennen uit NJ 1981, 523), staan in het laatste decennium Pres. Rb. Den Haag 30 november 1976, NJ 1978, 13; Hof Den Bosch 28 januari 1981, NJ 1981, 523; Hof Leeuwarden 3 maart 1982, WPNR 5616 (1982); Pres. Den Haag 17 juni 1983, KG 1983, 222; het Hof te Den Haag in de onderhavige zaak; en Pres. Rb. Arnhem 21 augustus 1986, KG 1986, 419.
5. In de wetgeving valt te wijzen op art. 3.11.4 van het nieuwe B.W. dat reële executie van de verplichting om een rechtshandeling te verrichten c.q. om samen met de eiser een akte op te maken, mogelijk maakt, en wel op verschillende wijzen:
a) het vonnis kan dezelfde kracht verkrijgen als een akte van degene die tot de rechtshandeling gehouden is;
b) een door de rechter aan te wijzen vertegenwoordiger kan de handeling verrichten;
c) het vonnis kan in plaats van de akte of een deel daarvan treden.
In het sub c bedoelde geval kan het o.m. gaan om een transportakte m.b.t. een onroerende zaak. Voor dat geval is bij de Invoeringswet een art. 3.11.4a ingevoegd dat nadere voorschriften bevat met het oog op de inschrijving van de akte in de openbare registers. Zie hierna nr. 9.
Verschillende malen is invoering van een regeling in de trant van art. 3.11.4 als ‘’voortrein’’ voorgesteld, doch de minister van Justitie heeft dat afgewezen. De eerste maal geschiedde dit bij de parlementaire behandeling van het wetsontwerp dat leidde tot de wet van 28 juni 1956, Stb. 376, waarbij art. 671a B.W. werd ingevoegd. Zie de opmerkingen van minister Van Oven, Handelingen Tweede Kamer, Zitting 1955–1956, blz. 2609–2610. De tweede maal betrof het art. 3.11.4 zelf; zie Parl. Gesch. Boek 3, blz. 900. Het wil mij voorkomen dat de aan laatstbedoelde passage gewijde r.o. 5 van het Hof juist is.
Ik doelde hierboven op de meer recente geschiedenis. Voor oudere ontwerpen zie Fischer, t.a.p., blz. 351 e.v. Op art. 106 Ontwerp 1898, gepubliceerd in 1899, heeft Uw Raad in 1899 niet willen anticiperen, hoewel in de kamer die het arrest wees (bestaande uit zeven raadsheren) twee ontwerpers — Van Meerbeke en Eysell — zitting hadden. Zoals hierna zal blijken hoop ik dat de geschiedenis zich niet zal herhalen.
6. De in nr. 3 geciteerde kritici van het arrest van 1899 beroepen zich op het beginsel van executierecht dat de overheid verplicht is de rechthebbende zoveel mogelijk aan zijn recht te helpen; d.w.z. zoveel mogelijk aan de prestatie zelf te helpen precies en juist, zoals het recht erop erkend is (Suyling, Van Rossem-Cleveringa). Voorts wijzen zij op — en bepleiten zij de analogische toepassing van wetsartikelen waarin reële executie van de verplichting om een registergoed te leveren wèl erkend wordt, zoals de art. 1217 jo 1231 B.W. (vestiging hypotheek) 318 lid 2 K en 757 lid 2 K (schepen), art. 6 lid 2 Wet teboekgestelde luchtvaartuigen, onderscheidenlijk waarin eigendomsoverdracht door overschrijving van een vonnis aanvaard wordt, bijv. art. 529 Rv. en art. 59 Onteigeningswet. Dat de artt. 671 en 671a een notariële akte eisen sluit niet uit dat naar (ongeschreven) regels van executierecht de overschrijving van een vonnis tot hetzelfde rechtsgevolg leidt. Ook in andere gevallen heeft de rechter vormen van reële executie aanvaard waar de wet zwijgt. Zie bijv. Star Busmann, t.a.p. nr. 416 v.; vgl. ook HR 28 juni 1963, NJ 1963, 507. Tenslotte vormt voor de meer recente schrijvers uiteraard art. 3.11.4 een argument. In de lagere rechtspraak die van het arrest van 1899 is afgeweken hebben deze argumenten weerklank gevonden.
Ik vermeld nog dat in alle ons omringende rechtsstelsels de in art. 3.11.4 neergelegde mogelijkheid van reële executie reeds geldend recht is. Zie Lubbers, Bundel onroerend goed (1968), blz. 190 e.v., 202 v.; Van Velten, Kopers en economische eigenaars van onroerend goed (1982), blz. 194, 200, 209, 210, 212 en 214.
7. Ook op mij komen die argumenten overtuigend over, zodat ik reeds om die reden het bestreden arrest juist gewezen acht. Daar komt nog het volgende bij.
De onderhavige casuspositie verschilt op enige belangrijke punten van die welke in 1899 (en in ook latere uitspraken) werd berecht en vervolgens aan de voormelde schrijvers voor ogen stond. Hier gaat het immers om het geval dat de koper medewerking aan de levering eist van een verkoper, nadat reeds aan de koper is geleverd, zij het, naar later blijkt, dat deze levering nietig was. De koper heeft op grond van die levering de prijs betaald en het huis betrokken. Indien de nietigheid van de levering niet zou worden geheeld, zou de koper ernstig gedupeerd zijn, temeer daar op de verkoper geen enkel verhaal mogelijk is. Om deze reden mist ook het belangrijke drukmiddel van de dwangsom zijn effect. Het is duidelijk dat een weigering van de rechter hier reële executie te aanvaarden groot onrecht teweeg zou brengen, groter dan in het ‘’normale’’ geval van niet-levering dat in de vroegere uitspraken aan de orde was en met het risico waarvan elke koper binnen zekere grenzen rekening moet houden.
In de tweede plaats is in deze zaak niet reële executie toegestaan in de zin van het arrest van 1899 — overschrijving van het vonnis in plaats van een transportakte — doch in die zin dat het vonnis bij de op te maken transportakte in de plaats treedt van de wilsverklaringen van de beide verkopers. Principieel maakt dit natuurlijk niet zoveel uit, maar formeel is er om deze reden op dit punt geen strijd tussen het arrest van 1899 en het bestreden arrest.
8. Ik merk terzijde nog op dat de praktische problemen, verbonden aan de zojuist genoemde wijzen van reële executie, als gesignaleerd door Stein, WPNR 5616 (die daarom de figuur van de dwangvertegenwoordiger, zie hierboven nr. 5 sub b prefereert) zich in de onderhavige casus, waarin immers reeds geleverd was, niet voordoen.
9. Tenslotte rijst de vraag of erkenning van de onderhavige vorm van reële executie verantwoord is zonder dat zij wordt begeleid door een processuele uitwerking als vervat in art. 3.11.4a; zie daarover de memorie van toelichting bij de Invoeringswet, vierde gedeelte (17496, nr. 3), blz. 49 e.v. Ik meen deze vraag bevestigend te mogen beantwoorden. Dat het vonnis betekend moet worden zal ook voor het huidige recht uit art. 430 lid 3 Rv. mogen worden afgeleid. Het voorschrift dat een termijn van veertien dagen moet worden in acht genomen voor de inschrijving van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak, welk voorschrift wil waarborgen dat de gedaagde niet door de inschrijving wordt overvallen, is bij de in de onderhavige zaak gekozen vorm van reële executie niet onmisbaar, omdat toch nog een notariële akte moet worden opgemaakt. Tenslotte geeft het artikel een oplossing voor de thans bestaande moeilijkheid dat het vaak niet mogelijk is met zekerheid vast te stellen of een uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Maar deze moeilijkheid heeft de wetgever daar waar hij reeds thans reële executie heeft toegelaten, slechts in enkele gevallen opgelost (zie art. 757 lid 2 K en art. 6 lid 2 Wet teboekgestelde luchtvaartuigen), terwijl de praktijk zich in de overige gevallen heeft weten te redden. Derhalve zie ik hierin hoogstens een onvolkomenheid van technische aard, geen dwingend argument tegen de door het Hof gevolgde koers; zeker niet in het onderhavige geval, waarin afwijking van die koers tot een zo evidente onbillijkheid zou leiden.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,