HR, 20-04-1990, nr. 13826
ECLI:NL:HR:1990:AD1089
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-04-1990
- Zaaknummer
13826
- LJN
AD1089
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1990:AD1089, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑04‑1990; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1990:AD1089
ECLI:NL:PHR:1990:AD1089, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑02‑1990
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1990:AD1089
- Vindplaatsen
VR 1991, 3
VR 1991, 3
Uitspraak 20‑04‑1990
Inhoudsindicatie
Verzekeringsovereenkomst. Meldingsplicht verzekerde ten aanzien van risicoverzwaring. Vervaltermijnclausule. Beperkende werking redelijkheid en billijkheid.
20 april 1990
Eerste Kamer
Nr. 13.826
A.S.
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
DE VERENIGDE ONDERLINGE SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ O.T.O.S. U.A.,
gevestigd te Leeuwarden,
EISERES tot cassatie,
advocaat: Mr. P.J.L.J. Duijsens,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr. C.J. Hagen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen [verweerder] - heeft bij exploot van 8 oktober 1985 eiseres tot cassatie - verder te noemen OTOS - gedagvaard voor de Rechtbank te Leeuwarden en gevorderd de veroordeling van OTOS tot betaling van een bedrag van f 14.081, -- met de wettelijke rente daarover vanaf 7 maart 1985.
Nadat OTOS tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 8 januari 1987 [verweerder] toegelaten bewijs te leveren.
Tegen dit tussenvonnis heeft OTOS hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.
Bij arrest van 30 maart 1988 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd en de zaak terugverwezen naar de Rechtbank te Leeuwarden ten einde verder te worden beslist en afgedaan.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft OTOS beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan.
In december 1983 was met betrekking tot de woning Bakkeveensterweg 3 te Waskemeer tussen de eigenaren - de erven-[verweerder] - en OTOS als verzekeraar een door de erflater, [erflater], gesloten verzekeringsovereenkomst van kracht, welke onder meer dekking gaf tegen schade door water. In die maand heeft de woning waterschade. opgelopen ten bedrage van f 14.081, --. De woning was toen sinds anderhalf jaar - sinds het overlijden van [erflater] - niet bewoond, maar nog wel gemeubileerd en als woning ingericht. Bij akte van scheiding en deling van 5 november 1984 zijn de woning en de rechten van de erven tegen OTOS met betrekking tot de waterschade toegedeeld aan [verweerder].
Bij brief van 1 februari 1984 aan de Rabobank Opsterland Oost, die als tussenpersoon bij het sluiten van de verzekering was opgetreden, deelde OTOS mede geen vergoeding ter zake van de voormelde schade te zullen uitkeren. Daartoe beriep zij zich erop dat geen kennis was gegeven van het buiten gebruik raken van de woning, zulks in verband met art. 10.A.1 van de verzekeringsvoorwaarden waarin, kort samengevat, is bepaald dat de verzekerde verplicht is zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 60 dagen de maatschappij of de tussenpersoon in kennis te stellen van elke risico verzwarende omstandigheid, waaronder in ieder geval ook wordt verstaan het buiten gebruik of onbewoond raken van het verzekerde gebouw, en dat bij gebreke van zodanige kennisgeving de maatschappij niet gehouden is een schade te vergoeden die verband houdt met de risico-verzwarende omstandigheid.
3.2 In het onderhavige geding heeft [verweerder] OTOS tot vergoeding van de waterschade aangesproken. OTOS heeft zich primair verweerd met een beroep op art. 4.B.10 van de polisvoorwaarden (hierna: de vervaltermijnclausule), luidende:
"Heeft de maatschappij ten aanzien van een vordering van de verzekerde een definitief standpunt ingenomen, hetzij door het afwijzen van de vordering, hetzij door een (aanbod van) betaling bij wijze van finale afdoening, dan vervalt na 1 jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de verzekerde of zijn gemachtigde van dit standpunt kennis kreeg, ieder recht op de maatschappij ter zake van het schadegeval, waarop de vordering was gegrond",
zulks in verband met de omstandigheid dat de dagvaarding is uitgebracht op 8 oktober 1985, dus meer dan een jaar na de afwijzing van de vordering door OTOS bij brief van 1 februari 1984. Subsidiair herhaalde OTOS haar beroep op art. 10.A.1 van de polisvoorwaarden.
De Rechtbank heeft het beroep van OTOS op de vervaltermijnclausule verworpen op grond van de volgende gedachtengang: (a) het bij brief van OTOS van 1 februari 1984 ingenomen standpunt is kennelijk ingenomen zonder overleg met de erven of de Rabobank, met name zonder dat melding is gemaakt van de argumenten die de Rabobank na overleg met de erven in haar brief van 15 maart 1984 aan OTOS heeft aangevoerd; (b) een verzekerde mag erop rekenen dat het door de verzekeraar op gegevens van slechts één kant gebaseerde standpunt niet als definitief kan worden beschouwd; (c) de van nieuwe argumenten voorziene brief van 15 maart 1984 van de Rabobank is door OTOS niet beantwoord met de mededeling dat deze feiten voor haar geen aanleiding vormden om haar standpunt te wijzigen; (d) het door OTOS medegedeelde standpunt kan dan ook niet als definitief worden beschouwd zodat de vervaltermijnclausule niet van toepassing is.
Met betrekking tot het subsidiaire verweer, dat in cassatie niet van belang is, liet de Rechtbank [verweerder] tot bewijs toe.
3.3 Op het beroep van OTOS heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Met betrekking tot het beroep op de vervaltermijnclausule komen de overwegingen van het Hof op het volgende neer. (i) Op zichzelf juist is de grief van OTOS dat de Rechtbank ten onrechte als "tussen partijen vaststaand" heeft aangenomen dat OTOS de brief van de Rabobank van 15 maart 1984 heeft ontvangen: OTOS heeft de ontvangst van die brief betwist. Op een andere grond moet het echter ervoor worden gehouden dat OTOS die brief heeft ontvangen: zij heeft op 13 mei 1985 (het Hof vermeldt kennelijk bij vergissing 15 mei 1985)
aan de raadsvrouwe van [verweerder] geschreven dat de brief wordt aangemerkt als op 16 maart 1984 te zijn ontvangen. Daarmede heeft OTOS zonder enig voorbehoud afstand gedaan van de mogelijkheid zich op het niet-ontvangen zijn van die brief te beroepen. (ii) Een vervaltermijnclausule als de onderhavige kan leiden tot een wezenlijke beperking van de rechten welke de verzekerde zonder die clausule zou kunnen ontlenen aan de verzekering waarvoor hij premie heeft betaald. (iii) Gelet daarop kan een verzekeraar - als in dit geval OTOS - die zijn standpunt heeft bepaald zonder dat van de verzekerde te kennen en die vervolgens een prompte reactie van die verzekerde zo lang onbeantwoord laat dat inmiddels de vervaltermijn is verstreken, zich niet te goeder trouw op het verstreken zijn daarvan beroepen, omdat die termijn dan wordt gehanteerd als een valkuil voor de verzekerde en niet ter bescherming van een redelijk belang van de verzekeraar.
3.4 Het middel, dat onder 1 slechts een inleiding bevat, klaagt onder 2 erover dat het Hof, oordelend dat OTOS zonder enig voorbehoud afstand heeft gedaan van de mogelijkheid zich te beroepen op het niet ontvangen van de brief van de Rabobank van 15 maart 1984, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, althans onvoldoende gemotiveerd heeft beslist over wezenlijke stellingen.
Deze klacht faalt. 's Hofs oordeel houdt - anders dan in de laatste alinea van het onderdeel wordt gesteld - niet in dat OTOS de brief van 15 maart 1984 heeft ontvangen, maar dat in dit geding het ervoor moet worden gehouden dat zij de brief - op 16 maart 1984 - ontvangen heeft. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst, omdat het mede berust op een - niet onbegrijpelijke - uitleg van de brief van OTOS van 13 mei 1985 (het onderdeel vermeldt kennelijk bij vergissing als datum 15 maart 1985 en vervolgens 13 maart 1985). Nadere motivering behoefde dat oordeel niet. Anders dan het slot van de eerste alinea van het onderdeel lijkt te suggereren heeft het Hof in rov. 2.1 niet beslist dat OTOS haar beroep op de vervaltermijnclausule heeft prijsgegeven.
3.5 Ook onderdeel 3 faalt. Het miskent dat iedere tussen partijen als gevolg van een overeenkomst geldende regel, dus ook een vervaltermijnclausule, niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. 's Hofs in rov. 2.2 besloten liggende oordeel dat OTOS zich niet te goeder trouw kan beroepen op de vervaltermijnclausule, gelet op de in die overweging vermelde omstandigheden (waaronder de omstandigheid dat in dit geding het ervoor moet worden gehouden dat OTOS de brief van 15 maart 1984 heeft ontvangen), geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt OTOS in de kosten van het geding in cassatie, tot deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op f 556,30 aan verschotten en f 2.500, -- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren De Groot, als voorzitter, Hermans en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Hermans op 20 april 1990.
Conclusie 09‑02‑1990
Inhoudsindicatie
Verzekeringsovereenkomst. Meldingsplicht verzekerde ten aanzien van risicoverzwaring. Vervaltermijnclausule. Beperkende werking redelijkheid en billijkheid.
PN
Nr. 13.826
Zitting 9 februari 1990
Mr. Hartkamp
Conclusie inzake:
ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ OTOS U.A.
tegen
[verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
1. Onderdeel 1 van het (tijdig voorgestelde) cassatiemiddel bevat geen klacht.
2. Onderdeel 2 faalt. 's Hofs beslissing in r.o. 2.1, laatste alinea, is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk. Opmerking verdient dat het hof slechts heeft beslist dat Otos haar beroep op het niet ontvangen-zijn van [verweerder] brief heeft prijsgegeven, niet dat Otos afstand heeft gedaan van haar beroep op art. 4.B.10 van de verzekeringsvoorwaarden (de termijnoverschrijding). Dit laatste punt komt in r.o. 2.2 aan de orde (waartegen onderdeel 3 zich richt). Aldus sluit de opbouw van 's hofs gedachtengang geheel aan bij de zijdens Otos in hoger beroep genomen "akte overlegging produktie".
3. In r.o. 2.2 heeft het hof beslist dat Otos zich onder de aldaar genoemde omstandigheden niet te goeder trouw op de contractuele vervaltermijn kan beroepen. Onderdeel 3 betoogt dat een (beroep op een) contractueel beding houdende een vervaltermijn (die verstreken is) niet vatbaar is voor toetsing aan de goede trouw. Dit standpunt is onjuist. Van elke tussen partijen geldende regel kan onder omstandigheden door redelijkheid en billijkheid de toepasselijkheid worden beperkt. Zie de artt. 6.1.1.2 en 6.5.3.1 (2 en 248 Boek 6), die ook het geldende recht weergeven. Vgl. Asser-Hartkamp II (1989) nrs. 300 e.v., 312 e.v. Dit geldt dus ook, en zelfs in de eerste plaats, voor contractuele bedingen. Wat vervalbedingen betreft zie men in deze zin m.i. reeds het bekende arrest HR 20 mei 1949, NJ 1950, 72 m.o. Ph.A.N.H. inzake Rederij Koppe, voorts Asser-Hartkamp I (1988) nr. 692. Voor het nieuwe recht wijs ik ten overvloede op de artt. 6.5.2A.3 onder g en 6.5.2A.4 onder h in verbinding met art. 6.5.2A.2a onder a (resp. artt. 236, 237 en 233 Boek 6), die bepaalde vervalbedingen vernietigbaar verklaren - overigens in het zich in casu niet voordoende geval van onredelijkheid naar de inhoud - en als wettelijke uitwerkingen van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid kunnen worden beschouwd; zie Asser-Hartkamp II nr. 358.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,