HR, 09-11-1990, nr. 7498, nr. 7499
ECLI:NL:PHR:1990:AC1105
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-11-1990
- Zaaknummer
7498
7499
- LJN
AC1105
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1990:AC1105, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑11‑1990; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1990:AC1105
ECLI:NL:PHR:1990:AC1105, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑11‑1990
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1990:AC1105
- Vindplaatsen
Uitspraak 09‑11‑1990
Inhoudsindicatie
Caribische zaak (Aruba). Erfrecht. Verblijvensbeding bij dode. Is sprake van natuurlijke verbintenis tot verzorging nagelaten betrekkingen? Maatstaf. Toepassing vreemd recht (recht van staat Florida). Passeren bewijsaanbod. Conservatoir derdenbeslag.
9 november 1990
Eerste Kamer
Rek.nrs. 7498-7499
EN
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak (7498) van:
1. [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [eiser 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
3. [eiser 3] ,
wonende op [woonplaats] ,
4. [eiseres 4] ,
wonende te [woonplaats] ,
5. [eiseres 5] ,
wonende te [woonplaats] ,
6. [eiser 6] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERS tot cassatie,
advocaat: Mr. E. Grabandt,
tegen
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] , Verenigde Staten van Amerika,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: Mr. G.M.M. den Drijver.
en in de zaak (7499) van:
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] , Verenigde Staten van Amerika,
EISERES tot cassatie,
advocaat: Mr. G.M.M. den Drijver,
tegen
1. [verweerder 1] , wonende te [woonplaats] ,
2. [verweerder 2] , wonende te [woonplaats] ,
3. [verweerder 3] , wonende op [woonplaats] ,
4. [verweerster 4] , wonende te [woonplaats] ,
5. [verweerster 5] , wonende te [woonplaats] ,
6. [verweerder 6] , wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: Mr. E. Grabandt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Op 10 juli 1984 hebben thans eisers tot cassatie (in de zaak nr. 7498) - verder aan te duiden als: [eisers] - ten laste van thans verweerster in cassatie (in dezelfde zaak) - verder aan te duiden als: [verweerster] - conservatoir derdenbeslag gelegd onder Ennia Levensverzekering NV. Vervolgens hebben [eisers] zich bij op 16 juli 1984 gedateerd verzoekschrift gewend tot het Gerecht in Eerste Aanleg zittingsplaats Aruba. Zij hebben daarbij, kort samengevat, gevorderd: (1) [verweerster] op straffe van een dwangsom te veroordelen een bedrag ad U.S. $ 684.951,81 dat [verweerster] onttrokken zou hebben aan de boedel van [erflater] , daarin terug te brengen door dit bedrag te storten bij de boedelnotaris en (2) voormeld beslag van waarde te verklaren.
Nadat [verweerster] tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft het Gerecht in Eerste Aanleg bij vonnis van 5 juni 1985 [verweerster] veroordeeld om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis een bedrag van U.S. $ 514.345,40 of althans de tegenwaarde daarvan in N.A .- courant terug te brengen in de nalatenschap, en wel door die gelden te brengen onder beheer van een boedelnotaris, op verbeurte van een dwangsom van f 10.000, -- voor elke dag dat zij in gebreke mocht blijven aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van f 1.000.000, -- , en heeft het het meer of anders gevorderde, waaronder de vanwaardeverklaring van het gelegd conservatoir beslag, ontzegd.
Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, waarna [eisers] incidenteel hoger beroep hebben ingesteld.
Bij tussenvonnis van 20 mei 1986 heeft het Hof in het principaal en incidenteel hoger beroep onder aanhouding van iedere verdere uitspraak bepaald dat [verweerster] in 's Hofs rechtsoverwegingen aangegeven nadere gegevens en/of bewijsstukken in het geding zal brengen met betrekking tot de bij in dat vonnis nader aangeduide trustaccounts en [eisers] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs
tegen het in die rechtsoverwegingen aangenomen vermoeden dat te dezen sprake was van een natuurlijke verbintenis van [erflater] , strekkende tot de voldoening van zijn verzorgingsplicht tegenover [verweerster] en hun kinderen. Bij eindvonnis van 30 augustus 1988 heeft het Hof in het principaal hoger beroep het bestreden vonnis vernietigd, doch uitsluitend voor zover [verweerster] veroordeeld is om U.S. $ 514.345,40 in de nalatenschap terug te brengen, het maximum van de te verbeuren dwangsommen is bepaald op f 1.000.000, -- en [verweerster] daarbij is veroordeeld in de proceskosten.
Het Hof heeft [verweerster] bij laatstgenoemd vonnis veroordeeld om het bedrag van U.S. $ 197.626,31 in de nalatenschap terug te brengen in voege als in het vonnis is vermeld en het maximum van de te verbeuren dwangsommen - bepaald op Af. 350.000, -- , met compensatie van de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
In het incidenteel hoger beroep heeft het Hof het beroep verworpen.
De vonnissen van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen beide vonnissen van het Hof hebben [eisers] in de zaak 7498 en [verweerster] in de zaak 7499 beroep in cassatie ingesteld. De cassatierekesten zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer verzocht het beroep te verwerpen.
In de zaak 7499 hebben [eisers] incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Hun desbetreffende rekest is eveneens aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerster] heeft verzocht dit beroep te verwerpen.
Partijen hebben hun standpunten over en weer doen toelichten door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Koopmans strekt in beide zaken in het principale beroep tot vernietiging van de vonnissen van het Hof met terugverwijzing van het geding naar dat Hof ter verdere afdoening, alsmede tot verwerping van het incidentele beroep in de zaak nr. 7499.
3. Inleidende opmerkingen ten aanzien van beide zaken
3.1 Het betreft hier over en weer ingestelde cassatieberoepen tegen dezelfde uitspraken. De Hoge Raad zal deze beroepen daarom gevoegd behandelen.
3.2 Op 15 mei 1984 is te Miami, Florida (U.S.A.), - zonder over zijn nalatenschap te hebben beschikt, overleden [erflater] . Naar het Hof in zijn tussenvonnis heeft geoordeeld (welk oordeel in cassatie niet is bestreden), had [erflater] ten tijde van zijn overlijden woonplaats op Aruba en wordt de vererving van zijn nalatenschap dus beheerst door Nederlands-Antilliaans recht.
De erflater was in 1977 buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwd met [verweerster] . Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren: [kind 1] in 1977 en de tweeling [kind 2] en [kind 3] in 1978.
[eisers] zijn de kinderen uit het eerste huwelijk van de erflater.
Alle genoemde kinderen en [verweerster] zijn elk voor één tiende gedeelte gerechtigd in de nalatenschap.
3.3.1 Inzet van dit geding zijn de door [verweerster] op 24 mei 1984 opgenomen saldi van een vijftal rekeningen bij banken in de staat Florida (U.S.A.). Volgens [eisers] behoorden deze tegoeden - die tesamen U.S. $ 514.345,40 beliepen - tot de nalatenschap. Daarom vorderen zij dat [verweerster] wordt veroordeeld de opgenomen gelden in de boedel terug te brengen door ze te storten onder de boedelnotaris.
3.3.2 Het gaat daarbij om de volgende bankrekeningen:
(A) een drietal rekeningen bij de Coconut Grove Bank, tot een gezamenlijk bedrag van U.S. $ 316.719,19; deze rekeningen waren zgn. "joint-accounts" ten name van " [erflater] or [eiseres] " met een "righ of survivorship"; deze rekeningen worden hierna aangeduid als: de joint accounts;
(B) een tweetal rekeningen bij de Peninsula Federal Savings and Loan Association, tot een gezamenlijk bedrag van U.S. $ 197.626,21; deze rekeningen waren zgn. "trustaccounts" ten name van " [erflater] or [eiseres] in trust for the children, [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] "; deze rekeningen worden hierna aangeduid als: de trustaccounts.
3.3.3 Daarnaast bestond nog een rekening bij de AmeriFirst Federal Savings and Loan Association, waarvan het saldo op 5 oktober 1984 U.S. $ 143.415,78 bedroeg; ook deze rekening was een trustaccount, staande ten name van " [erflater] as trustee for [kind 1] and [kind 2] and [kind 3] and [verweerster] [eiseres]".
3.3.4 Naar 's Hofs in cassatie niet bestreden oordeel (rov. 6 tussenvonnis) is in dit geding "uitsluitend de erfrechtelijke status" van de hiervoor onder 3.3.2 genoemde banktegoeden aan de orde. De onder 3.3.3 genoemde trustaccount vormt derhalve geen inzet van dit geding, maar het Hof heeft opgemerkt dat ervan moet worden uitgegaan "dat het oordeel van het Hof omtrent dit vermogensbestanddeel, indien dit oordeel verzocht was, niet andersluidend ware dan" dat omtrent de onder 3.3.2 bedoelde trustaccounts.
3.4 's Hofs oordelen laten zich als volgt samenvatten:
(A) wat de joint accounts betreft:
(i) uitgangspunt moet zijn dat het hier gaat om gezamenlijke rekeningen met een wederkerig verblijvensbeding bij dode (rov. 7.2 tussenvonnis);
(ii) nu dit beding is gemaakt zonder tegenprestatie, houdt het een materiele bevoordeling in, die ingeval van schending van de legitieme portie tot inkorting leidt, tenzij het strekt ter voldoening aan een verzorgingsplicht die kan worden aangemerkt als een natuurlijke verbintenis (rovv. 7.2 jo 7.4.1 tussenvonnis);
(iii) of van zulk een verplichting sprake is, moet worden beoordeeld aan de hand van de maatschappelijke opvattingen, een en ander binnen de grenzen van de redelijkheid, afgemeten naar de omstandigheden van het geval (rov. 7.4.1 tussenvonnis);
(iv) naar algemeen gangbare opvattingen van moraal en fatsoen wordt het voor hen die niet het vooruitzicht hebben op voldoende verzorging van hun nagelaten naaste betrekkingen - zoals echtgenote en kinderen -, als een onafwijsbare plicht beschouwd om naar de mate van enerzijds het mogelijke, anderzijds het redelijke voor het onderhoud van die betrekkingen te zorgen (rov. 7.4.2 tussenvonnis);
(v) een en ander leidt in het gegeven geval tot het vermoeden dat te dezen van een dergelijke verplichting sprake is (rov. 7.4.4 tussenvonnis);
(vi) [eisers] krijgen gelegenheid dit vermoeden door tegenbewijs te ontzenuwen, want wat zij, voorafgaand aan het tussenvonnis, ter zake hebben aangevoerd is onvoldoende; in dit verband valt met eigen vermogen van de nagelaten betrekkingen en met hun mogelijkheid zich inkomsten te verwerven immers slechts in zoverre rekening te houden als de getroffen voorziening, gelet op de omstandigheden, de onderlinge verhouding van alle betrokkenen en hun graad van maatschappelijke welstand, "alle grenzen van redelijkheid overschrijdt", terwijl hetgeen [eisers] hebben gesteld onvoldoende grond biedt te oordelen dat daarvan sprake is (rovv. 7.4.4 jo 7.4.5 tussenvonnis);
(vii) het tegenbewijs is niet geleverd en ook na . het tussenvonnis hebben [eisers] niets aangevoerd dat het Hof tot het inzicht brengt dat de erflater bij de nakoming van zijn natuurlijke verbintenis tot verzorging alle grenzen van redelijkheid heeft overschreden (rovv. 3 jo 4.4 van het eindvonnis);
(viii) de joint accounts zijn dus niet voor inkorting vatbaar en [verweerster] behoeft de opgenomen saldi niet in de boedel terug te brengen (rov. 4.4 eindvonnis).
(B) wat de trustaccounts betreft:
(i) de stelling van [eisers] dat de Anglo-Amerikaanse trust strijdig is met de openbare orde, kan niet als juist worden aanvaard (rov. 7.3 tussenvonnis);
(ii) nu de rechter zich ingevolge art. 18 van het Weense Verdragenverdrag ervan dient te onthouden ter zake van dergelijke trusts uitspraken te doen welke onverenigbaar zijn met het op 1 juli 1985 voor het Koninkrijk ondertekende "Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts" (Trb. 1985, 141) (Trustverdrag), dient van geval tot geval te worden beoordeeld of een trust beantwoordt aan de daaraan in het Trustverdrag gestelde kenmerken, wat het op die trust toepasselijke recht is en of de trust als zodanig kan worden erkend (rov. 7.3 tussenvonnis);
(iii) voorshands beschikt het Hof over onvoldoende feiten om te beoordelen of de trustaccounts in het leven zijn geroepen overeenkomstig het door het Trustverdrag aangewezen recht; het kan dus evenmin beoordelen of die trustaccounts als trusts in de zin van dat verdrag kunnen worden erkend; [verweerster] zal daartoe nadere gegevens en/of bewijsstukken in het geding moeten brengen (rov. 7.3 - - tussenvonnis) ;
(iv) de trustaccounts worden beheerst door het recht van Florida (rov. 2.3 eindvonnis);
(v) de Amerikaanse advocaat van [verweerster] schrijft nu wel dat de trustaccounts erkend zijn als "Totten" trusts
en dat zulke trusts bij de dood van de trustee onherroepelijk worden, doch de Amerikaanse advocaat van [eisers] wijst erop dat zulke trusts herroepelijk zijn zolang de settlor of de trustee nog niet is overleden;
nu [verweerster] als mede-insteller van de trustaccounts is vermeld, is zij niet verplicht die accounts ten behoeve van de begunstigden te houden: zij worden pas onherroepelijk bij haar overlijden; bovendien blijkt uit art. 656.58 Florida Statute dat verschil bestaat tussen een "deposit in trust" en een "legal and valid trust" van welke laatste schriftelijk moet blijken (rov. 2.3 eindvonnis);
(vi) intussen is het Trustverdrag slechts toepasselijk op trusts waarvan schriftelijk bewijs bestaat; zodanig bewijs heeft [verweerster] niet geleverd (rov. 2.4 eindvonnis) ;
(vii) uit zijn hiervoor onder (v) weergegeven overwegingen leidt het Hof af dat [verweerster] niet genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat de trustaccounts trusts zijn die overeenkomstig het recht van de staat Florida meebrengen dat de betreffende gelden niet meer tot de nalatenschap behoren (rov. 2.5 eindvonnis);
(viii) de trustaccounts behoren dus tot de nalatenschap; het instellen daarvan was geen voor Arubaans recht relevante rechtshandeling en de beoogde vermogensverplaatsing heeft niet plaatsgevonden (rovv. 4.1 en 4.3 eindvonnis) ;
(ix) [verweerster] is mitsdien gehouden de opgenomen saldi van deze accounts in de nalatenschap terug te brengen (rov. 4.2 eindvonnis).
(C) de vordering tot vanwaardeverklaring van het gelegde derdenbeslag is terecht ontzegd (rovv. 8.2 tussenvonnis jo 5 eindvonnis) .
3.5 De klachten van [eisers] in de zaak nr. 7498 betreffen in hoofdzaak het in 3.4 onder (A) weergegeven deel van de bestreden beslissingen. Zij worden hierna onder 4 besproken.
De in de zaak nr. 7499 over en weer opgeworpen klachten betreffen in hoofdzaak het in 3.4 onder (B) weergegeven deel van de bestreden beslissingen. Zij worden hierna onder 5 besproken.
Voor zover het incidentele beroep in de zaak nr. 7499 zich keert tegen het in 3.4 onder (C) weergegeven deel van de bestreden beslissingen wordt het hierna onder 6 besproken.
4. Beoordeling van het middel in de zaak nr. 7498: de joint-accounts; verzorgingsplicht ?
4.1 Onderdeel 1 van het middel gaat terecht ervan uit dat in het hiervoor, 3.4, onder (A) (i) en (ii) weergegeven deel van rov. 7.2 van het tussenvonnis ligt besloten dat het Hof het verblijvensbeding op zichzelf rechtsgeldig heeft geoordeeld. Het voert echter aan dat het Hof dusdoende heeft miskend dat herroepelijke beschikkingen ter zake des doods de testamentsvorm behoeven. Het onderdeel stuit daarop af dat het Hof kennelijk en begrijpelijkerwijs ervan is uitgegaan dat de aard van het onderhavige beding meebracht dat het onherroepelijk was. Dat geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde, nu [eisers] zich niet erop hadden beroepen dat bijzondere omstandigheden te dezen tot een ander oordeel noopten, geen nadere motivering.
4.2 Onderdeel 2a berust op de stelling dat niet kan worden aangenomen dat voorzieningen ten behoeve van kinderen die verder gaan dan een voorziening in de kosten van levensonderhoud en bijv. strekken ter voldoening van studiekosten, berusten op een natuurlijke verbintenis. Deze stelling kan in haar algemeenheid niet als juist worden aanvaard, zodat het onderdeel tevergeefs is voorgesteld. Dat geldt ook voor onderdeel 2b, dat op onderdeel 2a voortbouwt.
4.3 Onderdeel 2c faalt. Het ziet de hiervoor, aan het slot van 3.3.4 weergegeven opmerking van het Hof over het hoofd: reeds in het licht daarvan is het niet onbegrijpelijk dat het Hof bij het beoordelen van de vraag of te dezen sprake was van voldoening aan een verzorgingsplicht, mede acht sloeg op een verklaring welke, strikt genomen, enkel zag op de in 3.3.4 bedoelde trustaccount.
4.4 de onderdelen 3 t/m 7 klagen daarentegen in onderling verband terecht erover dat de overwegingen van het Hof omtrent de vraag of te dezen sprake is van een natuurlijke verbintenis tot verzorging van [verweerster] en haar kinderen, welke overwegingen zijn samengevat in 3.4 onder (A) (iv) t/m (viii), blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. Klaarblijkelijk is het Hof immers ervan uitgegaan dat wanneer een erflater heeft doen blijken dat hij een bepaalde voorziening ten behoeve van zijn echtgenote en kinderen noodzakelijk achtte teneinde te voorzien in de verzorging welke zij naar zijn oordeel nodig hebben, alleen dan voldoening aan een natuurlijke verbintenis niet mag worden aanvaard, indien (en voor zover) de getroffen voorziening "alle grenzen van de redelijkheid overschrijdt". Of iemand jegens een ander een dringende morele verplichting van zodanige aard heeft dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, als voldoening van een die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt, dient evenwel ook naar Arubaans recht te worden beoordeeld "naar maatschappelijke opvattingen" en reeds daarin ligt besloten dat bij het beantwoorden van deze vraag een objectieve maatstaf moet worden aangelegd die uitsluit dat aan het subjectieve inzicht van degene die zich gehouden acht, een zo vergaande betekenis wordt gehecht als waarvan het Hof is uitgegaan.
4.5 Onderdeel 8 van het middel heeft geen betrekking op de joint accounts, maar keert zich tegen 's Hofs beslissing ambtshalve het maximum van de te verbeuren dwangsommen te verminderen tot Af. 350.000, -- (rov. 4.5 eindvonnis). De tegen deze beslissing opgeworpen klacht dat ter zake geen appelgrief was geformuleerd, stuit reeds daarop af dat het Hof heeft geoordeeld dat de enige door [verweerster] aangevoerde appelgrief beoogde het Hof het geschil van partijen "geheel opnieuw" te doen beoordelen (rov. 2 tussenvonnis) .
5. Beoordeling van het principaal en het incidenteel beroep in de zaak nr. 7499, voor zover betrekking hebbend op de trustaccounts
5.1 Onderdeel 1 van het middel in het principaal beroep keert zich tegen rov. 2.4 van 's Hofs eindvonnis, die hiervoor, 3.4, onder (B) (vi) is weergegeven. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden omdat deze overweging 's Hofs beslissing niet draagt. Het gaat hier, blijkens de bewoordingen van zowel de aangevallen rechtsoverweging als van de daarop volgende om een terloopse tussenopmerking.
In rov. 2.3 heeft het Hof - overeenkomstig zijn in het tussenvonnis aangekondigde en verantwoorde werkmethode (zie hiervoor, 3.4, onder (B) (iii) ) - in de eerste plaats, op basis van de daartoe in het Trustverdrag gegeven verwijzingsregels, onderzocht aan welk recht de trustaccounts moesten worden getoetst ten einde te kunnen 'nagaan of zij, als trusts die waren ingesteld in overeenstemming met het daarvoor geldende recht, voor erkenning in aanmerking kwamen. 's Hofs antwoord was: te toetsen is aan het recht van de staat Florida (hiervoor, 3.4, (B) (iv) ). De toetsing aan dit recht heeft het Hof verricht aan de hand van de brieven van de wederzijdse Amerikaanse advocaten en de - enige - door dezen geciteerde bepaling van dit recht. Daarbij is het Hof blijkbaar onder meer tot de slotsom gekomen dat, wil naar dat recht sprake zijn van een "legal and valid trust", in beginsel van het bestaan daarvan schriftelijk moet blijken. Zulk bewijs had [verweerster] , naar zijn oordeel, niet geleverd en dát heeft het Hof de terloopse opmerking in de pen gegeven dat daarmede ook aan de toepasselijkheid van het Trustverdrag de basis was komen te ontvallen. Het Hof nummert deze opmerking, die reeds door het woord "intussen" als terloops wordt gekenschetst, echter apart en verwijst, wanneer het in rov. 2.5 de slotsom trekt uit zijn onderzoek naar de erkenningsvraag, niet mede naar deze opmerking, maar enkel naar het in rov. 2.3 overwogene.
5.2.1 Onderdeel 2 van het middel in het principaal beroep keert zich tegen de uitkomst van voormelde in rov. 2.3 van het eindvonnis verrichte toetsing. Het klaagt erover dat het in rov. 2.3 overwogene onjuist, althans onbegrijpelijk is.
5.2.2 Voor zover de klachten van het onderdeel berusten op de stelling dat het Hof het recht van de staat Florida verkeerd heeft toegepast, stuiten zij af op het bepaalde onder 2° in het eerste lid van art. 99 RO. Dat geldt ook voor de in het onderdeel onder (i) geformuleerde motiveringsklacht, nu deze als uitgangspunt kiest een regel van het recht van de staat Florida waarvan noch uit de bestreden uitspraak, noch uit de gedingstukken blijkt dat deze reeds in de feitelijke instanties was aangevoerd.
5.2.3 De in het onderdeel onder (ii) aangevoerde motiveringsklacht keert zich tegen het bijkomende argument dat het Hof heeft ontleend aan art. 658.58 Florida Statute. De klacht miskent dat het Hof blijkbaar enerzijds heeft gemeend dat de ingeroepen wetsbepaling een uitzonderingskarakter droeg, doch te dezen geen toepassing kon vinden omdat hier sprake was van een deposit in trust door twee, zich beiden als trustees aanwijzende personen, waarvan slechts één was overleden, en anderzijds uit de bewoordingen van die bepaling heeft geconcludeerd dat naar het recht van de staat Florida voor het aannemen van een "legal and valid trust" in beginsel schriftelijk bewijs nodig is. Niet kan worden gezegd dat deze gedachtengang op zich zelf duidelijk onjuist en daarom onbegrijpelijk is.
5.2.4 Ten slotte faalt ook de in het onderdeel onder (iii) geformuleerde klacht. De regels inzake het passeren van een aanbod om door het horen van getuigen bewijs te leveren, kunnen te dezen reeds daarom geen toepassing inden, omdat vreemd recht niet behoort tot de te bewijzen feiten. De rechter moet zich zonodig ambtshalve van de inhoud van het toepasselijke vreemde recht op de hoogte stellen.
Het Hof, dat zich in zijn eindvonnis klaarblijkelijk voldoende voorgelicht oordeelde om voormelde toetsing te verrichten, behoefde in dat vonnis niet te motiveren waarom het geen reden zag [verweerster] , aan wie reeds bij tussenvonnis gelegenheid was gegeven aannemelijk te maken dat de trustaccounts voldeden aan de door het recht van de staat Florida voor het rechtsgeldig tot stand komen van een trust gestelde eisen, daartoe nog nader mogelijkheid te bieden.
5.5 De klacht van onderdeel 3 van het middel in het principaal beroep bouwt voort op de voorgaande klachten en moet daarom het lot van die klachten delen.
5.6 Nu blijkens het voorgaande het in het principaal beroep voorgestelde middel niet tot cassatie leidt, is de voorwaarde waaronder de onderdelen 1 t/m 4 van het incidenteel beroep zijn voorgedragen, niet vervuld. Deze onderdelen moeten mitsdien buiten behandeling blijven.
6. Beoordeling van onderdeel 5 van het in de zaak nr. 7499 ingestelde incidenteel beroep
Het onderdeel stelt de vraag aan de orde of ingeval één van de erven een bepaald goed aan de nog onverdeelde boedel heeft onttrokken, en mede-erven daarin niet bewilligen en zich op het standpunt stellen dat hij jegens hen gehouden is dat goed in de boedel terug te brengen, de mede-erven jegens eerstgenoemde erfgenaam komen te staan in een verhouding van "schuldeiser" en "schuldenaar" als bedoeld in art. 599 Arubaans BW (in substantie gelijk aan art. 735 Rv).
Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Uit de bewoordingen waarin en de wijze waarop het beslag onder derden in de wet is geregeld, moet worden afgeleid dat dit conservatoire beslag uitsluitend strekt ter bewaring van recht uit een geldvordering. Hier gaat het echter om een een vordering tot afgifte, ook als deze, zoals in dit geding, afgifte van een geldsom betreft. Het is stellig wenselijk ook ten aanzien van dergelijke vorderingen tot afgifte bewaring van recht door middel van beslag mogelijk
te maken, maar in de ter zake in het huidige recht bestaande leemte kan slechts door wetswijziging worden voorzien. Wat er zij van de daarvoor door het Hof bijgebrachte argumenten, is zijn beslissing dat te dezen geen plaats is voor een conservatoir derdenbeslag als door [eisers] gelegd, zodat de Eerste Rechter de vordering tot vanwaardeverklaring van dat beslag terecht heeft ontzegd (hiervoor, 3.4 onder (c)), derhalve juist. Het onderdeel stuit daarop af.
.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
in de zaak nr. 7498:
vernietigt de bestreden vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba;
verwijst het geding naar dat Hof ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op f 400, -- aan verschotten en f 3.000, -- voor salaris;
in de zaak nr. 7499:
verwerpt zowel het principaal als het incidenteel beroep;
compenseert de kosten aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Martens als voorzitter en de raadsheren Bloembergen, Haak, Boekman en Davids, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Hermans op 9 november 1990.
Conclusie 09‑11‑1990
Inhoudsindicatie
Caribische zaak (Aruba). Erfrecht. Verblijvensbeding bij dode. Is sprake van natuurlijke verbintenis tot verzorging nagelaten betrekkingen? Maatstaf. Toepassing vreemd recht (recht van staat Florida). Passeren bewijsaanbod. Conservatoir derdenbeslag.
S.v.G.
Rek.no. 7498-7499 en 7590-7591
Arubaanse zaken
Zitting 21 september 1990
Mr. Koopmans
Conclusie inzake:
[eisers]
tegen
[verweerster]
Edelhoogachtbaar College,
1. In deze vier samenhangende zaken geef ik er de voorkeur aan één conclusie te nemen. Het gaat nl. om twee procedures die gevoerd worden tussen dezelfde partijen en met dezelfde inzet, nl. de afwikkeling van de nalatenschap van [erflater]
De erflater overleed op 15 mei 1984 te Miami, Florida. Hij was in Paramaribo geboren maar woonde sinds 1948 op Aruba. Uit de stukken krijgt men de indruk dat hij een succesvol zakenman moet zijn geweest: hij had op Aruba een constructiebedrijf, [A] N.V., waarvan hij tot zijn dood enig directeur en aandeelhouder was; de vennootschap en hijzelf bezaten onroerende goederen op Aruba en Bonaire; toen hij in Miami werd behandeld voor een ernstige ziekte, eind 1983, kocht hij daar een huis met tuin en zwembad, terwijl hij er ook een dochteronderneming van zijn Arubaans bedrijf oprichtte, [B] . Het vermogen dat hij naliet is vrij aanzienlijk.
Over de nalatenschap is niet bij uiterste wil beschikt. Naar Arubaans versterferfrecht zijn tien erfgenamen voor gelijke delen in de nalatenschap gerechtigd, nl. zes meerderjarige kinderen uit een eerste huwelijk van de erflater; de tweede echtgenote [verweerster] , waarmee erflater in 1977 op huwelijkse voorwaarden, met uitsluiting van alle goederengemeenschap, is gehuwd; en de drie minderjarige kinderen geboren uit dat huwelijk.
De beide gedingen die tot de cassatierekesten hebben geleid spelen zich af tussen de kinderen uit het eerste huwelijk, [eisers] , enerzijds, de tweede echtgenote [verweerster] anderzijds. Er zijn ook procedures aanhangig geweest in Florida en in Nederland.
A. De zaken no. 7498-7499: het geschil
2. Het eerste van de beide gedingen werd aangespannen toen [eisers] te weten kwamen dat [verweerster] in mei 1984 een bedrag van $ 684.951,81 had opgenomen van bankrekeningen die in Miami ten name van de erflater waren geopend. Zij hebben toen met rechterlijk verlof conservatoir derdenbeslag doen leggen onder een Arubaanse levensverzekeringsmaatschappij op rechten uit een tweetal verzekeringsovereenkomsten, met als verzekerde de erflater en als begunstigde [verweerster] , resp. [verweerster] en de drie minderjarige kinderen. Voor het gerecht van eerste aanleg vorderden [eisers] vanwaardeverklaring van dat beslag, alsmede veroordeling van [verweerster] om het genoemde bedrag terug te storten in de boedel door overmaking aan de boedelnotaris te Oranjestad, Aruba.
Het gerecht van eerste aanleg weigerde vanwaardeverklaring op de grond dat [eisers] en [verweerster] als erfgenamen tegenover elkaar stonden en dus niet als schuldeiser tegenover schuldenaar. [verweerster] werd evenwel veroordeeld om, op straffe van een dwangsom, een bedrag van $ 514.345,40 onder het beheer van de boedelnotaris te brengen. [verweerster] kwam daartegen in hoger beroep; [eisers] appelleerden incidenteel tegen de weigering van de vanwaardeverklaring.
Pas in hoger beroep werd gedetailleerde informatie verschaft over de stand van de vermogensbestanddelen in Florida. In zijn tussenvonnis van 20 mei 1986 geeft het hof van justitie een uitvoerige samenvatting van de vaststaande feiten (r.o. 3.1 t.m. 3.7).
3. Volgens deze samenvatting, die niet betwist is, gaat het om de volgende drie soorten bankrekeningen:
a. een drietal rekeningen bij de Coconut Grove Bank, gezamenlijk belopend $ 316.719,19; deze rekeningen waren "joint accounts" ten name van " [erflater] or [verweerster] " met een zg. right of survivorship (ik spreek verder van de joint accounts);
b. een tweetal "trustaccounts", tot een gezamenlijk beloop van $ 197.626, 21, bij de Peninsula Federal Savings and Loan Association, ten name van " [erflater] or (Mrs. ) [verweerster] in trust for childeren [kind 1] ., [kind 2] , [kind 3] ", d.i. de drie minderjarige kinderen uit het tweede huwelijk (ik spreek verder van de trustaccounts);
c. een andere "trustaccount" ten bedrage van $ 143.415,78 bij Ameri-First Federal Savings; het hof stelt vast dat deze rekening buiten het geschil tussen partijen valt (tussenvs., r.o. 6), en dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden.
4. Evenmin bestreden wordt 's hofs oordeel over het toepasselijke recht.
Het hof stelt allereerst vast dat naar regels van Nederlands-Antilliaans internationaal privaatrecht een nalatenschap onderworpen is aan de wet van het domicilie van de overledene op het ogenblik van zijn overlijden (tussenvs., r.o. 5.1). Daarmee wordt kennelijk zowel gedoeld op de vererving als op de afwikkeling van de nalatenschap; zie ook C.H. Govaerts, Beschouwing over het domiciliebeginsel in het Antilliaanse internationaal privaatrecht en in het interregionaal privaatrecht van het Koninkrijk, in:
Honderd jaar codificatie in de Nederlandse Antillen (Arnhem 1969) p. 63. -
Het hof gaat vervolgens in op de vraag of de erflater ten tijde van het overlijden zijn woonplaats had verlegd naar Miami, Florida. Uit een aantal omstandigheden leidt het af dat dit niet het geval was, omdat de erflater niet daadwerkelijk zijn woonplaats in Aruba had opgegeven (r.o. 5.4). Een groot deel van de gedingstukken heeft betrekking op dit laatste probleem, dat thans niet meer aan de orde is.
5. De volgende drie problemen staan in cassatie ter discussie:
a. de joint accounts: het hof kwalificeert in zijn tussenvs. het "right of survivorship" als wederkerig verblijvensbeding bij dode (r.o. 7.2). Dit beding zou effect kunnen sorteren indien het strekt ter voldoening aan een verzorgingsplicht. Uit enkele omstandigheden leidt het hof dan een vermoeden af dat dit het geval was (r.o. 7.4.4), maar het geeft [eisers] de gelegenheid tot tegenbewijs. In het eindvs., van 30 augustus 1988, meent het dat [eisers] daarin niet zijn geslaagd (r.o. 3). In zaak no. 7498 komen [eisers] op tegen de oordelen van het hof op dit stuk, met een middel dat uit acht onderdelen bestaat.
b. de trustaccounts: in zijn eindvs. oordeelt het hof dat de trusts niet kunnen worden erkend. Partijen vatten de redenering van het hof aldus op - zoals wij zullen zien valt daar nog wel iets over te zeggen - dat het hof eerst vaststelt dat de erkenning van trustverhoudingen wordt beheerst door het, nog niet in werking getreden, Haagse trustverdrag, en dat het hof daarna oordeelt dat de trustaccounts op die grondslag niet in aanmerking komen voor erkennning, omdat zij niet "evidenced in writing" zouden zijn. Tegen dit laatste oordeel komt [verweerster] op in het principaal beroep in zaak no. 7499; in het voorwaardelijk incidenteel beroep in die zaak betwisten [eisers] de toepassing van het Haagse trustverdrag (onderdelen 1-4 van het incidentele middel).
c. de vanwaardeverklaring van het gelegde conservatoire beslag: het hof weigert opnieuw de gevraagde vanwaardeverklaring, op gronden welke die van het gerecht niet ver ontlopen (tussenvs. r.o. 8.2). Deze beslissing - wordt aangetast in het incidentele beroep in zaak no. 7499 (onderdeel 5 van het incidentele middel, onvoorwaardelijk voorgedragen).
6. Uit het voorgaande volgt dat het hof van justitie de peer in tweeën heeft gesneden: [verweerster] mocht het saldo van de joint accounts behouden maar moest dat van de trustaccounts inleveren bij de boedelnotaris. In zijn eindvs. heeft het hof derhalve de beslissing van het gerecht van eerste aanleg vernietigd, doch uitsluitend wat betreft het bedrag dat [verweerster] in de nalatenschap had in te brengen (nader gesteld op $ 197.626,31), het maximum van de te verbeuren dwangsom en de proceskosten.
Het middel van [eisers] in zaak no. 7498 is gericht tegen beide vonnissen van het hof. Het principale beroep van [verweerster] in zaak no. 7499 is uitsluitend tegen het eindvs. gericht (alleen daar speelde het element "evidenced in writing" een rol). Het incidentele beroep in die zaak is echter tegen beide vonnissen gericht. Dat is begrijpelijk voor zover het om het voorwaardelijk ingestelde incidenteel beroep gaat (toepassing trustverdrag), daar dit nauw samenhangt met het principale beroep. Het is echter merkwaardig wat betreft het onvoorwaardelijke incidentele beroep nu het daar betwiste punt (vanwaardeverklaring) ook reeds in zaak no. 7498 door [eisers] aanhangig gemaakt had kunnen worden. Gezien de royale houding van de Hoge Raad inzake incidentele cassatieberoepen lijkt mij echter niet dat daarin een moeilijkheid schuilt; zie Veegens, Cassatie (3e dr. 1989) no. 140-142.
B. Joint accounts; verzorgingsplicht
7. Het hof heeft het "right of survivorship" opgevat als een wederkerig verblijvensbeding bij dode (tussenvs. r.o. 7.2). Onderdeel 1 van het middel van [eisers] in zaak no. 7498 voert aan dat een herroepelijk verblijvensbeding bij dode in testamentaire vorm had dienen te worden gegoten, terwijl gesteld noch gebleken is dat het onderhavige verblijvensbeding onherroepelijk was. Partijen gaan er beide terecht van uit, evenals het hof, dat dit probleem beheerst wordt door Arubaans recht, dat op de nalatenschap van toepassing is.
Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat herroepelijke toezeggingen ter zake des doods gezien plegen te worden als uiterste wilsbeschikkingen in materiële zin, zodat zij de testamentsvorm moeten respecteren. Zie Klaassen-Eggens-Luijten II (10e dr. 1989) p. 42 e.v .; Pitlo-van der Burght (7e dr. 1987) p. 54 e.v. Nergens blijkt evenwel dat het hof zich daarvan niet bewust is geweest. Het heeft de joint accounts met "right of survivorship" naar Antilliaans/Arubaans recht gezien als verblijvensbeding; die transpositie wordt door het middel op zichzelf niet bestreden. Men moet echter aannemen dat een verblijvensbeding tussen de contractspartners in het algemeen juist niet herroepelijk is; zie Kleijn, De boedelscheiding (Arnhem 1969) p. 67. In dezelfde zin: Cohen Henriquez WPNR 5532; K. Wiersma in Opstellen-Beekhuis (Deventer 1969) p. 329, met name p. 331-334; en - zeer principieel - Buining in Opstellen-De Bruijn (Deventer 1966) p. 41, met name p. 42-43. Nu uit de stukken niet blijkt van bijzondere omstandigheden, hoefde het hof zijn oordeel ook niet nader te motiveren. Dat de inrichting van banktegoeden in het algemeen herroepelijk is, zoals [eisers] stellen, doet daarbij niet ter zake, omdat die
herroepelijkheid niet de gelding van het beding tussen de contractspartners betreft, maar hun relatie met de bankinstelling.
Het onderdeel faalt derhalve.
8. De onderdelen 2-7 kunnen gezamenlijk worden behandeld. Zij komen op tegen de beslissing dat de joint accounts strekken ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis van de erflater jegens [verweerster] .
Het hof heeft deze natuurlijke verbintenis doen steunen op een verzorgingsplicht. Het meent dat zulk een plicht ten aanzien van de overlevende echtgenoot die geen vooruitzicht heeft op voldoende verzorging, naar algemeen gangbare opvattingen van moraal en fatsoen als een onafwijsbare plicht wordt beschouwd (tussenvs. r.o. 7.4.2), maar dat het al dan niet bestaan van een verzorgingsplicht in concreto moet worden beoordeeld aan de hand van de maatschappelijke opvattingen, een en ander binnen de grenzen van de redelijkheid, afgemeten naar de omstandigheden van het geval. Deze maatstaven worden door het middel niet bestreden; het valt de daaraan gegeven toepassing aan.
Te dien aanzien heeft het hof in zijn tussenvonnis een aantal omstandigheden gereleveerd waaruit het een vermoeden van verzorgingsplicht afleidt: het leeftijdsverschil van 35 jaar tussen [erflater] en [verweerster] ; de uitsluiting van goederengemeenschap bij huwelijkse voorwaarden; de minderjarigheid van de kinderen. [eisers] kregen de gelegenheid dit vermoeden door tegenbewijs te ontzenuwen, en het eindvs. constateert dat zij "niets" hebben aangevoerd dat het hof tot het inzicht zou brengen dat bij de nakoming van de natuurlijke verbintenis "alle grenzen der redelijkheid zijn overschreden" (eindvs., r.o. 4.4).
Op deze redelijkheidstoets was reeds vooruitgelopen in het tussenvs., ter verwerping van het betoog van [eisers] dat de verzorgingsplicht in elk geval niet verder zou strekken dan de door de erflater middels zijn bedrijf afgesloten pensioen- en wezenverzekering (tussenvs. r.o. 7.4.5). Het hof leest hierin dat [eisers] de eis van behoeftigheid van de nagelaten betrekkingen willen stellen; en het oordeelt dat die eis geen steun vindt in het recht behoudens het bijzondere geval dat de uitvoering van de natuurlijke verbintenis "alle grenzen van redelijkheid overschrijdt". Het vierde en vijfde onderdeel klagen dat daarmee een rechtens onjuiste maatstaf wordt aangelegd; er zou juist gelet moeten worden op alle omstandigheden van het geval, in het licht van de maatschappelijke opvattingen en binnen de grenzen van de redelijkheid.
Dit is enigszins een debat over woorden: het hof heeft immers juist naar een aantal concrete omstandigheden gekeken om daaruit een vermoeden af te leiden dat er een verzorgingsplicht was. De geciteerde onderdelen van het middel doen het voorkomen alsof het hof uitsluitend een redelijkheidstoets hanteert; zij berusten derhalve op verkeerde lezing van de beide vonnissen.
Het is echter juist - en daarover klagen het derde en het zesde onderdeel terecht - dat de omstandigheden die door het hof naar voren worden gehaald wel erg mager aandoen in verhouding tot alles wat uit de gedingstukken blijkt: niet alleen wordt geen enkele aandacht besteed aan de pensioen- en wezenverzekeringen, maar ook de omvang van het nagelaten kapitaal, met inbegrip van het aandeel in twee vennootschappen en in een vijftal percelen onroerend goed, alsmede behuizing, mogelijk eigen inkomen en leefpatroon van de langstlevende blijven geheel buiten de afweging. Voor de omvang van de verzorgingsplicht zijn juist deze faktoren van groot belang: zie Pitlo- van der Burght p. 120-121; B. Wessels, Natuurlijke verbintenissen (Zwolle 1988) p. 326-327. Het hof had alle relevante omstandigheden dienen na te gaan om aan de hand daarvan een beslissing te nemen over het bestaan van een verzorgingsplicht en over de omvang daarvan. Alleen met kennis van die omstandigheden valt nl. te beoordelen of zich niet het geval voordoet dat de morele verplichting van de man "in geen verhouding staat" tot de door hem ten gunste van de vrouw bewerkstelligde vermogensverschuiving; zie HR 25 mei 1984 RvdW 110.
Op dit punt kan het vonnis van het hof dan ook niet in stand blijven. Het zevende onderdeel van het middel behoeft daarom geen behandeling.
9. In verband met het beroep in zaak no. 7498, dat in hoofdzaak de joint accounts betreft, moet ik nog twee korte opmerkingen maken.
a. Het tweede onderdeel van het middel gaat ook in op de natuurlijke verbintenis die jegens de minderjarige kinderen zou bestaan. Dit onderdeel kan niet slagen omdat het hof daaromtrent niets heeft vastgesteld wat zijn verschillende beslissingen zou kunnen ondersteunen.
b. Het achtste onderdeel betreft een heel ander probleem, nl. de verlaging van het maximum van de te verbeuren dwangsommen. Dat probleem zou niet "middels een grief" aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag: de memorie van grieven valt het vonnis van het gerecht van eerste aanleg op alle fronten aan en het onderwerpt daarmee in volle omvang het geschil aan het oordeel van het hof. Te allen overvloede wijs ik er nog op dat naar vaste rechtspraak art. 611a (oud) Rv., zoals thans nog geldend in de Nederlandse Antillen en Aruba, de rechter de vrijheid laat de hoogte van de dwangsom te bepalen: zie Van Rossem-Cleveringa II (4e dr. 1972) aantek. 4 op art. 6lla. Zie ook HR 4 november 1988 NJ 1989 no. 244; Hugenholtz-Heemskerk (15e dr. 1988) no. 315.
C. Trustaccounts; erkenning trusts
10. De trustfiguur is onbekend in het Nederlandse recht en in dat van de Nederlandse Antillen en Aruba; maar er is veel over geschreven. Zie met name C.A. Uniken Venema, Law en equity in het Anglo-amerikaanse privaatrecht (Zwolle-Antwerpen 1990) hfdst. V; W.F. Fratcher, Property and trust, in: International Encyclopedia of comparative law vol. VI ch. 11; voorts voor een snelle karakterisering J.H.A. van Loon, preadv. Ned. Ver. voor Internationaal Recht 1983 (Mededelingen no. 87 p. 43 e.v.) hfdst. I; voor de receptie van de trust in de V.S. Dyer en Van Loon, rapport over trust en soortgelijke instellingen (Actes et Documents XVme Session Conférence de La Haye, dl. II, 1985, p. 10 e.v.) no. 20-27.
Omdat de trust een vreemde eend is in onze juridische bijt, is het ook moeilijk er de juiste classificatie voor te bedenken met het oog op toepasselijke verwijzingsregels; zie Van Loon, preadvies hfdst. II. Wat zijn economisch effect betreft lijkt de trust op bewind; maar de zakenrechtelijke positie is anders omdat de rechthebbende bij bewind eigenaar is en blijft, terwijl bij de trust de eigenaarsfuncties, als men ze zo kan noemen, worden uitgesplitst over de trustee en de beneficiaries. Ook de vergelijking met de stichting ten behoeve van bepaalde categorieën personen wordt wel gemaakt, bv. met de "familiestichting" uit het Franse recht, maar dan komt een rechtspersoon tot stand terwijl het trustvermogen rechtspersoonlijkheid ontbeert.
Kern van de zaak is dat door de instelling van een trust een afgescheiden vermogen in het leven wordt geroepen met een bepaald doel: er is een "patrimoine affecté", een "masse de biens affectés à un but", zoals een Franse kenner van het trustrecht heeft geschreven (rapport Dyer-Van Loon no. 154). De trustee is bevoegd tot daden van beheer en beschikking, doch hij is daarin beperkt door zijn verplichtingen tegenover de beneficiaries, die hun rechten in principe ook tegenover derden geldend kunnen maken. Het trustvermogen valt daarom buiten het faillissement van de trustee; het kapitaal vertegenwoordigt voor hem ook geen vermogenswaarde omdat hij het niet ten bate van zichzelf kan aanwenden (HR 24 november 1954 BNB 1955/7).
11. Het hof merkt de trustaccounts aan als trusts naar het recht van Florida, waarbij de langstlevende echtgenoot bij het overlijden van de ander trustee wordt voor de kinderen uit het tweede huwelijk als beneficiaries (tussenvs. r.o. 7.3 al. 1).
In die opvatting is de trust naar de gebruikelijke definities op te vatten als een "trust intervivos" (rapport Dyer-Van Loon no. 122). Het hof gaat er dan ook van uit dat de geldigheid van de vestiging van de trust niet beheerst wordt door de wet die op de nalatenschap toepasselijk is; het onderzoekt uitsluitend de erkenning naar Nederlands-Antilliaans en Arubaans recht van een krachtens het recht van Florida totstandgekomen trust. Erkenning impliceert erkenning als afgescheiden deelvermogen, met het gevolg dat het trustkapitaal dan niet tot de boedel behoort.
Op de prealabele vraag of de trusts naar het recht van Florida wel geldig tot stand zijn gebracht, gaat het hof in het tussenvs. niet in; maar deze vraag duikt op enigszins onverwachte wijze wel op in het eindvs. Het hof formuleert nl. eerst een erkenningsregel, die het in hoofdzaak, doch niet uitsluitend, baseert op het Haagse trustverdrag (Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts, Trb. 1985, 141; Engelse en Franse tekst ook in Actes et Documents II p. 361); het leidt daaruit af dat de rechter, in een geval als dit, zal hebben na te gaan of een trust beantwoordt aan de daaraan in dat verdrag gegeven kenmerken (tussenvs. r.o. 7.3 al. 4). [verweerster] wordt dan in de gelegenheid gesteld gegevens en bewijsstukken met betrekking tot de trustaccounts in het geding te brengen. In het eindvs. overweegt het hof dat het trustverdrag, volgens zijn art. 3, slechts toepassing vindt op "trusts waarvan schriftelijk bewijs bestaat", en dat [verweerster] dit bewijs niet heeft geleverd (eindvs., r.o. 2.4). Daarnaast wordt echter gesteld dat naar het recht van Florida sommige trusts slechts geldig zijn wanneer daarvan schriftelijk blijkt (r.o. 2.3); [verweerster] zou daarom ook niet aannemelijk hebben gemaakt dat de trusts overeenkomstig het recht van Florida gevolg kunnen hebben (r.o. 2.5).
12. Het principale middel in zaak no. 7499 richt zich tegen deze beide oordelen met betrekking tot het schriftelijk bewijs. Het eerste onderdeel betreft de eis van zulk bewijs volgens het trustverdrag, althans volgens de door het hof gehanteerde erkenningsregel; het tweede klaagt over de onbegrijpelijkheid van 's hofs uitlegging van het recht van Florida (ook over de onjuistheid ervan, maar dat moet op een misverstand berusten, gezien art. 99, lid 1 sub 2º, RO) .
Volgens zijn art. 3 geldt het trustverdrag voor "trusts created voluntarily and evidenced in writing" (" ... et dont la preuve est apportée par écrit"); er wordt niet verlangd dat de trust schriftelijk in het leven wordt geroepen; het bewijs hoeft ook niet van de insteller van de trust, de "settlor", afkomstig te zijn. Zie de commentaren op het verdrag van David Hayton, Internat. & Comp. Law Quarterly 36 (1987) p. 262-263 en Hein Kötz, Rabelsz. 50 (1986) p. 566-568.
Het eerste onderdeel van het middel komt op tegen de vaststelling dat geen schriftelijk bewijs is geleverd door [verweerster] , nu immers vaststaat dat het om bankrekeningen gaat. Het onderdeel wordt m.i. terecht voorgesteld. Het hof heeft zelf in zijn tussenvs. geconstateerd, onder de "vaststaande feiten", dat de trustaccounts in de vorm van bankrekeningen bestonden (r.o. 3.4); het refereert zich verder aan enkele beschikkingen van het "probate court" te Miami die op de trustaccounts betrekking hebben, met name een "temporary injunction" van 15 juni 1984 waarbij een tijdelijke "emergency restraining order" werd bevestigd, en een "agreed order lifting injunction" van 8 januari 1985 waarbij nadere voorzieningen met betrekking tot het trustkapitaal werden getroffen (r.o. 3.5). Het is niet goed voorstelbaar dat dit allemaal mondeling zou zijn gebeurd. In cassatie zijn overigens afschriften van de "trust agreements" overgelegd; de "orders" van het Miami probate court bevinden zich niet onder de gedingstukken. Indien het hof twijfels zou hebben gekoesterd, had het overlegging dienen te vragen; in het tussenvs., waarin [verweerster] gevraagd werd "gegevens en/of bewijsstukken" te verschaffen met betrekking tot de trustaccounts, is over de eis van schriftelijk bewijs niets te vinden. Door in het eindvs. verreikende consequenties te verbinden aan het ontbreken van zulk bewijs heeft het hof [verweerster] voor een verrassing gesteld die niet met de eisen van een goede procesorde is te verenigen (terminologie van HR 2 februari 1990 RvdW 43).
13. Ook het tweede onderdeel lijkt mij juist. Het hof leidt de eis van schriftelijk bewijs volgens het recht van Florida af uit een wetstekst die over iets ander gaat. Het hof baseert zich nl. op de wetsbepaling (art. 658.58 van de "Florida Code") die bij een brief van de Amerikaanse advocaat Aronovitz was gevoegd (overgelegd bij nadere memorie van [verweerster] d.d. 21 oktober 1986). De tekst van dit artikel luidt als volgt:
"658.58 Depositsintrust. When a bank deposit is made by any person describing himself, and making such deposit as, trustee for another, and no other or further notice of the existence and terms of a legal and valid trust than such a description shall have been given in writing to the bank, the deposit of any part thereof, together with the dividends or interests thereon, may, in the event of the death of the person so described as trustee, be paid to the person for whom the deposit was thus stated to have been made. "
Deze bewoordingen doen duidelijk blijken dat de bepaling betrekking heeft op de rechten die de beneficiaries in geval van overlijden van de trustee geldend kunnen maken tegenover de bankinstelling waar het trustkapitaal is gedeponeerd; zij heeft niet te maken met het probleem wat bij de vestiging van de trust (door de "settlor") moet gebeuren of hoe het bestaan van de trust tegenover derden aannemelijk moet worden gemaakt. De gevolgtrekking die het hof uit deze bepaling haalt voor de rechten van de trustee (i.c. [verweerster] ) tegenover derden (i.c. [eisers] ) is daarom onbegrijpelijk.
14. Onbegrijpelijk is ook een additionele overweging van het hof, die eveneens in het tweede onderdeel op de korrel wordt genomen. Het hof stelt nl. in zijn eindvs. (r.o. 2.3) dat de trusts pas onherroepelijk zouden worden bij het overlijden van [verweerster] omdat deze "mede-insteller van de trusts" zou zijn; daarom zou er geen naar Amerikaans recht geldige trust totstandgekomen zijn (zo begrijp ik althans de wat lapidaire redenering van het hof).
Dat [verweerster] "mede-insteller" van de trust zou zijn is in strijd met alles wat hierover in de gedingstukken is te vinden: [erflater] heeft de trusts ingesteld en zichzelf en [verweerster] daarbij gemaakt tot trustees voor de drie kinderen uit zijn tweede huwelijk. Dat blijkt het duidelijkst uit de bankuittreksels die in cassatie, dus tardief, zijn overgelegd. Het blijkt echter ook uit het tussenvs. van het hof zelf: er wordt bv. gesproken van "de door [erflater] in het leven geroepen trustverhoudingen" (r.o. 7.3, al. 2). Zowel de memorie van grieven als de memorie van antwoord in appel gaan ervan uit dat de trusts zijn ingesteld door [erflater] en dat [verweerster] alleen optrad als "co-trustee".
Ook dit onderdeel van 's hofs eindvs. kan, voor zover het werkelijk 's hofs beslissing draagt (erg duidelijk is dat niet), niet in stand blijven.
15 Door de gegrondheid van het principale middel komt het voorwaardelijk ingestelde incidenteel beroep aan de orde, dat de door het hof gehanteerde erkenningsregel betreft.
De onderdelen 1-4 van het incidentele middel verwijten het hof ten onrechte het trustverdrag te hebben toegepast. Het hof was zich ervan bewust dat dit verdrag door het Koninkrijk wel was ondertekend doch niet bekrachtigd. Het baseerde zich evenwel op art. 18 van het Verdrag van Wenen van 1969 inzake het verdragenrecht (Trb. 1972, 51; Ned. vertaling 1985, 79), dat een verdragsluitende staat de verplichting oplegt zich te onthouden van handelingen die een verdrag "zijn voorwerp en doel zouden ontnemen" ("which would defeat the object and purpose of a treaty"), wanneer die staat het verdrag heeft ondertekend maar nog niet zijn bedoeling kenbaar heeft gemaakt geen partij te worden bij dat verdrag. Het hof leidt daaruit af dat een rechterlijk orgaan van het Koninkrijk zich dient te onthouden van uitspraken welke onverenigbaar zijn met de strekking van het trustverdrag en dat daarom van geval tot geval moet worden beoordeeld of een trust beantwoordt aan de in het trustverdrag gestelde kenmerken (r.o. 7.3, al. 4).
Onderdeel 2 van het middel betoogt dat deze redenering rechtens niet door de beugel kan, omdat art. 18 van het Weense verdragenverdrag slechts de betrekkingen tussen verdragsluitende staten betreft en niet die tussen hun onderdanen.
16. Dit onderdeel is terecht voorgesteld. Indien de simpele ondertekening van een verdrag de rechter zou verplichten dit verdrag rechtstreeks toe te passen op geschillen tussen particulieren, zouden de parlementaire goedkeuring en de bekrachtiging van het verdrag vrijwel geen zin meer hebben. Zie ook aldus Martha en Cohen Henriquez in hun noot op het tussenvs., Tijdschr. Antilliaans Recht Justicia 1988 p. 85. De democratische bijdrage aan het proces van regelgeving zou in het gedrang komen wanneer door de executieve ondertekende akkoorden reeds dadelijk rechten en verplichtingen voor de burgers zouden creëren die door de rechter gehandhaafd zouden moeten worden.
De regel van het Weense verdrag dat gesloten verdragen na hun ondertekening, maar voor bekrachtiging en inwerkingtreding, reeds een zeker effect sorteren is een uitvloeisel van de goede trouw die krachtens het volkenrecht de betrekkingen tussen staten beheerst. Dat blijkt duidelijk uit de "travaux préparatoires" van het Weense verdrag: zie met name Yearbook of the International Law Commission 1965 I p. 87-99 en II p. 41-45. Ook de literatuur gaat daarvan uit: S. Rosenne, Developments in the law of treaties 1945-1986 (Cambridge 1989) p. 119 en p. 148; Ph. Cahier, L'obligation de ne pas priver un traité de son objet et de son but avant son entrée en vigueur, in: Mélanges Fernand Dehousse I (Parijs-Brussel 1979) p. 31; H. H. M. Sondaal, De Nederlandse verdragspraktijk (Den Haag 1986) p. 47-49. Die goede trouw tussen staten brengt met zich mee dat een staat, na ondertekening van een verdrag, het overeengekomene niet door zijn gedrag mag dwarsbomen of van alle betekenis ontdoen. Zie ook Sinclair, The Vienna Convention on the law of treaties (2e dr., Manchester 1984) p. 43. Van zulk handelen is bv. sprake wanneer een staat na de ondertekening wetgeving totstandbrengt die tegen het verdrag indruist (vb. bij Sondaal p. 48). Een simpel voorbeeld is voorts een verdrag dat het aantal tanks of kernkoppen in een bepaald gebied wil terugbrengen met een zeker percentage; tussen ondertekening en inwerkingtreding mogen de verdragsluitende staten dan niet eenzijdig die aantallen verhogen. Ook zg. standstillbepalingen leveren een illustratie op van dit soort uit de ondertekening voortspruitende nevenverplichtingen (bv. art. 12 EEG-verdrag). Het gaat daarbij echter steeds om de betrekkingen tussen staten als volkenrechtelijke entiteiten. Zoals I.S. Joppe het formuleert: het Weense verdragenverdrag geeft uitsluitend regels van "contractenrecht" voor staten ten aanzien van het sluiten en beëindigen van verdragen (Overgangsrecht in het internationaal privaatrecht en fait accompli, Arnhem 1987, p. 86).
Voor alle zekerheid: dit probleem (verplichtingen voortvloeiend uit de ondertekening) is van gans andere aard dan dat van de zg. voorlopige toe- passing, waar de verdragsstaten zich juist gebonden hebben om reeds vòòr bekrachtiging tot toepassing van bepaalde verdragsregels over te gaan (Sondaal p. 58-60); dat onderwerp wordt behandeld in art. 25 van het Weense verdragenverdrag, niet in art. 18.
In casu staat vast dat het trustverdrag weliswaar namens het Koninkrijk is ondertekend, maar dat het nog niet in werking is getreden (laatste stand in Revue critique de droit international privé 1990 p. 226). Blijkens door mij ingewonnen inlichtingen ligt, wat Nederland betreft, het trustverdrag. voor advies bij de Staatscommissie voor internationaal privaatrecht. De situatie van art. 18 van het Weense verdragenverdrag doet zich derhalve voor; het hof heeft echter ten onrechte gemeend dat het trustverdrag op grond van die bepaling moest worden toegepast op het onderhavige geschil.
17 De gegrondheid van het tweede onderdeel kan niet tot cassatie leiden wanneer de door het hof gehanteerde erkenningsregel, wat er zij van de daartoe aangevoerde gronden, de juiste is. Ik meen dat dit inderdaad het geval is en ik zie daarvoor een drietal argumenten.
a. In de eerste plaats baseert het hof zijn erkenningsregel niet uitsluitend op het trustverdrag. In het tussenvs. wordt tevens overwogen (r.o. 7.3 al. 3) dat de veelheid van juridische, sociale, economische en politieke bindingen van de Nederlandse Antillen met een belangrijk common law land als de V.S. noopt tot de geleidelijke erkenning van elkaars fundamentele rechtsfiguren; die erkenning zou zelfs "als een belangrijk bestanddeel van de hedendaagse rechtsontwikkeling en de geldende opvattingen dienaangaande" moeten worden beschouwd. Deze regel van gezond verstand lijkt mij als uitgangspunt juist: de graad van economische en culturele interpretatie tussen de common law landen en de landen in West-Europa en in Midden- en Zuid-Amerika die de erfgenamen zijn van de traditie van de Code civil, vereist langzamerhand zulk een wederzijdse erkenning. Uitvoerig daarover Cohen Henriquez, Trusts, TVVS 1986 p. 237 en p. 270.
b. In de tweede plaats valt vast te stellen dat er elementen in ons rechtsstelsel te vinden zijn die uitgaan van de erkenning van trusts, geldig totstandgekomen in een common law land. Dat is met name het geval met het EEX-verdrag, na de wijzigingen die het heeft ondergaan door de toetredingsconventie van 1978, inwerkinggetreden tussen de vroegere verdragsstaten (de "oude Zes") op 1 november 1986. Art. 5 onder 6 van het gewijzigde verdrag bepaalt dat de oprichter, trustee of begunstigde van een trust ("settlor, trustee or beneficiary" in de Engelse tekst) ter zake van die trust kan worden gedaagd voor de gerechten van de verdragsstaat op welks grondgebied de trust is gevestigd. Die bepaling gaat implicite uit van de erkenning van de trustfiguur; zie ook art. 17 al. 2-3 van het verdrag. Misschien moet men een stapje verder gaan en in de aanwijzing van het forum tevens de vingerwijzing zien dat de toepasselijke wet die van de staat van vestiging is. Dit laatste punt maakt echter geen deel uit van de in cassatie opgeworpen problemen.
c. In de derde plaats kan, ter versterking van deze beide argumenten, een beroep worden gedaan op anticiperende interpretatie. Zie, voor zo'n procédé, HR 27 mei 1983 NJ 1983 no. 561. Het trustverdrag wordt, in het toelichtende rapport van Von Overbeck (Actes et Documents II p. 370) niet gezien als een soort "restatement" van reeds geldende verwijzings- en erkenningsregels, maar het biedt wel een uiterst hanteerbare wijze om recht te doen aan de trustfiguur in rechtsstelsels waar deze traditioneel onbekend is. Bovendien hebben de Haagse verdragen over internationaal privaatrecht juist tot doel tot een verzoening te komen van maatstaven die in de verschillende rechtsstelsels plegen te worden toegepast. Zoals J.H.A. van Loon het formuleert: deze Haagse verdragen hebben het voordeel "of reflecting a consensus among different legal traditions"; hij vindt het dan ook "understandable that domestic legislators and courts should draw inspiration from the treaty or its principles"; zie: Jacobs-Roberts (ed. ), The effect of treaties in domestic law (Londen 1987) p. 227. Ik zou mij daarbij willen aansluiten. Ten aanzien van het trustverdrag is anticiperende toepasssing bepleit door M.E. Koppenol-Laforce, Feestbundel Slagter (Deventer 1988) p. 96: het verdrag zou als richtsnoer moeten dienen hoe trusts te behandelen, althans op internationaal-privaatrechtelijk gebied.
De klachten uit het derde en vierde onderdeel van het incidentele middel, die de erkenning van de trust ter discussie stellen, treffen m.i. derhalve geen doel.
18. Is nu, bij deze kijk op de grondslag van de erkenningsregel, nog plaats voor de eis dat bij geschrifte van het bestaan van de trust blijkt? Het antwoord op deze vraag luidt m.i. bevestigend. Het schriftelijk bewijs wordt niet alleen door het trustverdrag verlangd maar ook door het EEX-verdrag: art. 5 onder 6 spreekt van een "trust die in het leven is geroepen op grond van de wet of bij geschrifte dan wel bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst". Bovendien zou de zekerheid van het rechtsverkeer in het gedrang kunnen komen wanneer de rechter tot erkenning van een afgescheiden vermogen zou moeten besluiten louter op grond van getuigenverklaringen over wat, soms lange tijd geleden, elders in de wereld is voorgevallen; met name voor de afwikkeling van nalatenschappen zou dat een te ongewisse grondslag zijn.
Ik voel mij in deze benaderingswijze gesterkt door een commentaar op het trustverdrag van Gaillard en Trautman, Am. Jn. of Comp. Law 1987 p. 317, waar de eis van geschrift wordt gebaseerd op: "the underlying assumption that only clear and simple cases needed tot be covered at this time, as well as basic needs of civil-law jurists to have some certainty when they find themselves confronted with an institution as strange to them as trusts".
19. Op grond van het voorgaande kom ik tot de slotsom dat, wat de trust- accounts betreft, het principale middel in zijn beide onderdelen slaagt en het voorwaardelijk ingestelde incidenteel beroep moet worden verworpen.
D. De vanwaardeverklaring
20. Volgens het vijfde onderdeel van het incidentele middel in zaak no. 7499 verzet het wettelijk systeem zich niet tegen een conservatoir derdenbeslag dat een erfgenaam, ter bewaring van zijn rechten op een deel van de nalatenschap, legt ten laste van een mede-erfgenaam. Die mogelijkheid zou vooral van belang zijn, aldus de schriftelijke toelichting, wanneer vrees bestaat dat goederen of fondsen aan de boedel worden onttrokken.
Het hof voert twee gronden aan voor zijn andersluidende opvatting (tussenvs., r.o. 8.2). In de eerste plaats zou een deelgenoot die scheiding en deling van een boedel nastreeft niet gelijkgesteld kunnen worden met een schuldeiser die een bepaalde schuldvordering op de beslagene heeft. In de tweede plaats zou uit het stelsel van de wet volgen dat rechthebbenden op een nalatenschap zich ter bewaring van hun rechten uitsluitend kunnen bedienen van de conservatoire maatregelen voorzien in titel II, bk. III, Rv., "Van procedures betrekkelijk erfenissen" (in Nederland art. 658-704 Rv.).
21. Het systematische argument is niet helemaal overtuigend. Het is waar dat bk. III titel II Rv. een rechtsfiguur ter beschikking stelt voor het geval dat conservatoire maatregelen nodig zijn wegens vrees voor verduistering, nl. verzegeling gevolgd door boedelbeschrijving. De doelmatigheid van die procedure is echter gering wanneer de boedel in het buitenland gelegen activa omvat zoals bankrekeningen. Bovendien wordt er in de literatuur van uitgegaan dat legatarissen en schuldeisers van de boedel, hoewel gerechtigd verzegeling en boedelbeschrijving te vorderen, de bevoegdheid behouden om conservatoir beslag te leggen op nagelaten goederen of rechten: Klaassen- Eggens-Luijten II p. 312, met verdere literatuur. Het is dan niet helemaal in te zien waarom voor erfgenamen de ene weg de andere zou uitsluiten.
De moeilijkheid ligt echter, zoals het hof terecht naar voren haalt, in de kwaliteit van schuldeiser. Mede-erfgenamen mogen zich wellicht tegenover elkaar gedragen als schuldeiser en schuldenaar wanneer geprocedeerd wordt over de vraag welke vermogensbestanddelen tot de boedel behoren; dat neemt echter niet weg dat wat hen verdeeld houdt niet rechtstreeks hun wederzijdse rechten en verplichtingen betreft maar de omvang van de boedel. Indien een erfgenaam conservatoir beslag legt onder een derde, ten laste van een mede-erfgenaam, zal hij geen vanwaardeverklaring kunnen verkrijgen omdat het geld van de derde niet hem toekomt, maar in de boedel behoort te vallen. In zoverre verschilt zijn positie van die van de legataris. Een erfgenaam kan zich niet zelf opwerpen als vertegenwoordiger van de boedel; bij gebreke van wetsbepalingen over het beheer van het gemeenschappelijk vermogen in het geldende BW zal men moeten aannemen dat hij daartoe de toestemming behoeft van de mede-erfgenamen. [eisers] hebben overigens niet gesteld namens de boedel op te treden.
De opvatting van het hof dat conservatoir derdenbeslag niet een erfgenaam ten dienste staat jegens een mede-erfgenaam die een aan inbreng onderworpen voordeel zou hebben genoten, of tot de boedel behorende goederen dreigt weg te maken, is in overeenstemming met de heersende leer. Zie Losbl. B. Rv. (F.M.J. Jansen) p. III-134; Rb. Roermond 28 oktober 1982 NJ 1983 no. 793; Hof Amsterdam 20 maart 1963 NJ 1963 no. 353; Hof Leeuwarden 5 oktober 1955 NJ 1957 no. 33.
Ik zou daarom menen dat het vijfde onderdeel onaannemelijk is.
E. De zaken no. 7590-7591
22. De tweede procedure werd door [verweerster] tegen [eisers] aangespannen na het tussenvs. van het hof in het eerste geding. [verweerster] treedt daarbij zowel op voor zich als in haar hoedanigheid van moeder-voogdes van de drie minderjarige kinderen.
Er zou allereerst gebleken zijn dat de boedelnotaris zonder machtiging van [verweerster] een groot voorschot uit de boedel aan [eisers] had uitgekeerd; dit bedrag zou teruggestort dienen te worden in de boedel. In de tweede plaats werd aan één van de partijen [eisers] , nl. [eiser 3] , verweten zich op slinkse wijze te hebben laten benoemen tot directeur van de Arubaanse bouwonderneming [A] , en in die kwaliteit doende te zijn de bedrijfsmiddelen van die onderneming te gelde te maken en de opbrengst daarvan uit te keren aan zichzelf en de andere partijen [eisers] In verband daarmee vorderde [verweerster] een verbod aan [eiser 3] om namens de onderneming verdere beschikkingshandelingen te verrichten zonder toestemming van de boedelnotaris, alsmede veroordeling van [eisers] om opgave te doen van de bedragen die zij van de onderneming hadden ontvangen, en om voortaan regelmatig zulke opgave te doen aan [verweerster] .
[eisers] kwalificeerden de stellingen omtrent hetgeen met betrekking tot de onderneming was geschied als "uit de lucht gegrepen". Zij erkenden een voorschot te hebben genoten van de boedelnotaris, maar zij meenden daar recht op te hebben.
Na de conclusie van antwoord vermeerderde [verweerster] haar eis; zij vroeg thans ook een verklaring voor recht dat zij geen dwangsommen verbeurd had ingevolge de tussen pp. eerder gewezen vonnissen. Na verzet tegen de vermeerdering van eis besliste het gerecht van eerste aanleg dat de vermeerdering kon worden toegestaan.
23. Het gerecht gaf [verweerster] slechts op één punt gelijk, door de terugstorting in de boedel te gelasten van het door [eisers] genoten voorschot, op straffe van verbeurte van een dwangsom. [verweerster] kwam in hoger beroep; [eisers] appeleerden incidenteel tegen de veroordeling tot terugstorting. Het hof had derhalve een drietal problemen te behandelen, die ook in cassatie aan de orde komen:
a. wat de handelingen van [eiser 3] als directeur van de bouwonderneming betreft bekrachtigde het hof de beslissing van het gerecht; daartegen richt zich het middel van [verweerster] in zaak no. 7591;
b. het bevel tot terugstorting van het voorschot in de boedel werd door het hof gehandhaafd; deze beslissing wordt aangevochten in onderdeel 5-6 van het middel van [eisers] in zaak no. 7590;
c. met vernietiging in zoverre van het vs. van het gerecht verklaarde het hof voor recht dat [verweerster] niet enige dwangsom verschuldigd was ingevolge de eerdere vonnissen; daarop hebben betrekking onderdeel 1-4 van het middel van [eisers] in zaak no. 7590.
24. Wat het eerste punt betreft gaat het hof ervan uit dat de activiteiten van de naamloze vennootschap [A] buiten de controle van de boedelnotaris vallen. Het overweegt dat [eiser 3] directeur van de vennootschap is en dat aan zijn bevoegdheden niet tekort wordt gedaan door het feit dat de aandelen van de n.v. in de boedel vallen. Ook de omstandigheid dat de directeur zelf erfgenaam is en jegens de andere erfgenamen gebonden is aan de goede trouw die de verhouding tussen mede-erfgenamen beheerst, zou niet afdoen aan de bevoegdheden van [eiser 3] als directeur (r.o. 1.1).
Het middel klaagt, nogal laconiek, dat daarmee het recht is geschonden. Ten onrechte, zou ik menen. De bevoegdheden van bestuurders van n.v. en b.v. worden geregeerd door regels van vennootschapsrecht, ongeacht of de aandelen in een onverdeeldheid vallen en of de aandeelhouders tegenover elkaar de goede trouw in acht hebben te nemen.
Het middel klaagt eveneens over motiveringsgebreken, voor zover het hof zich zou hebben gebaseerd op bijzondere omstandigheden van het betrokken geval om tot zijn oordeel te komen. Deze klacht mist feitelijke grondslag, nu het hof zich niet op zulke omstandigheden heeft verlaten maar op het - algemene - onderscheid tussen kwesties van vennootschapsrecht en van erfrecht.
Voor zover het middel tenslotte de indruk wekt dat het erom zou gaan dat aan [verweerster] de mogelijkheid wordt onthouden om rekening en verantwoording te verkrijgen van het door [eiser 3] als directeur van de vennootschap gevoerde beleid, bevat het een onjuiste weergave van de gang van zaken. [verweerster] heeft immers geen rekening en verantwoording gevorderd. Indien zij had willen optreden in haar kwaliteit van aandeelhouder, althans als deel van een "meerhoofdig aandeelhouderschap" (term van Van Mourik, WPNR 5411), zou zij een andere weg hebben moeten bewandelen dan het rauwelijks dagvaarden van de mede-erfgenamen.
Het beroep in zaak no. 7591 dient dan ook te worden verworpen.
25. Onderdeel 5 van het middel van [eisers] in zaak no. 7590 klaagt dat het hof miskend heeft dat de boedelnotaris bevoegd is voorschotten te verstrekken aan deelgerechtigden. Uitkering van zo'n voorschot zou tot gevolg hebben dat de boedel een vordering krijgt op degenen aan wie het voorschot is verstrekt.
De schriftelijke toelichting doet daartoe een beroep op art. 1316 Arubaans BW (= art. 1335 BW). Deze bepaling geeft erfgenamen de bevoegdheid over te gaan tot inning voor hun deel van schuldvorderingen van de boedel; bij de scheiding en deling wordt het door hen geïnde bedrag dan verrekend. De toelichting betoogt nu dat iets soortgelijks moet gelden wanneer niet schuldvorderingen aanwezig zijn maar de boedel zelf over fondsen beschikt. Deze analogie loopt evenwel scheef, omdat art. 1335 juist niet de verhouding tussen deelgerechtigden tot inzet heeft, maar die tussen schuldeiser en schuldenaar: Klaassen-Eggens-Luijten II p. 318. De bepaling betekent ook niet dat de erfgenaam zou kunnen overgaan tot cessie van zijn portie in een tot de boedel behorende vordering: Pitlo-van der Burght p. 383.
Onder deze omstandigheden moet het er voor gehouden worden dat uitkering van een voorschot door de boedelnotaris aan sommige deelgerechtigden, maar niet aan andere, te beschouwen is als een partiële scheiding. Daartoe kunnen, naar vaste rechtspraak, de erfgenamen slechts overgaan in onderling goedvinden.
Het hof heeft daarom een juiste beslissing genomen. Ook onderdeel 6 stuit daarop af.
26. Onderdeel 1-4 betreffen de vraag of [verweerster] dwangsommen verschuldigd was geworden door niet te voldoen aan de tegen haar uitgesproken veroordelingen. [verweerster] had aangevoerd dat zij niet kon beschikken over de fondsen in Florida welke zij ingevolge die vonnissen onder het beheer van de boedelnotaris moest brengen; die fondsen waren nl. bevroren ten gevolge van rechterlijke bevelen van de in Florida bevoegde gerechten, bevelen die overigens waren uitgelokt door [eisers]
Daarbij is centraal komen te staan of [verweerster] "ten genoege van de boedelnotaris" heeft aangetoond dat zij ten gevolge van rechterlijke bevelen of beslagleggingen niet over de desbetreffende gelden kon beschikken. In het veroordelend vs. van het gerecht van eerste aanleg was nl. de verplichting tot overmaking aan de boedelnotaris ingeperkt door de clausule: "behoudens voor zover en voor zolang gedaagde ten genoege van vorenbedoelde notaris kan aantonen dat zij wegens beslaglegging of rechterlijk bevel of verbod over die gelden of een deel daarvan niet kan beschikken". [verweerster] heeft beweerd dat zij een deugdelijk gemotiveerde verklaring in die zin aan de notaris heeft verstrekt; het hof stelt vast dat deze daarop niet heeft gereageerd (r.o. 1.4.3). In deze "impasse" besluit het hof zelf de vraag te beoordelen of [verweerster] al dan niet door rechterlijke bevelen in de onmogelijkheid was gebracht over de fondsen te beschikken (r.o. 1.4.5). Het onderzoekt dan de door [verweerster] overgelegde stukken, en het komt tot de slotsom dat zij inderdaad in de genoemde onmogelijkheid verkeerde.
27. Onderdeel 1-2 vallen deze beslissing aan op de grond dat het enige criterium was of de onmogelijkheid ten genoege van de boedelnotaris was aangetoond, niet of die onmogelijkheid al dan niet bestond.
Deze gedachtengang, die niet van enig formalisme is vrij te pleiten, moet worden afgewezen. Uitgangspunt dient te zijn dat ook zonder uitdrukkelijke bepaling in het veroordelend vonnis dwangsommen niet verbeurd raken wanneer de veroordeelde buiten machte is aan de veroordeling te voldoen. Zie Losbl. B. Rv. p. II-326 e.v .; S.N. van Opstall preadv. Ver. Vgl. studie recht van België en Nederland 1961 (Jaarboek van de Ver. 1961-1962, p. 118 e.v.) no. 2.2.11. De dwangsom dient ertoe de veroordeelde tot iets te dwingen, d.w.z. tot iets wat hij ook kan doen.
De clausule in het veroordelend vonnis dat de onmogelijkheid ten genoege van de boedelnotaris moet zijn aangetoond heeft de strekking partijen de gang naar de rechter te besparen; zij kan niet tot gevolg hebben dat de rechter zichzelf de bevoegdheid ontneemt later te beoordelen of die onmogelijkheid zich voordoet.
28. Onderdeel 3 klaagt dat het hof niet is ingegaan op de stelling van [eisers] dat [verweerster] zichzelf buiten staat had gesteld om aan de veroordeling te voldoen; zij zou nl. geweigerd hebben een tweetal cheques te endosseren aan de boedelnotaris. Dit zou overigens nog voor de veroordeling zijn geschied.
Het onderdeel gaat er kennelijk van uit dat op de dwangsom van toepassing is art. 611 lid 3 Rv. (art. 491 lid 3 Rv. NA). Voor de inwerkingtreding van de wijzigingswet van 1977 bepaalde art. 611b lid 2 dat art. 611, dat de gijzeling betreft, ook van toepassing is op de dwangsom; voor Aruba geldt de zusterbepaling van art. 611b nog steeds.
Juist wat het derde lid van art. 611 betreft staat de literatuur echter op het standpunt dat de daarin neergelegde regel omtrent eigen schuld van de schuldenaar, hoewel begrijpelijk in geval van gijzeling, geen toepassing kan vinden bij de dwangsom. Zie H. Drion R.M.Th. 1962 p. 235; Van Opstall t.a.p .; Van Nispen, Het rechterlijk verbod en bevel (Deventer 1978) p. 450. Zoals Drion het formuleert: toepassing van art. 611 lid 3 op de dwangsom betekent "een denaturering van de dwangsom van pressiemiddel tot straf". Ik zou mij daarbij willen aansluiten; een dwangsom dient om te dwingen, en heeft geen zin meer waar dwang niet meer helpt - om welke reden dan ook. Wanneer de veroordeelde zichzelf in de onmogelijkheid heeft gebracht aan de veroordeling te voldoen, voor of na het veroordelend vonnis, staan de wederpartij andere rechtsmiddelen ten dienste om de consequenties daarvan op te vangen; de dwangsom is daartoe ongeschikt.
Onderdeel 3 kan daarom niet slagen.
29. Onderdeel 4 klaagt dat het hof een te ruime maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling of sprake was van onmogelijkheid.
Het hof oordeelt dat [verweerster] "redelijkerwijs niet geacht kon worden in staat te zijn te voldoen" aan de veroordelende vonnissen (r.o. 1.4.8). Het voegt daaraan toe: "In hoeverre de uitgaven die zij gedaan heeft uit het relatief kleine bedrag waarover zij nog wel de beschikking had, noodzakelijk waren, kan daarbij buiten beschouwing blijven", temeer nu het uitgavenpatroon van [verweerster] blijkens overgelegde specificaties niet exorbitant was.
De klacht dat het hof nauwkeuriger had moeten nagaan of de door [verweerster] gedane uitgaven werkelijk noodzakelijk waren lijkt mij onaannemelijk. De maatstaf die het hof aanlegt, nl. of de veroordeelde redelijkerwijs geacht kan worden in staat te zijn aan de veroordeling te voldoen, is de juiste maatstaf. Zie, voor het nieuwe recht, BGH 25 september 1986 NJ 1987 no. 909.
Binnen dat kader staat het aan de feitenrechter de redelijkheid van relatief kleine uitgaven te beoordelen, terwijl de vraag of die uitgaven wel als klein te bestempelen zijn van feitelijke aard is. Door het oordeel over de kleinheid van die uitgaven te koppelen aan het algemene bestedingspatroon van [verweerster] heeft het hof voldoende inzicht in zijn gedachtengang verschaft. Ook voor zover het onderdeel een motiveringsklacht bevat, faalt het.
F. Slotsom
30. Op grond van het voorgaande concludeer ik:
- in de principale beroepen in de zaken no. 7498 en no. 7499: tot vernietiging van het tussenvs. en het eindvs. van het hof van justitie en tot terugwijzing naar dat hof ter verdere afdoening;
- in het incidentele beroep in zaak no. 7499: tot verwerping van het beroep;
- in de zaken no. 7590 en no. 7591: tot verwerping van de beroepen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,