HR, 28-01-1994, nr. 8343
ECLI:NL:HR:1994:ZC1249
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-01-1994
- Zaaknummer
8343
- LJN
ZC1249
- Roepnaam
AHAM/Siccama
- Vakgebied(en)
Huurrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1994:ZC1249, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 28‑01‑1994; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1993:10
ECLI:NL:PHR:1993:10, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 08‑12‑1993
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1994:ZC1249
- Vindplaatsen
Uitspraak 28‑01‑1994
Inhoudsindicatie
Huurrecht woonruimte. Voortzetting overeenkomst van onderhuur in strijd met redelijkheid/billijkheid (art. 7A:1623 lid 2 aanhef en onder c BW) vanwege daaruit voortvloeiende mogelijkheid tot verzoek huurverlaging? In deze procedure moet gelet op het bepaalde in AHAM/Malherbe veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat aan AHAM en Malherbe voor wat betreft het aan Siccama onderverhuurde gedeelte een gebruik als woonruimte voor ogen heeft gestaan. AHAM kan zich bij dit uitgangspunt niet met vrucht erover beklagen dat het huurprijsregime zoals neergelegd in de HPW woonruimte van toepassing is. Belang verhuur aan een huurder onder een huurregime bij toetsing aan art. 7A:1623 lid 2 onder c BW niet relevant. Dit geldt eveneens voor het door onderhuurder weten althans behoorde te weten dat de onderhuurovereenkomst zou eindigen bij het einde van de hoofdhuurovereenkomst.
28 januari 1994Eerste KamerRek.nr. 8343Br.
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
AMSTERDAMSE HUIZENHANDEL EN ADMINISTRATIEMAATSCHAPPIJ B.V. ,
gevestigd te Amsterdam ,
VERZOEKSTER tot cassatie,advocaat: Mr. R.M. Hermans,
t e g e n
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,advocaat: Mr. G. Snijders.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 25 november 1991 gedateerd verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen; AHAM - zich gewend tot de Kantonrechter te Amsterdam met verzoek, voor het geval verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - terecht een beroep doet op art. 1623k BW, te bepalen dat de huurovereenkomst met ingang van een in de beschikking te bepalen tijdstip zal eindigen.
Nadat [verweerder] tegen het verzoek verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter na gerechtelijke bezichtiging bij beschikking van 19 juni 1992 het verzoek afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft AHAM hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Amsterdam .
Bij beschikking van 17 maart 1993 heeft de Rechtbank de bestreden beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft AHAM beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Leijten strekt primair tot niet-ontvankelijkverklaring van AHAM in haar beroep, subsidiair tot vernietiging van de beschikking van de Rechtbank en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam .Bij brief van 14 december 1993 heeft de advocaat van AHAM op de conclusie van het Openbaar Ministerie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) AHAM is eigenaresse van het [a-straat 1] te [vestigingsplaats] , bestaande uit een souterrain, parterre en drie bovenverdiepingen. Zij had het gehele pand van 5 april 1990 tot 1 juni 1991 aan [betrokkene 1] verhuurd. De parterre en het souterrain waren bij [betrokkene 1] in gebruik als winkelen opslagruimte. [betrokkene 1] heeft deze ruimten inmiddels ontruimd.
(ii) De drie bovenverdiepingen zijn elk afzonderlijk als woonruimte in gebruik bij respectievelijk [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [verweerder] (verweerder in cassatie), verder te zamen te noemen: de onderhuurders. Daartoe heeft [betrokkene 1] met [betrokkene 2] en [verweerder] huurovereenkomsten gesloten. [betrokkene 3] had reeds een huurovereenkomst met de voorganger van [betrokkene 1] ; [betrokkene 1] heeft erin toegestemd in diens plaats als verhuurder van [betrokkene 3] op te treden, waarna de huurovereenkomst door [betrokkene 3] en [betrokkene 1] is voortgezet. (iii) AHAM heeft in kort geding de ontruiming van het pand door de onderhuurders gevorderd. Dezen hebben zich daartegen verweerd met, kort gezegd, een beroep op art. 7A:1623k BW, waaruit volgens bun stellingen voor het onderhavige geval voortvloeit dat sinds 1 juni 1991 huurovereenkomsten bestaan tussen hen en AHAM . De President van de Rechtbank te Amsterdam heeft de vordering van AHAM afgewezen en het Hof te Amsterdam heeft diens vonnis bekrachtigd. Bij zijn heden uitgesproken arrest in de zaak met rolnummer 14.943 heeft de Hoge Raad het arrest van het Hof vernietigd en het geding naar dat Hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing.
(iv) In zijn evengenoemd arrest heeft de Hoge Raad onder meer overwogen, kort samengevat, dat art. 1623k slechts toepassing kan vinden, indien de (hoofd)huurovereenkomst, voor wat de onderverhuurde gedeelten betreft, moet worden beschouwd als een huurovereenkomst van woonruimte waarop de art. 1623a e.v. van toepassing zijn, en dat daarvoor beslissend is hetgeen partijen bij de (hoofd)huurovereenkomst, mede in aanmerking genomen de inrichting van de onderverhuurde gedeelten, omtrent het gebruik daarvan voor ogen heeft gestaan.
3.2 In de onderhavige procedure heeft AHAM de Kantonrechter te Amsterdam verzocht om, voor het geval op grond van art. 1623k een huurovereenkomst tussen haar en [verweerder] mocht bestaan, op de voet van het tweede lid van dat artikel te bepalen dat deze overeenkomst op een in de beschikking te bepalen tijdstip zal eindigen, zulks op de grond, kort gezegd en voor zover in cassatie van belang, dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd dat zij de overeenkomst met [verweerder] voortzet (lid 2, aanhef en onder c). De Kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen. De Rechtbank heeft de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd. Hiertegen keert zich het middel.
3.3 Bij de beoordeling van het middel moet, overeenkomstig de voorwaarde waaronder de onderhavige procedure is ingesteld, uitgangspunt zijn dat de huurovereenkomst tussen [betrokkene 1] en [verweerder] op de voet van art. 1623k is voortgezet door AHAM en [verweerder] . In het licht van de hiervoor onder 3.1 sub (iv) weergegeven overwegingen van de Hoge Raad in de zaak met rolnummer 14.943 betekent dit dat veronderstellenderwijze ervan moet worden uitgegaan dat, mede in aanmerking genomen de inrichting van het aan [verweerder] onderverhuurde gedeelte, aan partijen bij de (hoofd)huurovereenkomst - AHAM en [betrokkene 1] - een gebruik van dat gedeelte als woonruimte voor ogen heeft gestaan. Met betrekking tot de onderverhuurde gedeelten heeft de Kantonrechter overwogen dat deze geschikt zijn om ieder afzonderlijk als woonruimte te worden gebezigd; AHAM heeft in cassatie niet geklaagd over de verwerping door de Rechtbank van haar tegen dit oordeel gerichte grief.
3.4 In rov. 7.2 heeft de Rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat [verweerder] bij voortzetting van de huurovereenkomst met succes een verzoek tot huurverlaging zou kunnen doen, als gevolg waarvan AHAM huurinkomsten zou derven, geen rol kan spelen bij het beantwoorden van de vraag of naar de maatstaven van art. 1623k lid 2 onder c van AHAM kan worden gevergd dat zij de huurovereenkomst met [verweerder] voortzet. Het eerste onderdeel van het middel bestrijdt dit oordeel met een rechtsklacht en een motiveringsklacht.
De rechtsklacht is tevergeefs voorgesteld. Zoals hiervoor onder 3.3 is overwogen, moet in de onderhavige procedure veronderstellenderwijze ervan worden uitgegaan dat aan AHAM en [betrokkene 1] voor wat betreft het aan [verweerder] onderverhuurde gedeelte een gebruik als woonruimte voor ogen heeft gestaan. Bij dit uitgangspunt kan AHAM zich niet met vrucht erover beklagen dat het huurprijsregime, zoals neergelegd in de Huurprijzenwet woonruimte, van toepassing is en dat, mocht die wet [verweerder] de mogelijkheid bieden met succes verlaging van de huurprijs te verzoeken, hij die mogelijkheid benut, met het door AHAM gestelde gevolg "dat die huurprijsvermindering tot een aanzienlijke waardevermindering van het pand zou leiden".Nu het bestreden oordeel van de Rechtbank van louter juridische aard is, kan de redengeving ervan in cassatie niet met vrucht worden bestreden, zodat de motiveringsklacht evenmin doel treft.
3.5 Onderdeel 2a richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat het belang van AHAM het pand aan een huurder onder een huurregime te kunnen verhuren niet opweegt tegen het belang van [verweerder] bij bestendiging van de huurovereenkomst, "gelet op het feit dat niet is gesteld of gebleken dat de aanwezigheid van meer huurders onder verschillende huurregimes, welke situatie zich in het pand al blijkbaar jaren voordoet, tot grote problemen aanleiding heeft gegeven". Het onderdeel behelst de klacht dat de Rechtbank haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, aangezien AHAM eerst na de beëindiging van de huurovereenkomst met [betrokkene 1] op 1 juni 1991 werd geconfronteerd met de aanwezigheid van meer huurders onder verschillende huurregimes.
De klacht miskent evenwel dat in de veronderstelling waarvan in de onderhavige procedure moet worden uitgegaan, te weten dat aan AHAM en [betrokkene 1] voor wat betreft het aan [verweerder] onderverhuurde gedeelte een gebruik als woonruimte voor ogen heeft gestaan, bij de beantwoording van de vraag of naar de maatstaven van art. 1623k lid 2 onder c van AHAM kan worden gevergd dat zij de huurovereenkomst met [verweerder] voortzet, haar evenbedoelde belang geen gewicht in de schaal legt.
Onderdeel 2b verwijt de Rechtbank een aantal essentiële stellingen van AHAM niet bij de belangenafweging te hebben betrokken. Als zodanig noemt het onderdeel in de eerste plaats onder (i) en (ii) dat, kort samengevat, voortzetting van de huurovereenkomsten met de onderhuurders meebrengt dat het moeilijk, zo niet onmogelijk zal zijn een solvabele huurder te vinden voor het overblijvende gedeelte van het pand. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft de Rechtbank in deze stelling enkel een argument gelezen voor het standpunt van AHAM dat haar belang meebracht het gehele pand aan een huurder te kunnen verhuren. Het onderdeel is in zoverre tevergeefs voorgesteld reeds omdat dit belang in het onderhavige geval blijkens het vorenoverwogene geen rol kan spelen.
Voor zover het onderdeel erover klaagt dat de Rechtbank geen aandacht heeft besteed aan de stelling van AHAM dat [verweerder] wist althans behoorde te weten dat de onderhuurovereenkomst zou eindigen bij het einde van de huurovereenkomst tussen AHAM en [betrokkene 1] , is het eveneens tevergeefs voorgesteld. De door AHAM gestelde omstandigheid belet niet dat [verweerder] een beroep doet op voortzetting van de huurovereenkomst op de voet van art. 1623k.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt AHAM in de kosten van het geding incassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op f 2.900,--, op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier van de Hoge Raad.
Deze beschikking is gegeven door de president Royer als voorzitter en de raadsheren Roelvink, Mijnssen, Neleman en Heemskerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 28 januari 1994.
Conclusie 08‑12‑1993
Inhoudsindicatie
Huurrecht woonruimte. Voortzetting overeenkomst van onderhuur in strijd met redelijkheid/billijkheid (art. 7A:1623 lid 2 aanhef en onder c BW) vanwege daaruit voortvloeiende mogelijkheid tot verzoek huurverlaging? In deze procedure moet gelet op het bepaalde in AHAM/Malherbe veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat aan AHAM en Malherbe voor wat betreft het aan Siccama onderverhuurde gedeelte een gebruik als woonruimte voor ogen heeft gestaan. AHAM kan zich bij dit uitgangspunt niet met vrucht erover beklagen dat het huurprijsregime zoals neergelegd in de HPW woonruimte van toepassing is. Belang verhuur aan een huurder onder een huurregime bij toetsing aan art. 7A:1623 lid 2 onder c BW niet relevant. Dit geldt eveneens voor het door onderhuurder weten althans behoorde te weten dat de onderhuurovereenkomst zou eindigen bij het einde van de hoofdhuurovereenkomst.
Rek.nr. 8343Beëindiging onderhuurParket, 8 december 1993
Mr. Leijten
Conclusie inzake:
AMSTERDAMSE HUIZENHANDEL EN ADMINISTRATIEMAATSCHAPPIJ B.V. ( AHAM )
tegen
[verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
In de procedure, die onder nr. 14.943 als rolzaak bij de Hoge Raad dient, heb ik op 19 november j.l. geconcludeerd. De conclusie strekte tot vernietiging van het, het vonnis in kort geding van de president van de rechtbank bekrachtigend, arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 12 december 1991. De president van de rechtbank en het hof hadden de door de verzoekster in cassatie - AHAM - tegen onder meer [verweerder] , verweerder in cassatie, ingestelde vordering tot ontruiming van de door [betrokkene 1] aan [verweerder] onderverhuurde etage afgewezen.
Het op artikel 1623k, lid 2 BW gegronde verzoek van AHAM strekkende tot ontruiming van de door [verweerder] aanvankelijk ondergehuurde etage, is voorwaardelijk ingesteld.
Sinds het in werking treden op 30 december 1991 van de wet van 31 januari 1991 Stb 50 moet het tot vordering gemetamorfoseerde verzoek bij dagvaarding worden ingesteld en leiden tot een vonnis. Het verzoek is echter ter griffie van de kantonrechter ingekomen op 26 november 1991 en ingevolge de overgangswet, waarnaar AHAM in haar cassatieschriftuur heeft verwezen (blz. 6 onder 1.) moet de procedure gevoerd worden als onder de oude wet bepaald: bij verzoekschrift waarop de artikelen 429a e.v. Rv. van toepassing zijn.
De voorwaarde die vervuld moet worden om in deze zaak tot een bindende beslissing te leiden bestaat hieruit dat in zaak 14.943 onherroepelijk wordt uitgemaakt dat [verweerder] en de zijnen ook jegens AHAM als (onder)huurders van woonruimte moeten worden beschouwd en als zodanig jegens AHAM recht hebben op de bescherming die het eerste lid van art. 1623k BW de huurder van woonruimte wel biedt en die aan de huurder van bedrijfsruimte niet toekomt. Hoewel ik van mening ben, zoals blijkt uit mijn conclusie in de zaak onder nr. 14.943, dat de voorwaarde niet in vervulling behoort te gaan
- in welke mening ik nog word versterkt door de consequenties, die een tegenovergestelde opvatting in deze zaak zou hebben -
zal ik in het vervolg van het wel in vervulling zijn gegaan van die voorwaarde uitgaan, omdat anders deze conclusie zo kort wordt.
AHAM grondde bij inleidend verzoekschrift haar verzoek tot beëindiging van de op voet van het eerste lid van art. 1623k BW tot stand gekomen huurovereenkomst met [verweerder] , op het bepaalde onder a en c van het tweede lid van art. 1623k. In cassatie is alleen het bepaalde onder c nog van belang. Haar tot de kantonrechter gerichte verzoek tot beëindiging van de huurovereenkomst vond, voor zover nog van belang, plaats op grond dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede gelet op de inhoud van huurovereenkomsten die betrekking hebben op soortgelijke woonruimte alsmede op de inhoud van de geëindigde overeenkomst tussen hem en de huurder, niet van hem kan worden gevergd, dat hij de overeenkomst met de wederpartij voortzet. Bij beschikking van 19 juni 1992 heeft de kantonrechter te Amsterdam het verzoek afgewezen, waarna AHAM onder aanvoering van tien grieven bij de rechtbank aldaar in hoger beroep is gekomen. De rechtbank heeft echter bij beschikking van 17 maart 1993 de beslissing van de kantonrechter bekrachtigd. Bij cassatie-schriftuur heeft AHAM tegen de beschikking van de rechtbank een middel van cassatie voorgesteld, bestaande uit twee onderdelen die elk ook weer twee klachten bevatten. Het eerste onderdeel bevat onder a. de rechtsklacht, dat de overweging van de rechtbank onder 7.2. voor zover luidende:
"dat [verweerder] bij voortzetting van de huurovereenkomst met succes een verzoek tot huurverlaging zou kunnen doen, zoals AHAM vreest, en dat AHAM als gevolg daarvan huurinkomsten zal derven kan ook geen rol spelen."
Wij zullen er in deze procedure steeds van uit moeten gaan dat het mogelijk is dat de verhuurder van een bedrijfsruimte als gevolg van het onderverhuren door de hoofdhuurder van delen van die ruimte aan onderhuurders in de vorm van woonruimte, nadat de hoofdhuur is beëindigd, wordt geconfronteerd op de voet van art. 1623k lid 1 BW met huurovereenkomsten inzake woonruimte waarbij hij als verhuurder en de oorspronkelijke onderhuurders als huurders optreden. Dit toch zeker als de hoofdverhuurder - AHAM - die onderhuur als woonruimte jarenlang heeft gedoogd. Vanuit dit uitgangspunt is moeilijk denkbaar dat de omstandigheid dat bedrijfsverhuur ten dele verhuur van woonruimte wordt en dat daardoor de gerede kans ontstaat dat de huurder(s) daarvan op grond van de Wet Huurprijzen Woonruimte een lagere huurprijs kunnen claimen en verkrijgen, een omstandigheid is die bij de vraag of de huur beëindigd kan worden, een rol mag spelen. Ware dat zo, dan zou met de ene hand teruggenomen worden, wat even tevoren met de andere hand gegeven was: voortzetting van de onderhuurovereenkomst, eertijds gesloten met de hoofdhuurder, nu met de hoofdverhuurder, hoewel die alleen maar een bedrijf verhuurd had. Maar vervolgens beëindiging van die overeenkomsten omdat zij komen te vallen onder het regime van de Wet Huurprijzen Woonruimte, wat voor de verhuurder een geldelijk nadeel oplevert. Als de eerste manoeuvre juist is, dan moet de tweede mijns inziens afgewezen worden. Ik ben het daarom met de rechtbank eens dat die omstandigheid in het kader van art. 1623k, lid 2 onder c geen rol mag spelen. Hoewel het (financieel) bezwaar van de splitsing van het perceel in bedrijfsruimte parterre en woonruimte op de etages, waar voor AHAM vroeger slechts een verhuur van een bedrijfsruimte bestond, evident is, moet in de veronderstelling die aan deze procedure ten grondslag ligt, zulk een geldelijk inconvenient als door de wet voorgeschreven worden geëerbiedigd. Temeer reden overigens om die veronderstelling als niet juist te verwerpen. De rechtsklacht faalt naar mijn mening.
Het eerste onderdeel bevat onder b. de klacht dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het door AHAM gestelde financiële belang bij beëindiging van de huurovereenkomst met [verweerder] geen rol zou mogen spelen. Die motivering toch luidt: Indien een dergelijk verzoek op de voet van de Huurprijzenwet Woonruimte wordt gehonoreerd is aan de zijde van AHAM sprake van een gemist voordeel, niet van een geleden nadeel. Heel erg duidelijk is ook voor mij die motivering niet. Maar ik vermoed dat daarin wordt betoogd dat AHAM zo niet minder krijgt dan waar zij recht op heeft, namelijk de huurprijs die volgens de Wet Huurprijzen Woonruimte geldt voor deze (zelfstandige) woningen, terwijl zij vroeger toen die ruimtes deel uitmaakten van de ene door haar verhuurde bedrijfsruimte, daarvoor meer huur kreeg. Is die exegese juist dan zitten de rechtbank en ik tot mijn vreugde op hetzelfde spoor. Maar ook als het anders zou zijn, zou de klacht niet tot cassatie kunnen leiden omdat niet juiste motivering van een rechtens juiste beslissing niet daartoe kan leiden. Het eerste onderdeel van het middel faalt, naar het mij voorkomt in zijn beide klachten.
Het tweede onderdeel van het middel richt zich tegen het deel van rechtsoverweging 7.2. in het vonnis van de rechtbank dat inhoudt:
De omstandigheid dat de huurovereenkomsten met de bewoners van de bovengelegen etages inbreuk maken op het belang van AHAM het pand aan een huurder onder een huurregime te kunnen verhuren, dient wel te worden meegewogen. Laatstgenoemde omstandigheid kan echter niet opwegen tegen het belang van [verweerder] bij bestendiging van de huurovereenkomst krachtens welke hij sinds medio 1990 de eerste etage van het pand bewoont, gelet op het feit dat niet is gesteld of gebleken dat de aanwezigheid van meer huurders onder verschillende huurregimes, welke situatie zich in het pand al blijkbaar jaren voordoet, tot grote problemen aanleiding heeft gegeven.
Dat tweede onderdeel bevat onder a de klacht dat AHAM eerst sinds de beëindiging van de huurovereenkomst met [betrokkene 1] op 1 juni 1991 geconfronteerd wordt met de aanwezigheid van meer huurders onder verschillende huurregimes. Dat ook voordien deze [betrokkene 1] delen van het door hem gehuurde als woonruimte had onderverhuurd aan onder andere [verweerder] , doet daar volgens deze klacht niet aan af, omdat AHAM met deze handelwijze van [betrokkene 1] niets te maken had en, zo begrijp ik, met name tot die datum van [betrokkene 1] de huurprijs ontving voor de verhuur van het hele perceel als bedrijfsruimte.
De rechtbank, gewagende van "al jaren" dat de door haar beschreven situatie zich voordeed, zal naar ik aanneem inderdaad het oog hebben gehad op de omstandigheid dat de onderhuurders ook voor 1 juni 1991 woonruimten in dit perceel huurden als gevolg waarvan er meer dan een huurder was en er naast huur van bedrijfsruimte ook huur van woonruimte - verschillende huurregimes derhalve- golden voor dit ene perceel. Echter met AHAM moet ik het eens zijn dat er bezien vanuit haar positie tot 1 juni 1991 slechts een huurder was, [betrokkene 1] , en een huurregime: bedrijfsruimte. Dat werd allemaal anders toen [betrokkene 1] als hoofdhuurder van de ene, ongedeelde bedrijfsruimte uitviel. Ik ben dan ook van mening dat de rechtbank, wegende als in de tweede van de hiervoor geciteerde alinea's weergegeven, en daarbij aangevende dat de feitelijke situatie ook bezien vanuit AHAM al jaren zo was als zij, na het uitvallen van [betrokkene 1] , juridisch zou worden (nogmaals in de veronderstelling waarop deze procedure berust) er ten onrechte aan voorbij is gegaan, dat die feitelijke situatie nu juist niet gold voor AHAM als hoofdverhuurster die verhuurde aan [betrokkene 1] als hoofdhuurder: een huurder, een huurregime. Ik ben van mening dat deze motiveringsklacht juist is.
Onder b bevat het tweede onderdeel van het middel de klacht, dat de rechtbank een aantal essentiële stellingen van AHAM niet in de belangenafweging heeft betrokken. Zij noemt er drie, die ik kort bespreek: de citaten onder (I) en (II) betreffen, uitgewerkt, opnieuw de situatie die voor AHAM komt te bestaan als zij drie huurders van de boven-etages heeft en daar een huurder voor de bedrijfsruimte parterre bij moet zoeken. Naar het mij voorkomt heeft de rechtbank de daar beschreven situaties mede op het oog gehad toen zij de afwegingsfactor, in de eerste van de hiervoor geciteerde alinea's uit overweging 7.2. aangehaald, omschreef als het belang van AHAM om het pand aan een huurder onder een huurregime te verhuren tegenover het belang van onder meer [verweerder] bij bescherming van zijn woonrecht als huurder. Voor zover de eerste klacht onder a slaagt is daarbij inbegrepen het op deze plaats aangevoerde onder (I) en (II). Ik zou daarom menen, dat de rechtbank deze omstandigheden wel in haar oordeel heeft betrokken, en dat de klacht onder b in zoverre feitelijke grondslag mist.
De derde bij de rechtbank aangevoerde omstandigheid luidt dat [betrokkene 2] toen hij een huurovereenkomst met [betrokkene 1] aanging (die tussen die twee als huur van woonruimte gold) wist, althans had (hij) behoren te weten, dat aan de onderhuurovereenkomst een einde zou komen bij het einde van de hoofdhuurovereenkomst tussen [betrokkene 1] en AHAM .
Ik geloof niet dat dit aspect door kantonrechter en rechtbank moest worden meegewogen. Ze konden dat ook moeilijk doen, want zij althans waren op respectabele gronden van oordeel dat aan de onderhuurovereenkomst van [verweerder] juist niet een einde zou komen als [betrokkene 1] wegviel maar dat die onderhuurovereenkomst van rechtswege zou worden geconverteerd in een huurovereenkomst met de hoofdverhuurder, met AHAM . Moeilijk kon van [verweerder] gevergd worden dat hij wist en kwalijk kan gemeend worden dat hij behoorde te weten datgene waarover nu al zo lang geprocedeerd wordt en waarover de juristen het kennelijk moeilijk eens kunnen worden.
Dit leidt wat de klacht onder b van het tweede onderdeel betreft tot de slotsom dat de toetsing in cassatie
"of de feitenrechter belangen in aanmerking heeft genomen die niet in aanmerking genomen hadden mogen worden, of omgekeerd, of de feitenrechter belangen niet in aanmerking heeft genomen, die wel in aanmerking hadden moeten worden genomen"
wat betreft de passages onder (I), (II) en (III) geen tekortkomingen van het vonnis van de rechtbank aan het daglicht brengt.
Ik moet nu tot een conclusie komen. Ik denk dat AHAM bij deze procedure geen rechtens relevant belang heeft als komt vast te staan dat zij [verweerder] tot ontruiming kan nopen reeds op grond van beëindiging van de hoofdhuur tussen AHAM en [betrokkene 1] , welke vraag het strijdpunt uitmaakt in de procedure onder nr 14.943 bij de Hoge Raad aanhangig.
Primair is daarom, naar ik meen, de voorwaarde waaronder deze procedure is ingesteld en gevoerd niet vervult, subsidiair zou ik menen dat het vonnis van de rechtbank, komt deze zaak aan de orde, niet in stand kan blijven op grond van de eerste klacht a. van onderdeel twee van het middel.
Mijn conclusie strekt ertoe, dat de Hoge Raad primair AHAM in haar verzoek niet zal ontvangen, daar zij daarbij geen rechtens relevant belang heeft, subsidiair de beschikking van de rechtbank zal vernietigen en de zaak voor een nieuwe behandeling in hoger beroep zal verwijzen naar het gerechtshof te Amsterdam.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,