NJ 1996, 122
Vordering in kort geding tot executie bij lijfsdwang alimentatiebeslissing / niet toerekenbare onmacht
HR 27-10-1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1860
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27 oktober 1995
- Magistraten
Snijders, Roelvink, Korthals Altes, Neleman, Nieuwenhuis, Koopmans
- Zaaknummer
15918
- LJN
ZC1860
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1995:ZC1860, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑10‑1995
- Wetingang
Rv (oud) art. 598f
Essentie
Vordering in kort geding tot executie bij lijfsdwang van alimentatiebeslissing. Niet toerekenbare onmacht.
Samenvatting
Nu de man zich tegen de vordering had verweerd met een beroep op ontoereikende draagkracht, diende de president ingevolge art. 598f aanhef en onder 3° na te gaan of het niet betalen van de uitkering een gevolg was van aan de man niet toerekenbare onmacht.
Uit hetgeen door de president is vastgesteld volgt niet, althans niet zonder nadere redengeving, welke evenwel ontbreekt, dat het door de president geconstateerde onvermogen van de man om zijn jegens de vrouw bestaande verplichtingen tot levensonderhoud na te komen, niet ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.