Einde inhoudsopgave
RvdW 1996, 19
HR, 29-12-1995, nr. 15819
HR 29-12-1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1940
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29 december 1995
- Magistraten
Martens, Roelvink, Mijnssen, Korthals Altes, Neleman
- Zaaknummer
15819
- LJN
ZC1940
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1995:ZC1940, Uitspraak, Hoge Raad, 29‑12‑1995
- Wetingang
Rv art. 213
Essentie
Bewijs van toedracht ongeval tussen twee fietsers. Inhoud getuigenverklaringen en gestelde toedracht. Vraag naar vereenzelviging van echtgenoot met partij-getuige. Weigering memorie na enquête; gedingstukken.
Samenvatting
Aldus verstaan (zie arrest) is het geenszins onbegrijpelijk dat het hof kennelijk niet een wezenlijk verschil aanwezig heeft geacht tussen zijn vaststelling van de inhoud van de getuigenverklaringen en de eerdere stellingen van partijen.
Tekst, geschiedenis en strekking van art. 213 lid 1 Rv bieden geen steun voor de opvatting dat de echtgenoot van een partij-getuige ook zelf als partij-getuige moet worden beschouwd.
Noch uit het bestreden arrest noch uit ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.