HR, 01-07-1997, nr. 16423
ECLI:NL:PHR:1997:AG1569
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-07-1997
- Zaaknummer
16423
- LJN
AG1569
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1997:ZC2410, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑07‑1997; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1997:AG1569
ECLI:NL:PHR:1997:AG1569, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑07‑1997
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1997:ZC2410
- Wetingang
art. 19 Grondwet
- Vindplaatsen
V-N 1997/2940, 12 met annotatie van Redactie
V-N 1997/2940, 12
Uitspraak 01‑07‑1997
Inhoudsindicatie
Concurrentieverbod assurantietussenpersoon na overdracht handelsonderneming; aard en strekking overnameovereenkomst. Beperkte werking grondrechten en arbeidsrechtelijke normen.
1 juli 1997
Eerste Kamer
Nr. 16.423 (C96/241)
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1], wonende te [woonplaats],
2. [eiseres 2] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats]
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr J.M. Barendrecht,
tegen
[verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr E. van Staden ten Brink.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 12 januari 1996 en herstelexploit van 16 januari 1996 eisers tot cassatie - ook wel te noemen: [eiser 1] respectievelijk [eisers] - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Arnhem en - verkort weergegeven en voor zover in cassatie nog van belang - gevorderd [eisers] te verbieden om als verzekeringstussenpersoon werkzaam te zijn, met een aantal nevenvorderingen.
Nadat [verweerder] deze eis op enkele niet meer van belang zijnde punten had gewijzigd, hebben [eisers] de vorderingen bestreden en hunnerzijds in reconventie enkele vorderingen ingesteld.
De President heeft bij vonnis van 26 januari 1996 in conventie de vorderingen van [verweerder] grotendeels toegewezen en in reconventie de vorderingen van [eisers] afgewezen.
Tegen dit vonnis, doch alleen wat de conventie betreft, hebben [eisers] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. [verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van 18 juni 1996 heeft het Hof in het principaal en incidenteel appel het bestreden vonnis gedeeltelijk vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, [eisers] verboden werkzaam te zijn als verzekeringstussenpersoon, waaronder begrepen het werkzaam zijn als adviseur op het gebied van verzekeringen, zulks echter uitsluitend gedurende een termijn van vijf jaren ingaande 1 januari 1994 en binnen een straal van 25 km, waarvan het centrum [plaats] het middelpunt is, alles op straffe van een dwangsom van f 10.000, -- per overtreding, echter tot een maximum van f 1.000.000, -- , met bekrachtiging van het vonnis voor het overige en met afwijzing van het meer of anders gevorderde.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en, wat [eisers] betreft, bovendien door Mr Ynzonides, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal Bloembergen strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
( i) [eiser 1] heeft, aanvankelijk in de vorm van een eenmanszaak en laatstelijk door middel van een besloten vennootschap, in zijn woonplaats [plaats] een assurantiekantoor uitgeoefend, zulks onder de handelsnaam "[A]". In augustus 1991 is [verweerder] als buitendienstmedewerker bij [eiser 1] in dienst getreden.
(ii) Op enig moment nadien heeft [eiser 1] om gezondheidsredenen - hij leed reeds geruime tijd aan het syndroom van Ménière - besloten het assurantiekantoor te verkopen.
(iii) In verband daarmee heeft [eiser 1] bij overeenkomst van 20 juli 1994 de onderneming van bovengenoemd assurantiekantoor aan [verweerder] verkocht en overgedragen. Deze transactie omvatte alle activa en passiva van het kantoor, inclusief voormelde handelsnaam ("[A]"), echter met uitzondering van het kantoorpand, de rekening-courant van [eiser 1], een stamrecht van [eiser 1], een lening bij Aegon en een bedrag voor nog te betalen advocatenkosten. Voorzover thans van belang werden als overgedragen zaken, behalve de handelsnaam, uitdrukkelijk nog genoemd: alle activiteiten van de onderneming, de assurantieportefeuille en de adressenbestanden. De totale koopsom bedroeg f 288.409, --.
(iv) De overeenkomst hield, wat de overgedragen handelsnaam betreft, bovendien nog in dat [verweerder], te rekenen vanaf 1 januari 1994, gedurende vijf jaar verplicht was die handelsnaam te blijven gebruiken.
( v) Met betrekking tot de positie van [eiser 1] binnen de overgedragen onderneming werd in de overnameovereenkomst verder nog bepaald dat diens arbeidsovereenkomst (met de vennootschap) zou worden gewijzigd, dat [eiser 1] met ingang van 1 augustus 1994 ten behoeve van [verweerder] de functie van adviseur zou uitoefenen, zulks tegen nader vast te leggen arbeidsvoorwaarden, en dat [eiser 1] zijn papieren c.q. vergunningen ter beschikking zou blijven stellen van [verweerder], zodat deze laatste het assurantiebedrijf zou kunnen uitoefenen.
(vi) Na de overdracht is de relatie tussen [eiser 1] en [verweerder] slechter geworden. [eiser 1], die zich per 6 februari 1995 ziek had gemeld, kapittelde [verweerder] over het gevoerde personeelsbeleid en verzocht hem het gebruik van de handelsnaam te staken en gestaakt te houden, aan welk verzoek [verweerder] geen gevolg gaf. [eiser 1] is zich vervolgens gaan bemoeien met cliënten uit de overgedragen verzekeringsportefeuille, welke cliënten na contacten met hem, [eiser 1], [verweerder] als intermediair hebben opgezegd en een ander in de plaats van [verweerder] hebben gesteld. Bovendien is [eiser 1] op eigen naam ten behoeve van derden offertes gaan aanvragen en heeft hij zich geafficheerd als makelaar in assurantiën.
(vii) In verband met het bovenstaande is het dienst- verband tussen [eiser 1] en [verweerder] - al of niet door een rechtsgeldig ontslag op staande voet op grond van een dringende reden - tussentijds beëindigd.
3.2 De President heeft, voorzover thans van belang, bij vonnis in kort geding [eisers] verboden werkzaam te zijn als verzekeringstussenpersoon, daaronder begrepen het optreden als adviseur op het gebied van verzekeringen, en voorts [eisers] verboden op enigerlei wijze in de verzekeringsbranche een handelsnaam te voeren waarin het woord "Gerard" of het woord "[eiser 1]" voorkomt, een en ander op straffe van dwangsommen .
3.3 Het Hof heeft bij het bestreden arrest het vonnis van de President bekrachtigd, echter met dien verstande dat eerstgenoemd verbod door het Hof in zoverre werd beperkt, dat dit verbod uitsluitend zou gelden "gedurende een termijn van vijf jaren ingaande 1 januari 1994 en binnen een gebied met de vorm van een cirkel met een straal van 25 km waarvan het centrum van [plaats] het middelpunt is".
3.4 Hiertegen richt zich het middel. Het bestrijdt enkel het verbod werkzaam te zijn als verzekeringstussenpersoon, daaronder begrepen het optreden als adviseur op het gebied van verzekeringen, en dus niet het verbod tot het voeren van de handelsnaam.
3.5 Onderdeel 1 strekt primair ten betoge dat men zijn in art. 19 lid 3 Gr.w neergelegde "recht op vrije keuze van arbeid" in verbinding met het aan een ieder toekomend algemeen persoonlijkheidsrecht voorzover dat een "recht op beroepsmatige ontplooiing" insluit, weliswaar contractueel kan beperken, maar dat zulks slechts mogelijk is in de vorm van een schriftelijk aangegane overeenkomst waarin zodanige beperking uitdrukkelijk is overeengekomen. Deze stelling kan evenwel in haar algemeenheid niet als juist worden aanvaard omdat zij aan deze grondrechten een verdergaande horizontale werking toekent dan daaraan toekomt.
Voorzover het onderdeel vervolgens subsidiair betoogt dat contractuele beperkingen op voormelde rechten slechts zover kunnen gaan als voor de bescherming van de belangen van "derden" - waarmee het onderdeel klaarblijkelijk doelt op de contractuele wederpartij van de gerechtigde - noodzakelijk is, kan het reeds daarom niet tot cassatie leiden omdat het Hof klaarblijkelijk heeft geoordeeld dat de door het college in de in 3.1 onder (iii) bedoelde overeenkomst besloten geachte beperkingen van de vrijheid van [eiser 1] om als verzekeringstussenpersoon werkzaam te zijn, noodzakelijk zijn ter bescherming van de uit die overeenkomst voortvloeiende rechten en daarbij betrokken belangen van [verweerder].
Tenslotte strekt het onderdeel klaarblijkelijk ten betoge dat beslissingen als de onderhavige aan zwaardere motiveringseisen moeten voldoen dan andere beslissingen in kort geding. Dit betoog kan evenmin als juist worden aanvaard. Ook voor een dergelijke processuele "doorwerking" van voormelde grondrechten bestaat geen grond.
3.6 De onderdelen 2 en 5, die gezamenlijk kunnen worden behandeld, klagen over 's Hofs oordeel dat "het [eiser 1] niet vrijstaat om met de door hem verkochte onderneming in concurrentie te treden".
De gedachtengang welke het Hof tot dit oordeel heeft geleid, moet kennelijk als volgt worden begrepen. Het Hof heeft vooreerst de hiervoor in 3.1 onder (iii) weergegeven bepalingen van de overnameovereenkomst aldus uitgelegd dat onder het in die bepalingen gebezigde begrip "assurantieportefeuille" het geheel van de relaties van de tussenpersoon met de door deze als zijn "cliënten" beschouwde verzekeringnemers moet worden verstaan, en het heeft daaruit afgeleid dat aldus in de overnameovereenkomst was begrepen de gelegenheid om - onbelemmerd door de overdrager - samen met de "cliënten" te bezien of hun verzekeringsdekking toereikend is en zonodig te bemiddelen bij het totstandkomen van nieuwe of aanvullende verzekeringsovereenkomsten. Ook deze winstmogelijkheid, verbonden aan de overgedragen assurantieportefeuille, is mede aan [verweerder] overgedragen. Anders gezegd: de overdracht is niet tot deze winstmogelijkheid beperkt. Een assurantietussenpersoon, zeker een die een zeer ruime ervaring heeft en ter plaatse is geworteld, beperkt zijn activiteiten niet tot zijn cliëntenbestand en in zoverre behoort tot het overgedragene óók de mogelijkheid om ter plaatse - onbelemmerd door de overdrager - als assurantietussenpersoon nieuwe relaties aan te knopen. In dit verband zijn de ruime omschrijvingen in de overeenkomst van belang, waarbij met name erop valt te wijzen dat "alle activiteiten" zijn overgedragen alsmede de handelsnaam waarvan [eiser 1] zich tot dan in [plaats] en omgeving bij zijn optreden als tussenpersoon had bediend.
Voorzover de onderdelen uitgaan van een andere lezing van de bestreden uitspraak kunnen zij bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Voor het overige falen zij omdat 's Hofs gedachtengang, opgevat als hiervóór aanvaard, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. Het komt integendeel overeen met de aard en de strekking van een overeenkomst als de onderhavige. Een dergelijke overeenkomst, waarbij iemand een handelsonderneming aan een ander overdraagt, verzet zich immers in de regel tegen een handelwijze die erop neerkomt dat de overdrager zijn rechtsopvolger concurrentie aandoet door in de directe omgeving van de overgedragen onderneming dezelfde werkzaamheden te blijven verrichten, die hij vóór de overdracht in de onderneming ook reeds verrichtte. Daarbij zal de plaatselijke bekendheid van de overdrager mede beslissend zijn voor de vraag of een gedraging binnen de hier bedoelde grenzen valt. De klacht van [eiser 1] dat een verbod als het onderhavige, juist omdat hij in [plaats] is geworteld, hem extra zwaar treft (onderdeel 5 aan het slot) stuit af op het feit dat [eiser 1] zijn onderneming nu eenmaal aan [verweerder] heeft verkocht en overgedragen.
Het bovenstaande klemt nog te meer nu [eiser 1] bij zijn concurrerende gedragingen gebruik maakt van een handelsnaam die - naar in cassatie niet langer wordt bestreden - in strijd is met de aan [verweerder] overgedragen handelsnaam.
3.7 Onderdeel 3 verwijt het Hof bij zijn voormeld, door de onderdelen 2 en 5 aangevallen oordeel voorbij te zijn gegaan aan een aantal in het middel onder E.1 en E. 2 weergegeven "stellingen van [eiser 1] aangaande de interpretatie van de overeenkomst". Het onderdeel faalt reeds omdat het Hof - zeker nu het hier een kort geding betreft - niet gehouden was om bij zijn, van die van [eiser 1] essentieel afwijkende interpretatie van de overnameovereenkomst in te gaan op alle door [eiser 1] voor diens zienswijze aangedragen argumenten. Overigens betekent het niet aangaan van een concurrentiebeding nog geen vrijbrief om in strijd met een overeenkomst of met de in art. 6:248 lid 1 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid zijn wederpartij concurrentie aan te doen.
3.8 Onderdeel 4 betoogt dat het Hof, mede gezien het voor [eiser 1] ingrijpende karakter van een verbod als het onderhavige, had behoren te onderzoeken, wat de overeenkomst tussen partijen meebracht voor het geval de door hen in het kader van de overdracht voorziene arbeidsovereenkomst tussen [eiser 1] en [verweerder] zou worden beëindigd, althans wanneer dat laatste op initiatief dan wel door toedoen van [verweerder] zou geschieden. Het verwijst in dit verband naar de art. 7:443 en 7A:1637x (oud) BW, telkens het derde lid, en bestrijdt de juistheid van 's Hofs oordeel dat niet relevant is of hier sprake was van een dringende reden voor het aan [eiser 1] gegeven ontslag, noch onder welke omstandigheden dit ontslag plaatsvond (rov. 3) en dat evenmin relevant is, welke aanleiding en motieven partijen voor het niet opnemen van een concurrentiebeding hebben gehad (rov. 6) .
Het onderdeel mist feitelijke grondslag voorzover het ervan uitgaat dat het Hof het door het onderdeel bedoelde onderzoek achterwege heeft gelaten. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat, nu in de overnameovereenkomst niet een regeling was getroffen voor het (bepaald niet ondenkbare) geval dat de in 3.1 onder (v) bedoelde arbeidsovereenkomst met [eiser 1] op initiatief of door toedoen van [verweerder] zou worden beëindigd, een dergelijke beëindiging niet kan afdoen aan de voor [eiser 1] uit de overnameovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, en voor wat haar verdere consequenties betreft enkel moet worden beoordeeld naar de daarvoor geldende arbeidsrechtelijke normen. Dit, mede op uitlegging van de overnameovereenkomst berustende oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het behoefde in dit kort geding geen nadere motivering.
Voorzover het onderdeel zich beroept op de art. 7:443 en 7A: 1637x (oud) BW miskent het in de eerste plaats dat deze artikelen handelen over een concurrentiebeding, terwijl in de onderhavige zaak een dergelijk beding geen rol speelt, maar bovendien dat deze artikelen betrekking hebben op gevallen waarin een zwakkere partij (een handelsagent respectievelijk een werknemer, wier broodwinning op het spel staat) tegen een sterkere partij (de principaal respectievelijk de werkgever) in bescherming wordt genomen, met welke gevallen een geval als het onderhavige (verkoop en overdracht van een onderneming door een zelfstandig zakenman) niet op één lijn kan worden gesteld.
Uit het vorengaande volgt dat ook onderdeel 4 tevergeefs is voorgesteld.
3.9 Onderdeel 6 gaat uit van de veronderstelling dat het gegeven verbod niet gebaseerd is op de inhoud van de overname-overeenkomst maar op de bevoegdheid van de kort geding rechter om een geëigende maatregel op te leggen.
Aangezien deze veronderstelling blijkens het bovenstaande onjuist is, mist het onderdeel feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden.
3.10 Volgens onderdeel 7 is het onjuist, althans onbegrijpelijk, dat aan [eiser 1] het onderhavige verbod voor een periode van vijf jaren is opgelegd. Het onderdeel acht deze tijdsduur, mede gezien de leeftijd van [eiser 1], excessief en stelt dat het Hof deze tijdsduur daarom nader had moeten motiveren.
Het onderdeel faalt. De stellingen van [eiser 1] - die zich ertoe had beperkt erover te klagen dat het door de President opgelegde verbod "onbeperkt qua tijdsduur" was - noopten het Hof niet tot nadere motivering op dit punt. Voor het overige geldt dat het hier gaat om een zich moeilijk voor nadere motivering lenend, geheel op de omstandigheden van het gegeven geval afgestemd oordeel, waarvoor het Hof mede steun heeft kunnen vinden in de hiervoor in 3.1 onder (iv) genoemde vijf jaren gedurende welke [verweerder] verplicht was de handelsnaam "[A]" te blijven gebruiken. Het onderhavige onderdeel treft derhalve hetzelfde lot als de andere onderdelen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op f 577, 20 aan verschotten en f 3.000, -- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de president Martens als voorzitter en de raadsheren Korthals Altes, Neleman, Heemskerk en Jansen, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Korthals Altes op 1 juli 1997.
Voor eensluidend afschrift, De Griffier van de Hoge Raad der Nederlanden,
Conclusie 01‑07‑1997
Inhoudsindicatie
Concurrentieverbod assurantietussenpersoon na overdracht handelsonderneming; aard en strekking overnameovereenkomst. Beperkte werking grondrechten en arbeidsrechtelijke normen.
Nr 16.423
Zitting 30 mei 1997
(bij vervroeging)
Mr Bloembergen
conclusie
in zake
[eiser 1]
en
[eiseres 2] B.V.
tegen
[verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
1. Malheur in [plaats] . Ik vermeld in het kort de droge feiten; achter deze feiten wordt een persoonlijk drama zichtbaar, dat ook hier en daar in de stukken wordt vertolkt.
[eiser 1] had in [plaats] een bank- en assurantiekantoor onder de handelsnaam [A] , aanvankelijk in de vorm van een eenmanszaak, laatstelijk in de vorm van een besloten vennootschap. [verweerder] is in augustus 1991 als buitendienstmedewerker bij [eiser 1] in dienst getreden. Met name om gezondheidsredenen heeft [eiser 1] bij overeenkomst van 20 juli 1994 (produktie 5 in eerste aanleg) zijn onderneming verkocht aan [verweerder] . [eiser 1] trad als adviseur in dienst van de onderneming. Na de overdracht is de relatie tussen [verweerder] en [eiser 1] verslechterd. Dit heeft onder meer ertoe geleid dat [verweerder] bij brief van 10 mei 1995 van zijn toenmalige raadsman [eiser 1] op staande voet heeft ontslagen, omdat [eiser 1] hem directe concurrentie heeft aangedaan door te handelen onder de naam [eiseres 2] , gevestigd te [plaats] , en als assurantietussenpersoon werkzaamheden te verrichten.
2. Uiteindelijk is het conflict zo hoog opgelopen dat [verweerder] in januari 1996 is overgegaan tot dagvaarding van [eiser 1] en de BV (die ik verder laat rusten) in kort geding. Zijn vordering strekte, voor zover in cassatie van belang, vooral tot verkrijging van een verbod aan [eiser 1] om als verzekeringstussenpersoon (waaronder begrepen adviseur op het gebied van verzekeringen) werkzaam te zijn. Deze vordering is door de President toegewezen.
Dit verbod is in hoger beroep goeddeels in stand gebleven. Wel heeft het Hof het verbod naar tijd en ruimte beperkt: tot een termijn van vijf jaren ingaande 1 januari 1994 en "binnen een gebied met de vorm van cirkel met een straal van 25 km waarvan het centrum van [plaats] het middelpunt is". (!)
In cassatie zijn vooral rov. 8 en 9 van het Hof relevant. Daarin bespreekt en verwerpt het Hof de grieven 5 en 6. Grief 5 komt op tegen het oordeel van de President dat ook zonder een expliciet beding het een partij die een onderneming met een handelsnaam en goodwill verkoopt, niet vrij staat vervolgens hetzij op eigen naam hetzij via een door hem opgerichte BV in directe concurrentie te treden met de verkochte onderneming. Grief 6 bestrijdt het oordeel van de President dat tevens goodwill aan [verweerder] is verkocht.
Het Hof besteedt de meeste aandacht aan deze laatste grief. Het zet in rov. 8 uiteen wat goodwill is: de winstmogelijkheid die voor de assurantietussenpersoon uit het geheel van zijn relaties met zijn verzekeringsnemers voortvloeit (met name ook doordat de relatie met cliënten ertoe kan leiden dat nieuwe of aanvullende verzekeringsovereenkomsten ten behoeve van die cliënten door bemiddeling en ten profijte van de tussenpersoon kunnen worden afgesloten). In rov. 9 komt het Hof door uitlegging van de overeenkomst tot de slotsom dat ook deze winstmogelijkheid en dus de goodwill is overgedragen. Daaruit leidt het Hof in de slotzin van rov. 9 af dat het [eiser 1] niet vrijstaat met de door hem verkochte onderneming in concurrentie te treden, zodat grief 5 faalt. Ik kom op een en ander straks terug.
Partijen hebben zowel in de feitelijke instanties als in cassatie erover gedebatteerd of het hier nu om wanprestatie of om onrechtmatige daad gaat. Ik zou menen dat het Hof, met name in rov. 9, aan het verbod een contractuele basis geeft: in de overnameovereenkomst ligt besloten dat het [eiser 1] niet vrij staat met de overgedragen onderneming in concurrentie te treden.
3. [eiser 1] komt in cassatie met een middel dat naast een lange inleiding uit een zevental onderdelen bestaat.
Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. [eiser 1] heeft ook nog gerepliceerd.
4. In de eerste volzin van onderdeel 1 wordt geklaagd dat het Hof "onvoldoende gewicht" heeft toegekend aan het in art. 19 lid 3 Grondwet neergelegde recht van [eiser 1] op vrije keuze van arbeid en aan zijn algemene persoonlijkheidsrecht dat zijn recht op beroepsmatige ontplooiing insluit. Mede gelet op de schriftelijke toelichting wil ik aannemen dat het hier om een zelfstandige klacht gaat en niet enkel om een inleiding op de volgende meer gespecificeerde klachten.
Het komt mij voor dat deze klacht niet voldoet aan de in art. 407 Rv. lid 2 gestelde vereisten. Niet wordt gezegd tegen welk oordeel van het Hof deze klacht zich richt en wat er in dit oordeel foutief is. Evenmin wordt gepreciseerd in welk opzicht "onvoldoende gewicht" is toegekend aan de genoemde mensenrechten en tot welk resultaat het in aanmerking nemen van deze rechten had moeten leiden.
Zou de klacht wel over de horde van art 407 heenkomen, dan zou zij een volgende horde niet halen, omdat het nu in deze zaak te laat is om het discours over de mensenrechten te openen. In ons jargon: de klacht behelst een ontoelaatbaar novum. Een novum: in de feitelijke instanties hebben partijen, met name [eiser 1] op wiens weg dit had gelegen, zich niet op de genoemde rechten beroepen. Een ontoelaatbaar novum, omdat de klacht een onderzoek van feitelijke aard vergt waarvoor in cassatie geen plaats is. Zo zou onderzocht moeten worden, hoe de door [eiser 1] ingeroepen rechten zich in de gegeven omstandigheden verhouden tot het grondrecht van de contractsvrijheid. Vergelijk Asser-Hartkamp II nr 45a en 45b met vermelding van rechtspraak (waaronder HR 31 oktober 1969, NJ 1970, 57 (GJS; Mensendiecklerares)). Ook kan de vraag rijzen of in het overnamecontract besloten ligt dat [eiser 1] tot op zekere hoogte afstand heeft gedaan van zijn recht op vrije arbeidskeuze.
Nu de klacht inhoudelijk niet aan de orde kan komen, meen ik bespiegelingen over de genoemde mensenrechten, hun onderlinge verhouding en hun horizontale werking achterwege te kunnen laten. Zie daaromtrent de in de schriftelijke toelichting van mrs Barendrecht en Ynzonides, nr 11 e.v. genoemde literatuur, i.h.b. de Notitie "Grondrecht van vrijheid van arbeidskeuze" van de Minister van Binnenlandse Zaken, TK 1985-1986 19 376, nrs 1 en 2 en F.B.J Grapperhaus Werknemersconcurrentie Beperkingen aan concurrerende activiteiten van de ex- werknemer ten opzichte van zijn voormalige werkgever, diss. Amsterdam 1995, i.h.b. Hoofdstuk 3 en 4.
5. Onderdeel 1 behelst nog een handjevol klachten. Vooreerst de klacht dat contractuele beperkingen van de genoemde mensenrechten slechts kunnen geschieden bij schriftelijke overeenkomst. Het onderdeel
De klacht vindt geen steun in het recht. Nergens in de wet is bepaald dat concurrentiebedingen in overnamecontracten schriftelijk moeten worden aangegaan. Het gaat, mede gelet op de rechtszekerheid, niet aan om zo een vormvereiste (klaarblijkelijk op straffe van nietigheid) buiten de wet om te stellen. Het beroep op de regeling van de arbeidsovereenkomst en de agentuurovereenkomst faalt, omdat die regelingen ertoe strekken de werknemer en de agent vanwege hun doorgaans zwakke positie te beschermen. Maar degene die een bedrijf overdoet verkeert doorgaans helemaal niet in een zwakke positie.
Ook de met "althans" ingeleide klachten -dat gewaarborgd is dat men zich van de strekking en de gevolgen van het overeengekome bewust is en dat beperkingen slechts zover kunnen gaan als voor de belangen van derden noodzakelijk is- vinden geen steun in het recht. Het onderdeel geeft ook niet aan waar deze steun te vinden zou zijn.
Tenslotte zouden de genoemde rechten in ieder geval meebrengen dat beslissingen als de onderhavige, ook die in kort geding, aan zware motiveringseisen moeten voldoen. Deze klacht verliest uit het oog dat partijen zich in de feitelijke instanties niet op de genoemde rechten hebben beroepen. Men kan niet van feitenrechters, en zeker niet van kort gedingrechters, verwachten dat zij zwaar gaan motiveren omdat er op de achtergrond niet door partijen ingeroepen mensenrechten zweven. Ik zie ook niet dat de rechtsbedeling gebaat is bij allerlei ambtshalve rechterlijke filosofietjes over mensenrechten.
6. Onderdeel 2 komt op tegen de afdoening van grief 5. De door het Hof gegeven motivering zou niet het oordeel kunnen dragen dat [eiser 1] niet in concurrentie mag treden met [verweerder] , voor zover het anderen dan de op het moment van overdracht bestaande relaties betreft.
Inderdaad gaat het Hof hier ietwat kort door de bocht, maar niet zo kort dat hij op de verkeerde weghelft terecht komt en teruggefloten moet worden. Zoals hiervoor onder 2 al is aangestipt oordeelt het Hof in rov. 8 en 9 dat ook de winstmogelijkheid verbonden aan de overgedragen assurantieportefeuille aan [verweerder] is overgedragen. Daarbij denkt het Hof vooral aan de winstmogelijkheden die de "overgedragen" cliënten bieden doordat in overleg met hen eventueel kan worden bemiddeld bij het totstandkomen van nieuwe of aanvullende verzekeringsovereenkomsten. Maar het Hof heeft ook aan nieuwe relaties gedacht. Dat blijkt het duidelijkst uit de slotzin van rov. 8: nu [eiser 1] in tegenstelling tot [verweerder] een zeer ruime ervaring heeft als tussenpersoon en volledig in [plaats] is geworteld, zal een optreden van [eiser 1] als tussenpersoon of adviseur, met name in [plaats] en omgeving, ten koste gaan van de overgedragen onderneming. Hier lees ik geen beperking: ieder optreden als tussenpersoon of adviseur, ook voor
zover het betreft anderen dan overgedragen relaties, gaat ten koste van de overgedragen onderneming en is daarom in strijd met de overeenkomst van overdracht. Mij dunkt dat deze gedachtengang plausibel is. Als de zeer ervaren [eiser 1] in een betrekkelijk kleine plaats als [plaats] , waar hij volledig is ingevoerd, zijn vak weer gaat uitoefenen, zal hij, ook al beperkt hij zich in theorie tot nieuwe relaties, toch een sterke zuigkracht uitoefenen op de "overgedragen" relaties. Bovendien zal het Hof hier mede voor ogen hebben gehad dat in een plaats als [plaats] het potentiële nieuwe cliëntenbestand beperkt is, zodat activiteiten van [eiser 1] ten aanzien van dit cliëntenbestand ten koste van de winstmogelijkheden van [verweerder] moeten gaan.
De motivering van het Hof is dus niet onvoldoende of onbegrijpelijk, zodat onderdeel 2 faalt.
7. Onderdeel 3 betoogt dat het Hof in rov. 8 en 9 niet voorbij had mogen gaan aan de in het onderdeel genoemde "stellingen". Mijns inziens gaat het hier niet om stellingen, laat staan om essentiële stellingen, maar om argumenten voor een bepaalde uitleg van de overname-overeenkomst. Het Hof is evenwel niet gehouden in te gaan op alle ten gunste van een bepaalde uitleg van een overeenkomst aangedragen argumenten. Vergelijk recentelijk HR 2 mei 1997 in zake CB/Forbo Krommenie (Novilon) rov. 3.5.4 met mijn conclusie, waarin ik (onder 3.3) tevergeefs een lans brak voor een iets verder gaande toetsing. Bovendien werden de argumenten door [eiser 1] niet aangedragen ter toelichting van de grieven 5 en 6, waarover het Hof in rov. 8 en 9 oordeelde, maar ter toelichting van grief 4.
Onderdeel 5 stoelt op dezelfde gedachtengang als onderdeel 2. Het moet het lot daarvan delen. De slotklacht van onderdeel 5 komt tevergeefs op tegen 's Hofs waardering van omstandigheden van feitelijke aard.
7. Onderdeel 4 betoogt dat het Hof had moeten onderzoeken wat de overeenkomst van partijen meebracht voor het geval de door partijen in het kader van de overdracht voorziene arbeidsovereenkomst tussen [eiser 1] en [verweerder] zou worden beëindigd, althans wanneer deze zou worden beëindigd op initiatief dan wel door toedoen van [verweerder] .
Dit betoog gaat niet op. Juist is dat [eiser 1] voor het Hof heeft aangevoerd dat het concurrentieverbod in het bedoelde geval niet zou gelden; zie de passages waarnaar het onderdeel verwijst, alsmede -wellicht nog duidelijker- de pleitnotities van mr Willard in appel, nr 2.21. Het is ook juist dat het Hof niet expliciet op deze stelling ingaat. Maar in 's Hofs arrest ligt besloten dat het deze stelling heeft verworpen. Dat blijkt uit rov. 3. Het Hof zegt aldaar dat het niet ziet welk belang [eiser 1] heeft bij een beslissing in dit kort geding op zijn stelling dat het ontslag uit de dienstbetrekking onregelmatig was. Hierin ligt een verwerping van evenbedoeld betoog besloten: het Hof koppelt de arbeidsverhouding als het ware los van de overname en oordeelt dat -in ieder geval in dit kort geding- voor de concurrentiekwestie niet relevant is of de arbeidsverhouding regelmatig of onregelmatig is beëindigd. Dit zo zijnde behoefde het Hof bij zijn bespreking van de grieven 5 en 6 niet meer op dit punt terug te komen.
Het onderdeel verwijst in dit verband nog naar art. 7: 443 lid 3 en 7A: 1637x lid 3, waar is bepaald dat aan een concurrentiebeding geen rechten kunnen worden ontleend als -ruw gezegd- de rechtsverhouding onregelmatig is beëindigd. Ik heb hiervoor al gezegd dat analogische toepassing van de genoemde artikelen in onze situatie niet aanvaardbaar is; dat moet ook gelden voor de leden drie. Klaarblijkelijk ziet het Hof dat ook zo, want het constateert aan het slot van rov. 3 dat er tussen partijen geen sprake is of is geweest van concurrentiebeding als bedoeld in art. 1637x.
Het vorenstaande brengt mee dat de klachten van het onderdeel over de rov's 3 en 6 eveneens falen.
8. Het aan [eiser 1] opgelegde verbod is niet gebaseerd op de bevoegdheid van de kort gedingrechter om een geëigende maatregel op te leggen, maar op de inhoud van de tussen partijen gesloten overeenkomst. De hoofdklacht van onderdeel 6 kan dus niet tot cassatie leiden.
Voor zover dit onderdeel overigens voortbouwt op de voorafgaande onderdelen moet het het lot daarvan delen. Anders dan het onderdeel veronderstelt heeft het Hof wel gelet op de belangen van [eiser 1] : het heeft immers het verbod naar tijd en plaats beperkt.
9. Het Hof heeft een verbod opgelegd voor een periode van vijf jaar, ingaande 1 januari 1994 (ten tijde van 's Hofs uitspraak was dus de helft van deze periode al verstreken). Onderdeel 7 komt hiertegen op met een rechtsklacht en motiveringsklachten.
De rechtsklacht faalt. Mij is geen rechtsregel bekend die in geval van overname van een bedrijf een concurrentieverbod van deze duur verbiedt (overigens in een beperkt gebied). Een algemene regel van deze strekking mag ook niet zonder meer uit art. 19 lid 3 Grondwet worden afgeleid. Mr Barendrecht c.s. doet ook hier vooral een beroep op hetgeen geldt bij de agentuurovereenkomst en de arbeidsovereenkomst. Gebleken is al dat deze analogie niet opgaat. Meer algemeen kan worden gezegd dat een verbod in overeenstemming moet zijn met de op gedaagde rustende verplichtingen; zie Onrechtmatige Daad (oud) II (Van Nispen) nr 221.1. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat uit de overeenkomst voortvloeide dat [eiser 1] zich vijf jaar van concurrentie diende te onthouden en dienovereenkomstig een verbod voor een periode van vijf jaar opgelegd.
Ook de motiveringsklachten falen. Onbegrijpelijkheid zie ik helemaal niet. En een nadere motivering kon in dit kort geding zeker niet worden geeist. In dit verband is van belang dat [eiser 1] zijn bezwaar tegen de onbeperkte duur van het door de President opgelegde verbod niet of nauwelijks heeft toegelicht; zie de toelichting op grief 10 en de pleitnota van mr Willard nr 2.34.
10. Nu ik geen der onderdelen van het middel gegrond acht, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden