NJ 1998, 688
3 IPR-wet Zeerecht van toepassing op vraag of vordering verhaalbaar is op schip, ook wanneer deze vraag rijst in kader vanwaardeverklaringsprocedure of vergelijkbare procedure / zeerechtelijke vordering in de zin van 1 Beslagverdrag / bevoegdheid rechter Staat waar beslag is gelegd; samenloop Beslagverdrag en EEX
HR 12-09-1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2423, m.nt. Th.M. de Boer
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12 september 1997
- Magistraten
Martens, Korthals Altes, Heemskerk, Jansen, De Savornin Lohman
- Zaaknummer
16311
- Conclusie
A-G Strikwerda
- Noot
Th.M. de Boer
- LJN
ZC2423
- JCDI
JCDI:ADS142618:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vervoersrecht (V)
Internationaal privaatrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1997:ZC2423, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑09‑1997
- Wetingang
Essentie
Art. 3 IPR-wet Zeerecht is van toepassing op de vraag of vordering verhaalbaar is op het schip, ook wanneer deze vraag rijst in het kader van een vanwaardeverklaringsprocedure of een vergelijkbare procedure. Zeerechtelijke vordering in de zin van art. 1 Beslagverdrag. Bevoegdheid rechter van de Staat waar het beslag is gelegd; samenloop Beslagverdrag en EEX.
Samenvatting
Welk recht is van toepassing op de vraag of een door Engels recht beheerste vordering terzake van charterhuur tegen een andere vervrachter dan de reder/eigenaar van het schip verhaalbaar is op een in Italië te boek gesteld schip? Naar Nederlands internationaal privaatrecht ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.