JAR 1999, 148
HR, 18-06-1999, nr. C98/014HR
HR 18-06-1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2930
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18 juni 1999
- Magistraten
Mrs Mijnssen, Korthals Altes, Heemskerk, Van der Putt-Lauwers, Fleers
- Zaaknummer
C98/014HR
- LJN
ZC2930
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1999:ZC2930, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑06‑1999
- Wetingang
BW art. 7:681; BW (oud) art. 7A:1639s
Samenvatting
Kennelijk onredelijk ontslag; ‘valse’ reden.
Art. 7A:1639s BW (oud) en art. 7:681 BW houden slechts in dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever voor kennelijk onredelijk kan worden gehouden wanneer deze geschiedt onder opgave van een ‘valse’ reden, dat wil zeggen een reden die in werkelijkheid niet bestaat; bij de beantwoording van de vraag of het ontslag ook kennelijk onredelijk was, kan de rechter mede betrekken de omstandigheid dat de werkgever aannam en in redelijkheid mocht aannemen dat de opgegeven reden bestond. Wanneer de werkgever met toestemming van de RDA een werknemer wegens langdurige arbeidsongeschiktheid wenst te ontslaan, ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.