NJ 2001, 43
Medische tuchtzaak. Grove onkunde. Anonieme getuige: art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR. Rapportage uit strafzaak: WOB en art. 8 EVRM. Bewijswaardering; vrijheid tuchtrechter.
HR 19-05-2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5869, m.nt. F.C.B. van Wijmen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19 mei 2000
- Magistraten
H.L.J. Roelvink, W.H. Heemskerk, C.H.M. Jansen, A.E.M. van der Putt-Lauwers, P.C. Kop
- Zaaknummer
R99/022HR
- Conclusie
A-G De Vries Lentsch-Kostense
- Noot
F.C.B. van Wijmen
- LJN
AA5869
- JCDI
JCDI:ADS157861:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Onbekend (V)
Gezondheidsrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2000:AA5869, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑05‑2000
ECLI:NL:PHR:2000:AA5869, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑05‑2000
- Wetingang
Essentie
Medische tuchtzaak. Grove onkunde. Anonieme getuige: art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR. Rapportage uit strafzaak: WOB en art. 8 EVRM. Bewijswaardering; vrijheid tuchtrechter.
Het begrip ‘grove onkunde’ heeft betrekking op de eisen die aan de bekwaamheid van de arts worden gesteld; daarbij is bewust geen scherpe norm gesteld. Het Hof kon zijn oordeel omtrent de gegrondbevinding van de klachten tegen de arts mede baseren op de verklaring van de collega-arts die niet de namen heeft genoemd van bij hem klagende patiënten aangezien de arts niet specifiek heeft aangegeven welke inlichtingen hij terzake ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.