NJ 2003, 272
Steiger bestanddeel van oever?; maatschappelijk criterium: verkeersopvatting en onderlinge constructieve afstemming; fysiek criterium; stelplicht.
HR 28-02-2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0131 (Steiger,Winter/Keja-Simons)
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
28 februari 2003
- Magistraten
P. Neleman, A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman
- Zaaknummer
C01/112HR
- Conclusie
A-G De Vries Lentsch-Kostense
- LJN
AF0131
- Roepnaam
Steiger
Winter/Keja-Simons
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Goederenrecht / Algemeen
Vermogensrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2003:AF0131, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 28‑02‑2003
ECLI:NL:PHR:2003:AF0131, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 28‑02‑2003
- Wetingang
BW art. 3:4
Essentie
Steiger bestanddeel van oever?; maatschappelijk criterium: verkeersopvatting en onderlinge constructieve afstemming; fysiek criterium; stelplicht.
Het betoog dat een steiger volgens verkeersopvatting altijd onderdeel uitmaakt van de grond of oever waaraan de steiger ligt, gaat in zijn algemeenheid te ver. Rechtbank en Hof hebben niet miskend dat een onderlinge constructieve afstemming een aanwijzing kan opleveren voor een bevestigende beantwoording van evenbedoelde vraag; omdat de stellingen van thans eiser tot cassatie daartoe geen aanleiding gaven behoefden Rechtbank en Hof niet uitdrukkelijk op die vraag in te gaan. 's Hof oordeel dat de steiger niet zodanig met de grond is verbonden dat ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.