Einde inhoudsopgave
RvdW 2003, 164
Internationaal privaatrecht. Exceptie van onbevoegdheid; art. 5 sub 1 EEX-Verdrag. Toepasselijk recht op de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt; schuldoverneming; overeenkomstige toepassing art. 12 EVO.
HR 24-10-2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9713
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24 oktober 2003
- Magistraten
P. Neleman, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst, P.C. Kop
- Zaaknummer
C02/090HR
- Conclusie
A-G Strikwerda
- LJN
AF9713
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verbintenissenrecht / Europees verbintenissenrecht
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
- Brondocumenten
ECLI:NL:PHR:2003:AF9713, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 24‑10‑2003
ECLI:NL:HR:2003:AF9713, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 24‑10‑2003
- Wetingang
Essentie
Internationaal privaatrecht. Exceptie van onbevoegdheid; art. 5 sub 1 EEX-Verdrag. Toepasselijk recht op de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt; schuldoverneming; overeenkomstige toepassing art. 12 EVO.
Bij de beantwoording van de niet door het EEG-Overeenkomstenverdrag (EVO) geregelde vraag welke gevolgen een overeenkomst die gepaard kan gaan met een schuldoverneming heeft voor het toepasselijke recht, kan aansluiting worden gezocht bij de aan de regeling voor de cessie in art. 12 EVO ten grondslag liggende beginselen, waaronder het beginsel dat de cessie geen gevolgen heeft voor het op de gecedeerde ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.