JOL 2004, 121
Retentierecht; werking tegen oudere gerechtigde (art. 3:292 lid 2 BW); vereiste van een (voldoende) verband tussen de vordering van de schuldeiser en de zaak die het betreft.
HR 05-03-2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO1213 (VCG/GE Sea Co)
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
5 maart 2004
- Magistraten
P. Neleman, H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst, A. Hammerstein, F.B. Bakels
- Zaaknummer
C02/279HR
- Conclusie
P-G Hartkamp
- LJN
AO1213
- Roepnaam
VCG/GE Sea Co
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2004:AO1213, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑03‑2004
ECLI:NL:PHR:2004:AO1213, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 05‑03‑2004
Essentie
Retentierecht; werking tegen oudere gerechtigde (art. 3:292 lid 2 BW); vereiste van een (voldoende) verband tussen de vordering van de schuldeiser en de zaak die het betreft.
Aan de bepaling van art. 3:291 lid 2 BW ligt de gedachte ten grondslag dat de retentor de bescherming van het retentierecht ook jegens derden met een ouder recht toekomt, zij het alleen in de daarin omschreven gevallen, te weten indien zijn vordering voortspruit uit een overeenkomst die de schuldenaar bevoegd was met betrekking tot de zaak aan te gaan, of indien hij geen reden had om aan deze ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.