Arrest van het hof van 16 september 2003, rov. 4.2.
HR, 03-06-2005, nr. C04/090HR
ECLI:NL:HR:2005:AS7017
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-06-2005
- Zaaknummer
C04/090HR
- Conclusie
mr. Keus
- LJN
AS7017
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2005:AS7017, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 03‑06‑2005
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS7017
ECLI:NL:HR:2005:AS7017, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 03‑06‑2005; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AS7017
- Wetingang
art. 33 Wet op het consumentenkrediet
- Vindplaatsen
Conclusie 03‑06‑2005
mr. Keus
Partij(en)
C04/090HR
mr. Keus
Zitting 18 februari 2005
Conclusie inzake
Defam Credit B.V.
(hierna: Defam)
tegen
[verweerster]
Deze zaak betreft de uitleg van een beding in de door Defam gehanteerde algemene voorwaarden die op de kredietovereenkomst tussen Defam en [verweerster] van toepassing zijn. In het bijzonder is daarbij aan de orde of het beding zich op grond van het bepaalde in art. 33 aanhef en onder c sub 1 Wet op het consumentenkrediet (hierna: WCK) aan nietigheid onttrekt.
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan1..
- (a)
Op 5 mei 1999 heeft Defam met [verweerster] een doorlopend kredietovereenkomst gesloten, waarbij Defam aan [verweerster] een krediet tot een maximumbedrag van ƒ 29.500,-- heeft verstrekt tegen een (toen geldend) effectief kredietvergoedingspercentage van 7,5% per jaar.
- (b)
[Verweerster] verplichtte zich om maandelijks een bedrag ten belope van 1,5% van het ten hoogste opgenomen saldo met een minimum van ƒ 443,-- aan Defam te betalen.
- (c)
Op voormelde overeenkomst zijn de "Voorwaarden doorlopend krediet Defam Credit BV" (hierna: de voorwaarden) van toepassing. Art. 7 aanhef en onder a van de voorwaarden luidt als volgt:
"(...) Het aan DEFAM verschuldigde zal terstond in zijn geheel opeisbaar zijn indien de kredietnemer:
- a.
na in gebreke te zijn gesteld in verband met achterstalligheid in de betaling van tenminste twee maanden, nalatig blijft in de volledige nakomingen van zijn verplichtingen;"
- (d)
Bij brief van 2 januari 2002 is [verweerster] door Defam in gebreke gesteld, en bij brief van 4 april 2002 is het saldo van het krediet in zijn geheel vervroegd opgeëist.
1.2
Tegen deze achtergrond heeft Defam de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank 's-Hertogenbosch en gevorderd dat [verweerster] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 12.725,68, te vermeerderen met de overeengekomen rente met als maximum de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding krachtens art. 35 WCK. Tegen [verweerster] is verstek verleend. De rechtbank heeft, nadat zij Defam bij tussenvonnis van 4 september 2002 in de gelegenheid had gesteld om nadere inlichtingen als weergegeven in dat tussenvonnis te verschaffen, bij eindvonnis van 27 november 2002 de vordering van Defam toegewezen tot een bedrag van € 1.884,71, vermeerderd met de contractuele (variabele) vertragingsvergoeding voor zover deze het ingevolge de WCK maximaal toegestane vertragingsvergoedingspercentage niet te boven gaat. Aan dit oordeel legde de rechtbank ten grondslag dat op de gesloten overeenkomst van geldlening de dwingendrechtelijk bepalingen van de WCK van toepassing zijn. Op grond van art. 33 WCK is de vervroegde algehele opeisbaarheid als overeengekomen in art. 7 van de voorwaarden nietig.
1.3
Defam heeft hoger beroep bij het hof 's-Hertogenbosch ingesteld. Ook in hoger beroep is [verweerster] niet verschenen. Voor zover in cassatie van belang heeft Defam in hoger beroep betoogd dat de uitleg die de rechtbank aan art. 7 van de voorwaarden heeft gegeven, onjuist is. Het hof heeft bij arrest van 16 september 2003 het bestreden vonnis bekrachtigd. Ten aanzien van de uitleg van art. 7 van de voorwaarden overwoog het hof in rov. 4.6.2:
"Uit de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel van de WCK (Kamerstukken II nr. 19 785, 1986/1987) moet worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de achterstalligheid die vervroegde opeisbaarheid rechtvaardigt, uit te drukken in een tijdsperiode en niet in een aantal termijnen, ook niet als - zoals veel voorkomt - de termijn een maandtermijn is. Het achterstallige bedrag (dat per week, maand, kwartaal, jaar of andere periode verschuldigd kan zijn) moet tenminste gedurende twee maanden achterstallig zijn, wil de kredietgever het restant vervroegd ineens kunnen opeisen.
Nu artikel 7 aanhef en onder a van de hier in het geding zijnde voorwaarden bepaalt dat het restant vervroegd opeisbaar is als de schuldenaar achterstallig is in de betaling van tenminste twee maanden, moet het oordeel luiden dat deze bepaling op grond van art. 33 aanhef en onder c sub 1 WCK nietig is. Die bepaling knoopt immers ten onrechte aan bij het aantal termijnen dat niet is betaald, terwijl de WCK voor een toelaatbare vervroegde opeisbaarheid aankoopt bij het aantal maanden dat de kredietnemer met een vervallen termijnbedrag achterstallig is. Daaraan doet niet af, dat het hier een maandelijkse verschuldigde termijn betreft zodat "een termijn" toevallig samenvalt met "een maand". Zoals de rechtbank ter uitleg terecht heeft overwogen, kan een kredietnemer achterstallig zijn in de betaling van twee vervallen maandtermijnen zonder dat hij twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag.
Grief IV faalt derhalve."
1.4
Defam heeft tijdig2. cassatieberoep ingesteld. Tegen [verweerster] is verstek verleend. Defam heeft het cassatieberoep schriftelijk doen toelichten door haar advocaat.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen, die zich alle richten tegen de hiervóór (onder 1.3) weergegeven rov. 4.6.2. Onderdeel 1 betoogt dat de in art. 7, aanhef en onder a, van de voorwaarden gebezigde zinsnede "achterstalligheid in de betaling van tenminste twee maanden" redelijkerwijs niet, althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt, anders kan worden begrepen dan als achterstalligheid in de betaling (van een maandtermijn) gedurende tenminste twee maanden. Daarbij dient, aldus het onderdeel, in aanmerking te worden genomen dat het door de kredietnemer aan Defam maandelijks verschuldigde bedrag in art. 6 van de voorwaarden met zoveel woorden wordt omschreven als "de maandtermijn". Waar de voorwaarden onderscheid maken tussen "maanden" en "maandtermijn", kan het in art. 7 aanhef en onder a van de voorwaarden gebezigde begrip "maanden" niet, althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt, als "maandtermijnen" worden uitgelegd. Onderdeel 2 betoogt, dat onvoldoende duidelijk is waarom de aanknoping in art. 7, aanhef en onder a, van de voorwaarden bij de wettelijke tekst van art. 33 aanhef en onder c sub 1 WCK ("tenminste twee maanden") niet leidt tot gegrondbevinding van de door Defam verdedigde opvatting. Onderdeel 3 voegt daaraan toe dat het oordeel van het hof onjuist, althans onbegrijpelijk, is, omdat het hof geen aandacht heeft besteed aan de door Defam geponeerde stelling dat de bewuste bepaling van de voorwaarden nu juist conform wettelijk voorschrift is geformuleerd, terwijl Defam in de inleidende dagvaarding aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat "gedaagde ten minste twee maanden achterstallig was in de betaling van een vervallen termijnbedrag". Onderdeel 4 ten slotte bevat geen zelfstandige klacht.
2.2
Alvorens de onderdelen te bespreken, wijs ik erop dat Defam bij haar schriftelijke toelichting een drietal arresten van het hof 's-Hertogenbosch heeft doen overleggen. In die (ongepubliceerde) arresten, die van 17 juni 2003 en 25 mei 2004 (tweemaal) dateren, heeft het hof 's-Hertogenbosch Defam in haar uitleg van de litigieuze bepaling in de voorwaarden gevolgd; in (rov. 4.6.3, in fine, van) de beide arresten van 25 mei 2004 is het hof daarbij uitdrukkelijk teruggekomen van zijn oordeel in het arrest dat thans in cassatie wordt bestreden3.. Ik teken daarbij aan dat ik voor de beoordeling van (de begrijpelijkheid van) het bestreden oordeel niet van beslissende betekenis acht dat dit oordeel afwijkt van het door hetzelfde hof in andere zaken gegeven oordeel en dat dit hof in latere zaken uitdrukkelijk van het bestreden oordeel is teruggekomen.
2.3
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 november 2001, JOR 2002, 43, m.nt. B. Wessels onder JOR 2002, 45, overwogen dat in zijn algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard dat bij de uitleg van een beding in algemene voorwaarden, bij de totstandkoming waarvan slechts de opsteller betrokken kan zijn, in beginsel slechts de bewoordingen van het beding, gelezen in het licht van de gehele tekst van de algemene voorwaarden, beslissend zijn. Ook de opvatting dat onduidelijkheden in de bewoordingen van bedingen in algemene voorwaarden in beginsel ten gunste van de wederpartij dienen te worden uitgelegd, wordt in dat arrest door de Hoge Raad in haar algemeenheid niet als juist aanvaard.
2.4
Niettemin kan gelden dat aan de bedoelingen van de opsteller c.q. gebruiker van een beding in algemene voorwaarden bij de uitleg van dat beding geen zwaarwegende betekenis kan worden toegekend, voor zover die bedoelingen niet kenbaar zijn uit de bewoordingen van het beding, gelezen in het licht van de gehele tekst van de algemene voorwaarden. Doorgaans heeft de wederpartij van de gebruiker van de algemene voorwaarden op de inhoud daarvan geen invloed kunnen uitoefenen. Daarbij valt in aanmerking te nemen dat, zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 20 februari 2004, RvdW 2004, 34, tussen de Haviltex-norm en de CAO-norm geen tegenstelling bestaat, maar een vloeiende overgang, terwijl aan beide uitlegmaatstaven de gedachte ten grondslag ligt dat bij de uitleg van een schriftelijk contract alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van beslissende betekenis zijn. Ook bij de toepassing van de Haviltex-norm heeft volgens laatstgenoemd arrest te gelden dat de argumenten voor een uitleg naar objectieve maatstaven aan gewicht winnen in de mate waarin de in het betrokken geschrift belichaamde overeenkomst naar haar aard meer is bestemd de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen uit dat geschrift niet kunnen kennen en het voor de opstellers voorzienbare aantal van die derden groter is, terwijl het geschrift ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen. Deze door de Hoge Raad ontwikkelde gezichtspunten pleiten voor een - in beginsel - objectieve uitleg van bedingen in algemene voorwaarden. Er zijn omstandigheden denkbaar die anders kunnen meebrengen, zoals een door de gebruiker van de algemene voorwaarden daarop gegeven mondelinge of schriftelijke toelichting. In het onderhavige geval zijn dergelijke omstandigheden niet gesteld. Er kan derhalve van een objectieve uitleg worden uitgegaan.
2.5
Ook uitgaande van een objectieve uitleg geldt dat de door het hof aan het beding gegeven uitleg feitelijk is en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. De door het hof gegeven uitleg leidt tot nietigheid op de voet van art. 33 aanhef en onder c sub 1 WCK, dat bepaalt:
"Nietig is een overeenkomst als bedoeld in artikel 30, eerste lid, voor zover daarbij:
- c.
vervroegde opeisbaarheid van het door de kredietnemer verschuldigde wordt bedongen, anders dan voor het geval dat:
1o. de kredietnemer, die gedurende ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen."
Zoals door rechtbank en hof met juistheid overwogen, is met art. 33 WCK beoogd dat de kredietnemer gedurende een tijdspanne van tenminste twee maanden achterstallig is, alvorens tot vervroegde opeising van de resterende termijnen kan worden overgegaan. De vervroegde opeisbaarheid is derhalve niet gekoppeld aan het aantal termijnbedragen waarmee de kredietnemer (gedurende enig termijn) in de betaling achterstallig is, maar aan de tijdspanne gedurende welke de kredietnemer met één of meer termijnen achterstallig is. Hiervoor is overigens gekozen, omdat in het andere geval de kredietgever in een ongunstige positie zou komen te verkeren, indien de betalingstermijn is gesteld op een jaar:
"De Commissie WCGK doet de suggestie om, met het oog op kredieten waarbij de betalingstermijn langer is dan een maand, in de wet te bepalen dat het restant in ieder geval bij een achterstand van een nader te bepalen aantal maanden vervroegd opeisbaar is. Zou de kredietgever in dergelijke gevallen gedwongen zijn om lijdelijk af te wachten tot twee termijnen verstreken zijn, ook in het geval van jaartermijnen, dan zou hij in een uitermate ongunstige positie verkeren. Deze suggestie hebben wij overgenomen; thans wordt bepaald dat de kredietnemer twee maanden achterstallig moet zijn, wil de kredietgever het restant van de schuld vervroegd kunnen opeisen."4.
2.6
De kredietvoorwaarden van Defam sluiten niet geheel op de wettekst aan:
"(...) Het aan DEFAM verschuldigde zal terstond in zijn geheel opeisbaar zijn indien de kredietnemer:
- a.
na in gebreke te zijn gesteld in verband met achterstalligheid in de betaling van tenminste twee maanden, nalatig blijft in de volledige nakomingen van zijn verplichtingen;"
Op zichzelf gelezen kan de door Defam gekozen formulering aldus worden opgevat, dat daarmee op een achterstalligheid van twee maandtermijnen wordt gedoeld. Eveneens is juist, dat, zoals rechtbank en hof hebben overwogen, het mogelijk is dat men met twee maandtermijnen achterstallig is, zonder dat de achterstalligheid van (één van) deze termijnen twee maanden heeft geduurd. Ik meen echter dat het cassatiemiddel in de onderdelen 1 en 2 terecht klaagt dat het oordeel van het hof, dat "maanden" zonder meer als "maandtermijnen" heeft opgevat, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is, nu elders in de voorwaarden, waar een maandtermijn wordt bedoeld, ook uitdrukkelijk van een "maandtermijn"5. of "termijnbedrag"6. wordt gesproken en nu voorts aannemelijk is dat de voorwaarden beogen aan te sluiten bij art. 33 WCK7., waarin van achterstalligheid in de betaling gedurende twee maanden sprake is.
2.7
Waar het middel in onderdeel 3 nog klaagt dat het hof ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de omstandigheid dat Defam aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat "gedaagde tenminste twee maanden achterstallig was in de betaling van een vervallen termijnbedrag", faalt het. Wat Defam in de onderhavige procedure aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, kan voor de uitleg van haar voorwaarden geen betekenis hebben. Het hof behoefde in het kader van de uitleg van de litigieuze voorwaarde dan ook geen aandacht aan de bedoelde stelling te schenken.
2.8
Zoals hiervóór (onder 2.1) reeds gesignaleerd bevat onderdeel 4 geen zelfstandige klacht en behoeft dit onderdeel dan ook geen nadere bespreking.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑06‑2005
Het bestreden arrest dateert van 16 september 2003; de cassatiedagvaarding is op 16 december 2003 uitgebracht.
Het lijkt erop dat het hof zich in het bestreden arrest heeft laten leiden door een eerder arrest van 18 april 2002, NJ 2003, 132. In dat arrest waren de algemene voorwaarden van de Rabobank aan de orde. Verschil met de onderhavige zaak is dat de betrokken voorwaarde van de Rabobank voorzag in vervroegde opeisbaarheid in het geval de kredietnemer in de betaling van twee of meer vervallen maandtermijnen achterstallig is, terwijl de door Defam gehanteerde voorwaarden voorzien in vervroegde opeisbaarheid 'indien de kredietnemer: a. na in gebreke te zijn gesteld in verband met achterstalligheid in de betaling van tenminste twee maanden, nalatig blijft in de volledige nakomingen van zijn verplichtingen'.
Tweede Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 19 785, nr. 3, p. 55; vgl. ook p. 86 in fine.
Art. 6 onder c van de voorwaarden.
Art. 6 onder b van de voorwaarden.
Vgl. in dat verband art. 9 van de voorwaarden, dat een bijzondere voorziening bevat voor het geval dat de WCK niet van toepassing is.
Uitspraak 03‑06‑2005
Inhoudsindicatie
3 juni 2005 Eerste Kamer Nr. C04/090HR RM Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: DEFAM CREDIT B.V., gevestigd te Utrecht, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt, t e g e n [Verweerster], voorheen wonende te [woonplaats], thans zonder bekende woon- of verblijfplaats, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...
Partij(en)
3 juni 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/090HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
DEFAM CREDIT B.V.,
gevestigd te Utrecht,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt,
t e g e n
[Verweerster],
voorheen wonende te [woonplaats], thans zonder bekende woon- of verblijfplaats,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Defam - heeft bij exploot van 2 juli 2002 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd [verweerster] te veroordelen aan Defam te betalen een bedrag van € 12.725,68, te vermeerderen met de overeengekomen rente, met als maximum de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding krachtens artikel 35 Wet op het consumentenkrediet (hierna: WCK), te berekenen over voornoemd bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der voldoening.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
Na een tussenvonnis van 4 september 2002, waarbij Defam in de gelegenheid is gesteld nadere inlichtingen te verschaffen, heeft de rechtbank heeft bij eindvonnis van 27 november 2002 [verweerster] veroordeeld aan Defam te betalen een bedrag van € 1.884,71, vermeerderd met de contractuele (variabele) vertragingsvergoeding voor zover deze het ingevolge de WCK maximale toegestane vertragingsvergoedingspercentage niet te boven gaat, over de respectief verschenen termijnen per moment van verschijnen tot aan de dag van de voldoening. Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen.
Tegen beide vonnissen van de rechtbank heeft Defam hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Ook in hoger beroep is [verweerster] niet verschenen.
Bij arrest van 16 september 2003 heeft het hof de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft Defam beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor Defam toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
- (i)
Op 5 mei 1999 heeft Defam met [verweerster] een doorlopend kredietovereenkomst gesloten, waarbij Defam aan [verweerster] een krediet tot een maximumbedrag van ƒ 29.500,-- heeft verstrekt tegen een (toen geldend) effectief kredietvergoedingspercentage van 7,5% per jaar.
- (ii)
[Verweerster] verplichtte zich om maandelijks een bedrag ten belope van 1,5% van het ten hoogste opgenomen saldo met een minimum van ƒ 443,-- aan Defam te betalen.
- (iii)
Op voormelde overeenkomst zijn de "Voorwaarden doorlopend krediet DEFAM Credit BV" (hierna: de voorwaarden) van toepassing. Art. 7, aanhef en onder a, van de voorwaarden luidt als volgt:
"(...) Het aan DEFAM verschuldigde zal terstond in zijn geheel opeisbaar zijn indien de kredietnemer:
- a.
na in gebreke te zijn gesteld in verband met achterstalligheid in de betaling van tenminste twee maanden, nalatig blijft in de volledige nakomingen van zijn verplichtingen;"
- (iv)
Bij brief van 2 januari 2002 is [verweerster] door Defam in gebreke gesteld, en bij brief van 4 april 2002 is het saldo van het krediet in zijn geheel vervroegd opgeëist.
3.2
Defam heeft gevorderd dat [verweerster] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 12.725,68, te vermeerderen met de overeengekomen rente met als maximum de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding krachtens art. 35 Wet op het Consumentenkrediet (hierna: WCK).
De rechtbank heeft de vordering van Defam toegewezen tot een bedrag van € 1.884,71, vermeerderd met de contractuele (variabele) vertragingsvergoeding voorzover deze het ingevolge de WCK maximaal toegestane vertragingsvergoedingspercentage niet te boven gaat.
In hoger beroep heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd.
3.3
Het hof heeft in rov. 4.6.2 allereerst geoordeeld, in cassatie terecht niet bestreden, dat uit de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel van de WCK moet worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de achterstalligheid die vervroegde opeisbaarheid rechtvaardigt, uit te drukken in een tijdsperiode en niet in een aantal termijnen, ook niet als - zoals veel voorkomt - de termijn een maandtermijn is. Het achterstallige bedrag (dat per week, maand, kwartaal, jaar of andere periode verschuldigd kan zijn) moet tenminste gedurende twee maanden achterstallig zijn, wil de kredietgever het restant vervroegd ineens kunnen opeisen. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de bepaling van art. 7, aanhef en onder a, van de hiervoor in 3.1 onder (iii) vermelde voorwaarden op grond van art. 33, aanhef en onder c, onder 1, WCK nietig is. Die bepaling knoopt immers, aldus het hof, ten onrechte aan bij het aantal termijnen dat niet is betaald, terwijl de WCK voor een toelaatbare vervroegde opeisbaarheid aanknoopt bij het aantal maanden dat de kredietnemer met een vervallen verschuldigde termijnbedrag achterstallig is.
3.4
De onderdelen 1, 2 en 3, eerste zin, klagen terecht dat het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel van het hof, dat "maanden" als "maandtermijnen" heeft uitgelegd, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. In de voorwaarden wordt immers, waar een maandtermijn wordt bedoeld, ook uitdrukkelijk het woord "maandtermijn" (art. 6 onder c) of "termijnbedrag" (art. 6 onder b) gebezigd. Daarbij komt dat aannemelijk is dat de voorwaarden beogen aan te sluiten bij art. 33, aanhef en onder c, onder 1, WCK alwaar sprake is van achterstalligheid in de betaling gedurende twee maanden.
3.5
De overige klachten behoeven geen behandeling meer. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De door Defam gegeven, bij art. 33, aanhef en onder c, onder 1, WCK aansluitende interpretatie van de hiervoor in 3.1 onder (iii) geciteerde bepaling van de op de kredietovereenkomst toepasselijke voorwaarden, in die zin dat het aan Defam verschuldigde terstond en in zijn geheel opeisbaar zal zijn indien de kredietnemer, na in gebreke te zijn gesteld in verband met achterstalligheid in de betaling gedurende tenminste twee maanden, nalatig blijft in de volledige nakoming van zijn verplichtingen, is juist. Die bepaling is niet nietig op grond van art. 33, aanhef en onder c, onder 1, WCK. Grief IV van Defam tegen het vonnis van de rechtbank van 17 december 2002 is dus gegrond. Het vonnis moet worden vernietigd. De niet weersproken vordering van Defam dient te worden toegewezen.
3.6
Nu de beslissing van het hof niet door [verweerster] is uitgelokt en ook niet door hem is verdedigd, en de onjuiste beslissing van het hof wortelt in de voor misverstand vatbare formulering van de door Defam gehanteerde voorwaarden voor de kredietverlening, vindt de Hoge Raad aanleiding om de kosten van het geding in cassatie te compenseren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 september 2003;
vernietigt het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 27 november 2002;
veroordeelt [verweerster] om aan Defam tegen kwijting te betalen het bedrag van € 12.725,68, te vermeerderen met de overeengekomen rente, met als maximum de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding krachtens art. 35 WCK, te berekenen over dat bedrag vanaf 2 juli 2002 tot de dag der voldoening;
veroordeelt [verweerster] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van Defam begroot:
- -
in eerste aanleg op € 707,56;
- -
in hoger beroep op € 1.182,16;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 3 juni 2005.