JOL 2005, 678
Misbruik van bevoegdheid door vordering tot amotie?: onevenredigheidscriterium art. 3:13 lid 2 BW. Geding na cassatie en verwijzing: nieuwe stellingen en weren?
HR 25-11-2005, ECLI:NL:PHR:2005:AU2406
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 november 2005
- Magistraten
Mrs. H.A.M. Aaftink, A.M.J. van Buchem-Spapens, W.A.M. van Schendel
- Zaaknummer
C04/180HR
- Conclusie
A-G De Vries Lentsch-Kostense
- LJN
AU2406
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2005:AU2406, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 25‑11‑2005
ECLI:NL:PHR:2005:AU2406, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 25‑11‑2005
Essentie
Misbruik van bevoegdheid door vordering tot amotie?: onevenredigheidscriterium art. 3:13 lid 2 BW. Geding na cassatie en verwijzing: nieuwe stellingen en weren?
Vervolg op HR 15 november 2002, NJ 2003, 48, m.nt. JBMV (samenloop art. 5:54 en art. 3:13 BW). Met toepassing van art. 81 RO verworpen cassatieklachten tegen oordeel hof dat thans verweerster in cassatie geen misbruik van recht maakt door verwijdering te vorderen van hetgeen door thans eiseres tot cassatie in strijd met verweersters eigendomsrecht is gebouwd nu de door eiseres gestelde belangen (zij stelt eenvoudigweg dat zij ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.