JAR 2006, 118
Bedrijfsongeval; verjaring vordering op voet art. 3:310 lid 1 BW?; essentiële stelling.
HR 07-04-2006, ECLI:NL:PHR:2006:AV4316
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
7 april 2006
- Magistraten
Mrs. D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, E.J. Numann, W.A.M. van Schendel
- Zaaknummer
C05/094HR
- Conclusie
A-G Spier
- LJN
AV4316
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht (V)
Goederenrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2006:AV4316, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 07‑04‑2006
ECLI:NL:PHR:2006:AV4316, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 07‑04‑2006
Essentie
Bedrijfsongeval; verjaring vordering op voet art. 3:310 lid 1 BW?; essentiële stelling.
De stelling van de werkgever kan niet anders worden begrepen dan als inhoudend dat de werknemer ten tijde van het doen uitgaan van de aansprakelijkstelling beschikte over zodanige gegevens dat de termijn van verjaring van zijn eventuele vordering op de werkgever een aanvang had genomen: hij was toen in staat om de werkgever aansprakelijk te stellen, de verjaring te stuiten en (ook) om daadwerkelijk een eventuele vordering tegen de werkgever in te stellen. Indien deze stelling van de werkgever juist is, kan 's hofs oordeel ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.