BIE 2006, 93
HR, 17-10-2006, nr. 02220/05
HR 17-10-2006, ECLI:NL:HR:2006:AW0484
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
17 oktober 2006
- Magistraten
F.H. Koster, G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, E.J. Numann, J. de Hullu
- Zaaknummer
02220/05
- LJN
AW0484
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:PHR:2006:AW0484, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 17‑10‑2006
ECLI:NL:HR:2006:AW0484, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 17‑10‑2006
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑11‑2005
- Wetingang
BMW art. 5 lid 2 onder a; Beneluxverdrag inzake de intellectuele eigendom art. 2.26 lid 2 onder a; Sr art. 337 lid 1 onder c; BMW art. 13A lid 1; Beneluxverdrag inzake de intellectuele eigendom art. 2.20 lid 1
Essentie
Officier van Justitie/verdachte (strafvervolging; onjuiste rechtsopvatting hof: strafrechter mag in strafgeding waarin geldigheid van merkrecht wordt betwist, de juistheid daarvan onderzoeken en bij gegrondbevinding verdachte vrij spreken; voor het oordeel of al dan niet sprake is van nabootsing van een merk, dient aansluiting gezocht te worden bij de in het civiele merkenrecht gangbare uitleg van het begrip overeenstemmend teken) (blz. 483).
Samenvatting
Art. 5, lid 2a BMW (oud; thans art. 2.26 lid 2a BVIE)
Het Benelux-Gerechtshof heeft geoordeeld dat voor het intreden van het verval van een merk o.m. nodig is dat het verval ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.