JOL 2006, 796:Wet Bopz. Voorwaardelijke machtiging; instemmingsvereiste. De beslissing tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging dient op een wettelijke grond te berusten zodat moet worden uitgegaan van het thans nog geldende art. 14a Wet Bopz. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene (ⅰ) (nog steeds) instemt met het behandelplan en (ⅱ) bereid is de te stellen voorwaarden na te leven, heeft zij de wettelijke maatstaf op een juiste wijze toegepast. Betrokkene behoefde niet in te stemmen met de voorwaardelijke machtiging en evenmin is nodig dat zij de aan het niet-naleven van de voorwaarden verbonden gevolgen aanvaardde. Als betrokkene niet aan de voorwaarden voldoet, geschiedt de opname ook niet op grond van haar daartoe verleende instemming, doch op grond van een besluit van de geneesheer-directeur die daarbij gebruik maakt van de hem gegeven wettelijke bevoegdheid.