AB 1999, 455
Bestuurlijke boete; onevenredigheid; ernst gedraging
CRvB 07-09-1999, ECLI:NL:CRVB:1999:AA8523, m.nt. H.E. Bröring
- Instantie
Centrale Raad van Beroep
- Datum
7 september 1999
- Magistraten
Hoogeveen, Talman, Van Sloten
- Zaaknummer
98/6290WW
- Noot
H.E. Bröring
- LJN
AA8523
- JCDI
JCDI:ADS865028:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:CRVB:1999:AA8523, Uitspraak, Centrale Raad van Beroep, 07‑09‑1999
- Wetingang
WW art. 27a lid 2 (oud); WW art. 27a lid 6 (oud); Boetebesl. Tica art. 3; Boetebesl. Tica art. 4
Essentie
Bestuurlijke boete; onevenredigheid; ernst gedraging.
Samenvatting
Appellant, het Landelijk instituut sociale verzekeringen, heeft, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, aangevoerd dat groot belang moet worden gehecht aan het nauwkeurig nakomen van de inlichtingenplicht en dat derhalve ook bij een betrekkelijk gering benadelingsbedrag een boete moet kunnen worden opgelegd waarvan de hoogte recht doet aan dit belang.
De Raad ziet aan dat aspect niet voorbij. Anderzijds is de Raad van oordeel dat een overtreding van de inlichtingenplicht die voortvloeit uit — hetgeen tussen partijen niet in geschil is — een eenmalige, op zich wel verwijtbaar te achten, vergissing, en die ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.