AB 2004, 297
Rechtbank had het verzet van appellante niet ongegrond mogen verklaren zonder dat appellante in de gelegenheid was gesteld te worden gehoord; doorbreking appelverbod.
CRvB 27-05-2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP0468, m.nt. B.W.N. de Waard
- Instantie
Centrale Raad van Beroep
- Datum
27 mei 2004
- Magistraten
Mrs. Schoemaker, Van der Wiel, Stam
- Zaaknummer
01/2233CSV
- Noot
B.W.N. de Waard
- LJN
AP0468
- JCDI
JCDI:ADS864654:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Bestuursrecht algemeen (V)
Bestuursprocesrecht / Beroep
- Brondocumenten
ECLI:NL:CRVB:2004:AP0468, Uitspraak, Centrale Raad van Beroep, 27‑05‑2004
- Wetingang
Awb art. 8:55; EVRM art. 6; IVBPR art. 14 lid 3 aanhef en onder d
Essentie
Rechtbank had het verzet van appellante niet ongegrond mogen verklaren zonder dat appellante in de gelegenheid was gesteld te worden gehoord; doorbreking appelverbod.
Samenvatting
In het geschil dat aan de onderhavige procedure ten grondslag ligt zijn mede administratieve boetes in het geding. Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 december 1992, BNB 1993/64, vloeit voort dat in een geval als het onderhavige het verzet niet ongegrond had kunnen worden verklaard door de rechtbank alvorens appellante in de gelegenheid was gesteld te worden gehoord. De Raad merkt daarbij op dat uit de wetsgeschiedenis ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.