Procestaal: Frans.
HvJ EU, 02-03-2017, nr. C-584/15
ECLI:EU:C:2017:160
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
02-03-2017
- Magistraten
T. von Danwitz, E. Juhász, C. Vajda, K. Jürimäe, C. Lycourgos
- Zaaknummer
C-584/15
- Conclusie
M. Campos Sánchez-Bordona
- Roepnaam
Glencore Céréales France
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2017:160, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 02‑03‑2017
ECLI:EU:C:2016:655, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 08‑09‑2016
Uitspraak 02‑03‑2017
T. von Danwitz, E. Juhász, C. Vajda, K. Jürimäe, C. Lycourgos
Partij(en)
In zaak C-584/15,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de tribunal administratif de Melun (bestuursrechter in eerste aanleg, Melun Frankrijk) bij beslissing van 5 november 2015, ingekomen bij het Hof op 11 november 2015, in de procedure
Glencore Céréales France
tegen
Établissement national des produits de l'agriculture et de la mer (FranceAgriMer),
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, E. Juhász, C. Vajda, K. Jürimäe (rapporteur) en C. Lycourgos, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: V. Tourrès, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 juni 2016,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Glencore Céréales Frankrijk, vertegenwoordigd door F. Citron en S. Le Roy, avocats,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas, S. Ghiandoni en A. Daly als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouquet, J. Baquero Cruz en G. von Rintelen als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 september 2016,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3 van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB 1995, L 312, blz. 1), artikel 11 van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB 1987, L 351, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 495/97 van de Commissie van 18 maart 1997 (PB 1997, L 77, blz. 12) (hierna: ‘verordening nr. 3665/87’) en artikel 5 bis van verordening (EEG) nr. 3002/92 van de Commissie van 16 oktober 1992 tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen inzake de controle op het gebruik en/of de bestemming van producten uit interventie (PB 1992, L 301, blz. 17), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 770/96 van de Commissie van 26 april 1996 (PB 1996, L 104, blz. 13) (hierna: ‘verordening nr. 3002/92’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Glencore Céréales France (hierna: ‘Glencore’) en het Établissement national des produits de l'agriculture et de la mer (FranceAgriMer), over de betaling van rente over de door Glencore wederrechtelijk ontvangen uitvoerrestituties.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 2988/95
3
De derde overweging van verordening nr. 2988/95 luidt:
‘[…] [H]et [is] […] van belang […] de fraude waardoor de financiële belangen van de [Unie] worden geschaad, op alle beleidsgebieden te bestrijden’.
4
Artikel 1 van deze verordening bepaalt:
- ‘1.
Met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen wordt een algemene regeling inzake homogene controles en administratieve maatregelen en sancties met betrekking tot onregelmatigheden ten aanzien van het [Unie]recht aangenomen.
- 2.
Onder onregelmatigheid wordt elke inbreuk op het [Unie]recht verstaan die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de [Unie] of de door de [Unie] beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de [Unie] worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave.’
5
In artikel 3 van voornoemde verordening wordt bepaald:
- ‘1.
De verjaringstermijn van de vervolging bedraagt vier jaar vanaf de datum waarop de in artikel 1, lid 1, bedoelde onregelmatigheid is begaan De sectoriële regelingen kunnen echter een kortere termijn bepalen, die niet minder dan drie jaar mag bedragen.
Voor voortdurende of voortgezette onregelmatigheden gaat de verjaringstermijn in op de dag waarop de onregelmatigheid is geëindigd. […]
De verjaring van de vervolging wordt gestuit door elke onderzoekshandeling of daad van vervolging van de onregelmatigheid door de bevoegde autoriteit, mits deze de betrokkene ter kennis is gebracht. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan.
De verjaring treedt echter in ieder geval in na verloop van een termijn die het dubbele bedraagt van de verjaringstermijn indien de bevoegde autoriteit binnen deze termijn geen sanctie heeft opgelegd, behoudens in geval van schorsing van de administratieve procedure overeenkomstig artikel 6, lid 1.
- 2.
Het recht tot uitvoering van het besluit waarbij een administratieve sanctie wordt opgelegd, vervalt na drie jaar. Deze termijn vangt aan op de dag waarop het besluit definitief wordt.
De stuiting en de schorsing van deze termijn worden door het toepasselijke nationale recht geregeld.
- 3.
Het staat de lidstaten vrij langere termijnen toe te passen dan de in de leden 1 en 2 bepaalde.’
6
Titel II van verordening nr. 2988/95 heeft als opschrift ‘Administratieve maatregelen en sancties’. Deze titel omvat artikel 4, dat in de leden 1 en 2 ervan bepaalt:
- ‘1.
Iedere onregelmatigheid leidt in de regel tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel:
- —
door de verplichting de verschuldigde bedragen te betalen of de wederrechtelijk ontvangen bedragen terug te betalen;
- —
door het volledige of gedeeltelijke verlies van de zekerheid die is gesteld ter ondersteuning van het verzoek om het toegekende voordeel of bij de inning van het voorschot.
- 2.
De toepassing van de in lid 1 bedoelde maatregelen wordt beperkt tot de ontneming van het verkregen voordeel, vermeerderd met de rente — die forfaitair kan worden vastgesteld — in geval van een daartoe strekkende bepaling.’
7
Artikel 5 van diezelfde verordening bevat de administratieve sancties waartoe opzettelijk of uit nalatigheid begane onregelmatigheden kunnen leiden.
Verordening nr. 3665/87
8
Verordening nr. 3665/87 is ingetrokken en vervangen bij verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB 1999, L 102, blz. 11, en rectificatie PB 1999, L 180, blz. 53). Op het hoofdgeding blijft echter verordening nr. 3665/87 van toepassing.
9
Artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 luidt:
‘[…] [I]ndien een restitutie ten onrechte is betaald, [is de begunstigde verplicht om] de ten onrechte ontvangen bedragen terug te betalen, waaronder begrepen de overeenkomstig lid 1, eerste alinea, geldende sanctiebedragen, vermeerderd met een rente over het tussen de betaling en de terugbetaling verstreken tijdvak. Indien evenwel:
- a)
de terugbetaling door een nog niet vrijgegeven zekerheid wordt gewaarborgd, geldt de verbeurte van de zekerheid overeenkomstig artikel 23, lid 1, of artikel 33, lid 1, als teruggave van de verschuldigde bedragen;
- b)
de zekerheid reeds is vrijgegeven, betaalt de begunstigde het bedrag van de zekerheid die zou zijn verbeurd, vermeerderd met de rente over de periode vanaf het vrijgeven van de zekerheid tot en met de dag voorafgaande aan die van de betaling.
De bedragen moeten binnen 30 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek tot betaling worden betaald.
[…]’
Verordening nr. 3002/92
10
Verordening nr. 3002/92 is ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 1130/2009 van de Commissie van 24 november 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de controle op het gebruik en/of de bestemming van producten uit interventie (PB 2009, L 310, blz. 5). Op het hoofdgeding blijft echter verordening nr. 3002/92 van toepassing.
11
Artikel 5 bis, leden 1 en 2, van verordening nr. 3002/92 luidde als volgt:
- ‘1.
Wanneer, na volledige of gedeeltelijke vrijgave van de in artikel 5 bedoelde zekerheid, wordt vastgesteld dat de producten geheel of gedeeltelijk niet voor het voorgeschreven gebruik zijn aangewend en/of niet de voorgeschreven bestemming hebben gekregen, eist de bevoegde autoriteit van de lidstaat […] van de betrokken handelaar een bedrag dat gelijk is aan de zekerheid die verbeurd zou zijn indien met de tekortkoming rekening was gehouden vóór de vrijgave van de zekerheid. Dit bedrag wordt verhoogd met rente, berekend vanaf de datum van vrijgave tot de dag vóór de datum van betaling.
Ontvangst van het in de vorige alinea bedoelde bedrag door de bevoegde autoriteit staat gelijk met teruggave van de onterecht toegekende economische voordelen.
- 2.
De betaling dient te worden verricht binnen 30 dagen na de dag van ontvangst van het betalingsverzoek.
[…]’
Frans recht
12
De loi portant réforme de la prescription en matière civile van 17 juni 2008 (JORF nr. 141 van 18 juni 2008, blz. 9856) (Franse wet houdende herziening van de verjaring in civielrechtelijke zaken) heeft een nieuwe verjaringsregeling van gemeen recht ingevoerd, die is gecodificeerd in artikel 2224 van de code civil (Frans burgerlijk wetboek; hierna: ‘burgerlijk wetboek’), dat bepaalt:
‘Persoonlijke rechtsvorderingen of rechtsvorderingen betreffende rechten op onroerende zaken verjaren vijf jaar na de dag waarop de rechthebbende de feiten die zijn recht deden ontstaan, kende of had behoren te kennen.’
13
Artikel 26 van die wet bepaalt:
- ‘I.
De bepalingen van deze wet die een verjaringstermijn verlengen, zijn van toepassing wanneer de verjaringstermijn nog niet was verstreken op de datum waarop deze wet in werking trad. Er wordt dan rekening gehouden met de reeds verstreken termijn.
- II.
De bepalingen van deze wet die een verjaringstermijn verkorten, zijn van toepassing op verjaringen vanaf de dag van inwerkingtreding van deze wet, waarbij de totale duur de in de eerdere wet vastgelegde duur niet mag overschrijden.
- III.
Wanneer een procedure is ingeleid vóór de inwerkingtreding van deze wet, wordt de vordering voortgezet en beoordeeld volgens de oude wet. Die wet is ook van toepassing in hoger beroep en cassatie […]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14
Op 26 mei 1999 heeft Glencore een certificaat verkregen voor de uitvoer van 3 300 ton brouwgerst in bulk, waarvoor zij in aanmerking kwam voor uitvoerrestituties.
15
Naar aanleiding van een douanecontrole waarbij onregelmatigheden aan het licht waren gekomen met betrekking tot de wijze van laden van het graan aan boord van de schepen waarmee dat gerst zou worden uitgevoerd, heeft het Office national interprofessionnel des céréales een betalingsbevel tegen Glencore uitgevaardigd voor een totaalbedrag van 93 933,85 EUR, dat overeenkwam met het bedrag van de wederrechtelijk ontvangen uitvoerrestituties, vermeerderd met een sanctie en een geldboete, ter hoogte van respectievelijk 50 % en 15 % van het bedrag van die restituties. Dit betalingsbevel werd op 25 februari 2004 aan deze onderneming betekend.
16
Tussen mei en september 2000 heeft Glencore bij de douaneautoriteiten uitvoeraangiften ingediend voor 43 630,13 ton zachte tarwe.
17
Naar aanleiding van een douanecontrole waarbij onregelmatigheden aan het licht waren gekomen met betrekking tot de wijze van laden van die tarwe voorafgaande aan de uitvoer daarvan, heeft het Office national interprofessionnel des céréales op 30 november 2005 tegen Glencore drie bevelen uitgevaardigd ter terugvordering van de door die onderneming wederrechtelijk ontvangen bedragen, ten belope van respectievelijk 113 685,40 EUR, 22 285,60 EUR en 934 598,28 EUR. Deze betalingsbevelen zijn per brief van 5 januari 2006 aan laatstgenoemde betekend.
18
Nadat Glencore de in de punten 15 en 17 van het onderhavige arrest bedoelde betalingsbevelen tevergeefs bij de bevoegde rechterlijke instantie had betwist, heeft zij de gevorderde bedragen voldaan, en wel op 6 april 2010 dat van de ontvangen steun voor de uitvoer van de brouwgerst en op 27 september 2010 dat van de steun voor de uitvoer van de zachte tarwe.
19
Bij besluit van 16 april 2013, waarbij een betalingsbevel van 12 april 2013 was gevoegd, heeft FranceAgriMer van Glencore betaling gevorderd van een bedrag van 289 569,05 EUR aan rente over de door die onderneming wederrechtelijk ontvangen steunbedragen.
20
Glencore heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, en betoogt dat de invordering van die rente is verjaard op grond van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95.
21
Onder deze omstandigheden heeft de tribunal administratif de Melun de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Kan uit de bewoordingen van [het arrest van 29 maart 2012, Pfeifer & Langen (C-564/10, EU:C:2012:190)] worden afgeleid dat artikel 3 van [verordening nr. 2988/95] toepasselijk is op maatregelen die strekken tot betaling van de krachtens [artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87] en artikel 5 bis van [verordening nr. 3002/92] verschuldigde rente?
- 2)
Moet de renteschuld worden geacht uit haar aard voort te vloeien uit een ‘voortdurende of voortgezette’ onregelmatigheid, die eindigt met de voldoening van de hoofdvordering, zodat tot die dag het tijdstip van aanvang van de desbetreffende verjaring wordt uitgesteld?
- 3)
Indien de [tweede vraag] ontkennend wordt beantwoord, moet dan het tijdstip van aanvang van de verjaring worden vastgesteld op de dag waarop de onregelmatigheid is begaan waaruit de hoofdvordering voortvloeit, of kan het alleen worden vastgesteld op de dag van de betaling van de steun of de vrijgave van de zekerheid die overeenkomt met het tijdstip van aanvang van de aanrekening van deze rente?
- 4)
Moet voor de toepassing van de bij verordening nr. 2988/95 vastgestelde verjaringsregels elke handeling die de verjaring stuit wat de hoofdvordering betreft, worden geacht ook de verjaring voor de rente te stuiten, ook al wordt van de rente geen melding gemaakt in de handelingen die de verjaring van de hoofdvordering stuiten?
- 5)
Treedt de verjaring in doordat [de bij artikel 3, lid 1, vierde alinea,] van verordening nr. 2988/95 vastgestelde maximumtermijn wordt bereikt indien het betaalorgaan binnen die termijn verzoekt om terugbetaling van de onverschuldigd betaalde steun zonder tegelijk de betaling van de rente te vragen?
- 6)
Kon de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van vijf jaar, die in het nationale recht bij wet nr. 2008-561 […] in artikel 2224 van het burgerlijk wetboek is ingevoerd, voor de op de dag van de inwerkingtreding van deze wet nog niet ingetreden verjaringen in de plaats komen van de verjaringstermijn van vier jaar in de zin van verordening nr. 2988/95 krachtens de afwijking [in artikel 3, lid 3,] van deze verordening?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
22
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 aldus moet worden uitgelegd dat de in die bepaling voorziene verjaringstermijn van toepassing is op de invordering van renteschulden als die welke aan de orde zijn in het hoofdgeding, die verschuldigd zijn op grond van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 en artikel 5 bis van verordening nr. 3002/92.
23
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat conform artikel 1 van verordening nr. 2988/95 en zoals volgt uit de derde overweging van die verordening, deze een ‘algemene regeling inzake homogene controles en administratieve maatregelen en sancties met betrekking tot onregelmatigheden ten aanzien van het [Unie]recht’ invoert, teneinde ‘de fraude waardoor de financiële belangen van de [Unie] worden geschaad, op alle beleidsgebieden te bestrijden’ (arrest van 11 juni 2015, Pfeifer & Langen, C-52/14, EU:C:2015:381, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24
In die context bepaalt artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 dat de verjaringstermijn van de vervolging vier jaar bedraagt vanaf de datum waarop de onregelmatigheid is begaan, dan wel, voor voortdurende of voortgezette onregelmatigheden, vanaf de dag waarop de onregelmatigheid is beëindigd. Volgens deze bepaling kunnen de sectoriële regelingen echter een kortere termijn bepalen, die niet minder dan drie jaar mag bedragen.
25
In casu bevatten de in het hoofdgeding relevante sectoriële regelingen van de Unie, te weten verordening nr. 3665/87 die het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten regelt, en verordening nr. 3002/92, betreffende de controle op het gebruik en/of de bestemming van producten uit interventie, geen specifieke bepalingen op het gebied van verjaring.
26
Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 bedoelde termijn van vier jaar van toepassing is zowel op onregelmatigheden die leiden tot oplegging van een administratieve sanctie, in de zin van artikel 5 van deze verordening, als op onregelmatigheden die, zoals in het hoofdgeding, het voorwerp zijn van een administratieve maatregel waarbij overeenkomstig artikel 4 van deze verordening het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen (zie in die zin arrest van 11 juni 2015, Pfeifer & Langen, C-52/14, EU:C:2015:381, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27
Krachtens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2988/95 leidt iedere onregelmatigheid, in de zin van artikel 1, lid 2, van deze verordening in de regel tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, met name door de verplichting de verschuldigde bedragen te betalen of de wederrechtelijk ontvangen bedragen terug te betalen. Bovendien wordt in artikel 4, lid 2, van die verordening gepreciseerd dat de toepassing van de in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen wordt beperkt tot de ontneming van het verkregen voordeel, vermeerderd met de rente — die forfaitair kan worden vastgesteld — in geval van een daartoe strekkende bepaling.
28
In casu staat vast dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde betalingsbevelen, die door de bevoegde overheidsinstantie zijn uitgevaardigd met het oog op terugvordering van de steunbedragen die door Glencore wegens de door die onderneming begane onregelmatigheden wederrechtelijk waren ontvangen, zijn vastgesteld op basis van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 (wat de brouwgerst in bulk betreft) en artikel 5 bis van verordening nr. 3002/92 (wat de zachte tarwe uit interventie betreft). Bovendien blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt, dat het betalingsbevel met betrekking tot de terugvordering van de rente over die steunbedragen eveneens is vastgesteld op basis van die bepalingen.
29
Dienaangaande zij opgemerkt dat in voornoemde artikelen uitdrukkelijk wordt bepaald dat de door de betrokken marktdeelnemer terug te betalen wederrechtelijk ontvangen steunbedragen worden vermeerderd met rente, die wordt berekend op basis van deze steunbedragen en aan de hand van de tijd die is verstreken tussen het moment van hun ontvangst en dat van hun terugbetaling. Artikel 5 bis, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3002/92 preciseert in dit verband dat de ontvangst van het aldus berekende bedrag door de bevoegde autoriteit gelijkstaat met teruggave van de onterecht aan de betrokken marktdeelnemer toegekende economische voordelen.
30
Derhalve dienen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde betalingsbevelen te worden gekwalificeerd als ‘administratieve maatregelen’, in de zin van artikel 4, leden 1 en 2, van verordening nr. 2988/95, zowel met betrekking tot de hoofdvordering als met betrekking tot de rente, aangezien deze betalingsbevelen tezamen bijdragen tot de ontneming van het door de betrokken marktdeelnemer wederrechtelijk verkregen voordeel.
31
Hieruit volgt dat de in artikel 3, lid 1, van die verordening voorziene verjaringstermijn van toepassing is in omstandigheden als die van het hoofdgeding.
32
Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de rechtspraak van het Hof in het arrest van 29 maart 2012, Pfeifer en Langen (C-564/10, EU:C:2012:190), waaraan de verwijzende rechter refereert. Het Hof heeft weliswaar in punt 53 van dat arrest geoordeeld dat artikel 3 van verordening nr. 2988/95 aldus moet worden uitgelegd dat de daarin vastgestelde verjaringstermijn voor de hoofdvordering niet geldt voor de invordering van de op deze vordering vallende rente, doch die uitlegging had, zoals volgt uit dat punt, betrekking op een situatie waarin de rente niet, zoals in casu, op grond van het Unierecht, maar op grond van het nationale recht verschuldigd was.
33
Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 aldus moet worden uitgelegd dat de in die bepaling voorziene verjaringstermijn van toepassing is op de invordering van renteschulden als die welke aan de orde zijn in het hoofdgeding, die verschuldigd zijn op grond van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 en artikel 5 bis van verordening nr. 3002/92.
Tweede vraag
34
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95 aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat een marktdeelnemer de debiteur is van renteschulden als die welke aan de orde zijn in het hoofdgeding, een ‘voortdurende of voortgezette onregelmatigheid’ vormt, in de zin van die bepaling, waarvan de verjaringstermijn aanvangt op de dag waarop de wederrechtelijk ontvangen steunbedragen die de hoofdvordering vormen, zijn terugbetaald.
35
Er zij aan herinnerd dat een onregelmatigheid volgens de rechtspraak van het Hof ‘voortdurend of voortgezet’ in de zin van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95 is, wanneer zij is begaan door een ondernemer die economische voordelen haalt uit een geheel van soortgelijke handelingen die inbreuk maken op dezelfde bepaling van het recht van de Unie (zie arrest van 11 juni 2015, Pfeifer en Langen, C-52/14, EU:C:2015:381, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
In het licht van die definitie betoogt de Franse regering in haar bij het Hof ingediende opmerkingen in wezen dat de onregelmatigheid, in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2988/95, die ten grondslag ligt aan elk van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde renteschulden, moet worden onderscheiden van de onregelmatigheid die heeft geleid tot de hoofdvorderingen. Er is dus een voortdurende onregelmatigheid gelegen in het aanhoudende uitblijven van de betaling van de hoofdvordering, gedurende de gehele periode waarin de marktdeelnemer debiteur van die verordening blijft.
37
Gelet op de overwegingen in punt 29 van het onderhavige arrest, kan rente als aan de orde in het hoofdgeding, niet worden geacht te zijn voortgekomen uit een onregelmatigheid, in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2988/95, die verschilt van die welke leidt tot de terugvordering van de steunbedragen die de hoofdvordering vormen.
38
Er zij immers aan herinnerd dat het begaan van een onregelmatigheid, in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2988/95, veronderstelt dat twee voorwaarden zijn verenigd, namelijk een handelen of nalaten van een marktdeelnemer dat het Unierecht schendt, en een benadeling, of mogelijke benadeling, van de begroting van de Unie (zie in die zin arrest van 6 oktober 2015, Firma Ernst Kollmer Fleischimport und -export, C-59/14, EU:C:2015:660, punt 24).
39
Wat de voorwaarde betreft die verband houdt met het bestaan van een schending van het Unierecht, vloeit uit artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 en uit artikel 5 bis van verordening nr. 3002/92 voort dat dezelfde schending van een bepaling van Unierecht aanleiding geeft tot zowel de invordering van de als gevolg van die schending wederrechtelijk ontvangen bedragen, als de invordering van rente over en bovenop die bedragen, welke invorderingen tezamen bijdragen tot de ontneming van het ten onrechte aan de betrokken marktdeelnemer toegekende voordeel.
40
Aangaande de voorwaarde betreffende het bestaan van (potentiële) benadeling van de begroting van de Unie, zij erop gewezen dat, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 51 en 60 van zijn conclusie, de in artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 en artikel 5 bis van verordening nr. 3002/92 voorziene rente een compenserende rente vormt, die de geactualiseerde waarde weergeeft van de ‘benadeling’, in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2988/95, tussen de datum van het ontstaan ervan en de datum van daadwerkelijke terugbetaling ervan door de betrokken marktdeelnemer.
41
Hieruit volgt dat, anders dan de Franse regering betoogt, wat een schending betreft van de bepalingen van de verordeningen nr. 3665/87 en nr. 2988/95, een onregelmatigheid, in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2988/95, aanleiding geeft tot ontneming van het ten onrechte aan de marktdeelnemer toegekende economisch voordeel, dat, overeenkomstig artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 en artikel 5 bis van verordening nr. 3002/92, bestaat in de door deze marktdeelnemer ten onrechte ontvangen bedragen, vermeerderd met de in deze artikelen voorziene rente.
42
Bijgevolg dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95 aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat een marktdeelnemer debiteur is van renteschulden als aan de orde in het hoofdgeding, geen ‘voortdurende of voortgezette onregelmatigheid’ vormt in de zin van die bepaling. Dergelijke schuldvorderingen moeten worden geacht voort te vloeien uit dezelfde onregelmatigheid, in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2988/95, als die welke aanleiding gaf tot de terugvordering van de wederrechtelijk ontvangen steunbedragen die de hoofdvordering vormen.
Derde vraag
43
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95 aldus moet worden uitgelegd dat, wat een vervolging betreft waarbij administratieve maatregelen worden getroffen die strekken tot de invordering van renteschulden als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, de in dit artikel 3, lid 1, eerste alinea, voorziene verjaringstermijn aanvangt op de datum waarop de onregelmatigheid is begaan die aanleiding geeft tot terugvordering van de onverschuldigde steunbedragen waarover deze rente wordt berekend, dan wel of deze termijn aanvangt op de dag die overeenkomt met het aanvangstijdstip van de berekening van die rente.
44
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat uit het antwoord op de tweede vraag volgt dat schuldvorderingen als die welke aan de orde zijn in het hoofdgeding moeten worden geacht voort te vloeien uit dezelfde onregelmatigheid, in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2988/95, zowel wat de hoofdvordering als wat de rente betreft.
45
Bijgevolg bedraagt, overeenkomstig artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95, de verjaringstermijn voor een vervolging die strekt tot de invordering van dergelijke schuldvorderingen, vier jaar, te rekenen vanaf de datum waarop deze onregelmatigheid werd begaan.
46
De datum waarop deze onregelmatigheid werd begaan moet worden vastgesteld aan de hand van het verloop van de feiten in het hoofdgeding.
47
Het Hof heeft immers geoordeeld dat, gelet op de in punt 38 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorwaarden waaraan voldaan moet zijn voor de vaststelling van een onregelmatigheid, de verjaringstermijn aanvangt op de dag van de gebeurtenis die zich als laatste voordoet, dat wil zeggen hetzij op de dag waarop het nadeel ontstaat, indien dit nadeel ontstaat na het handelen of nalaten dat het Unierecht schendt, hetzij op de dag van dit handelen of nalaten, indien het betrokken voordeel vóór dit handelen of nalaten is toegekend (zie in die zin arrest van 6 oktober 2015, Firma Ernst Kollmer Fleischimport und -export, C-59/14, EU:C:2015:660, punt 26).
48
In dit verband heeft het Hof gepreciseerd dat, wat exportrestituties betreft, een ‘benadeling’, in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2988/95 ontstaat op de datum waarop het besluit is genomen tot definitieve toekenning van het betrokken voordeel. Het is immers vanaf dat ogenblik dat de begroting van de Unie daadwerkelijk is benadeeld. Vóór de datum van definitieve toekenning van dat voordeel kan er geen sprake zijn van deze benadeling, omdat anders de verjaringstermijn om dat voordeel terug te vorderen al zou kunnen lopen op een ogenblik dat dit nog niet was toegekend (zie in die zin arrest van 6 oktober 2015, Firma Ernst Kollmer Fleischimport und -export, C-59/14, EU:C:2015:660, punt 32). Wat een zekerheid betreft als die waarop wordt gedoeld in artikel 5 bis van verordening nr. 3002/92, moet worden vastgesteld dat een benadeling, in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2988/95 ontstaat op de dag waarop die zekerheid wordt vrijgegeven.
49
In casu kan op basis van de chronologie van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde feiten, zoals deze in de verwijzingsbeslissing uiteen zijn gezet, niet worden vastgesteld, ten eerste, op welke datum de benadeling, in de zin van artikel 1, lid2, van verordening nr. 2988/95 is ontstaan, en, ten tweede, of die benadeling is ontstaan vóór of na het handelen of nalaten dat het Unierecht schendt.
50
Het staat hoe dan ook aan de verwijzende rechter, die beschikt over volledige kennis van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde feiten, om vast te stellen of, in casu, het betrokken voordeel definitief was toegekend vóór het handelen of nalaten dat het Unierecht schendt. Indien dit het geval is, begint de verjaringstermijn voor de vervolging die strekt tot invordering van de betrokken renteschulden, te lopen vanaf die handeling of dat nalaten. Indien daarentegen blijkt dat dat voordeel was toegekend na die handeling of dat nalaten, komt de dies a quo overeen met het tijdstip van toekenning van dat voordeel, en, bijgevolg, met het aanvangstijdstip van de berekening van die rente.
51
Gelet op het voorgaande, dient op de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95 aldus moet worden uitgelegd dat, wat een vervolging betreft waarbij administratieve maatregelen worden getroffen die strekken tot de invordering van renteschulden als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, de in dit artikel 3, lid 1, eerste alinea, voorziene verjaringstermijn aanvangt op de datum waarop de onregelmatigheid is begaan die aanleiding geeft tot terugvordering van de onverschuldigde steunbedragen waarover deze rente wordt berekend, dat wil zeggen op de datum van het constitutieve element van die onregelmatigheid — te weten ofwel de datum van het handelen of nalaten, ofwel die van de benadeling — dat het laatst voorvalt.
Vierde en de vijfde vraag
52
Met zijn vierde en vijfde vraag, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening nr. 2988/95 aldus moet worden uitgelegd dat, wat een vervolging betreft waarbij administratieve maatregelen worden getroffen die strekken tot de invordering van rente als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, de verjaring intreedt bij de afloop van de in dit artikel 3, lid 1, vierde alinea, voorziene termijn, wanneer de bevoegde autoriteit, hoewel zij binnen die termijn wel om terugbetaling heeft verzocht van de door de betrokken marktdeelnemer wederrechtelijk ontvangen steunbedragen, geen enkel besluit heeft genomen met betrekking tot deze rente.
53
Uit zowel de bewoordingen als de opzet van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 volgt dat deze bepaling in de vierde alinea ervan een absolute grens stelt aan de verjaring van de vervolging van een onregelmatigheid en dat deze verjaring hoe dan ook uiterlijk intreedt na verloop van een termijn die het dubbele bedraagt van de bij de eerste alinea van die bepaling vastgestelde verjaringstermijn indien de bevoegde autoriteit binnen deze termijn geen sanctie heeft opgelegd, behoudens in geval van schorsing van de administratieve procedure overeenkomstig artikel 6, lid 1, van deze verordening (zie in die zin arrest van 11 juni 2015, Pfeifer & Langen, C-52/14, EU:C:2015:381, punt 63).
54
Gelet op de rechtspraak van het Hof moet worden vastgesteld dat deze absolute grens ook van toepassing is op het treffen van administratieve maatregelen in de zin van artikel 4 van deze verordening (arrest van 3 september 2015, Sodiaal International, C-383/14, EU:C:2015:541, punt 33).
55
Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat voornoemde grens ertoe bijdraagt de rechtszekerheid van de marktdeelnemers te waarborgen, doordat deze termijn belet dat de verjaring van de vervolging van een onregelmatigheid oneindig kan worden uitgesteld door herhaalde handelingen die de stuiting van die termijn meebrengen (zie in die zin arrest van 11 juni 2015, Pfeifer & Langen, C-52/14, EU:C:2015:381, punt 64).
56
Derhalve leiden — behalve in de situatie waarin de administratieve procedure is geschorst overeenkomstig artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2988/95 — de door de bevoegde autoriteit verrichte onderzoekshandelingen of daden van vervolging die overeenkomstig artikel 3, lid 1, derde alinea, van deze verordening ter kennis van de betrokkene zijn gebracht, er niet toe dat de in artikel 3, lid 1, vierde alinea, van die verordening vastgestelde termijn wordt gestuit (zie in die zin arrest van 11 juni 2015, Pfeifer & Langen, C-52/14, EU:C:2015:381, punt 72).
57
Hieruit volgt dat met betrekking tot onregelmatigheden als aan de orde in het hoofdgeding, de bevoegde autoriteit gehouden is om, in elk geval binnen de in artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening nr. 2988/95 voorziene termijn, administratieve maatregelen te treffen die strekken tot terugvordering van het wederrechtelijk verkregen economisch voordeel.
58
Gelet op de overwegingen in de punten 30 en 45 van het onderhavige arrest, is die termijn zowel van toepassing op maatregelen die strekken tot invordering van de in artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 en artikel 5 bis van verordening nr. 3002/92 bedoelde bedragen, als op de maatregelen die verband houden met de in die bepalingen voorziene rente, en vangt hij aan op de datum waarop de onregelmatigheid, in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2988/87, die inbreuk maakt op de bepalingen van de verordeningen nr. 3665/87 en nr. 3002/92, is begaan.
59
Bijgevolg was, in een situatie als in het hoofdgeding, waarin de bevoegde autoriteit in eerste instantie de terugbetaling heeft gevorderd van de hoofdvorderingen, alvorens, in tweede instantie, de terugbetaling van de rente te vorderen, gesteld dat met betrekking tot die rente handelingen zijn vastgesteld die de verjaring stuiten, deze autoriteit gehouden om haar besluit inzake de terugbetaling van die rente vast te stellen binnen de in artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening nr. 2988/95 neergelegde termijn.
60
Hieruit volgt dat wanneer — zoals in het hoofdgeding — de onregelmatigheden met betrekking tot de verordeningen nr. 3665/87 en nr. 3002/92 werden begaan in de loop van de jaren 1999 respectievelijk 2000, de bevoegde autoriteit in 2003 geen besluit op grond van artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening nr. 2988/95 kon nemen met betrekking tot de ingevolge artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 en artikel 5 bis van verordening nr. 3002/92 verschuldigde rente, aangezien de vorderingen in verband met die rente — onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter — op die datum waren verjaard. Gelet op het absoluut karakter van de in artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening nr. 2988/95 gestelde grens, geldt deze conclusie ook wanneer de bevoegde autoriteit binnen de in die bepaling bedoelde termijn een besluit heeft genomen met betrekking tot de terugvordering van de bedragen die de hoofdvordering vormen.
61
Gelet op het voorgaande dient op de vierde en vijfde vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening nr. 2988/95 aldus moet worden uitgelegd dat, wat een vervolging betreft waarbij administratieve maatregelen worden getroffen die strekken tot de invordering van rente als in het hoofdgeding aan de orde, de verjaring intreedt bij de afloop van de in dit artikel 3, lid 1, vierde alinea, voorgeschreven termijn, wanneer de bevoegde autoriteit, hoewel zij binnen die termijn wel om terugbetaling heeft verzocht van de door de betrokken marktdeelnemer wederrechtelijk ontvangen steunbedragen, geen enkel besluit heeft genomen met betrekking tot deze rente.
Zesde vraag
62
Met zijn zesde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 aldus moet worden uitgelegd dat een in het nationale recht voorziene verjaringstermijn die langer is dan die welke is voorzien in artikel 3, lid 1, van deze verordening, in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding kan worden toegepast met betrekking tot de invordering van renteschulden die zijn ontstaan vóór de datum van inwerkingtreding van die termijn en die nog niet met toepassing van laatstgenoemde bepaling zijn verjaard.
63
Er zij aan herinnerd dat overeenkomstig artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 de lidstaten langere verjaringstermijnen kunnen toepassen dan de in artikel 3, lid 1, van deze verordening vastgestelde minimumtermijn van vier jaar (zie in die zin arrest van 17 september 2014, Cruz & Companhia, C-341/13, EU:C:2014:2230, punt 54).
64
In dit verband behouden de lidstaten een ruime beoordelingsbevoegdheid wat betreft de vaststelling van langere verjaringstermijnen die zij wensen toe te passen bij een onregelmatigheid die de financiële belangen van de Unie schaadt (arrest van 17 september 2014, Cruz & Companhia, C-341/13, EU:C:2014:2230, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65
Bovendien volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de lidstaten krachtens artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95, ten eerste, langere verjaringstermijnen die op het tijdstip van de vaststelling van die verordening bestonden, kunnen blijven toepassen, en, ten tweede, na dit tijdstip nieuwe verjaringsregels kunnen invoeren waarin in langere verjaringstermijnen wordt voorzien (arrest van 29 januari 2009, Josef Vosding Schlacht-, Kühl- und Zerlegebetrieb e.a., C-278/07-C-280/07, EU:C:2009:38, punt 42).
66
Wat het hoofdgeding betreft, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat er op het tijdstip waarop de betrokken onregelmatigheden werden begaan, naar nationaal recht geen verjaringsregeling bestond die kon worden toegepast in plaats van die welke was neergelegd in verordening nr. 2988/95.
67
De verwijzende rechter preciseert evenwel dat wet nr. 2008-561, waarvan de overgangsbepalingen in herinnering zijn gebracht in punt 13 van het onderhavige arrest, een nieuwe verjaringsregeling van gemeen recht heeft ingevoerd, die de termijn van die verjaring vastlegt op vijf jaar.
68
In deze omstandigheden strekt de door de verwijzende rechter gestelde vraag ertoe te vernemen of het Unierecht zich verzet tegen de toepassing van een langere verjaringstermijn, in de zin van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95, voor zover dit tot gevolg heeft dat de in beginsel op nog niet verjaarde schuldvorderingen toepasselijke verjaringstermijn, met één jaar wordt verlengd.
69
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat een langere verjaringstermijn dan die welke is vastgelegd in artikel 3, lid 1, van die verordening, enkel kan worden toegepast indien op de datum van inwerkingtreding van die termijn de betrokken schuldvorderingen niet zijn verjaard op grond van de eerste alinea van deze bepaling, noch op grond van de vierde alinea ervan, die, zoals volgt uit de punten 53 en 59 van het onderhavige arrest, een absolute grens stelt.
70
Voorts zijn de lidstaten, indien zij krachtens artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 voorzien in langere verjaringstermijnen, binnen de context van deze bepaling niet gehouden om dergelijke langere verjaringstermijnen vast te leggen in specifieke en/of sectoriële regelingen (zie in die zin arrest van 29 januari 2009, Josef Vosding Schlacht-, Kühl- und Zerlegebetrieb e.a., C-278/07-C-280/07, EU:C:2009:38, punt 46). Het staat hen eveneens vrij om wettelijke bepalingen vast te stellen die een algemene verjaringstermijn invoeren (zie in die zin arrest van 17 september 2014, Cruz & Companhia, C-341/13, EU:C:2014:2230, punten 57 en 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71
Indien krachtens artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 een langere verjaringstermijn wordt toegepast, treedt, los van de vaststelling van een handeling die de verjaring stuit, de verjaring hoe dan ook pas in uiterlijk op de dag waarop een termijn die het dubbele bedraagt van die langere verjaringstermijn afloopt.
72
Bovendien moeten die lidstaten, hoewel zij — zoals blijkt uit punt 64 van het onderhavige arrest — een ruime beoordelingsbevoegdheid behouden met betrekking tot de vaststelling van langere verjaringstermijnen, de algemene beginselen van Unierecht eerbiedigen, en met name de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid.
73
Wat het rechtszekerheidsbeginsel betreft, volgt uit de rechtspraak van het Hof op strafrechtelijk gebied dat het de lidstaten in beginsel vrijstaat om de verjaringstermijnen te verlengen wanneer de ten laste gelegde feiten nooit zijn verjaard (zie in die zin arrest van 8 september 2015, Taricco e.a., C-105/14, EU:C:2015:555, punt 57).
74
Wat het evenredigheidsbeginsel betreft, zij opgemerkt dat de toepassing van een nationale langere verjaringstermijn, als bedoeld in artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95, met het oog op de vervolging van onregelmatigheden in de zin van deze verordening niet kennelijk verder mag gaan dan nodig is voor het bereiken van het doel van bescherming van de financiële belangen van de Unie (zie in die zin arrest van 17 september 2014, Cruz & Companhia, C-341/13, EU:C:2014:2230, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aangaande een verjaringstermijn van vijf jaar, als die welke is neergelegd in artikel 2224 van het burgerlijk wetboek, in de versie die voortvloeit uit wet nr. 2008-561, zij opgemerkt dat die termijn slechts één jaar langer is dan die welke is neergelegd in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95. Derhalve gaat een dergelijke termijn niet verder dan noodzakelijk is om de nationale autoriteiten in staat te stellen onregelmatigheden die de financiële belangen van de Unie schaden, te vervolgen, en voldoet zij aan het evenredigheidsvereiste.
75
Wat meer in het bijzonder de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie betreft, staat het aan de verwijzende rechter om, gelet op het antwoord op de tweede en derde prejudiciële vraag alsmede op de overwegingen in punt 58 van het onderhavige arrest met betrekking tot het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn die van toepassing is op renteschulden als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, na te gaan of, op het tijdstip van inwerkingtreding van wet nr. 2008-561 — waarbij een verjaringstermijn van vijf jaar werd ingesteld — deze schuldvorderingen op grond van de eerste en vierde alinea van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95, waren verjaard. Indien de verjaring op dat tijdstip niet was ingetreden, dan zou, krachtens artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening nr. 2988/95 kunnen blijken dat de termijn die het dubbele bedraagt van de in die wet voorziene termijn van vijf jaar in elk geval afliep op het tijdstip waarop de bevoegde autoriteit haar besluit nam inzake de in het hoofdgeding aan de orde zijnde rente, te weten in april 2013, hetgeen evenwel aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.
76
Gelet op het voorgaande dient op de zesde vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 aldus moet worden uitgelegd dat een in het nationale recht voorziene verjaringstermijn die langer is dan die welke is voorzien in artikel 3, lid 1, van deze verordening, in een situatie als in het hoofdgeding kan worden toegepast met betrekking tot de invordering van schuldvorderingen die zijn ontstaan vóór de datum van inwerkingtreding van die termijn en die nog niet met toepassing van laatstgenoemde bepaling zijn verjaard.
Kosten
77
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 3, lid 1, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, moet aldus worden uitgelegd dat de in die bepaling voorziene verjaringstermijn van toepassing is op de invordering van renteschulden als die welke aan de orde zijn in het hoofdgeding, die verschuldigd zijn op grond van artikel 11, lid 3, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 495/97 van de Commissie van 18 maart 1997, en op grond van artikel 5 bis van verordening (EEG) nr. 3002/92 van de Commissie van 16 oktober 1992 tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen inzake de controle op het gebruik en/of de bestemming van producten uit interventie, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 770/96 van de Commissie van 26 april 1996.
- 2)
Artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95 moet aldus worden uitgelegd dat het feit dat een marktdeelnemer debiteur is van renteschulden als aan de orde in het hoofdgeding, geen‘voortdurende of voortgezette onregelmatigheid’vormt in de zin van die bepaling. Dergelijke schuldvorderingen moeten worden geacht voort te vloeien uit dezelfde onregelmatigheid, in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2988/95, als die welke aanleiding gaf tot de terugvordering van de wederrechtelijk ontvangen steunbedragen die de hoofdvordering vormen.
- 3)
Artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95 moet aldus worden uitgelegd dat, wat een vervolging betreft waarbij administratieve maatregelen worden getroffen die strekken tot de invordering van renteschulden als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, de in dit artikel 3, lid 1, eerste alinea, voorziene verjaringstermijn aanvangt op de datum waarop de onregelmatigheid is begaan die aanleiding geeft tot terugvordering van de onverschuldigde steunbedragen waarover deze rente wordt berekend, dat wil zeggen op de datum van het constitutieve element van die onregelmatigheid — te weten ofwel de datum van het handelen of nalaten, ofwel die van de benadeling — dat het laatst voorvalt.
- 4)
Artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening nr. 2988/95 moet aldus worden uitgelegd dat, wat een vervolging betreft waarbij administratieve maatregelen worden getroffen die strekken tot de invordering van rente als aan de orde in het hoofdgeding, de verjaring intreedt bij de afloop van de in dit artikel 3, lid 1, vierde alinea, voorziene termijn, wanneer de bevoegde autoriteit, hoewel zij binnen die termijn wel om terugbetaling heeft verzocht van de door de betrokken marktdeelnemer wederrechtelijk ontvangen steunbedragen, geen enkel besluit heeft genomen met betrekking tot deze rente.
- 5)
Artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 moet aldus worden uitgelegd dat een in het nationale recht voorziene verjaringstermijn die langer is dan die welke is voorzien in artikel 3, lid 1, van deze verordening, in een situatie als die welke aan de orde is in het hoofdgeding kan worden toegepast met betrekking tot de invordering van schuldvorderingen die zijn ontstaan vóór de datum van inwerkingtreding van die termijn en die nog niet met toepassing van laatstgenoemde bepaling zijn verjaard.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 02‑03‑2017
Conclusie 08‑09‑2016
M. Campos Sánchez-Bordona
Partij(en)
Zaak C-584/151.
Glencore Céréales France
tegen
Etablissement national des produits de l'agriculture et de la mer (FranceAgriMer)
[verzoek van het Tribunal administratif de Melun (bestuursrechter, Melun, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
1.
De verjaring is een van de klassieke rechtsbegrippen die de tand des tijds ongeschonden hebben doorstaan. Ongetwijfeld zei Karl Friedrich von Savigny daarom reeds in 1841 dat zij ‘een van de belangrijkste en heilzaamste rechtsinstituten’ is.2. Gezien de omstandigheden van de onderhavige zaak, zou daaraan kunnen worden toegevoegd dat zij tevens een van de rechtsbegrippen is die voor de meeste problemen bij de toepassing zorgen.
2.
Glencore Céréales France (hierna: ‘Glencore’) heeft aan de ter zake bevoegde Franse instantie een ten onrechte door haar ontvangen exportsteun moeten terugbetalen. Toen deze instantie later de betaling van de rente over het terugbetaalde bedrag van haar vorderde, heeft Glencore zich op verjaring beroepen, na met name te hebben aangevoerd dat het rentebedrag niet in de vordering tot terugbetaling van de hoofdschuld was opgenomen.
3.
Aangezien de exportsteun uit Europese fondsen afkomstig was, heeft het geding betrekking op de financiële belangen van de Unie, voorwerp van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/953., de horizontale regeling inzake fraudebestrijding. De prejudiciële verwijzing biedt het Hof de mogelijkheid de reeds omvangrijke rechtspraak over andere aspecten van deze verordening nader uit te werken, thans met betrekking tot de renteschuld.
I — Toepasselijke bepalingen
A — Unierecht
1. Verordening nr. 2988/95
4.
De vierde en vijfde overweging luiden:
‘Overwegende dat voor een doeltreffende bestrijding van deze fraude [de fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschappen worden geschaad] een gemeenschappelijk juridisch kader voor alle communautaire beleidsgebieden dient te worden geschapen;
Overwegende dat de gedragingen die als onregelmatigheden worden aangemerkt, evenals de administratieve maatregelen en sanctie[s] die erop van toepassing zijn, overeenkomstig deze verordening in sectoriële regelingen worden bepaald.’
5.
De negende overweging luidt:
‘Overwegende dat de communautaire maatregelen en sancties die zijn ingesteld in het kader van de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, een integrerend bestanddeel uitmaken van de steunregelingen; dat zij een eigen doel hebben […]; dat hun doeltreffendheid moet worden verzekerd door de onmiddellijke rechtskracht van de communautaire norm […]’
6.
Artikel 1, ‘Algemene beginselen’, bepaalt:
- ‘1.
Met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de [Unie] wordt een algemene regeling inzake […] administratieve maatregelen en sancties met betrekking tot onregelmatigheden ten aanzien van het [Unie]recht aangenomen.
- 2.
Onder onregelmatigheid wordt elke inbreuk op het [Unie]recht verstaan die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de [Unie] of de door de [Unie] beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de [Unie] worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave.’
7.
In artikel 3 wordt bepaald:
- ‘1.
De verjaringstermijn van de vervolging bedraagt vier jaar vanaf de datum waarop de in artikel 1, lid 1, bedoelde onregelmatigheid is begaan. […]
Voor voortdurende of voortgezette onregelmatigheden gaat de verjaringstermijn in op de dag waarop de onregelmatigheid is geëindigd. […]
De verjaring van de vervolging wordt gestuit door elke onderzoekshandeling of daad van vervolging van de onregelmatigheid door de bevoegde autoriteit, mits deze de betrokkene ter kennis is gebracht. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan.
De verjaring treedt echter in ieder geval in na verloop van een termijn die het dubbele bedraagt van de verjaringstermijn indien de bevoegde autoriteit binnen deze termijn geen sanctie heeft opgelegd, behoudens in geval van schorsing van de administratieve procedure overeenkomstig artikel 6, lid 1.
- 2.
Het recht tot uitvoering van het besluit waarbij een administratieve sanctie wordt opgelegd, vervalt na drie jaar. […]
De stuiting en de schorsing van deze termijn worden door het toepasselijke nationale recht geregeld.
- 3.
Het staat de lidstaten vrij langere termijnen toe te passen dan de in de leden 1 en 2 bepaalde.’
8.
Artikel 4 luidt:
- ‘1.
Iedere onregelmatigheid leidt in de regel tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel:
- —
door de verplichting de verschuldigde bedragen te betalen of de wederrechtelijk geïnde bedragen terug te betalen;
[…]
- 2.
De toepassing van de in lid 1 bedoelde maatregelen wordt beperkt tot de ontneming van het verkregen voordeel, vermeerderd met de rente — die forfaitair kan worden vastgesteld — in geval van een daartoe strekkende bepaling.
[…]’
2. Sectorale regeling
a) Restituties bij uitvoer van landbouwproducten
9.
Verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten4. is ingetrokken bij verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 19995., maar in haar bij verordening nr. 495/976. gewijzigde versie, ratione temporis van toepassing op het hoofdgeding.
10.
Artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 bepaalt:
‘[…] de begunstigde [is] verplicht, indien een restitutie ten onrechte is betaald, de ten onrechte ontvangen bedragen terug te betalen, waaronder begrepen de overeenkomstig lid 1, eerste alinea, geldende sanctiebedragen, vermeerderd met een rente over het tussen de betaling en de terugbetaling verstreken tijdvak. Indien evenwel:
[…]
- b)
de zekerheid reeds is vrijgegeven, betaalt de begunstigde het bedrag van de zekerheid die zou zijn verbeurd, vermeerderd met de rente over de periode vanaf het vrijgeven van de zekerheid tot en met de dag voorafgaande aan die van de betaling.
[…]’
b) Controle van onder de interventieregeling geplaatste producten
11.
Hoewel verordening (EEG) nr. 3002/92 van de Commissie van 16 oktober 1992 tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen inzake de controle op het gebruik en/of de bestemming van producten uit interventie7. is ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 1130/2009 van de Commissie van november 20098., met dezelfde naam, blijft zij ratione temporis van toepassing op de feiten van het hoofdgeding in de versie zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 770/96 van de Commissie van 26 april 1996.9.
12.
Artikel 5 bis, lid 1, van verordening (EG) nr. 3002/92 bepaalt:
- ‘1.
Wanneer, na volledige of gedeeltelijke vrijgave van de in artikel 5 bedoelde zekerheid, wordt vastgesteld dat de producten geheel of gedeeltelijk niet voor het voorgeschreven gebruik zijn aangewend en/of niet de voorgeschreven bestemming hebben gekregen, eist de bevoegde autoriteit van de lidstaat […] van de betrokken handelaar een bedrag dat gelijk is aan de zekerheid die verbeurd zou zijn indien met de tekortkoming rekening was gehouden vóór de vrijgave van de zekerheid. Dit bedrag wordt verhoogd met rente, berekend vanaf de datum van vrijgave tot de dag vóór de datum van betaling.
Ontvangst van het in de vorige alinea bedoelde bedrag door de bevoegde autoriteit staat gelijk met teruggave van de onterecht toegekende economische voordelen.’
B — Frans burgerlijk recht
13.
Bij wet nr. 2008-561 van 17 juni 200810. is een nieuwe verjaringsregeling van gemeen recht ingevoerd, opgenomen in artikel 2224 van het burgerlijke wetboek, dat bepaalt:
‘Persoonlijke rechtsvorderingen of rechtsvorderingen betreffende rechten op onroerende zaken verjaren vijf jaar na de dag waarop de rechthebbende de feiten die zijn recht deden ontstaan kende of had behoren te kennen.’
II — Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
14.
Op 26 mei 1999 heeft de vennootschap Glencore Céréales France een certificaat verkregen voor de uitvoer van 3 300 ton brouwgerst in bulk met communautaire restituties.
15.
Naar aanleiding van bij een douanecontrole gebleken onregelmatigheden bij het laden van het graan aan boord van de exportschepen, heeft het Office national interprofessionnel des céréales11. een betalingsbevel tegen Glencore uitgegeven voor een bedrag van 93 933,85 EUR, dat haar op 25 februari 2004 is betekend.12.
16.
Van mei tot september 2000 heeft Glencore uitvoeraangiften ingediend voor een hoeveelheid van 43 630,130 ton zachte tarwe uit interventie.
17.
Wegens door de douane geconstateerde onregelmatigheden bij de bewaring van het graan vóór uitvoer, heeft het Office national interprofessionnel des céréales op 30 november 2005 drie betalingsbevelen uitgegeven voor respectievelijk 113 685,40 EUR, 22 285,60 EUR en 934 598,28 EUR, die bij brief van 5 januari 2006 aan Glencore zijn betekend.
18.
Nadat Glencore de betalingsbevelen voor de terugbetaling van de ten onrechte door haar ontvangen communautaire steun tevergeefs in rechte had betwist, heeft zij de gevorderde bedragen betaald, op 6 april 2010 (de bedragen betreffende de uitvoer van de gerst) en op 27 september 2010 (die betreffende de uitvoer van de tarwe).
19.
Op 16 april 2013 heeft FranceAgriMer13. Glencore verzocht om betaling van een bedrag van 289 569,05 EUR aan rente over de ten onrechte ontvangen steun.14. Bij die beslissing was een nieuw betalingsbevel van 12 april 2013 voor hetzelfde bedrag gevoegd, dat haar bij brief van 16 april 2013 is betekend.
20.
Glencore heeft bij de verwijzende rechter beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beslissingen van 16 april 2013 alsmede van het betalingsbevel van 12 april 2013, op grond dat, voor zover relevant voor het Unierecht, de rente krachtens artikel 3, lid 1, eerste en vierde alinea, van verordening nr. 2988/95 is verjaard.
III — Prejudiciële vragen
21.
Aangezien uitlegging moet worden gegeven aan artikel 3 van verordening nr. 2988/95, heeft het Tribunal administratif de Melun (bestuursrechter in eerste aanleg, Melun) besloten het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
- ‘1)
Kan uit de bewoordingen van het arrest van 9 maart 2012, zaak C-564/10, […] Pfeifer & Langen […], worden afgeleid dat artikel 3 van verordening nr. 2988/95, waarbij de Unierechtelijke verjaringsregeling is vastgesteld, toepasselijk is op maatregelen die strekken tot betaling van de krachtens artikel 52 van verordening […] nr. 800/1999 en artikel 5 bis van verordening […] nr. 770/96 verschuldigde rente?
- 2)
Moet de rentevordering worden geacht uit haar aard voort te vloeien uit een ‘voortdurende of voortgezette’ onregelmatigheid, die eindigt met de voldoening van de hoofdvordering, zodat tot die dag het tijdstip van aanvang van de desbetreffende verjaring wordt uitgesteld?
- 3)
Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, moet dan het tijdstip van aanvang van de verjaring worden vastgesteld op de dag waarop de onregelmatigheid is begaan waaruit de hoofdvordering voortvloeit, of kan het alleen worden vastgesteld op de dag van de betaling van de steun of de vrijgave van de zekerheid die overeenkomt met het tijdstip van aanvang van de aanrekening van deze rente?
- 4)
Moet voor de toepassing van de bij verordening nr. 2988/95 vastgestelde verjaringsregels elke handeling die de verjaring stuit wat de hoofdvordering betreft, worden geacht ook de verjaring voor de rente te stuiten, ook al wordt van de rente geen melding gemaakt in de handelingen die de verjaring van de hoofdvordering stuiten?
- 5)
Treedt de verjaring in doordat de bij artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening nr. 2988/95 vastgestelde maximumtermijn wordt bereikt indien het betaalorgaan binnen die termijn verzoekt om terugbetaling van de onverschuldigd betaalde steun zonder tegelijk de betaling van de rente te vragen?
- 6)
Kon de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van vijf jaar, die in het nationale recht bij wet nr. 2008-561 van 17 juni 2008 in artikel 2224 van de Code civil is ingevoerd, voor de op de dag van de inwerkingtreding van deze wet nog niet ingetreden verjaringen in de plaats komen van de verjaringstermijn van vier jaar in de zin van verordening nr. 2988/95 krachtens de afwijking in artikel 3, lid 3, van deze verordening?’
IV — Procesverloop voor het Hof
22.
De verwijzingsbeslissing is bij de griffie van het Hof ingekomen op 11 november 2015.
23.
Glencore, de Franse regering en de Europese Commissie hebben binnen de termijn van artikel 23, tweede alinea, van het Statuut van het Hof schriftelijke opmerkingen ingediend en deelgenomen aan de mondelinge behandeling op 9 juni 2016.
V — Beoordeling
A — Opmerkingen vooraf
24.
Voor een goed begrip van de (niet al te gelukkige) formulering van de sleutelbepaling van dit geding, artikel 3 van verordening nr. 2988/95, acht ik een precisering vooraf dienstig. Het gebruik van de woorden ‘verjaringstermijn van de vervolging’15. in de eerste alinea van lid 1 van deze bepaling kan aanleiding geven tot misverstand. Anders dan het mag lijken, gaat het niet om een verjaringstermijn van de ‘vervolging’ als zodanig16., maar om de termijn voor de uitoefening van het recht (in dit geval van de overheid) om de onverschuldigd aan de begunstigde vennootschap uitgekeerde steun uit de Europese fondsen terug te vorderen.
25.
De bevrijdende verjaring is — het zij ten overvloede vermeld — een wijze van tenietgaan van rechten (of, zo men wil, van rechtsvorderingen, die slechts de procedurele transpositie van rechten zijn) als gevolg van de passiviteit van de houder ervan gedurende een bepaalde periode. Bij artikel 3 van verordening nr. 2988/95 wordt de overheid voor de terugvordering van de door de marktdeelnemer wederrechtelijk geïnde bedragen, een termijn gesteld van maximaal vier jaar (die kan worden gestuit), vanaf de dag waarop de onregelmatigheid is begaan. Het is, ik herhaal het nog eens, nu juist het recht om die terugbetaling te vorderen dat tenietgaat wanneer het gedurende vier jaar ongebruikt is gebleven.
26.
Een tweede opmerking is evenzeer geïndiceerd. In die vier jaar waarover de overheid beschikt om tegen de vermeend begane onregelmatigheid op te komen, kan haar optreden a) de termijn stuiten door een onderzoekshandeling die de verrichtingen waarop de verdenkingen van onregelmatigheden betrekking hebben voldoende nauwkeurig omschrijft17., met een termijn van uiterlijk acht jaar voor het nemen van een beslissing18., of b) leiden tot een besluit of een beslissing houdende vaststelling van een administratieve maatregel in de zin van artikel 4 of een sanctie als bedoeld in artikel 5 van verordening nr. 2988/95.
27.
Mijn derde en laatste inleidende opmerking betreft een feit dat ter terechtzitting is besproken en dat, hoewel het niet uit de verwijzingsbeslissing blijkt, relevant kan zijn voor de beslechting van dit geding: de Franse regering heeft onomwonden erkend dat het tot 2010 vaste praktijk van haar instanties was geen rente te vorderen in de gevallen van terugvordering van gemeenschapssteun op die gronden.19.
B — Eerste prejudiciële vraag
1. Opmerkingen van partijen
28.
De drie partijen die opmerkingen hebben ingediend geven unaniem in overweging de eerste prejudiciële vraag bevestigend te beantwoorden.
29.
Glencore en de Franse regering zijn van mening dat het Hof in het arrest Pfeifer & Langen20. impliciet maar noodzakelijkerwijze21. heeft bepaald, dat wanneer rente verschuldigd is op grond van twee Unierechtelijke bepalingen22., de verjaringstermijn van verordening nr. 2988/95 geldt voor de invordering van de op de hoofdvordering vallende rente.
30.
Volgens de Commissie blijkt uit artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2988/95 dat de invordering van rente een van de administratieve maatregelen is ter vervolging van een onregelmatigheid. De betaling ervan is uitdrukkelijk voorzien in het afgeleide Unierecht en heeft gevolgen voor de financiële belangen van de Unie.
31.
Voorts betoogt de Commissie dat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 voorziet in een minimumharmonisatie, om ervoor te zorgen dat de maatregelen ter bescherming van de financiële belangen van de Unie niet aan kortere dan de daarin voorziene verjaringstermijnen worden onderworpen.
2. Beoordeling
32.
De verwijzende rechter vraagt het Hof of het arrest Pfeifer & Langen I a contrario kan worden uitgelegd.23. Indien dit het geval is, verzoekt hij om een antwoord op de overige vragen, aangezien de rente in het hoofdgeding verschuldigd is op grond van een sectorale regeling van het Unierecht.
33.
In het arrest Pfeifer & Langen I heeft het Hof in wezen verklaard dat verordening nr. 2988/95 niet van toepassing was, aangezien de rente in die zaak niet op grond van een regel van Unierecht maar van nationaalrechtelijke bepalingen verschuldigd was. Het is derhalve logisch en verstandig dat de verwijzende rechter wil weten of hij uit dat arrest a contrario kan afleiden dat de genoemde verordening van toepassing is.
34.
Ik ben het met de partijen in deze procedure eens dat de door de verwijzende rechter voorgestelde gevolgtrekking juist is.
35.
Deze conclusie wordt enerzijds bevestigd door artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2988/95 (de intrekking van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan in voorkomend geval worden vermeerderd met de rente) en anderzijds door het arrest Pfeifer & Langen I, waar het verwijst naar het eventuele bestaan van een sectorale regeling van de Unie die voorziet in de invordering van rente.24. Op die rente is de regeling van artikel 3, lid 1, van die verordening van toepassing. Vanuit systematisch oogpunt, heeft dit arrest bovendien duidelijk25. gemaakt dat de verjaringsregeling van artikel 3 geen toepassing kan vinden op de rente die op grond van het nationale recht en niet van een sectorale regeling van de Unie verschuldigd is.
36.
De ratio decidendi van het arrest Pfeifer & Langen I bevat aldus aanwijzingen waaruit het standpunt van het Hof duidelijk wordt: indien er een sectorale regeling van de Unie bestaat op grond waarvan rente moet worden ingevorderd (bij de terugbetaling van de door de marktdeelnemers wederrechtelijk ten laste van de Uniebegroting geïnde bedragen), zijn in beginsel de verjaringsregels van artikel 3 van verordening nr. 2988/95 van toepassing.
37.
Dit uitgangspunt toepassend op het hoofdgeding en rekening houdend met het feit dat artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 en artikel 5 bis van verordening nr. 3002/92 voorzien in de invordering van rente (in het kader van de regeling van uitvoerrestituties voor landbouwproducten uit interventie, respectievelijk de controle op het gebruik of de bestemming van de producten uit interventie), zonder dat in een van beide bepalingen specifieke verjaringsregels zijn opgenomen, is die invordering onderworpen aan de algemene of horizontale regeling, namelijk artikel 3 van verordening nr. 2988/95.
38.
Ik geef derhalve in overweging de eerste vraag aldus te beantwoorden dat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 van toepassing is op de invordering van de rente die verschuldigd is op grond van de krachtens artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 en artikel 5 bis van verordening nr. 3002/92 genomen maatregelen.
C — Tweede tot en met vijfde prejudiciële vraag
1. Interpretatie van de vragen
39.
Met zijn tweede tot en met zijn vijfde vraag, die gezamenlijk kunnen worden beantwoord, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen hoe de verjaring van artikel 3 van verordening nr. 2988/95 moet worden toegepast op de invordering van de rente op de wederrechtelijk geïnde bedragen in het kader van het stelsel van uitvoerrestituties en de interventieregeling voor landbouwproducten.
40.
De vragen nemen voor een groot deel door partijen voor de verwijzende rechter gemaakte opmerkingen over en richten zich vooral op de dies a quo voor de verjaring26. en de gevolgen die het feit dat de vorderingen tot terugbetaling geen vermelding van de rente bevatten, kan hebben voor de verjaringstermijnen (zowel de algemene van artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95 als de bijzondere van de vierde alinea ervan) 27..
2. Opmerkingen van partijen
41.
Wat de dies a quo betreft, meent Glencore dat, aangezien de renteschuld accessoir is aan de hoofdschuld, de rentevordering niet voortvloeit uit een voortdurende of voortgezette onregelmatigheid in de zin van artikel 3, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2988/95, in het licht van de rechtspraak over dit begrip.28. Voorts zou volgens haar de aanvang van de verjaringstermijn samenvallen hetzij met de dag waarop de onregelmatigheid is begaan hetzij met de dag waarop de rente is beginnen te lopen, maar in geen geval met de datum waarop deze wordt vastgesteld noch met die waarop de schuld wordt teruggevorderd.29.
42.
Met betrekking tot het ontbreken van een verwijzing naar de rente in de vorderingen tot terugbetaling, voert Glencore aan dat de handeling waarbij om de terugbetaling van de hoofdschuld werd verzocht, niet de door de rechtspraak vereiste nauwkeurigheid bezit30. en dat het in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel aan te nemen dat zij de rente omvatte, daar zij deze immers niet vermeldde. In elk geval zouden in het hoofdgeding de met de rentevordering verband houdende schulden reeds zijn verjaard door het verstrijken van de termijn van vier jaar vanaf de instelling van de vorderingen tot de terugbetaling van de hoofdschulden.
43.
De kwestie van de bijzondere verjaringstermijn van acht jaar, zou volgens Glencore zijn opgelost door het arrest Sodiaal International31., waarin het Hof heeft bevestigd dat de uiterste termijn van artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening nr. 2988/95 ook van toepassing is op een maatregel in de zin van artikel 4 van deze verordening, voor zover dit is bepaald in een sectorale regeling van de Unie. Het feit dat de rente niet in de terugvorderingen van de wederrechtelijk geïnde bedragen was vermeld zou ertoe hebben geleid dat de bijzondere verjaringstermijn was verstreken toen FranceAgriMer deze tardief vorderde.
44.
De Franse regering stelt dat, wegens het accessoire karakter van de rente ten opzichte van de hoofdschuld en het feit dat zij haar oorzaak vindt in de niet-betaling van de hoofdschuld, de verjaringstermijn van een renteschuld aanvangt wanneer de hoofdschuld wordt betaald. Bovendien zou de renteschuld, doordat zij gedurende de gehele periode van niet-betaling van de hoofdschuld effect blijft sorteren, een ‘voortgezette onregelmatigheid’ zijn in de zin van verordening nr. 2988/95.
45.
Zij betoogt dat de aanvangsdatum van de verjaring van de renteschuld niet samenvalt met die van de hoofdschuld, aangezien op dat moment nog geen rente vervalt. Zij betwist voorts met betrekking tot de onlosmakelijke verbondenheid van beide schulden, dat een beroep kan worden gedaan op het arrest Pfeifer & Langen II, waarvan punt 51 louter betrekking had op het accessoire karakter van de renteschuld in het geval dat de hoofdschuld, anders dan in casu, is verjaard.
46.
Indien het Hof ervoor zou kiezen de renteschuld niet los te koppelen van de onregelmatigheid die de hoofdschuld heeft doen ontstaan, geeft de Franse regering in overweging, de eerste te beschouwen als een vorm van administratieve boetebeslissing ter borging van de hoofdschuld. Overeenkomstig artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2988/95, waarin een verjaringstermijn van drie jaar vanaf de dag waarop het besluit definitief is geworden, is voorgeschreven voor de uitvoering van het besluit waarbij een administratieve sanctie wordt opgelegd, en aangezien Glencore eerst de twee onderhavige beslissingen bij de rechter heeft betwist en de schuld vervolgens heeft betaald, is de verjaringstermijn voor de rente vanaf die betaling gaan lopen.
47.
In het licht van dit laatste criterium is volgens de Franse regering het ontbreken van een verwijzing naar de renteschuld in de terugvordering van de hoofdschuld irrelevant, aangezien de verjaringstermijn van de renteschuld in dit geding niet volledig was verstreken.
48.
Volgens de Commissie ziet artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 op de verjaring van de vervolgingsmaatregelen die zijn genomen om de onregelmatigheid te redresseren, maar ondanks het feit dat de renteschuld accessoir is, is zij toch het voorwerp van een vordering die losstaat van de hoofdvordering. Aangezien voorts artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 bepaalt dat de rente wordt berekend over het tussen de betaling van het ten onrechte ontvangen bedrag en de terugbetaling verstreken tijdvak, kan de renteschuld slechts daadwerkelijk worden gevorderd vanaf het ogenblik waarop de bevoegde autoriteit de terugbetaling van de door de ondernemer verschuldigde hoofdsom heeft ontvangen.
49.
De Commissie is het eens met het argument van de Franse regering over het voortdurende karakter van de renteschuld. En zij merkt op dat de uiterste verjaringstermijn van artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening nr. 2988/95 in casu niet was verstreken, aangezien deze was beginnen te lopen vanaf de betaling van de hoofdschulden.32.
50.
Voor het geval dat het Hof zou menen dat er geen sprake is van een voortdurende onregelmatigheid van de renteschuld, benadrukt de Commissie het accessoire karakter ervan ten opzichte van de hoofdschuld, hetgeen zou rechtvaardigen dat de stuiting van de verjaring door de inleiding van de procedure in rechte ter invordering van de hoofdschuld, ook de stuiting van de verjaring van de rentevordering tot gevolg zou hebben.
3. Beoordeling
a) De rente en de verjaring ervan volgens verordening nr. 2988/95
51.
In het kader van verordening nr. 2988/95 is de rentevordering geen sanctie33. en heeft zij een tweeledig doel: enerzijds, de staat, die niet over het verschuldigde bedrag heeft kunnen beschikken, compenseren, aangezien die rente de geactualiseerde waarde is van het ten onrechte door de ondernemer ontvangen bedrag; anderzijds, elk voordeel tenietdoen dat die ondernemer zou kunnen hebben genoten als ontvanger van te veel betaalde steunbedragen, indien geen rente zou worden geheven over dergelijke te veel betaalde bedragen.34.
52.
Met betrekking tot het rechtskarakter van de renteschuld, heeft het Hof in het arrest Pfeifer & Langen I geoordeeld, dat zij accessoir is aan de terugvordering van de wederrechtelijk geïnde bedragen (de hoofdsom).35. Bovendien moet op een tweede specifiek kenmerk worden gewezen, namelijk dat zij een wettelijke grondslag heeft wanneer de invordering van rente is voorzien in een sectorale regeling van de Unie (in tegenstelling tot de gemeenrechtelijke rentevorderingen). Zoals ik heb uiteengezet, voorzien artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 en artikel 5 bis van verordening nr. 3002/92 in casu uitdrukkelijk in de invordering van rente.
53.
Deze verplichting, van accessoire aard en met een wettelijke grondslag, heeft een tweeledig gevolg: a) zij verplicht de nationale overheid rente te vorderen, al moet zij voor de juiste berekening ervan wachten tot het ten onrechte verkregen bedrag is terugbetaald (daartoe hoeft dat bedrag slechts te worden vermenigvuldigd met het geldende rentetarief en voor de tijd die is verstreken tussen betaling en terugbetaling); en b) zij verschaft rechtszekerheid aan de frauduleuze ondernemer, die er van tevoren van op de hoogte is dat hij tot de betaling ervan is gehouden.
54.
Gezien het doel van de invordering van rente en de juridische kenmerken ervan, loopt de verjaring van de rentevordering parallel aan de hoofdvordering waaraan zij ondergeschikt is, dit wil zeggen, de terugbetaling van het ten onrechte door de fraudeur ontvangen bedrag.
55.
Het begrip accessoriteit vindt echter een begrenzing in de verjaringsregeling van verordening nr. 2988/95, waarop ik reeds thans wil wijzen, zonder vooruit te lopen op de verdere uitwerking ervan in het kader van het antwoord op de vijfde prejudiciële vraag. Indien, zoals in casu het geval is, de overheid aanvankelijk slechts de vordering tot terugbetaling van de hoofdsom instelt, kan de renteschuld worden losgekoppeld en een bepaalde autonomie verkrijgen waar het haar verjaring betreft.36. De beslissingen of maatregelen strekkende tot terugbetaling van de hoofdsom, zijn onderworpen aan de termijn van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2988/9537. (of de relevante termijn van het nationale recht), terwijl voor de inning van rente, wanneer zulks niet specifiek is gevorderd, de bijzondere verjaringstermijn geldt van artikel 3, lid 1, vierde alinea, van deze verordening.
56.
De toepassing van deze bijzondere maximumtermijn op de rentevordering is gerechtvaardigd omdat een dergelijke termijn een absoluut karakter heeft, dit wil zeggen geldt, ongeacht welke acties zijn ingesteld, ook handelingen die de verjaring hebben gestuit. Wanneer die handelingen na acht jaar vanaf het ontstaan van de renteschuld niet hebben geleid tot een maatregel of sanctie38., is volgens de regel de rentevordering eo ipso verjaard.39.
b) De dies a quo: voortgezette of eenmalige onregelmatigheid?
57.
De vraag van de verwijzende rechter (vloeit de rentevordering voort uit een voortdurende of voortgezette onregelmatigheid) lijkt een logische in deze fase van het onderzoek, aangezien bij een bevestigende beantwoording ervan artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95 van toepassing is, waarbij de dies a quo voor de verjaringstermijn is vastgesteld op het tijdstip waarop de onregelmatigheid is geëindigd. Indien deze stelling zou worden aanvaard, zou de rentevordering in casu niet zijn verjaard.
58.
Naar mijn mening kan de niet-betaling van de rente echter niet als voortdurende of voortgezette onregelmatigheid worden aangemerkt. Volgens de rechtspraak van het Hof wordt onder ‘voortdurende of voortgezette onregelmatigheid’ in de zin van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95 verstaan, de onregelmatigheid die is begaan door een ondernemer die economische voordelen haalt uit een geheel van soortgelijke handelingen die inbreuk maken op dezelfde bepaling van het recht van de Unie.40.
59.
Op basis van dit uitgangspunt zijn er verschillende redenen die pleiten voor een negatief antwoord op de vraag. In de eerste plaats vloeit de renteschuld niet rechtstreeks voort uit de schending van een Unierechtelijke bepaling. De in artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95 bedoelde onregelmatigheden zijn van materiële aard, dit wil zeggen, zij veronderstellen evenzovele (in de tijd voortdurende of voortgezette) schendingen van de materiële steunregeling. Door het begaan van deze materiële schendingen, waardoor de frauduleuze ondernemer wederrechtelijk een economisch voordeel behaalt, ontstaat de plicht tot terugbetaling van de hoofdsom en de rente, maar de niet-betaling van deze laatste vormt op zichzelf geen nieuwe schending of onregelmatigheid.
60.
Al zou, in de tweede plaats, de niet-betaling van de hoofdsom en de rente als een niet-nakoming van een wettelijke verplichting worden beschouwd, feit blijft dat de door de frauduleuze ondernemer verkregen economische voordelen niet voortvloeien uit een ‘geheel van soortgelijke handelingen’, aangezien de renteschuld niet het resultaat is van verschillende handelingen. De dagelijkse toename ervan door de in de tijd voortdurende niet-betaling vloeit zoals ik reeds heb opgemerkt voort uit het feit dat zij dient ter compensatie van het verlies aan nominale waarde van het door de frauduleuze ondernemer ontvangen bedrag, dat dagelijks moet worden aangepast. Dit zich ontwikkelend berekeningsproces impliceert niet dat de ondernemer dag in dag uit dezelfde Unierechtelijke bepaling schendt, door een soortgelijke handeling te verrichten als de dag ervoor.
61.
Nu de stelling met betrekking tot de voortgezette of voortdurende onregelmatigheid is verworpen, is de vraag: vanaf welk tijdstip begint de verjaringstermijn voor de rentevordering van de overheid te lopen? Het Hof heeft gepreciseerd dat de verjaringstermijn bij een eenmalige begane onregelmatigheid (zoals die in de onderhavige zaak) begint te lopen wanneer een handelen of nalaten van een marktdeelnemer dat het Unierecht schendt en een daadwerkelijke of mogelijke benadeling van de begroting van de Unie zijn verenigd.41. Als logisch gevolg hiervan gaat volgens deze uitspraak de verjaringstermijn in op het ogenblik waarop zowel het Unierecht is geschonden, als de benadeling van de begroting van de Unie zich heeft voorgedaan.42.
62.
De dies a quo hoeft volgens het Hof niet samen te vallen met de datum waarop de Commissie (of in dit geval de bevoegde nationale autoriteit) de fout heeft ontdekt43., maar met de dag waarop de onregelmatigheid is begaan.
63.
Uit de uiteenzetting van de feiten van het geding blijkt niet duidelijk of de betaling van de uitvoerrestitutie voor gerst en de exportsteun voor graan vóór of na de schendingen hebben plaatsgevonden. De dies a quo voor de verjaringstermijn van de renteschuld is hetzij de dag waarop de schending is begaan (indien deze na die van de betaling van de restitutie of de steun ligt) hetzij die van de betaling (indien deze dateert van na de materiële schending), daar de onregelmatigheid slechts op een van die tijdstippen is begaan.44.
64.
Mijns inziens is de vrijgave van de zekerheid (waarnaar de verwijzende rechter in zijn derde vraag verwijst) niet relevant voor de vaststelling van de aanvang van de termijn voor de rentevordering. Zoals blijkt uit artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 ‘is de begunstigde verplicht […] de ten onrechte ontvangen bedragen terug te betalen […] vermeerderd met een rente over het tussen de betaling en de terugbetaling verstreken tijdvak’. Deze bepaling bevat echter onder b) ook een bijzondere berekeningsregel, maar daarmee wordt geen nieuwe dies a quo ingevoerd: het betreft louter een criterium voor de rentebepaling in de gevallen waarin zekerheid is gesteld.45.
65.
Wanneer dus elk van de onregelmatigheden is ingetreden, beginnen de termijnen van de terugvordering van de hoofdschuld en die van de verjaring van de rentevordering te lopen, zonder dat in casu sprake is van een voortgezette of voortdurende onregelmatigheid in de zin van artikel 3, lid 1, tweede alinea van verordening nr. 2988/95.
c) Ontbreken van de rentevordering
66.
De verwijzende rechter wenst te vernemen welke invloed de niet-vermelding van de rente in de terugvordering van de hoofdschuld heeft op de verjaringstermijn. De vierde en de vijfde prejudiciële vraag zijn vanuit dit oogpunt zowel gericht op de termijn van artikel 3, lid 1, eerste alinea (‘algemene termijn’ van vier jaar of meer, indien dit in het nationale recht is voorzien) van verordening nr. 2988/95 als op de vierde alinea ervan (‘bijzondere termijn’ van acht jaar).
67.
De algemene termijn heeft tot doel de rechtszekerheid van de marktdeelnemers te verzekeren46., zodat zij kunnen uitmaken welke van hun verrichtingen definitief zijn geworden en welke nog het voorwerp kunnen uitmaken van een vordering.47. Mijns inziens verzet niets zich tegen de toepassing van deze rechtspraak op de bijzondere termijn, aangezien daarbij een absoluut maximum wordt ingevoerd, dat tot een grotere rechtszekerheid leidt.
68.
De vordering van de rente over een schuld ter zake van ten onrechte uit de Uniebegroting ontvangen steun is in beginsel onderworpen aan de algemene termijn en de daarvoor geldende rechtsregeling. De verjaring is derhalve vatbaar voor de eventuele in artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95 bedoelde stuitingen, met als gevolg dat na elke stuiting een nieuwe termijn van vier jaar gaat lopen.
69.
In de onderhavige zaak hebben de Franse douaneautoriteiten volgens de uiteenzetting van de feiten in de verwijzingsbeslissing, inspecties verricht, in 2001 (met betrekking tot de gerst) en in 2003 (met betrekking tot de zachte tarwe). Indien deze inspecties voldeden aan de gestelde voorwaarden (voorafgegaan zijn door de vereiste kennisgevingen, voldoende nauwkeurig zijn om de respectievelijke onregelmatigheden te onderzoeken en niet louter van algemene aard zijn)48., hetgeen door de verwijzende rechter moet worden nagegaan, zouden zij als ‘vervolging’ in de zin van artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95 kunnen worden aangemerkt. En aangezien beide inspecties binnen de algemene verjaringstermijn zijn verricht, hebben zij deze zowel met betrekking tot de terugbetaling van de schuld als tot de betaling van de rente gestuit, als gevolg van het accessoire karakter van de rente ten opzichte van de hoofdsom.
70.
Door de uitgifte van de betalingsbevelen van 2004 (voor de gerst) en 2005 (voor de zachte tarwe) zou de termijn opnieuw zijn gestuit krachtens artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95. Men zou zich gezien de aard van die betalingsbevelen, kunnen afvragen of wellicht alleen de verjaring van de terugvordering van de hoofdsom was gestuit, daar die bevelen de rente niet vermeldden. Maar die discussie zou hoe dan ook irrelevant zijn, aangezien nooit een beslissing over de rente is genomen binnen de termijn van acht jaar (te rekenen vanaf het begaan van de onregelmatigheid), het absolute maximum van artikel 3, lid 1, vierde alinea, zoals ik in de voorgaande punten van deze conclusie heb uiteengezet.
71.
Het uitgangspunt dat de vorderingen moeten worden ingesteld op straffe van verjaring geldt onverkort voor de overheid, al hebben haar rechten of verplichtingen een wettelijke basis. Nationale autoriteiten die, zoals in het hoofdgeding, gedurende meer dan acht jaar niet aan hun plicht hebben voldaan om de voldoening van de rente te vorderen, kunnen deze daarna niet sine die vorderen tegen het absolute karakter van de bijzondere termijn van artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening nr. 2988/95 in. Dat resultaat zou niet alleen de rechtszekerheid van de ondernemers aantasten maar ook het door de wetgever in die verordening bewerkstelligde evenwicht tussen de bescherming van de financiële belangen van de Unie en de rechtszekerheid die zij beoogt, doorbreken.
72.
In deze situatie is het irrelevant dat het uitblijven van een rentevordering, zoals de Franse regering ter terechtzitting heeft erkend, berustte op bepaalde nationale beleidsrichtsnoeren die tot 2010 hebben bestaan. Die datum verslechtert haar processuele positie zelfs, aangezien die richtsnoeren in strijd waren met de door de sectorale regelingen opgelegde verplichtingen om zowel de hoofdsom als de vervallen rente in elk geval terug te vorderen.
73.
De Franse overheid kon derhalve, nadat zij deze situatie had veroorzaakt, haar verantwoordelijkheid niet afwentelen op de marktdeelnemers door, nadat de bijzondere verjaringstermijn van acht jaar (inclusief de stuitingen waarnaar ik hiervoor heb verwezen) was verstreken, van hen de betaling te verlangen van de rente die zij zelf gemeend had niet te moeten vorderen vanaf dat zij verschuldigd werd.
74.
Het vereiste van professionele zorgvuldigheid bij het handelen van de overheid is bovendien volledig in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof, waarin wordt gewezen op de algemene zorgvuldigheidsplicht bij de controle op de regelmatigheid van de betalingen ten laste van de begroting van de Unie. Die verplichting vloeit voort uit de ruimere bij artikel 4, lid 3, VEU aan de lidstaten opgelegde verplichting de ‘maatregelen [te treffen] welke geschikt zijn om de nakoming van de uit dit Verdrag of handelingen van de instellingen der Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.’ Hiertoe behoren de maatregelen waarmee een eind kan worden gemaakt aan onregelmatigheden49., inclusief die welke de rente hebben doen ontstaan, wanneer dit in het Unierecht is bepaald.
75.
Zou worden aanvaard dat de lidstaten over een langere periode konden beschikken om op te treden met betrekking tot de rente-invordering dan die waarin is voorzien bij artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening nr. 2988/95, dan zou dit de nationale overheden ertoe kunnen aanzetten om geen haast te maken met de vervolging van onregelmatigheden en tegelijkertijd leiden tot een lange en onbepaalde periode van rechtsonzekerheid voor de marktdeelnemers.50.
76.
Samenvattend meen ik dat, wanneer tenuitvoerleggingsmaatregelen in de zin van artikel 4 van verordening nr. 2988/95 zijn genomen op grond waarvan de terugbetaling van de hoofdschuld wordt gevorderd, het ontbreken van de vermelding van de voldoening van rente in die maatregelen tot gevolg heeft dat de rente-invordering is onderworpen aan de bijzondere verjaringstermijn van artikel 3, lid 1, vierde alinea, van deze verordening.
D — Zesde prejudiciële vraag
1. Opmerkingen van partijen
77.
Volgens Glencore kan de termijn van artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95 niet worden vervangen door die van artikel 2224 van het Franse burgerlijk wetboek zoals gewijzigd bij wet nr. 2008-561. Haars inziens is aan geen van de twee door het Hof aanvaarde mogelijkheden voldaan, te weten: a) het bestaan van een in het nationale recht voorziene termijn voor de verjaring van de terugbetaling van ten onrechte ontvangen Europese steun (volgens Glencore is dit artikel van het Franse burgerlijk wetboek een lex generalis en geen lex specialis)51., en b) het bestaan van een voldoende voorzienbare jurisprudentiële praktijk met betrekking tot de nieuwe formulering van deze bepaling.52.
78.
Bovendien zou het volgens Glencore in strijd zijn met de rechtszekerheid om de onregelmatigheden van 1999 en 2000, naar analogie te onderwerpen aan de in 2008 ingevoerde verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 2224 van het Franse burgerlijk wetboek.
79.
De Franse regering en Glencore zijn het erover eens dat de vraag bevestigend moet worden beantwoord.
80.
Volgens de Franse regering moet er enerzijds rekening mee worden gehouden dat ten tijde dat de onregelmatigheden werden begaan, artikel 2277 van het Franse burgerlijk wetboek alle op geleend geld verschuldigde rente en meer in het algemeen alle jaarlijks betaalbare bedragen, zoals de renteschulden in het hoofdgeding, onderwierp aan een vijfjarentermijn. Anderzijds eerbiedigt de (nieuwe) vijfjarentermijn van 2008 volgens haar het Unierecht, aangezien de lidstaten langere termijnen kunnen vaststellen dan die van artikel 3, leden 1 en 2, van verordening nr. 2988/95, hetgeen door het Hof zou zijn bevestigd53. en in casu evenredig zou zijn.54.
81.
De Commissie betoogt dat de lidstaten langere, in bepalingen van gemeen recht opgenomen, termijnen mogen toepassen.55. Voorts zou volgens de rechtspraak van het Hof de verlenging van de verjaringstermijn en de onmiddellijke toepassing ervan niet leiden tot een aantasting van de bij artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat overeenstemt met artikel 49 van het Handvest van de fundamentele rechten van de Europese Unie, gewaarborgde rechten.56. Tot slot wijst zij erop dat wat de rechtszekerheid betreft, de marktdeelnemers geen gewettigd vertrouwen kunnen hebben in het voortbestaan van een situatie die door besluiten van de instellingen in het kader van hun beoordelingsbevoegdheid kan worden gewijzigd.57.
2. Beoordeling
82.
Met zijn zesde en laatste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het Unierecht zich verzet tegen de toepassing op het hoofdgeding van de vijfjarentermijn van artikel 2224 van het Franse burgerlijk wetboek.
83.
Gezien het door mij in overweging gegeven antwoord op de vierde en de vijfde vraag, zijn de volgende opmerkingen louter subsidiair, voor het geval dat het Hof het niet zou overnemen en de rentevordering als een tenuitvoerleggingsmaatregel in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2988/95 zou beschouwen.
84.
Krachtens artikel 3, lid 3, van deze verordening is de regeling van de duur van de verjaringstermijnen van de leden 1 en 2 van dit artikel aanvullend ten opzichte van die welke de lidstaten in hun recht invoeren. Zoals de partijen in deze procedure hebben opgemerkt, heeft het Hof in zijn rechtspraak de lidstaten een ruime beoordelingsbevoegdheid toegekend om voor onregelmatigheden die de financiële belangen van de Unie schenden langere verjaringstermijnen vast te stellen, termijnen die bovendien kunnen voortvloeien uit het gemene recht en kunnen dateren van vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 2988/9558. of het resultaat kunnen zijn van een latere wetgevingsontwikkeling.59.
85.
Wat het Franse recht betreft, blijkt uit de ingediende memories, dat er sprake is van een zekere tegenspraak tussen het Tribunal administratif de Melun (bestuursrechter te Melun) en de Franse regering: het tribunal ontkent dat ten tijde van de feiten van het geding een nationaalrechtelijke bepaling bestond die de vierjarentermijn van verordening nr. 2988/95 zou kunnen vervangen, aangezien de gewone destijds geldende termijn dertig jaar bedroeg, een duur die uitdrukkelijk door het Hof als niet voor een dergelijke vervanging in aanmerking komend is afgewezen.60. De Franse regering voert daarentegen artikel 2277 van het burgerlijk wetboek aan, dat destijds reeds alle vorderingen ter zake van de verschuldigde rente over geleende bedragen aan een vijfjarentermijn onderwierp.
86.
Aangezien het een aangelegenheid van nationaal recht betreft, is het niet aan het Hof maar aan de verwijzende rechter vast te stellen welke bepaling van zijn nationale recht de verjaringsduur van artikel 3, leden 1 en 2, van verordening nr. 2988/95 adequaat kan vervangen. Hij dient ook na te gaan of er in het Franse recht geen administratiefrechtelijke bepaling is die de verjaringstermijnen regelt van schulden van particulieren, daaronder begrepen marktdeelnemers, aan de overheid. Indien dit niet het geval is, moet de rechter a quo — binnen de grenzen van de processuele congruentie — ook het argument van de Franse regering in deze procedure onderzoeken.
87.
Voor zover de twee bepalingen van het Franse burgerlijk wetboek (dit wil zeggen, het oude artikel 2277, dat gold ten tijde van de feiten, en het nieuwe artikel 2224, ter vervanging van de gewone termijn van dertig jaar) voorzien in een duur van vijf jaar, voldoen beide bepalingen mijns inziens in elk geval aan het evenredigheidsvereiste. De loutere verlenging met een jaar van de in de leden 1 en 2 van artikel 3 van verordening nr. 2988/95 genoemde termijn gaat niet verder dan noodzakelijk is om de nationale autoriteiten in staat te stellen onregelmatigheden die de financiële belangen van de Unie schenden, te vervolgen (waartoe de terugvordering van de ten onrechte verkregen voordelen en de invordering van de daarover verschuldigde rente strekken) en zet die overheden er niet toe aan om geen haast te maken met de vervolging van onregelmatigheden.61.
88.
Wat de rechtszekerheid betreft geloof ik niet dat het argument kan worden aanvaard, dat na de afschaffing van de verjaringstermijn van dertig jaar, de toepassing van de nieuwe vijfjarentermijn van artikel 2224 van het Franse burgerlijk wetboek met dit rechtsbeginsel in strijd is (stelling van Glencore). De maatregelen die zijn genomen om de vastgestelde onregelmatigheden met betrekking tot de exportsteun voor gerst en zachte tarwe te vervolgen, dateren respectievelijk uit de jaren 2004 en 200562., en hebben de destijds geldende verjaringstermijn van dertig jaar in elk geval gestuit. Na de vaststelling ervan vielen de maatregelen niet meer binnen de werkingssfeer van lid 1, maar van lid 2 van artikel 3 van verordening nr. 2988/95.
89.
In wezen moest de verjaringstermijn van de rentevorderingen (als uitvoeringshandelingen van de maatregelen tot terugvordering van de hoofdsom) vanaf dat tijdstip beginnen te lopen, rekening houdend met alle factoren die de termijn kunnen stuiten, zoals de betwisting bij de bestuursrechter en de betaling van de hoofdsom. Dienaangaande staat vast63. dat tegen deze maatregelen beroep is ingesteld bij de Franse bestuursrechter, waardoor de verjaring van de tenuitvoerlegging van de maatregelen werd gestuit tot het jaar 2010, toen de betaling plaatsvond. In dat jaar was de nieuwe gemeenrechtelijke verjaringsregel van artikel 2224 van het Franse burgerlijk wetboek reeds van toepassing.
90.
Ik ben bijgevolg van mening dat in de omstandigheden van het hoofdgeding, het Unierecht zich niet verzet tegen de toepassing van de termijnen van artikel 2224 van het Franse burgerlijk wetboek op de verjaring die op de dag van inwerkingtreding van wet nr. 2008-561 nog niet was ingetreden.
VI — Conclusie
91.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de vragen van het Tribunal administratif de Melun (bestuursrechter, Melun, Frankrijk) als volgt te beantwoorden:
- ‘1)
Artikel 3, lid 1, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen is van toepassing op de invordering van de rente die is verschuldigd op grond van de maatregelen die worden genomen overeenkomstig artikel 11, lid 3, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, en artikel 5 bis van verordening (EEG) nr. 3002/92 van de Commissie van 16 oktober 1992 tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen inzake de controle op het gebruik en/of de bestemming van producten uit interventie.
- 2)
De vordering van de over elk van de twee hoofdschulden verschuldigde rente in een situatie als de onderhavige:
- —
vloeit niet voort uit een voortgezette of voortdurende onregelmatigheid in de zin van artikel 3, lid 1, tweede alinea van verordening nr. 2988/95; en
- —
gaat teniet door verjaring na verloop van de termijn van acht jaar van artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening nr. 2988/95, die begint te lopen op de dag waarop de onregelmatigheid die de verplichting tot betaling van de hoofdschuld heeft doen ontstaan, is begaan.
- 3)
Het recht van de Unie verzet zich niet tegen de toepassing van de verjaringstermijnen van artikel 2224 van het Franse burgerlijk wetboek op de verjaring die op de dag van inwerkingtreding van wet nr. 2008-561 nog niet was ingetreden.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑09‑2016
Oorspronkelijke taal: Spaans.
‘Die Klagverjährung gehört unter die wichtigsten und wohlthätigsten Rechtsinstitute’, in System des heutigen römischen Rechts, Bd. V, Berlijn, 1841, blz. 272.
Verordening van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312, blz. 1).
PB L 351, blz. 1.
Met nagenoeg dezelfde naam (PB L 102, blz. 11).
Verordening van de Commissie van 18 maart 1997 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3665/87 en van verordening (EEG) nr. 3719/88 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (PB L 77, blz. 12).
PB L 301, blz. 17.
PB L 305, blz. 5.
PB L 104, blz. 13.
Loi portant réforme de la prescription en matière civile (JORF nr. 141 van 18 juni 2008, blz. 9856) (wet houdende herziening van de verjaring in civielrechtelijke zaken).
Het nationale productschap voor graan, dat thans is opgenomen in FranceAgriMer, was de publiekrechtelijke entiteit belast met het bevorderen van het overleg tussen de landbouw- en de bosbouwsector, het waarborgen van de kennis en de organisatie van de markten en het beheren van de nationale en communautaire overheidssteun.
Dit bedrag was als volgt samengesteld: 60 026,91 EUR als terugbetaling van de uitvoerrestituties, 30 013,46 EUR als sanctie, gelijk aan 50 % van de restitutie, en 3 893,48 EUR als geldboete tegen een tarief van 15 %.
‘Établissement national des produits de l'agriculture et de la mer’, rechtsopvolger van de Office national interprofessionnel des céréales (zie voetnoot 11 van deze conclusie).
Waarvan 263 503,05 EUR aan rente over de steun voor de zachte tarwe en 26 066 EUR over die voor de gerst.
Dit laatste woord is bovendien in alle andere geraadpleegde taalversies dubbelzinnig (‘poursuite’, in de Franse versie; ‘proceedings’, in de Engelse; ‘Verfolgung’, in de Duitse; ‘azioni giudiziarie’, in de Italiaanse; ‘vervolging’, in de Nederlandse; ‘procedimento’, in de Portugese, en ‘vidta åtgärder’, in de Zweedse versie). Het zou misschien wenselijk zijn het te vervangen door een woord dat meer in overeenstemming is met de administratiefrechtelijke context van de verordening.
Voor de procedure (of vervolging) geldt geen verjarings- maar een vervaltermijn.
Arrest van 11 juni 2015, Pfeifer & Langen (C-52/14, hierna: ‘Pfeifer & Langen II’, EU:C:2015:381, punt 46).
Bij arrest van 3 september 2015, Sodiaal International (C-383/14, EU:C:2015:541, punt 26) is de toepassing van de uiterste verjaringstermijn van acht jaar van artikel 3, lid 1, vierde alinea, uitgebreid tot de administratieve maatregelen in de zin van artikel 4 van die verordening.
Op 8 april 2010 heeft FranceAgriMer alle ondernemers in de sector een brief gestuurd waarin het hun op de hoogte heeft gesteld van de wijziging van zijn rentebeleid.
Arrest van 29 maart 2012 (C-564/10; hierna: ‘arrest Pfeifer & Langen I’, EU:C:2012:190).
Zij verwijzen naar de punten 42-47 en 50 van het arrest Pfeifer & Langen I.
Artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 en artikel 5 bis van verordening nr. 3002/92.
Volgens dit arrest geldt de verjaringstermijn van artikel 3 van verordening nr. 2988/95 voor de hoofdvordering bestaande in de vordering tot terugbetaling van een wederrechtelijk uit de begroting van de Unie verkregen voordeel, niet voor de invordering van de daarop vallende rente, wanneer die rente niet op grond van het Unierecht maar louter op grond van het nationale recht verschuldigd is.
Punt 42.
In punt 50 ervan.
Tweede en derde vraag.
Vierde en vijfde vraag.
Onder verwijzing naar het arrest van 11 januari 2007, Vonk Dairy Products (C-279/05, EU:C:2007:18, punt 41), en het arrest Pfeifer & Langen II, punt 52.
Zij beroept zich in dit verband op het arrest Pfeifer & Langen II, punt 67, en het arrest van 6 oktober 2015, Firma Ernst Kollmer Fleischimport und -export (C-59/14, EU:C:2015:660, punt 27).
Zij verwijst naar het arrest Pfeifer & Langen II, punt 40, en het arrest van 24 juni 2004, Handlbauer (C-278/02, EU:C:2004:388, punt 40).
Arrest van 3 september 2015 (C-383/14, EU:C:2015:541).
Dus op 6 april 2010, voor de ontvangen exportsteun voor de gerst, en op 27 september 2010, voor de exportsteun voor de zachte tarwe.
Zie Killmann, B.-R. en Glaser, S., Verordnung (EG, EURATOM) Nr. 2988/95 über den Schutz der finanziellen Interessen der Europäischen Gemeinschaften — Kommentar, NWV Neuer Wissenschaftlicher Verlag/Berliner Wissenschafts-Verlag, Wenen — Graz, 2011, blz. 95.
Ik ben het wat dit betreft eens met advocaat-generaal Sharpston in haar conclusie in de zaak Pfeifer & Langen I (C-564/10, EU:C:2012:38, punt 64).
Punt 48.
De renteschuld combineert kenmerken van accessoriteit met kenmerken van autonomie. Zij is accessoir voor zover zij het bestaan van een hoofdschuld veronderstelt, waarover rente gaat lopen. Zodra zij echter is ontstaan kan zij een eigen dynamiek krijgen waardoor zij het voorwerp van bepaalde rechtsvorderingen en rechtshandelingen kan worden, naast de hoofdschuld (zoals de vordering in rechte, cessie en overdracht ervan aan derden, verpanding ervan of beslaglegging erop). De betaling van deze laatste is niet van invloed op de lopende rente, die verschuldigd blijft, behoudens wanneer duidelijk uit de context blijkt dat zij is kwijtgescholden.
Arrest van 3 september 2015, Sodiaal International (C-383/14, EU:C:2015:541, punt 33), heeft de toepassing van de maximale verjaringstermijn van acht jaar van artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening nr. 2988/95, met voorbijgaan aan de letterlijke bewoordingen ervan (die melding maken van de sanctie), uitgebreid tot de maatregelen in de zin van artikel 4 ervan.
Behoudens wanneer zij is geschorst door het inleiden van een strafvervolging van de ondernemer wegens dezelfde feiten, overeenkomstig artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2988/95, waarnaar de regeling van de buitengewone termijn verwijst.
Deze benadering is bovendien niet in strijd met de rechtspraak van het Hof, dat in de context van de verjaring slechts heeft geoordeeld, althans voorshands, dat de rentevordering accessoir is ten opzichte van de hoofdvordering wanneer deze reeds is verjaard. Zie arrest Pfeifer & Langen I, punt 51.
Zie arrest van 11 januari 2007, Vonk Dairy Products (C-279/05, EU:C:2007:18, punt 41).
Arrest van 6 oktober 2015, Firma Ernst Kollmer Fleischimport und -export (C-59/14, EU:C:2015:660, punt 24).
Ibid., punt 29 en dictum van het arrest.
Zie arrest van 2 december 2004, José Martí Peix/Commissie (C-226/03 P; EU:C:2004:768, punten 25 en 26), en arrest Pfeifer & Langen II, punt 67.
Arrest van 6 oktober 2015, Firma Ernst Kollmer Fleischimport und -export (C-59/14, EU:C:2015:660, punt 26).
In het geval van Glencore zou de rente, na de vrijgave van de zekerheid moeten worden berekend vanaf de terugbetaling ervan tot de dag vóór de terugbetaling van het bedrag van de zekerheid vermeerderd met die rente [artikel 11, lid 3, onder b), van verordening nr. 3665/87].
Arresten van 24 juni 2004, Handlbauer (C-278/02, EU:C:2004:388, punt 40), en 28 oktober 2010, SGS Belgium e.a. (C-367/09, EU:C:2010:648, punt 68).
Arrest Pfeifer & Langen II, punten 24 en 64, en arrest van 3 september 2015, Sodiaal International (C-383/14, EU:C:2015:541, punt 30).
Arresten van 24 juni 2004, Handlbauer (C-278/02, EU:C:2004:388, punt 40), en 28 oktober 2010, SGS Belgium e.a. (C-367/09, EU:C:2009:648, punt 69).
Zie in deze zin arrest van 17 september 2014, Cruz & Companhia (C-341/13, EU:2014:2230, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Ibid.
Zij verwijst naar het arrest van 5 mei 2011, Ze Fu Fleischhandel en Vion Trading (C-201/10 en C-202/10, EU:2011:282, punten 46 en 53).
Ibid., punten 29 en 33, en arrest van 17 september 2014, Cruz & Companhia (C-341/13, EU:2014:2230, punten 56 en 57).
Arresten van 29 juli 2009, Josef Vosding Schlacht-, Kühl- und Zerlegebetrieb e.a. (C-278/07-C-280/07, EU:2009:38, punt 42); 5 mei 2011, Ze Fu Fleischhandel en Vion Trading (C-201/10 en C-202/10, EU:2011:282, punt 25), en 17 september 2014, Cruz & Companhia (C-341/13, EU:2014:2230, punt 54).
Arrest van 5 mei 2011, Ze Fu Fleischhandel en Vion Trading (C-201/10 en C-202/10, EU:2011:282, punt 37).
Arrest van 29 juli 2009, Josef Vosding Schlacht-, Kühl- und Zerlegebetrieb e.a. (C-278/07-C-280/07, EU:2009:38, punt 47).
Arrest van 8 september 2015, Tarico (C-105/14, EU:2015:555, punt 57).
Arrest van 17 oktober 1996, Lubella (C-64/95, EU:1996:388, punt 31).
Arrest van 17 september 2014, Cruz & Companhia (C-341/13; EU:2014:2230, punten 55 en 56, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Ibid., punt 63, en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Arrest van 21 december 2011, Chambre de commerce et d'industrie de l'Indre (C-465/10, EU:C:2011:867, punten 65 en 66, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 17 september 2014, Cruz & Companhia (C-341/13, EU:2014:2230, punten 61 en 62).
Hoewel de maatregelen van november 2005 in het geval van de zachte tarwe pas in januari 2006 werden meegedeeld.
In de schriftelijke opmerkingen van Glencore, zonder dat het door een van de andere partijen is betwist.