Verordening nr. (EU) 604/2013.
Rb. Den Haag, 17-07-2024, nr. NL24.23095
ECLI:NL:RBDHA:2024:11040
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
17-07-2024
- Zaaknummer
NL24.23095
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2024:11040, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 17‑07‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 17‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Dublin Kroatië, verantwoordelijke lidstaat, interstatelijk vertrouwensbeginsel, pushbacks, beroep ongegrond
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.23095
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot)
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui)
Procesverloop
Bij besluit van 3 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de
behandeling daarvan.
Eiser heeft op 4 juni 2024 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2024 op zitting behandeld in Middelburg. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1999. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 3 oktober 2023 in Kroatië en op 13 oktober 2023 in Frankrijk een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening1.is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland op 25 januari 2024 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 8 februari 2024 aanvaard.Nederland heeft op dezelfde datum ook bij Frankrijk een verzoek tot terugname gedaan. Op 30 januari 2024 heeft Frankrijk laten weten niet akkoord te zijn met het verzoek tot terugname. Vervolgens heeft Nederland op 31 januari 2024 aan Frankrijk verzocht het verzoek te heroverwegen. Daarop is geen reactie gekomen.
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, nu verweerder in het bestreden besluit onvoldoende op de zienswijze is ingegaan. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser, op grond van artikel 23, tweede lid en derde lid, en artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening. Verder stelt eiser dat verweerder niet uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië, omdat er in Kroatië sprake is van aan het systeem gerelateerde structurele tekortkomingen in de asielprocedure. Eiser beroept zich hierbij op een tweetal uitspraken2.en diverse artikelen en rapporten.3.Eiser betoogt dat hieruit volgt dat pushbacks in Kroatië niet incidenteel zijn. Eiser stelt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 13 september 20234.dan ook ten onrechte uitgaat van de verstrekte informatie door de Kroatische autoriteiten, nu in het verleden is gebleken dat deze informatie onbetrouwbaar is. De Afdeling heeft ook ten onrechte geoordeeld dat uit de landeninformatie niet blijkt dat sprake is van pushbacks bij Dublinclaimanten. Verweerder dient nader onderzoek uit te voeren naar de situatie van Dublinclaimanten zoals eiser in Kroatië. Eiser voert tot slot aan dat hij gedwongen is vingerafdrukken af te staan in Kroatië en hem niet is verteld dat er een asielprocedure gestart zou worden. Eiser stelt dat hij vervolgens in Kroatië een uitzettingsbevel heeft ontvangen, ondanks de registratie van zijn asielaanvraag.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op de door eiser aangevoerde zienswijze. De enkele stelling dat verweerder hetgeen wat in de zienswijze naar voren is gebracht onvoldoende heeft weerlegd, is onvoldoende en eiser heeft niet geconcretiseerd op welke punten de motivering ontoereikend is.
5. In geschil is welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht uitgaat dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. In het claimverzoek van verweerder aan de autoriteiten van Kroatië staat vermeld dat eiser ook een asielaanvraag in Frankrijk heeft ingediend. Kroatië heeft met deze beschikbare informatie het claimverzoek geaccepteerd. Frankrijk heeft het verzoek tot terugname geweigerd zodat er geen claimakkoord tot stand is gekomen tussen Nederland en Frankrijk. Er zijn verder geen aanknopingspunten dat Frankrijk eiser op Kroatië heeft geclaimd zodat er een overdrachtstermijn is gaan lopen, die zou maken dat Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat is. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Tussen de lidstaten die zijn aangesloten bij de Dublinverordening geldt dat verweerder in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.5.Dit is weerlegbaar. Het is dan aan eiser om aannemelijk te maken dat dat in zijn geval niet zo is. Dit dient eiser te doen aan de hand van concrete aanknopingspunten waaruit blijkt dat de tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem structureel van aard zijn en er sprake is van een situatie die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt in de zin van het Jawo-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019.6.Eiser is daarin niet geslaagd.
7. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 13 september 20237.al geoordeeld dat in het geval van Kroatië uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is recentelijk opnieuw door de Afdeling bevestigd.8.Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn dat Dublinclaimanten in Kroatië te maken hebben met pushbacks. In de overweging van de Afdeling is de informatie van het BVMN, waarnaar eiser verwezen heeft betrokken. De rechtbank ziet in de door eiser overgelegde informatie onvoldoende aanknopingspunten dat Dublinclaimanten te maken krijgen met pushbacks, ook niet als zij eerder een uitzettingsbevel hebben gekregen, nu daarin geen situaties worden beschreven waar dit van toepassing is geweest. Er is voor de rechtbank dan ook geen aanleiding om van het oordeel van de Afdeling af te wijken. Gelet op het voorgaande hoeft verweerder dan ook geen nader onderzoek te verrichten.
8. De rechtbank acht van belang dat Kroatië het verzoek tot terugname van eiser heeft geaccepteerd met het claimakkoord. Eiser zal daarom in het kader van de Dublinverordening gereguleerd worden overgedragen en eisers asielaanvraag zal in behandeling worden genomen met inachtneming van de Europese richtlijnen en internationale verplichtingen.
9. Ten aanzien van het gedwongen afnemen van vingerafdrukken in Kroatië geldt dat Dublin-lidstaten op grond van de Eurodac-verordening verplicht zijn om illegale vreemdelingen die het grondgebied van de lidstaten binnenkomen te registreren. Voor zover eiser van mening is dat de Kroatische autoriteiten onrechtmatig hebben gehandeld, of hem verkeerd of onjuist hebben geïnformeerd over de gevolgen van het afgeven van vingerafdrukken, ligt het op zijn weg om hierover te klagen bij de Kroatische autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de (hogere) Kroatische autoriteiten voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door op 16 juli 2024 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑07‑2024
Update nr. 37 van 21 september 2023, Centre for Peace Studies (CPS), Border Violence Monitoring Network (BVMN), Human Rights Watch en AIDA.