In de hieronder vermelde bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar het proces-verbaal van de Korps Landelijke Politie Diensten, Dienst Nationale Recherche, Unit Zuid Nederland, onderzoek Akutan, onderzoeksnummer 26101243Z, afgesloten d.d. 15 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door rechercheur 52, inhoudende het einddossier met als bijlagen in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en/of andere geschriften. De paginanummers verwijzen naar zaaksdossier 24 van dit proces-verbaal.Proces-verbaal van doorzoeking, zaaksdossier 24, pagina’s 64 en 65.
Rb. Zeeland-West-Brabant, 29-08-2022, nr. 02-984812-11
ECLI:NL:RBZWB:2022:5125
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
29-08-2022
- Zaaknummer
02-984812-11
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2022:5125, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29‑08‑2022; (Op tegenspraak)
ECLI:NL:RBZWB:2021:7111, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16‑12‑2021; (Op tegenspraak)
ECLI:NL:RBZWB:2018:1098, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20‑02‑2018; (Op tegenspraak)
Uitspraak 29‑08‑2022
Inhoudsindicatie
Ontneming op grond van artikel 36 e lid 3 Sr.
Partij(en)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-984812-11
vonnis van de rechtbank d.d. 29 augustus 2022
in de ontnemingszaak tegen
[betrokkene]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963
wonende te [adres]
raadsman mr. Jonk, advocaat te Amsterdam
1. De procedure
Betrokkene is op 20 februari 2017 door de meervoudige kamer van deze rechtbank veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf.
De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.
Op 19 februari 2018 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Op de zitting heeft de rechtbank een schriftelijke voorbereidingsprocedure bevolen. In dat kader hebben de officier van justitie en de raadsman ieder twee keer een schriftelijke conclusie ingediend.
Op diezelfde zitting is de zaak is verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van betrokkene en [medeverdachte] in elkaars zaak en het horen van getuige [getuige] . Omdat er bij de rechter-commissaris discussie was ontstaan over de omvang van de verwijzing, heeft er op 10 oktober 2019 nog een regiezitting plaatsgevonden. Op 29 november 2019 zijn getuigen bij de rechter-commissaris gehoord.
Op 12 juli 2021 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch arrest gewezen in de hoofdzaak, waarbij betrokkene is veroordeeld tot de in dat arrest vermelde straf.
Op 9 september 2021 heeft de rechtbank een extra schriftelijke ronde ingelast, waarbij aan de officier van justitie en de verdediging de gelegenheid is gegeven aan te geven of het arrest een wijziging van het eerder ingenomen standpunt oplevert. In dat kader hebben de officier van justitie en de verdediging een nadere conclusie ingediend.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 juli 2022, waarbij officier van justitie mr. Groothuizen en de verdediging hun standpunten nader kenbaar hebben gemaakt.
2. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 122.250,-, op grond van artikel 36e, lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Betrokkene is veroordeeld voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, te weten het voorhanden hebben van een wapen op 30 november 2011. Kijkend naar de pleegdatum van het strafbare feit kan het bewijsvermoeden van artikel 36e, lid 3 Sr (nieuw) worden toegepast.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel is onder meer gebaseerd op het geldbedrag dat in contanten tijdens de doorzoeking in het bedrijfspand is aangetroffen, te weten € 100.000,-. Het gerechtshof heeft geoordeeld dat betrokkene over grote hoeveelheden contant geld beschikte, afkomstig uit criminele activiteiten. Gebleken is dat betrokkene dit bedrag voor zichzelf hield. Gelet op artikel 36e, lid 3 Sr belichaamt dit bedrag aldus wederrechtelijk verkregen voordeel waarvan aannemelijk is dat dit door een strafbaar feit is verkregen.
Naast het contante geldbedrag zijn er tijdens de doorzoeking een Jeep (inkoopprijs
€ 17.500,-) en twee motoren (inkoopprijs € 27.000,-) aangetroffen. Deze zijn gekocht met geld dat uit andere strafbare feiten is verkregen en zijn daarmee wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene en [medeverdachte] hebben wisselende verklaringen afgelegd over de herkomst van het geld voor de aanschaf van de voertuigen, wat naar de mening van de officier van justitie maakt dat hun verklaringen hieromtrent volstrekt onaannemelijk zijn. Daarbij heeft de rechtbank bij vonnis bepaald dat de lening waarover eerder is verklaard, niet is aangegaan, zodat ook deze lening niet de basis kan zijn geweest van het werkkapitaal.
Voorts was er volgens het kasboek van de bedrijven geen geld voorradig om deze motoren en Jeep te kopen. Het kan dus ook niet daaruit gefinancierd zijn. Er is aldus niet aannemelijk gemaakt dat aan de verkrijging van die voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt. Er was onvoldoende vermogen/inkomen om deze voertuigen aan te schaffen, derhalve is het aannemelijk dat deze zijn bekostigd met geld dat uit misdrijf is verkregen.
Aangezien betrokkene samen met [medeverdachte] vennoot was van het bedrijf [bedrijf] , de voertuigen terug zijn te vinden in de inkoopadministratie van dit bedrijf en ook niet duidelijk is geworden hoe dit verkregen voordeel is verdeeld, wil de officier van justitie dat dit bedrag pondspondsgewijs wordt toegerekend aan betrokkene, te weten € 22.250,-.
Het verbeurd verklaarde bedrag van € 100.000,- kan in mindering worden gebracht op het te ontnemen bedrag, zodat betrokkene € 22.250,- dient te betalen.
3. Het standpunt van de verdediging
De verdediging is primair van mening dat de vordering moet worden afgewezen.
De verdediging stelt zich daarbij op het standpunt dat de witwashandelingen op zichzelf geen wederrechtelijk verkregen voordeel hebben opgeleverd en dat de veroordeling voor dit feit aldus geen grondslag kan vormen voor de ontnemingsvordering.
Ook kan het hebben van een pistool niet dienen als grondslag voor de ontneming. De verdediging verwijst hierbij naar de Memorie van Toelichting bij de wetswijziging die heeft geleid tot artikel 36e, lid 3 Sr (nieuw). De in de Memorie van Toelichting benoemde criminele levensstijl is niet van toepassing op betrokkene. Het bezit van een pistool kan geen voordeel hebben opgeleverd en kan alleszins niet als een potentieel lucratief delict worden beschouwd. Daarbij is het van belang dat betrokkene niet alleen voor geen ander delict is veroordeeld, maar daarvan zelfs expliciet is vrijgesproken.
Subsidiair is de verdediging van mening dat de ontnemingsvordering op nihil moet worden gesteld.
€ 100.000,-
Onder verwijzing naar jurisprudentie, stelt de verdediging zich op het standpunt dat het openbaar ministerie onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat er sprake is geweest van wederrechtelijk verkregen voordeel. Een veroordeling voor witwassen brengt op zichzelf geen voordeel met zich mee.
Jeep en motoren
Het openbaar ministerie heeft in de vermogensvergelijking uitsluitend de administratie van de onderneming meegenomen, waarbij het privévermogen van betrokkene niet of nauwelijks is onderzocht. Het enkele feit dat de onderneming onvoldoende saldo had om de betreffende aankopen te doen, kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat er sprake moet zijn van wederrechtelijk verkregen vermogen. Uit de getuigenverklaringen die zijn afgelegd, blijkt van een vermenging van zakelijk- en privévermogen. Onder deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat de aankopen met door misdrijf verkregen gelden zijn gefinancierd en dat er sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel.
4. Het oordeel van de rechtbank
4.1
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft op 12 juli 2021 betrokkene veroordeeld ter zake witwassen op 30 november 2011 en het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III op 30 november 2011.
Van toepassing zijnde ontnemingswetgeving
Gezien de datum van de feiten waarvoor betrokkene is veroordeeld, is artikel 36e Sr van toepassing zoals dit sinds 1 juli 2011 luidde.
Ontneming op grond van 36e, lid 2 Sr
De rechtbank stelt allereerst vast dat er op grond van artikel 36e, lid 2 Sr geen wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen. Het dossier bevat onvoldoende concrete aanwijzingen dat er daadwerkelijk voordeel is verkregen uit de feiten waarvoor verdachte is veroordeeld of uit andere strafbare feiten die door hem zijn begaan.
Ontneming op grond van 36e, lid 3 Sr
De rechtbank is van oordeel dat ontneming wel mogelijk is op grond van het bepaalde in artikel 36e, lid 3 Sr. Voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van deze bepaling is vereist dat betrokkene in de hoofdzaak is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Betrokkene is onder meer veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III op 30 november 2011. Dit betreft een misdrijf waarvoor krachtens artikel 55, lid 3 van de Wet wapens en munitie een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Dit feit kan dus als grondslag dienen voor het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel “indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen”. Dat dit feit op zichzelf geen voordeel heeft opgeleverd, doet hier niet aan af. Het voordeel kan ook uit andere strafbare feiten afkomstig zijn.
In artikel 36e, lid 3, onder b, is bepaald: “In dat geval kan ook worden vermoed dat voorwerpen die in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf aan de veroordeelde zijn gaan toebehoren voordeel belichamen als bedoeld in het eerste lid, tenzij aannemelijk is dat aan de verkrijging van die voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.” Het is dan aan de veroordeelde om aannemelijk te maken dat die aan die verkrijging een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.
€ 100.000,-
Er is een groot contant geldbedrag van in totaal € 100.000,- in het bedrijfspand van betrokkene aangetroffen.
In een afzuigkap werd een doos met bankbiljetten aangetroffen, gebundeld met elastieken1.. Volgens de verklaringen van betrokkene2.en [medeverdachte]3.betrof het een bedrag van ongeveer € 40.000,-, gebundeld per € 5000,-. Dit in samenhang bezien met het gegeven dat er acht elastieken in beslag zijn genomen4., maakt dat de rechtbank uitgaat van € 40.000,-.
Daarnaast werden in het plafond tassen met bankbiljetten aangetroffen5., gebundeld met 11 elastieken6.. Volgens de verklaringen van betrokkene7.en [medeverdachte]8.betrof dit geld dat was verdiend met de handel in auto’s: € 24.000,- van de verkoop van een Jeep, € 25.000,- van de verkoop van een BMW, en € 10.000,- van de verkoop van een Mercedes, waarbij [medeverdachte] in zijn verhoor tevens spreekt over € 60.000.- die in het plafond verstopt lag. Dit in samenhang bezien met de verklaring dat zij het geld bundelden per € 5.000,= en de aangetroffen 11 elastieken en € 4.800,- naast een hoeveelheid ongeteld geld, maakt dat de rechtbank uitgaat van een bedrag van € 60.000,-.
Dat deze bedragen aan betrokkene toebehoorden is niet betwist.
Kijkend naar dit dusdanig grote contante geldbedrag - dat in een afzuigkap en onder het plafond is aangetroffen - acht de rechtbank het aannemelijk dat er voordeel uit andere strafbare feiten is verkregen. Dit geldbedrag is een voorwerp als bedoeld in artikel 36e, lid 3, onder b, waarvan kan worden vermoed dat dit wederrechtelijk verkregen voordeel belichaamt.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk dat dit geldbedrag een legale herkomst heeft. De rechtbank verwijst hierbij naar het arrest van het gerechtshof waarin het hof heeft geoordeeld dat betrokkene een onvoldoende verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de legale herkomst van het contante geldbedrag (€ 60.000,-) dat in het plafond is aangetroffen. Ten aanzien van de verklaring van betrokkene met betrekking tot het contante geldbedrag (€ 40.000,-) dat in de afzuigkap is aangetroffen, heeft het gerechtshof overwogen dat de verklaring met betrekking tot de geldlening in Dubai als ongeloofwaardig moet worden bestempeld.
De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat het contante geldbedrag dat in het bedrijfspand is aangetroffen wederrechtelijk verkregen voordeel vormt. De veroordeling voor witwassen maakt op zichzelf niet dat er sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel, maar wel het feit dat niet aannemelijk is geworden dat dit geldbedrag een legale herkomst heeft én dit geldbedrag aan betrokkene toebehoorde.
Jeep en motoren
Ook ten aanzien van de Jeep en de motoren is de rechtbank van oordeel dat dit voorwerpen zijn als bedoeld in artikel 36e, lid 3, onder b, waarvan kan worden vermoed dat ze wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen. Het is niet aannemelijk dat deze voertuigen zijn gefinancierd met gelden met een legale herkomst. De rechtbank is van oordeel dat deze met door misdrijf verkregen gelden zijn gefinancierd en daarmee dat er sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel en overweegt daartoe het volgende.
In het bedrijfspand van [bedrijf] werden onder meer een Jeep Grand Cherokee9.en twee Harley Davidson motoren10.in beslag genomen. De Jeep is volgens een inkoopnota op 2 november 2011 door [bedrijf] gekocht voor € 17.500,-.11.
De aankoop van de Jeep voor € 17.500,00 op 2 november 2011 is niet verwerkt in de kasadministratie. Uit onderzoek van de kasadministratie kwam naar voren dat er op dat moment een negatief kassaldo was.12.
De beide motoren zijn niet terug te vinden in de (administratieve) voorraad van [bedrijf] .13.Betrokkene heeft hierover verklaard dat beide motoren privé zijn gekocht voor ongeveer € 13.500,- per stuk.14.Bij de rechter-commissaris verklaarde betrokkene dat de ene motor op zijn naam is gezet, de andere motor op naam van zijn zoon ( [medeverdachte] ) en dat hij beide motoren heeft betaald. [medeverdachte] verklaarde bij de politie dat een motor van hem is, de andere van zijn vader en dat hij er € 13.500,- voor heeft betaald. Bij de rechter-commissaris verklaarde hij dat hij niet meer wist of hij betaald had en dat zijn vader dat had geregeld.
Uit het dossier komt naar voren dat uit de bedrijfsadministratie blijkt dat het administratieve kasgeld onvoldoende was om de Jeep te kopen middels gelden uit het eigen bedrijf. De verklaringen van betrokkene en [medeverdachte] over de herkomst van het geld voor de aankoop van de motoren zijn wisselend, maar voor de rechtbank staat vast dat dit in ieder geval niet uit het bedrijf afkomstig kon zijn. Ook van enig privévermogen waarmee de aankoop gefinancierd kan zijn is niet gebleken, nu betrokkene heeft aangegeven wel wat spaargeld te hebben maar dat hij daarvan moest leven en [medeverdachte] heeft aangegeven geen privévermogen te hebben. Dat het bedrag, zoals bij de rechter-commissaris door [medeverdachte] is verklaard, afkomstig was uit een lening bij familie, is op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank acht deze verklaring dan ook niet aannemelijk. Ook de verklaring van betrokkene dat dit bedrag afkomstig was uit een lening uit Dubai, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank verwijst naar wat hierboven is overwogen over die lening.
Nu niet aannemelijk is dat de aankoop van de Jeep en de twee motoren is gefinancierd middels een legale bron van herkomst, gaat de rechtbank ervan uit dat ook deze aankopen wederrechtelijk verkregen voordeel vormen.
Wederrechtelijk voordeel dat ook aan betrokkene kan worden toegerekend. De Jeep stond op naam van het bedrijf waarvan betrokkene en [medeverdachte] de vennoten waren. De rechtbank is om deze reden van oordeel dat de helft van het aankoopbedrag van de Jeep (€ 17.500,-) aan betrokkene kan worden toegerekend. De rechtbank gaat ervan uit dat een van de twee motoren (inkoopprijs € 13.500,-) aan betrokkene toebehoorde. Het wederrechtelijk verkregen voordeel voor betrokkene bedraagt dus € 22.250,-.
Conclusie
Gelet op bovenstaande overwegingen kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat er is voldaan aan de vereisten van artikel 36e, lid 3 Sr en kan het wederrechtelijk verkregen voordeel worden ontnomen. Zij zal het genoten wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op € 122.250,-.
4.2
Vaststelling te betalen ontnemingsbedrag
Verbeurdverklaard bedrag
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft een bedrag van € 100.000,- verbeurd verklaard.
Met de officier van justitie en de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat het verbeurd verklaarde bedrag in mindering kan worden gebracht op het terug te betalen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.
Op grond hiervan bedraagt het te ontnemen bedrag: € 122.250,- - € 100.000,- = € 22.250,-.
Schending van de redelijke termijn
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is overschreden en dat om deze reden de betalingsverplichting op een lager bedrag moet worden gesteld.
De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank hieromtrent.
Beoordeeld moet worden of sprake is van een inbreuk op het in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde recht op berechting binnen een redelijke termijn.
De officier van justitie heeft op de zitting van 15 november 2016 het voornemen tot ontneming kenbaar gemaakt, zodat de rechtbank die datum als aanvangsdatum voor de redelijke termijn hanteert. Aangezien pas meer dan 5 jaar en 9 maanden later uitspraak wordt gedaan, is sprake van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn. Bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen zijn de rechtbank niet gebleken.
Anders dan de officier van justitie, ziet de rechtbank in het feit dat in de hoofdzaak strafvermindering is toegepast wegens overschrijding van de redelijke termijn, geen reden om af te zien van compensatie in de ontnemingszaak. Er is immers geen sprake van een (nagenoeg) gelijktijdig behandelde strafzaak. De rechtbank verwijst hierbij naar het overzichtsarrest van de Hoge Raad over dit onderwerp (ECLI:NL:HR:2008:BD2578), overweging 3.6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank dient wegens de ernstige overschrijding van de redelijke termijn een korting te worden toegepast van 10%, dat is € 2.225,-.
De rechtbank zal het te betalen bedrag (naar beneden afgerond) vaststellen op € 20.000,- en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen.
5. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
6. De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 122.250,-;
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 20.000,- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 400 dagen;
- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.D. Scheffers, voorzitter, mr. M. Breeman en mr. V.M. Schotanus, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Bles en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 augustus 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 29‑08‑2022
Proces-verbaal van verhoor [betrokkene], zaaksdossier 24, pagina 544.
Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , zaaksdossier 24, pagina 91.
Kennisgeving van inbeslagneming, zaaksdossier 24, pagina’s 60 en 61.
Kennisgeving van inbeslagname, zaaksdossier 24, pagina’s 61 en 62.
Kennisgeving van inbeslagname, zaaksdossier 24, pagina’s 61 en 62.
Proces-verbaal van verhoor [betrokkene], zaaksdossier 24, pagina’s 85, 546.
Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , zaaksdossier 24, pagina 91.
Kennisgeving van inbeslagneming, zaaksdossier 24, pagina 60.
Proces-verbaal van bevindingen van inbeslagname, zaaksdossier 24, pagina 266.
Inkoopnota, zaaksdossier 24, pagina 598.
Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier 24, pagina 574.
Relaas proces-verbaal, zaaksdossier 24, pagina 17.
Proces-verbaal van verhoor [betrokkene], zaaksdossier 24, pagina 550.
Uitspraak 16‑12‑2021
Inhoudsindicatie
Ontneming na grootschalige hennephandel door criminele organisatie (onderzoek Colt).
Partij(en)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02/984812-11
vonnis van de rechtbank d.d. 16 december 2021
in de ontnemingszaak tegen
[veroordeelde]
geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsman: mr. G.J. Woodrow, advocaat te [plaats 3]
1. De procedure
[veroordeelde] is op 5 maart 2020 door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden voor (kort gezegd) het medeplegen van beroepsmatige hennepteelt, hennephandel, voorhanden hebben van hennep, witwassen en het leiding geven aan een criminele organisatie. Dit arrest is onherroepelijk geworden op 12 oktober 2021.
De officier van justitie heeft bij vordering van 19 december 2019 ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd voor een bedrag van € 1.276.649,00.
Op 15 januari 2020 heeft de rechtbank een schriftelijke voorbereidingsprocedure bevolen.
In dat kader hebben de officier van justitie en de raadsman ieder schriftelijke conclusies ingediend.
De ontnemingsvordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 oktober 2021 en
8 november 2021, waarbij de officier van justitie, mr. M.I. van den Heuvel, en de raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting de vordering bijgesteld; zij stelt zich op het standpunt dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ter hoogte van € 1.076.758,75 en vordert de ontneming van dat bedrag. Zij verzoekt de duur van de mogelijke gijzeling ten behoeve van de tenuitvoerlegging te bepalen op 1080 dagen.
Er zijn voldoende aanwijzingen in het dossier voor betrokkenheid van [veroordeelde] bij de hennephandel vanuit [bedrijf 1] B.V . (hierna: [bedrijf 1] ) in 2007 en 2008, waarbij hij persoonlijk heeft meegedeeld in de winst. De berekening van het verkregen voordeel op basis van extra- en interpolatie is op een zorgvuldige manier gebeurd en voldoet aan de eisen die daaraan in de jurisprudentie worden gesteld.
Vrijspraak voor een specifieke hennepkwekerij ( [hennepkwekerij 1] ) hoeft niet in de weg te staan aan het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel, als er in diezelfde periode wel deelname aan de criminele organisatie bewezen is verklaard. Voor de opbrengst van de overige kwekerijen geldt dat [veroordeelde] nalaat om concreet en gemotiveerd zijn verhaal te doen. Het aantal eerdere oogsten en de opbrengst daarvan is goed onderbouwd in de ontnemingsrapportage. Een herberekening van het voordeel bij de kwekerij in [plaats 1] ( [hennepkwekerij 2] ), heeft zelfs tot een verhoging van het verkregen voordeel geleid. Voor de kwekerij aan de [adres 1] ( [hennepkwekerij 3] ) geldt dat de verdediging terecht heeft aangevoerd dat er geen eerdere oogst kan hebben plaatsgevonden.
3. Het standpunt van de verdediging
De verdediging is primair van mening dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen en subsidiair dat het te betalen bedrag gematigd dan wel op nihil gesteld moet worden.
[veroordeelde] heeft in 2007 en 2008 geen wederrechtelijk verkregen voordeel genoten. Er zijn geen concrete aanknopingspunten voor betrokkenheid van [veroordeelde] bij de hennephandel in 2007 en 2008. Het feit dat hij in die periode medebestuurder van [bedrijf 1] is geweest, is daarvoor onvoldoende. In de zwarte ordner komt de naam [veroordeelde] niet voor, anders dan de ontnemingsrapportage noemt, en dat met ‘ [veroordeelde] ’ [veroordeelde] wordt bedoeld, wordt op geen enkele wijze ondersteund. De wijze van berekening van het voordeel door extrapolatie is bovendien onjuist, omdat deze is gebaseerd op een niet-representatieve referentieperiode.
Voor de periode januari tot en met 21 november 2011 geldt het volgende. Er is vrijspraak gevolgd voor de kwekerij aan de [adres 2] ( [hennepkwekerij 1] ). Bij de [adres 3] ( [hennepkwekerij 4] ) kan hooguit sprake zijn van twee eerdere oogsten. Bij de [adres 4] ( [hennepkwekerij 5] ) is geen eerdere oogst en dus geen voordeel geweest. Aan het [adres 5] ( [hennepkwekerij 6] ) kan ook niet worden vastgesteld dat er een eerdere oogst is geweest en bij de [adres 1] ( [hennepkwekerij 3] ) is het zelfs niet mogelijk dat er een eerdere oogst is geweest. Bij de [adres 6] ( [hennepkwekerij 2] ) ontbreekt onderbouwing voor meer dan één oogst. Dit alles dient te leiden tot een lager behaald wederrechtelijk verkregen voordeel.
De overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot vermindering van de op te leggen betalingsverplichting.
4. Het oordeel van de rechtbank
4.1
De grondslag van de vordering
De officier van justitie baseert haar ontnemingsvordering op artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.
Naar het oordeel van de rechtbank dient in dit geval te worden uitgegaan van de wettekst zoals die luidde tot 1 juli 2011, omdat het overgrote deel van de ontnemingsvordering betrekking heeft op de periode voor die datum. Overigens heeft dit, zoals ter zitting is besproken, in dit geval feitelijk geen gevolgen.
Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van dat artikellid kan plaatsvinden als betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten
- -
van het feit waarvoor hij is veroordeeld of
- -
soortgelijke strafbare feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door hem zijn begaan.
[veroordeelde] is veroordeeld voor onder andere hennepteelt, hennephandel en deelname aan een criminele organisatie. Dit zijn allemaal strafbare feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, zodat aan de formele voorwaarden voor ontneming is voldaan.
De ontnemingsvordering is gebaseerd op twee onderdelen: voordeel uit hennephandel en voordeel uit hennepkwekerijen.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of [veroordeelde] voordeel heeft genoten uit de bewezenverklaarde feiten en of er voldoende aanwijzingen bestaan dat hij daarnaast ook soortgelijke strafbare feiten heeft begaan en in hoeverre hij daaruit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
4.2
Schatting van het voordeel uit hennephandel
4.2.1
Soortgelijke strafbare feiten
[veroordeelde] is in de hoofdzaak onder meer veroordeeld voor beroepsmatige hennepteelt, hennephandel en het leidinggeven aan een criminele organisatie, die zich bezighield met handel in hennep en de exploitatie van hennepkwekerijen (Colt II).
De ontnemingsvordering is wat de hennephandel betreft niet gebaseerd op voordeel uit deze feiten, maar uit soortgelijke strafbare feiten (hennephandel) die zijn gepleegd door een andere criminele organisatie (Colt I). Die criminele organisatie had als centrum het bedrijfspand van [bedrijf 1] en werd geleid door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [veroordeelde] is niet vervolgd voor deelname aan deze criminele organisatie.
De vraag is of er voldoende aanwijzingen zijn dat [veroordeelde] strafbare feiten heeft gepleegd binnen de criminele organisatie van Colt I en of hij daar wederrechtelijk voordeel uit heeft verkregen.
De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat [veroordeelde] voor 50% aandeelhouder en algemeen directeur is geweest van [bedrijf 1] , van 12 april 2007 tot 27 november 2008.1.
Zoals het hof ook heeft overwogen, fungeerde [bedrijf 1] feitelijk als dekmantel voor de hennephandel. Dit vormt een sterke aanwijzing dat [veroordeelde] mede-organisator was van die hennephandel en daar dus ook voordeel uit heeft genoten.
Daarnaast is [veroordeelde] door het hof ook veroordeeld voor het medeplegen (met [medeverdachte 1] en [bedrijf 1] ) van witwassen van een groot geldbedrag in de jaren 2007-2008.
Bovendien bevat de administratie in de ‘groene ordner’, gevonden bij [medeverdachte 1] thuis, concrete aanwijzingen voor zijn betrokkenheid, ook in 2008. Zo is de naam [veroordeelde] verschillende keren vermeld in die ordner, al dan niet afgekort tot ‘ [veroordeelde] ’. De rechtbank heeft geen twijfel dat hiermee [veroordeelde] wordt bedoeld. Op pagina 172 van de groene ordner2.staat onder het kopje “Wat met [veroordeelde] moet worden verrekend” onder meer: “Geld van [naam 1] aan [veroordeelde] gegeven 20-05-08” en “Aan [veroordeelde] gegeven € 1000 0809-08 zal worden verrekend”.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er dan ook voldoende aanwijzingen dat [veroordeelde] in de gehele periode waarin hij aandeelhouder en directeur van [bedrijf 1] was, betrokken was bij de hennephandel vanuit [bedrijf 1] .
Het is een feit van algemene bekendheid dat met hennephandel hoge illegale inkomsten worden gegenereerd.
De rechtbank stelt voorop dat door geen van de deelnemers aan de criminele organisatie van Colt I, en evenmin door [veroordeelde] , inzicht is gegeven in de illegaal verkregen inkomsten. De rechtbank zal deze dan ook moeten schatten. De officier van justitie heeft hiervoor gebruik gemaakt van een berekening van de verdiensten uit de hennephandel over de periode van 1 maart 2007 tot 21 november 2011.
4.2.2
Periode waarin strafbare feiten zijn gepleegd
21 maart 2011 tot en met 21 november 2011
Het gerechtshof heeft bewezen verklaard dat de criminele organisatie in Colt I actief was in de periode van 21 maart 2011 tot en met 21 november 2011.3.De rechtbank acht het derhalve aannemelijk dat in ieder geval in die periode illegale inkomsten uit onder andere hennephandel zijn genoten.
Periode 1 maart 2007 tot en met 20 maart 2011
De rechtbank acht het aannemelijk dat deze criminele organisatie ook actief was vóór 21 maart 2011 en wijst daarbij op het volgende.
In de in beslag genomen administratie van [bedrijf 1] bevond zich een zwarte ordner.4.Aannemelijk is dat een deel van die administratie betrekking heeft op handel in hennep. Zo bevindt zich in deze ordner een stuk dat betrekking heeft op de inkoop van hennep in juni, juli en begin augustus 2007.5.Daaruit blijkt dat sprake is van inkoop van hennep op grote schaal. Er wordt gesproken over ‘bestellingen’ bij een ‘bouwbedrijf’, die worden beschreven als ‘bestelling totaal m2’ met een ‘prijs per m2’. Om wat voor goederen het gaat is niet vermeld. In de administratie van [bedrijf 1] over 2007 is verder geen enkele aanwijzing aangetroffen die verband houdt met ingekochte vierkante meters van welk goed dan ook. Voor de rechtbank staat vast dat hier sprake is van versluierd taalgebruik, waarbij ‘bestelling totaal m2’ ziet op het aantal kilo’s hennep, ‘prijs per m2’op de prijs per kilogram (hierna: kg) en de 'totaal prijs’ op wat voor de hennep per zending in totaal is betaald. Gezien de inkoopprijs per kg hennep, tussen de € 675 en € 825, betreft het natte hennep, die na droging door de organisatie wordt verkocht. Uit dit stuk blijkt wel dat al in 2007 sprake was van omvangrijke handel in hennep vanuit [bedrijf 1] : in ruim anderhalve maand (juni-augustus 2007) wordt voor ruim € 164.000 meer dan 200 kg hennep ingekocht.
Er zijn dus voldoende aanwijzingen dat in drie maanden in 2007 en vanaf eind maart 2011 omvangrijke hennephandel plaatsvond vanuit [bedrijf 1] . De rechtbank acht het hoogst onwaarschijnlijk dat de hennephandel in de tussenliggende jaren heeft stilgelegen, aangezien [bedrijf 1] feitelijk als dekmantel fungeerde, zoals het hof ook heeft overwogen. Bovendien bevat het dossier veel meer aanwijzingen voor grootschalige hennephandel in de jaren 2007-2011. Een kleine bloemlezing:
- Ook in 2008 worden grote partijen hennep verhandeld. Zo komt uit de gegevens in het ‘spiraalblok’, gevonden in het bedrijfspand van [bedrijf 1] , naar voren dat in de maand juli 2008 in twee weken tijd voor bijna € 50.000 aan hennep wordt ingekocht6.en in drie weken 43,8 kg wordt verkocht voor ruim € 127.000.7.
- De ‘witte ordner’ uit de administratie van [bedrijf 1] bevat berekeningen met betrekking tot hennephandel in de periode eind oktober – begin november 2009.8.In twee weken tijd wordt onder meer 162,3 kg natte hennep ingekocht voor € 129.956 en 30 kg droge hennep verkocht voor € 87.000.
- In de ‘groene ordner’, gevonden bij [medeverdachte 1] (mede-eigenaar [bedrijf 1] ), is sprake van een verkoop op 4 oktober 2010 van 4 kg voor € 14.000, een prijs die past bij droge hennep.9.
- In januari 2010 is in het pand van [bedrijf 1] bijna 78 kg hennep aangetroffen.10.
- In de ‘zwarte ordner’ worden in een ander stuk11.twee verkochte partijen hennep in augustus en november 2010 beschreven, die vermoedelijk aan ene [persoon 1] en via [persoon 2] (vermoedelijk [medeverdachte 2] ) aan ene [persoon 3] uit [plaats 2] zijn verkocht.
- In weer een ander stuk12.uit dezelfde ordner gaat het om een partij verkochte hennep in oktober 2010, met een verkoopprijs van € 35.600, die verschuldigd is aan ‘ [medeverdachte 1] ’, vermoedelijk [medeverdachte 1] . De afkortingen [organisatie] en BW staan vermoedelijk voor de kwaliteit van de hennep, te weten Amnesia en Black Widow.
- Ook de zogenaamde ‘broekzakadministratie’ van [medeverdachte 1] bevat aanwijzingen voor handel in hennep in 2009, 2010 en 2011.13.
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er ruim voldoende aanwijzingen dat in de gehele periode van 1 maart 2007 tot 21 november 2011 door de criminele organisatie rond [bedrijf 1] strafbare feiten zijn gepleegd (hennephandel) waarmee illegale inkomsten zijn gegenereerd.
4.2.3
Periode 1 maart 2011 tot en met 23 juni 2011
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn echter in de hoofdzaak partieel vrijgesproken van hennephandel in de periode 1 maart 2011 tot en met 23 juni 2011. De officier van justitie stelt dat desondanks over deze periode ontneming mogelijk is, omdat sprake is van een criminele organisatie en wijst daarbij op jurisprudentie. De verdediging betwist dit.
Hoewel er zeker aanwijzingen zijn dat ook in deze periode hennephandel heeft plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat over deze periode geen ontneming kan plaatsvinden. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voortdurend het voortouw hebben genomen bij de hennephandel. Gelet hierop en de ondergeschikte rol van de andere deelnemers aan de criminele organisatie, acht de rechtbank het niet goed denkbaar dat de andere deelnemers zonder [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] handel zouden hebben gevoerd en dat de criminele organisatie daaruit voordeel zouden hebben genoten. Er zijn weliswaar ook voldoende aanwijzingen dat de criminele organisatie in die periode ook hennepkwekerijen heeft geëxploiteerd, waaruit inkomsten zijn verkregen, maar de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is door de officier van justitie bij dit onderdeel van de vordering volledig en uitsluitend gebaseerd op inkomsten uit hennephandel en niet op inkomsten uit hennepkwekerijen.
In het licht van het Geerings-arrest is de rechtbank dan ook van oordeel dat bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden uitgegaan van de periode van 1 maart 2007 tot 21 november 2011, met uitzondering van de periode 1 maart 2011 tot en met 23 juni 2011.
4.2.4
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de rechtbank de berekeningen in de ontnemingsrapportage als uitgangspunt genomen.
Bij de berekening van het totale voordeel verkregen door de criminele organisatie in de jaren 2007-2011 heeft de officier van justitie de methodes van extrapoleren in interpoleren toegepast, gebaseerd op berekeningen van het voordeel in juni-augustus 2007 en in de periode vanaf 24 juni 2011.
Anders dan de verdediging, acht de rechtbank de berekening van het voordeel door middel van extrapolatie en interpolatie in dit geval voldoende betrouwbaar. Zij wijst daarbij in de eerste plaats op wat onder 4.2.2 is overwogen: er zijn ruim voldoende aanwijzingen dat gedurende de gehele periode sprake is geweest van hennephandel op grote schaal. Verder zijn de berekeningen in de ontnemingsrapportage inzake de genoemde periodes in 2007 en 2011 uitgebreid onderbouwd.
2007
Voor de berekening van het voordeel in 2007 is uitgegaan van de informatie over de periode van 18 juni tot en met 7 augustus 2007 die naar voren komt uit de zwarte ordner. In die periode van 51 dagen is 208,8 kg natte hennep ingekocht. Omgerekend naar een heel jaar is dat 208,8 kg : 51 dagen x 365 dagen = 1.494,353 kg natte hennep per jaar. Na droging blijft 27% over, dus 403,475 kg droge hennep. De inkoopprijs per kg natte hennep bedroeg gemiddeld € 787 en de verkoopprijs per kg droge hennep € 3.280.14.Dit levert de volgende berekening op:
Verkoop 403,475 kg droge hennep x € 3.280 = € 1.323.398 Inkoop 1.494,353 kg natte hennep x € 787 = € 1.176.055Winst heel jaar € 147.343
De winst over de periode van 1 maart 2007 tot en met 31 december 2007 bedraagt dan 10/12e = € 122.785,00 (afgerond).
2011
De rechtbank kan zich met betrekking tot 2011 in grote lijnen vinden in de wijze van berekenen in de ontnemingsrapportage, zij het met enkele correcties. De belangrijkste is dat het voordeel - conform overweging 4.2.3 - alleen wordt berekend over de periode 24 juni tot 21 november 2011 (150 dagen) en januari en februari 2011 (59 dagen).
Hoeveelheid hennep per verpakkingseenheid
Aan de hand van de inbeslaggenomen partijen hennep is een berekening gemaakt van het gemiddelde aantal kilogrammen hennep per verpakkingseenheid. Deze 25 verpakkingseenheden wogen in totaal 159 kg, dat is afgerond 6,4 kg per stuk.15.
Periode 1
Uitgangspunt is de zogenaamde periode 1, de 81 dagen waarop er in processen-verbaal daadwerkelijk aantallen (kan ook nihil zijn) verpakkingseenheden hennep zijn beschreven, zowel aan de hand van versneld als niet versneld uitgekeken beelden van [bedrijf 1] . Het totaal van de verhandelde hoeveelheid hennep op deze 81 dagen is:
- -
292 verpakkingseenheden x 6,4 kg 1.869 kg
- -
1 zak hennep 07-08-2011 2 kg
- -
3 sporttassen hennep 12-09-2011 33 kg
totaal 1.904 kg
In het voordeel van betrokkene zal de rechtbank bij de verdere berekeningen uitgaan van (naar beneden afgerond) 23 kg per dag.
Periode 2
Periode 2 betreft de 39 dagen waarop volgens de versneld uitgekeken beelden wel sprake is van hennephandel vanuit [bedrijf 1] , maar waarop het aantal verpakkingseenheden niet kon worden vastgesteld.
Over twee dagen is wel een hoeveelheid bekend. Op 19 september 2011 ging het om 33 kg, zo blijkt uit de administratie, en op 30 september 2011om 15 kg, die in beslag is genomen.
Anders dan de officier van justitie, houdt de rechtbank de hoeveelheden vanuit de stash aan de Ledeboerstraat en vanuit de woning van [medeverdachte 3] buiten deze berekening, omdat anders mogelijk sprake zou kunnen zijn van een dubbeltelling met de hoeveelheden vanuit het bedrijfspand van [bedrijf 1] .
Voor die 39 dagen is de berekening als volgt:
19-09-2011 3 sporttassen hennep 33 kg
- -
30-09-2011 2 sporttassen hennep 15 kg
- -
37 dagen x 23 kg 851 kg
totaal 899 kg
Periode 3
In periode 3 worden hieraan nog 30 dagen toegevoegd, waarvan geen beelden zijn. Voor die dagen wordt uitgegaan van 23 kg per dag, dus in totaal 690 kg.
Periode 4
Dit betreft de periode 1 januari tot en met 28 februari 2011. Ook hiervoor gaat de rechtbank uit van 23 kg per dag, dus in totaal 59 dagen maal 23 kg is 1.357 kg.
2011
Dit leidt tot de volgende berekening van de verhandelde hoeveelheid hennep over 2011 (periode 1 januari tot en met 28 februari en 24 juni tot 21 november 2011):
periode 1 (81 dagen) 1.904 kg
periode 2 (39 dagen) 899 kg
periode 3 (30 dagen) 690 kg
periode 4 (59 dagen x 23 kg) 1.357 kg
Totaal (209 dagen) 4.850 kg
Winst per kilogram
Niet in geschil is dat de verkoopprijs van 1 kg droge hennep € 3.280 bedroeg.
Voor de inkooprijs van 1 kg natte hennep zal de rechtbank, in het voordeel van betrokkene, uitgaan van € 787. Deze prijs is naar het oordeel van de rechtbank in de ontnemingsrapportage naar behoren toegelicht aan de hand van de administratie over 2007 in de zwarte ordner.16.Voor een hogere prijs, zoals door de verdediging bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding.
Voor 1 kg droge hennep is 3,33 kg natte hennep nodig, immers het drogingspercentage is 30%.17.
De kostprijs van een 1 kg droge hennep bedraagt dan 100/30 x € 787 = € 2.623,33.
Dit leidt tot een winst per kg droge hennep van € 3.280 minus € 2.623,33 = € 656,67.
Voordeel over 2011
Dit zou leiden tot een winst over 2011 van 4.850 kg x € 656,67 = € 3.184.849,50.
Omdat er echter aanwijzingen zijn dat twee leveringen in september 2011 niet zijn betaald, voor een bedrag van € 137.600, wordt dit bedrag hierop in mindering gebracht.
Het geschatte voordeel over 2011 (periode 1 januari tot en met 28 februari en 24 juni tot 21 november 2011) bedraagt dus € 3.047.249,50.
2008-2010
De omvang van de handel (en het voordeel) was in 2011 veel groter dan in 2007. Voor een schatting van het genoten voordeel over de jaren 2008 tot en met 2010 is gebruik gemaakt van interpolatie. Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat deze methode geoorloofd is. De rechtbank gaat er, met de officier van justitie, van uit dat sprake is geweest van een geleidelijke groei van de hennephandel.
Voor de berekening van het voordeel in de tussenliggende jaren is de winst over 2011 omgerekend naar een virtuele winst over een heel jaar: € 3.184.849,50 : 209 x 365 = € 5.562.057 (afgerond).
De winst in een heel jaar 2007 zou € 147.343,00 bedragen (zie 4.2.4.1).
Dat is een stijging van € 5.414.714,00 in 4 jaar, dus € 1.353.678,50 per jaar.
Dit leidt tot de volgende berekening van het voordeel in de jaren 2008-2010:
2008 € 147.343,00 + € 1.353.678,50 = € 1.501.021,50
2009 € 1.501.021,50 + € 1.353.678,50 = € 2.854.700,00
2010 € 2.854.700,00 + € 1.353.678,50 = € 4.208.378,50
In 2010 moet hierop nog de opbrengst van de inbeslaggenomen 77,98 kg in mindering worden gebracht: 78 x € 3.820 = € 255.774,40. Het voordeel bedraagt dan € 3.952.604,10.
4.2.4.4 Totale voordeel over 2007-2011
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel over de gehele periode van ontneming (1 maart 2007 tot 21 november 2011, met uitzondering van de periode 1 maart 2011 tot en met 23 juni 2011) bedraagt:
2007 € 122.785,00
2008 € 1.501.021,50
2009 € 2.854.700,00
2010 € 3.952.604,10
2011 € 3.047.249,50
Totaal € 11.478.360,10
4.3
De verdeling
De rechtbank stelt voorop dat, mede gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden uitgegaan van het voordeel dat een veroordeelde in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Indien er meerdere veroordeelden zijn – wat hier het geval is – én de omvang van dat voordeel van elk van de veroordeelden niet eenvoudig kan worden vastgesteld, zal op basis van alle bekende feiten en omstandigheden bepaald moeten worden welk deel van het totaal behaalde voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend.
4.3.1
Genoten voordeel door de andere deelnemers
Natuurlijke personen
Door het hof is vastgesteld dat, naast [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , vijf andere natuurlijke personen hebben deelgenomen aan de criminele organisatie rond [bedrijf 1] : [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] . Naar het oordeel van de rechtbank moet worden aangenomen dat ook zij een deel van de illegale verdiensten hebben genoten. Op basis van algemene ervaringsregels gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] als leidinggevenden verreweg het grootste deel ontvangen zullen hebben. De rechtbank schat het bedrag dat is toegekomen aan de andere vijf deelnemers op 5% van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit is een bedrag van € 573.918,01.
[bedrijf 1]
Ook [bedrijf 1] was een deelnemer aan de criminele organisatie. De rechtbank heeft het door [bedrijf 1] genoten voordeel bij vonnis van heden vastgesteld op € 102.894,09. Ook dit bedrag dient in mindering te worden gebracht op het totale voordeel, voordat dit over de leiders wordt verdeeld. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat dit voordeel indirect ook ten goede kwam aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] als aandeelhouders van [bedrijf 1] .
[persoon 5]
De officier van justitie heeft in haar berekening een deel van het voordeel toegerekend aan [persoon 5] , door op het totale voordeel het (op basis van een vermogensvergelijking berekende) voordeel van [persoon 5] in mindering te brengen.
Naar het oordeel van de rechtbank is dat ten onrechte. [persoon 5] maakte immers geen onderdeel uit van de criminele organisatie die zich bezighield met hennephandel vanuit [bedrijf 1] (Colt I), maar van een andere criminele organisatie (Colt II). Uit het dossier blijkt ook niet dat [persoon 5] enig voordeel geeft genoten uit de hennephandel vanuit [bedrijf 1] . Daarom laat de rechtbank [persoon 5] verder buiten beschouwing.
4.3.2
Genoten voordeel door de leiders van de criminele organisatie
De rechtbank heeft hiervoor het totale wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op € 11.478.360,10. Volgens schatting van de rechtbank is daarvan € 573.918,01 toegekomen aan de andere deelnemers en € 102.894,09 aan [bedrijf 1] . Dan resteert € 10.801.548,80 voor de leiders van de criminele organisatie. Een en ander is als volgt verdeeld over de jaren.
totale voordeel | deelnemers 5% | [bedrijf 1] | resteert | |
2007 | € 122.785,00 | € 6.139,25 | € 1.100,67 | € 115.545,08 |
2008 | € 1.501.021,50 | € 75.051,07 | € 13.455,43 | € 1.412.515,00 |
2009 | € 2.854.700,00 | € 142.735,00 | € 25.590,05 | € 2.686.374,95 |
2010 | € 3.952.604,10 | € 197.630,21 | € 35.431,85 | € 3.719.542,04 |
2011 | € 3.047.249,50 | € 152.362,48 | € 27.316,09 | € 2.867.570,93 |
totaal | € 11.478.360,10 | € 573.918,01 | € 102.894,09 | € 10.801.548,80 |
De officier van justitie heeft het voordeel pondspondsgewijs verdeeld over [medeverdachte 1] , [medeverdachte 7] en [veroordeelde] als de leiders van de criminele organisatie c.q. aandeelhouders van [bedrijf 1] , omdat zij geen openheid van zaken hebben gegeven en er onvoldoende aanwijzingen zijn voor een concrete verdeling.
[medeverdachte 1] is vanaf de oprichting van [bedrijf 1] op 12 april 2007 tot de ontbinding op 13 augustus 2015 voor 50% aandeelhouder en algemeen directeur geweest van [bedrijf 1] .
[medeverdachte 7] is op 27 november 2008 aangetreden als mede-eigenaar (50% aandeelhouder) en algemeen directeur.18.
[veroordeelde] is voor 50% aandeelhouder en algemeen directeur geweest van [bedrijf 1] , van 12 april 2007 tot 27 november 2008. Hij was dus de voorganger van [medeverdachte 7] .
[medeverdachte 1] , [medeverdachte 7] en [veroordeelde] hebben geen openheid van zaken gegeven over hun verdiensten en de verdeling daarvan. De rechtbank overweegt dat uit het dossier weliswaar geen concrete verdeling van het voordeel blijkt, maar is van oordeel dat er wel voldoende aanknopingspunten zijn voor een (iets) andere verdeling dan de pondspondsgewijze verdeling die de officier van justitie voorstaat. Het hof heeft immers geconcludeerd dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] beiden als leider van de criminele organisatie rond [bedrijf 1] konden worden gezien, waarbij [medeverdachte 1] de eerste man was en [medeverdachte 7] de tweede man.19.In dat licht bezien komt de rechtbank tot een verdeelsleutel van 60:40, waarbij zij ervan uitgaat dat 60% procent van de resterende winst is toegekomen aan [medeverdachte 1] en 40% aan [medeverdachte 7] en [veroordeelde] , evenredig tussen hen verdeeld naargelang de periode dat zij medeaandeelhouder waren.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 12 april 2007 tot 27 november 2008 bedraagt:
2007 € 115.545,08
2008 € 1.284.808,16 (€ 1.412.515,00 : 365 dagen x 332 dagen)
€ 1.400.353,24
Daarvan wordt 40% toegerekend aan [veroordeelde] , dat is € 560.141,30.
4.3.3
Conclusie
De rechtbank schat het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennephandel in 2007-2008 op € 560.141,30.
4.4
Schatting van het voordeel uit hennepkwekerijen
Het tweede onderdeel van de ontnemingsvordering ziet op wederrechtelijk voordeel dat [veroordeelde] volgens de officier van justitie heeft verkregen uit de exploitatie van een aantal hennepkwekerijen. Dit betreft zaken uit het onderzoek Colt II.
4.4.1
Hennepkwekerij [adres 2] (zaaksdossier [hennepkwekerij 1] )
Op 11 januari 2011 is in een woning aan de [adres 2] een hennepkwekerij ontdekt met in totaal 414 planten.20.Dit pand was eigendom van [veroordeelde] . [persoon 4] heeft verklaard dat hij de woning huurde van [veroordeelde] en dat hij de kwekerij zelf had opgezet.21.De rechtbank heeft [persoon 4] veroordeeld en [veroordeelde] vrijgesproken van het medeplegen van het telen van hennep, omdat daarvoor onvoldoende wettig bewijs voorhanden was.
Naar het oordeel van de rechtbank staat de vrijspraak van [veroordeelde] evenwel niet in de weg aan ontneming van door [veroordeelde] verkregen voordeel uit deze hennepkwekerij. Voor de rechtbank staat namelijk vast dat deze hennepkwekerij werd geëxploiteerd door de criminele organisatie in Colt II, waarvan ook [persoon 4] deel uitmaakte, en die het oogmerk had op onder andere het telen van hennep. [veroordeelde] is door het hof veroordeeld voor het samen met [persoon 5] leiding geven aan deze criminele organisatie. Naar algemene ervaringsregels vloeit het voordeel in overwegende mate in de zakken van de leiders van een criminele organisatie. Nu er door [veroordeelde] en de andere deelnemers van de criminele organisatie geen enkele verklaring is gegeven over de verdeling van de opbrengst, acht de rechtbank het reëel om de helft van de opbrengst van deze kwekerij aan [veroordeelde] toe te rekenen.
Er zijn diverse indicatoren voor eerdere oogsten aangetroffen in deze hennepkwekerij, met name flinke vervuiling en kalkaanslag.22.De officier van justitie gaat er daarom van uit dat er één eerdere oogst is geweest. Aan de hand van de in het zaaksdossier genoemde informatie en het BOOM-rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht; Standaardberekening en normen” is een berekening gemaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel.23.Dat voordeel is berekend op € 35.434,82.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanname van een eerdere oogst en de gemaakte berekening afdoende onderbouwd, zodat zij daarvan uitgaat. Het door [veroordeelde] uit deze hennepkwekerij genoten wederrechtelijk voordeel schat de rechtbank op de helft, te weten € 17.717,41.
4.4.2
Hennepkwekerij [adres 3] (deelonderzoek [hennepkwekerij 4] )
Op 11 januari 2011 werd in de woning aan de [adres 3] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. De kwekerij was onderverdeeld in vier verschillende ruimten met in totaal 830 planten.24.
Door de bewoonster [persoon 6] en haar (ex-)partner [persoon 7] is aan een verbalisant verteld dat zij van [veroordeelde] gratis in de woning mochten wonen, maar dat in de woning dan wel een hennepkwekerij zou komen. Zij zeiden ook dat zij door [veroordeelde] een schuld hadden bij de energiemaatschappij, die was opgelopen tot € 36.000,-.25.
Bij een doorzoeking van het perceel [adres 7] (zaaksdossier [hennepkwekerij 7] ) is een alarmsysteem aangetroffen met een mobiele telefoon voorzien van een simkaart. Uit onderzoek bleek dat in het geheugen van deze simkaart het telefoon [telefoonnummer 1] opgeslagen stond. Dit telefoonnummer bleek gekoppeld te zijn geweest aan het IMEI-nummer van een van de mobiele telefoons in gebruik bij [veroordeelde] en [persoon 4] . Uit analyse van de opgevraagde verkeersgegevens van dit telefoonnummer bleek dat dit telefoonnummer contact heeft gehad met telefoonnummer [telefoonnummer 2] , dat in gebruik was bij [persoon 6] .26.
Op 26 maart 2011 belt [persoon 6] (met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , dat op naam stond van [persoon 7]27.) naar [veroordeelde] , waarin zij zegt dat de nota van [bedrijf 2] € 33.000 is. Verder zegt [persoon 6] dat zij al eerder had gezegd dat in januari de meter eruit gehaald is en dat er geen gas en elektra meer is. [veroordeelde] geeft hierop aan dat hij het zelf gaat onderzoeken.28.
Op 25 juni 2011 belt [veroordeelde] naar telefoonnummer [telefoonnummer 2] . [persoon 6] geeft bij [veroordeelde] aan dat de nota van [bedrijf 2] inmiddels € 35.000 is.29.
Op 3 januari 2012 wordt [veroordeelde] gebeld door [persoon 6] . [persoon 6] zegt dat [persoon 8] ( [persoon 7] ) op 23 maart moet voorkomen voor [bedrijf 2] . Verder geeft ze aan dat de advocaatkosten nog open staan. [veroordeelde] zegt dat hij dit weet en dat hij binnenkort koffie komt drinken.30.
Uit deze tapgesprekken kan worden geconcludeerd dat [persoon 6] en [veroordeelde] elkaar kennen en dat zij spreken over de schuld aan [bedrijf 2] als gevolg van de hennepkwekerij. Dit bevestigt wat [persoon 6] en [persoon 7] bij de politie hebben verteld over de rol van [veroordeelde] bij de hennepkwekerij in hun woning, zodat voor de rechtbank vast staat dat hij daarbij betrokken was.
In de woning zijn diverse indicatoren voor eerdere oogsten aangetroffen, zoals sterke vervuiling van de koolstoffilters, kalkaanslag, verkleuring van de isolerende materialen en een zak met henneptoppen.31.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er dan ook voldoende aanwijzingen dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft behaald door eerdere oogsten van deze hennepkwekerij.
De officier van justitie gaat uit van vier eerdere oogsten, omdat uit de verdachten- en getuigenverhoren naar voren zou komen dat de kwekerij geheel 2010 in werking is geweest.
De rechtbank constateert echter dat [persoon 6] en [persoon 7] hier niet eenduidig over verklaren. [persoon 6] verklaart dat zij in januari 2009 in de woning zijn getrokken en dat na een jaar de hennepkwekerij is gebouwd. Maar [persoon 7] heeft verklaard dat de hennepkwekerij is gebouwd in mei of juni 2010.32.De rechtbank gaat – in het voordeel van [veroordeelde] – uit van de verklaring van [persoon 7] en daarmee van drie eerdere oogsten waar wederrechtelijk voordeel mee is behaald.
De door de politie gemaakte berekening, die de rechtbank onderschrijft, komt uit op een winst per oogst van € 70.892,28.33.De rechtbank schat daarom het door [veroordeelde] verkregen voordeel uit drie oogsten op € 212.676,84.
4.4.3
Hennepkwekerij [adres 4] (zaaksdossier [hennepkwekerij 5] )
Op 11 januari 2012 is in een woning aan de [adres 4] een hennepkwekerij met twee kweekruimtes aangetroffen. In de kweekruimtes stonden in totaal 224 kweekpotten met aarde. Verder is 32,5 kilogram aan henneptoppen aangetroffen, die lagen te drogen.34.Het hof heeft [veroordeelde] veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten en/of delen daarvan, waarbij hij een coördinerende rol had.
In het pand zijn de volgende indicatoren aangetroffen voor eerdere oogsten: een laag stof op de kappen van de assimilatielampen, vervuiling van de koolstoffilters, een dikke laag kalkaanslag op het zeil en afvalbladeren en resten van hennepplanten op de vloer.35.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het pand vanaf 1 september 2011 werd gehuurd door [persoon 9] .36.Een kweekcyclus bedraagt 8 tot 10 weken, zodat er in de periode van 19 weken tot de ontmanteling van de hennepkwekerij op 11 januari 2012 twee oogsten mogelijk waren. De rechtbank gaat ervan uit dat de aangetroffen henneptoppen afkomstig zijn van de tweede oogst.
Gelet op het voorgaande zijn er voldoende aanwijzingen dat er één eerdere oogst is geweest en dat [veroordeelde] hier voordeel uit heeft getrokken. Dat voordeel is berekend op € 19.034,79.37.De rechtbank onderschrijft die berekening.
Deze hennepkwekerij, zo blijkt ook uit het arrest van het hof, maakte onderdeel uit van de misdrijven die zijn gepleegd door de criminele organisatie in Colt II. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank, anders dan de officier van justitie meent, niet het gehele voordeel aan [veroordeelde] worden toegerekend. Hij was een van de twee leiders van deze criminele organisatie en de rechtbank schat het voordeel voor [veroordeelde] daarom op de helft van dit bedrag, € 9.517,40.
4.4.4
Hennepkwekerij [adres 6] (deelonderzoek [hennepkwekerij 2] )
Op 24 januari 2012 is in een pand aan de [adres 6] (België) een ontmantelde hennepkwekerij aangetroffen. Dit betrof een pizzeria met daarboven een woongedeelte.38.In het pand zijn diverse indicatoren aangetroffen voor oogsten, waaronder 286 teeltpotten en teeltaarde met wortels van cannabisplanten.39.
Aan de hand van tapgesprekken constateert de rechtbank dat [persoon 5] en [veroordeelde] betrokken zijn geweest bij deze hennepkwekerij. Zij hebben diverse keren contact gehad met de exploitant van de winkel, genaamd [persoon 10] , die zich [naam 2] noemde.40.In de tapgesprekken werd in versluierd taalgebruik gesproken. Zo spraken zij over ‘appels’ waarmee klaarblijkelijk hennep werd bedoeld.
Op 20 juli 2011 belt [veroordeelde] naar [persoon 5] . [persoon 5] zegt tegen [veroordeelde] dat [naam 2] uit België heeft gebeld.41.
Op 22 juli 2011 belt [veroordeelde] naar [naam 2] . [veroordeelde] zegt tegen [naam 2] dat hij over een half uurtje bij hem is. [naam 2] geeft het adres [adres 8] .42.
Op 31 augustus 2011 belt [persoon 5] naar [naam 2] en bespreken ze welke locatie ze wel en niet doen. [naam 2] zegt: “Je moet mij wat geld geven om rond te komen totdat de appels rijp zijn.” [naam 2] zegt dat als het boven gaat draaien, hij [persoon 11] gaat wegsturen. [naam 2] zegt dat hij de pizzabakkerij gaat stopzetten. [persoon 5] wil alleen als ook het café erbij blijft en zegt dat [persoon 11] beneden ergens kan slapen totdat zij klaar zijn met het café. [naam 2] wil 5.000 om 2 maanden rond te komen totdat de appels rijp zijn.43.
Op 6 september 2011 omstreeks 18:22 uur belt [veroordeelde] naar [naam 2] . Het gesprek gaat over onenigheid tussen [naam 2] en [persoon 11] . [naam 2] zegt dat [persoon 11] bepaalde percentages wil van de opbrengst. [naam 2] zegt: “De winkel mag op mijn naam blijven. Ik wil mijn 40 procent en jullie mogen zelf met [persoon 11] een en ander afspreken.”44.Omstreeks 18:32 uur belt [veroordeelde] naar [persoon 5] en zegt: “Hij zegt geven jullie maar 40 procent dan moeten jullie zelf weten wat jullie [persoon 11] geven.” [veroordeelde] vraagt of zij nu met [persoon 11] moeten gaan afspreken. [persoon 5] zegt laat [persoon 11] samen met [naam 2] naar ons toe komen.45.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voldoende aanwijzingen dat deze hennepkwekerij werd geëxploiteerd door de criminele organisatie in Colt II, waaraan [veroordeelde] samen met [persoon 5] leiding gaf, én dat door hen daaruit voordeel is getrokken. Aangezien beiden niets hebben verklaard over een onderlinge verdeling, gaat de rechtbank uit van een pondspondsgewijze verdeling.
Uit de tapgesprekken kan worden opgemaakt dat de kwekerij in juli 2011 is gestart. Het dossier bevat echter geen aanwijzingen wanneer deze weer is ontmanteld. De rechtbank gaat daarom, anders dan de officier van justitie, uit van één oogst met 286 planten.
De bruto opbrengst bedraagt dan 286 planten x 28,2 gram x € 3,28 = € 26.453,86.
Daarop moeten de kosten in mindering worden gebracht van € 2.489,48 (afschrijving € 150,- plus per plant inkoop € 2,85, variabele kosten € 3,33 en knipkosten € 2,-).
De netto opbrengst van een oogst is dan € 23.964,38. Daarvan wordt de helft toegerekend aan [veroordeelde] , dus € 11.982,19.
4.4.5
Hennepkwekerij [adres 5] (zaaksdossier [hennepkwekerij 6] )
Op 14 juni 2011 is in een woning aan het [adres 5] een hennepkwekerij aangetroffen met in totaal 242 volgroeide hennepplanten. [veroordeelde] is door het hof veroordeeld als medepleger van het telen van hennep in dit pand, met een aantal anderen.
De officier van justitie gaat ervan uit dat er een eerdere oogst heeft plaatsgevonden die wederrechtelijk voordeel heeft opgeleverd. [veroordeelde] heeft dit betwist.
De rechtbank gaat er, op grond van de bewijsmiddelen, van uit dat deze kwekerij in april 2011 is opgebouwd, waardoor er gezien het tijdsverloop geen eerdere oogst kan zijn geweest. De officier van justitie heeft gesteld dat uit tapgesprekken op 18 en 19 april 2011 tussen [veroordeelde] en [persoon 12] (de huurder) kan worden afgeleid dat [persoon 12] in april de restanten van de vorige kweek heeft opgeruimd en voorbereidingen heeft getroffen voor het plaatsen van nieuwe stekken.
De rechtbank volgt de officier van justitie hierin niet, omdat de tapgesprekken naar haar oordeel voor meerdere uitleg vatbaar zijn, zodat daaruit niet buiten redelijke twijfel de conclusie kan worden getrokken dat er een eerdere oogst is geweest.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er dan ook onvoldoende aanwijzingen dat [veroordeelde] voordeel heeft genoten uit deze hennepkwekerij.
4.5
Schatting totale wederrechtelijk verkregen voordeel
Concluderend wordt het totale door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel door de rechtbank geschat op € 812.035,13.
4.3.3 | Hennephandel | € 560.141,30 |
4.4.1 | Hennepkwekerij [plaats 3] | € 17.717,41 |
4.4.2 | Hennepkwekerij [plaats 4] | € 212.676,84 |
4.4.3 | Hennepkwekerij [plaats 5] | € 9.517,40 |
4.4.4 | Hennepkwekerij [plaats 1] | € 11.982,19 |
Totaal | € 812.035,13 |
4.6
Vaststelling ontnemingsbedrag
4.6.1
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechter-commissaris heeft op 6 januari 2012 een machtiging verleend voor een strafrechtelijk financieel onderzoek. Op grond van artikel 126a, lid 4, Wetboek van Strafvordering moet dan bij het eerste verhoor een afschrift van de vordering en machtiging aan [veroordeelde] ter hand worden gesteld. Hoewel dit niet blijkt uit het verhoor van [veroordeelde] op 2 mei 2012, gaat de rechtbank ervan uit dat dit wel is gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank dient dan ook deze datum als aanvangsdatum voor de redelijke termijn inzake de ontnemingsvordering te worden genomen.
Deze uitspraak is op 16 december 2021, dat is ruim 9,5 jaar later. In de strafzaak is de redelijke termijn bepaald op 2,5 jaar. De rechtbank ziet geen reden om daar in deze ontnemingsprocedure anders over te denken. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim 7 jaar is overschreden. Deze overschrijding dient te leiden tot een korting op het ontnemingsbedrag.
Volgens vaste jurisprudentie bedraagt die korting in beginsel niet meer dan € 5.000,-. Omdat hier sprake is van een uitzonderlijk lange overschrijding, bepaalt de rechtbank de korting op € 10.000,-.
4.6.2
Conclusie
De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op € 802.035,13 en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen.
5. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
6. De beslissing
De rechtbank:
- -
stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 812.035,13;
- -
legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van € 802.035,13, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- -
bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 1080 dagen;
- -
wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Breeman, voorzitter, mr. M. van de Wetering en mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H.J.E.M. Hoezen en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 december 2021.
De griffier is niet in de gelegenheid om dit vonnis te ondertekenen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑12‑2021
Met de hieronder vermelde paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar pagina’s van het Onderzoek Colt SFO.Pagina 2 rapport berekening ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel [bedrijf 1] B.V.
Pagina 1684 en 1685 (vertaling)
Arrest gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 5 maart 2020 in de zaak tegen [medeverdachte 1] , parketnummer 20-000805-18, pagina 6
Pagina 525
Pagina 529-531
Pagina 444 en 475
Pagina 445
Pagina 513-514
Pagina 491
Arrest gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 5 maart 2020 in de zaak tegen [medeverdachte 1] , parketnummer 20-000805-18, pagina 61-62
Pagina 532-533
Pagina 534
Pagina 539-540
Pagina 582
Pagina 427-429
Pagina 574
Pagina 434
Pagina 2 rapport berekening ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel [bedrijf 1] B.V.
Arrest Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 maart 2020 in de zaak tegen [medeverdachte 1] (parketnummer 20-000805-18), rechtsoverweging 4.8.
Zaaksdossier [hennepkwekerij 1] , p. 37-39, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier [hennepkwekerij 1] , p. 31-34, proces-verbaal verhoor verdachte
Pagina 91
Pagina 91
Zaaksdossier Sepia, p. 964-969, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Sepia, p. 774-776, proces-verbaal van bevindingen, gesprek met de getuigen [persoon 7] en [persoon 6]
Zaaksdossier Sepia, p. 401, proces-verbaal bevindingen analyse historische verkeersgegevens, betreffende [telefoonnummer 1]
Zaaksdossier Sepia, p. 1006, proces-verbaal verhoor verdachte
Zaaksdossier Sepia, p. 427, tapgesprek TT04-161
Zaaksdossier Sepia, p. 429, tapgesprek TT04-3385
Zaaksdossier Sepia, p. 937, tapgesprek 37
Pagina 92
Zaaksdossier Sepia, p. 1011
Pagina 93
Pagina 94
Pagina 94
Zaaksdossier [hennepkwekerij 5] , p. 111-112, verhoor getuige [persoon 13] , p. 114, proces-verbaal verhoor verdachte [persoon 9] en p. 155-157 akte van indeplaatsstelling
Pagina 95
Zaaksdossier Sepia, p 798, proces-verbaal forensische opsporing, doorzoeking
Pagina 98
Zaaksdossier Sepia, p. 50, proces-verbaal zaaksdossier Sepia
Zaaksdossier Sepia, p. 441, tapgesprek TT07-1183
Zaaksdossier Sepia, p. 443, tapgesprek TT07-1204
Zaaksdossier Sepia, p. 444, tapgesprek TT06-2455
Zaaksdossier Sepia, p. 445, tapgesprek TT07-1748
Zaaksdossier Sepia, p. 446, tapgesprek TT16-1335
Uitspraak 20‑02‑2018
Inhoudsindicatie
Verdachte heeft gedurende ruim een jaar leiding gegeven aan een criminele drugsorganisatie, die zich bezig beroepsmatig bezig hield met de handel in hennep en exploitatie van hennepkwekerijen.
Partij(en)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/984812-11
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 februari 2018
in de strafzaak tegen
[Verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] ,
wonende te [straatnaam 1] , [woonplaats] ,
bijgestaan door mr. B. Nooitgedagt en mr. D. Bektesevic, advocaten te Amsterdam.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 30 oktober 2017, 13 november 2017, 16 november 2017, 6 december 2017, 22 januari 2018 en 6 februari 2018, waarbij de officieren van justitie, mr. Lemstra en mr. Jansen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat
feit 1
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 januari 2012 te Tilburg en/of Rijen, gemeente Gilze-Rijen en/of 's-Hertogenbosch en/of Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, althans een ander, in de uitoefening van een beroep of bedrijf (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad in meerdere panden in Nederland grote aantallen hennepplanten en/of delen daarvan en/of grote hoeveelheden hennep, te weten (onder andere):
- ( in een pand gelegen aan de [straatnaam 2] te Tilburg) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan (zaaksdossier Bosuil) en/of
- ( in een pand gelegen aan de [straatnaam 3] te 's-Hertogenbosch) 321, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan (zaaksdossier Buizerd) en/of
- ( in een pand gelegen aan het [straatnaam 1] 49 te Tilburg) 27,4 kilo, althans een grote hoeveelheid, hennep en/of delen daarvan (zaaksdossier Eekhoorn) en/of
- ( in een pand gelegen aan de [straatnaam 4] te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal) (in totaal) 1588, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan (zaaksdossier Leeuw) en/of
- ( in een pand gelegen aan het [straatnaam 5] te Tilburg) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan (zaaksdossier Mus) en/of
- ( in een pand gelegen aan de [straatnaam 6] te Gorinchem) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan (zaaksdossier Valk)
in elk geval (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 januari 2011 tot en met 24 januari 2012 te Tilburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans een ander, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en), in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, danwel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a
van die wet;
(zaaksdossiers Jaguar en Adder)
feit 3
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 januari 2012 te Waalwijk en/of Tilburg en/of Drunen en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen, waartoe onder meer behoorden [medeverdachte 1] (geb. [geboortedag medeverdachte 1] -1980) en/of [medeverdachte 2] (geb. [geboortedag medeverdachte 2] -1961) en/of [medeverdachte 3] (geb. [geboortedag medeverdachte 3] -1982) en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of een of meer andere personen, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) opzettelijk
- telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken van hennep en/of
- verkopen en/of af leveren en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep en/of
- aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep,
zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,
aan welke organisatie verdachte leiding heeft gegeven;
(zaakdossier Sepia)
feit 4
A.
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 24 januari 2012, te Tilburg althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) van een voorwerp, te weten een of meer geldbedragen (in totaal ongeveer 550.000 euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats,
de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, was of wie bovenomschreven voorwerp, te weten een of meer geldbedragen (in totaal ongeveer 550.000 euro), voorhanden had, terwijl hij wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) zogenaamde (valse) leningsovereenkomst(en) opgesteld en aldus een legale herkomst aan genoemde geldbedragen heeft/hebben gegeven;
en/of
B.
hij op of omstreeks 24 juni 2011 in de gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), in elk geval alleen, een of meer voorwerp(en), te weten een geldbedrag van ongeveer 33.800,- euro heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van bovengenoemde(e) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
(zaaksdossiers Withoen en Meeuw)
feit 5
hij op of omstreeks 24 januari 2012 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Gang van zaken uitlevering
De verdediging heeft niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit, omdat de vereiste stukken voor de uitlevering vanuit Oekraïne ontbreken, wat een schending is van het Europees Verdrag betreffende uitlevering uit 1957 (Europees Uitleveringsverdrag). Daartoe is aangevoerd dat de stukken (in het Russisch) aan verdachte zijn overhandigd en met hem zijn meegekomen vanuit Oekraïne, maar dat deze niet via de verdragsrechtelijke weg aan de Nederlandse autoriteiten zijn overhandigd. Daardoor is de authenticiteit en juistheid van deze stukken niet controleerbaar en toetsbaar, zodat niet kan worden vastgesteld of de uitlevering door (de bevoegde autoriteiten van) Oekraïne is toegestaan en onder welke voorwaarden. Hierdoor kan ook niet worden getoetst aan het specialiteitsbeginsel, zodat het ervoor moet worden gehouden dat vervolging voor alle feiten op de tenlastelegging in strijd is met het specialiteitsbeginsel.
De officieren van justitie bestrijden dat de vereiste stukken ontbreken. Uit de stukken blijkt dat is voldaan aan de eisen van het Europees Uitleveringsverdrag en dat dit controleerbaar en toetsbaar is. De stukken zijn met verdachte meegekomen uit Oekraïne en uit de stempels etc. blijkt dat deze afkomstig zijn van de Oekraïense autoriteiten.
In het dossier (RHD-dossier, 1e aanvulling) bevinden zich diverse stukken in het Russisch, die blijkens de vertalingen betrekking hebben op de (procedure tot) uitlevering van verdachte, en zijn voorzien van stempels en handtekeningen van de Oekraïense autoriteiten. Dit betreft onder andere een beslissing van het Borispil stadsregiogerechtshof in de Kiev-regio van 15 februari 2012, een beslissing van 7 maart 2012 van de Sjevtsjenkivski arrondissementsrechtbank in de stad Kiev en een bevel tot uitlevering van 30 maart 2012 aan Nederland door de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie in de regio Kiev. Verder bevat het dossier een brief, gedateerd 19 april 2012, in het Russisch met een Engelse vertaling, van de ‘Prosecutor General of Ukraine’ aan het ‘Ministry of Security and Justice’ van het ‘Kingdom of Netherlands’ waarin wordt meegedeeld dat is besloten om verdachte uit te leveren, met het verzoek hem over te nemen voor 30 mei 2012. Blijkens de afdruk onderaan deze brief is deze op 20 april 2012 per fax verzonden.
De enkele omstandigheid dat deze stukken voor het merendeel niet via een schriftelijke weg naar Nederland zijn gekomen, maar met verdachte zijn meegegeven bij zijn feitelijke uitlevering, is onvoldoende reden om te twijfelen aan de authenticiteit daarvan. Uit deze documenten blijkt voldoende op welke wijze het Nederlandse uitleveringsverzoek door de Oekraïense autoriteiten is behandeld én dat de uitlevering door de daartoe bevoegde Oekraïense autoriteiten is toegestaan voor vervolging voor de in het uitleveringsverzoek vermelde feiten. Anders dan de verdediging stelt, is toetsing aan het specialiteitsbeginsel dus wel degelijk mogelijk. Dit verweer wordt dan ook verworpen.
Specialiteitsbeginsel
De officieren van justitie en de verdediging stellen beide dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging voor feit 5 (voorhanden hebben van cocaïne) wegens strijd met het specialiteitsbeginsel, nu voor dit feit niet om uitlevering is verzocht.
Anders dan de officieren van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het specialiteitsbeginsel niet in de weg staat aan vervolging voor feit 5.
In artikel 14 van het Europees Uitleveringsverdrag is de regeling van het specialiteitsbeginsel neergelegd. Ingevolge het eerste lid wordt een uitgeleverde persoon niet vervolgd of berecht wegens enig ander voor de overlevering begaan feit dan dat hetwelk de reden tot uitlevering is geweest. Op deze hoofdregel bestaan echter uitzonderingen, die ook in het eerste lid van artikel 14 zijn beschreven:
a. a) wanneer de Partij die hem uitgeleverd heeft, erin toestemt. […];
b) wanneer de uitgeleverde persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen de 45 dagen die op zijn definitieve invrijheidstelling volgden, het grondgebied van de Partij aan welke hij was uitgeleverd, heeft verlaten of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarin is teruggekeerd.
De rechtbank overweegt dat in dit geval uitzondering b van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank moet opheffing van de voorlopige hechtenis worden aangemerkt als ‘definitieve invrijheidstelling’ als bedoeld in deze bepaling. Een verdachte is na die opheffing immers vrij om te gaan en te staan waar hij wil en hij kan dus ook het grondgebied van het land waarnaar hij is uitgeleverd, in dit geval Nederland, verlaten. De rechtbank vindt hiervoor steun in het Explanatory report bij het Vierde Aanvullende Protocol bij het Europees Uitleveringsverdrag, waarin onder nummer 38 over de uitleg van het begrip definitieve invrijheidstelling is vermeld: “The expression "final discharge" […] means that the person's freedom to leave the country is no longer subject to any restriction deriving directly or indirectly from the sentence.” Verder wijst de rechtbank nog op een beslissing van het Duitse Bundesgerichtshof van 9 februari 2012, 1 StR 148/11, dat in een vergelijkbaar geval oordeelde dat met de opheffing van de voorlopige hechtenis sprake was van definitieve invrijheidstelling (Rn 25). Dat de strafzaak waarvoor de uitlevering is toegestaan nog niet onherroepelijk is afgesloten, is niet relevant (Rn 30). Sinds de opheffing van zijn voorlopige hechtenis in 2015 woont verdachte volgens zijn eigen verklaring ter zitting afwisselend in Nederland en België. Daarmee is in ieder geval voldaan aan het laatste onderdeel van uitzondering b: nadat verdachte het grondgebied van Nederland heeft verlaten, is hij daarin weer teruggekeerd. Daarmee is het specialiteitsbeginsel dus niet meer op hem van toepassing.
Detentieomstandigheden in Oekraïne
De verdediging stelt dat verdachte in de gevangenis in Oekraïne is blootgesteld aan ziektes als TBC en ook aan afpersing en geweld, omdat bekend was gemaakt dat hij vast zat voor drugshandel. Het was destijds een feit van algemene bekendheid dat de mensenrechten in Oekraïne en in het bijzonder de detentieomstandigheden strijdig waren met artikel 3 van het EVRM (verbod van foltering). Nu bekend was dat de detentieomstandigheden ronduit vernederend en onmenselijk waren, had het OM niet mogen vragen om uitlevering, omdat verdachte daardoor daaraan blootgesteld zou worden. Het verzoek om uitlevering voor deze feiten was onrechtmatig en in strijd met de goede procesorde. Dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.
De officieren van justitie hebben in reactie hierop gesteld dat verdachte er zelf voor heeft gekozen om naar Oekraïne te reizen, terwijl hij wist dat hij in Nederland werd gezocht voor strafbare feiten. Voor die keuze en de gevolgen daarvan is het Openbaar Ministerie niet verantwoordelijk.
Artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) luidt als volgt: Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of er in dit geval sprake is geweest van een schending van artikel 3 EVRM. In dit verband kent de rechtbank in het bijzonder betekenis toe aan het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 15 mei 2012, Kaverzin vs. Oekraïne (application no. 23893/03). In die zaak concludeert het EHRM dat er sprake is van schending van artikel 3 EVRM, waarbij het zich onder meer baseert op diverse rapporten over schending van mensenrechten in Oekraïne bij “police custody”. Hoewel dit arrest en de rapporten waarop het is gebaseerd niet specifiek zien op uitleveringsdetentie, is de rechtbank er wel van overtuigd dat de detentieomstandigheden in Oekraïne in 2012 in het algemeen slecht waren en dat veelvuldig sprake was van schending van artikel 3 EVRM. Verdachte heeft zijn stelling dat hij is bedreigd en afgeperst, en heel slecht is behandeld niet onderbouwd met stukken en/of getuigenverklaringen, maar bezien in het licht van het EHRM-arrest, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat er tijdens zijn uitleveringsdetentie sprake is geweest van schending van artikel 3 EVRM, zij het dat de exacte ernst daarvan niet kan worden vastgesteld.
Gelet op bovengenoemd arrest (en de rapporten waarop het is gebaseerd) is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse autoriteiten er ook van op de hoogte waren of in elk geval hadden kunnen en moeten zijn dat de detentieomstandigheden in Oekraïne van dien aard waren dat schending van artikel 3 EVRM dreigde. Door aan Oekraïne om uitlevering van [Verdachte] te vragen heeft het openbaar ministerie hem daaraan blootgesteld. Dat hij zelf naar Oekraïne is gereisd doet naar het oordeel van de rechtbank op zich niet af aan deze (mede)verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie, maar speelt wel een rol bij de vraag of dit tot niet-ontvankelijkheid moet leiden.
De vraag is of een dreigende schending van artikel 3 EVRM voor het openbaar ministerie een beletsel had moeten zijn om aan Oekraïne om uitlevering te vragen. Daarbij spelen de volgende aspecten een rol:
- -
de aard en ernst van de verdenking, namelijk grootschalige hennepteelt, witwassen en deelname aan een criminele drugsorganisatie (proportionaliteit)
- -
de periode van uitleveringsdetentie is uit haar aard niet zo lang (proportionaliteit)
- -
de mogelijkheden om verdachte op een andere wijze aan te houden (subsidiariteit).
Wat dat laatste betreft gaat de rechtbank ervan uit dat [Verdachte] wist dat hij in Nederland gezocht werd. Hij heeft weliswaar gesteld dat hij via zijn advocaat had gemeld naar Nederland terug te keren, maar dat is niet onderbouwd en ieder geval feitelijk niet geschied. Omdat Turkije geen onderdanen uitlevert, was een uitleveringsverzoek aan Oekraïne voor het openbaar ministerie praktisch gezien de enige mogelijkheid om [Verdachte] aan te houden.
De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het openbaar ministerie gezien de (te verwachten) detentieomstandigheden in Oekraïne en een dreigende schending van artikel 3 EVRM, afgezet tegen aard en ernst van de verdenking, niet om uitlevering mocht vragen. De feitelijke schending van het EVRM is ook niet dermate ernstig dat dit tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie dient te leiden, mede in aanmerking genomen dat [Verdachte] er zelf voor heeft gekozen naar Oekraïne te gaan - terwijl hij wist dat hij in Nederland gezocht werd - en dus zelf dit risico heeft genomen.
De rechtbank ziet hierin dan ook geen grond om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren. Wel zal de rechtbank bij de strafoplegging rekening houden met de schending van artikel 3 EVRM door de detentieomstandigheden in Oekraïne.
Start onderzoek
Door de verdediging is betoogd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, doordat zonder redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit zware dwangmiddelen c.q. opsporingsmethoden zijn ingezet, te weten zeer langdurige telefoontaps en stelselmatige observatie. Bovendien is aan de rechter-commissaris informatie onthouden, namelijk dat [Verdachte] niet voorkwam in het onderzoek Patrijshond. Dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, dan wel tot bewijsuitsluiting van alle resultaten van dit onrechtmatig optreden en de vruchten daarvan.
De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat er wel degelijk een redelijk vermoeden van schuld was, dat ook voldoende grondslag was voor het inzetten van BOB-middelen, zoals ook blijkt uit de beslissingen van de rechter-commissaris. Zij bestrijden dat er informatie is onthouden aan de rechter-commissaris.
De rechtbank stelt vast dat de gang van zaken in het onderzoek als volgt was: er was eerder informatie bij de politie bekend waaruit een verdenking ontstond jegens [naam 1] . Dit heeft geleid tot het starten van het onderzoek Patrijshond op 3 februari 2011. In dat kader was er een proces-verbaal met CIE-informatie d.d. 1 februari 2011, waarin het bedrijf [naam bedrijf 1] werd genoemd in relatie tot [naam 1] . [naam 2] en [naam 3] zijn in dat onderzoek ook naar voren gekomen, maar niet aangemerkt als verdachten. In een overleg op 9 maart 2011, met onder andere de officier van justitie, is besloten om een apart onderzoek te starten naar [naam 2] , [naam 3] en [naam bedrijf 1] . Vervolgens is op 10 maart 2011 aan de CIE gevraagd om beschikbare informatie te verstrekken die betrekking had op [naam 3] en [naam 2] . Daarop zijn diezelfde dag drie processen-verbaal met CIE-informatie verstrekt.
Die drie processen-verbaal bevatten de volgende informatie, die als betrouwbaar is aangemerkt:
- -
“Bij het autobedrijf [naam bedrijf 1] van [naam 3] in Tilburg wordt hennep ingekocht en verkocht. De te verkopen hennep ligt opgeslagen in auto's die buiten bij het autobedrijf staan.”
- -
“Vanuit het pand van [naam bedrijf 1] te Tilburg worden dagelijks partijen hennep verhandeld. [naam 3] , bijgenaamd [bijnaam van naam 3] , maakt daar de dienst uit.”
- -
" [naam 2] die een garagebedrijf heeft aan de [straatnaam 7] in Tilburg, genaamd [naam bedrijf 1] , koopt grote hoeveelheden wiet op. Dat doet hij al enige tijd en gaat daar ook gewoon mee door. Achter het garagebedrijf aan de [straatnaam 7] staat een hok waar alles wordt opgeslagen. Als mensen wiet komen afleveren, dan moet je naast het bedrijf een hek door rijden naar het hok achter het bedrijf waar alles op wordt geslagen. Aan de achterzijde van het bedrijf hangen geen camera's, aan de voorzijde wel. [naam 2] werkt samen met [Verdachte] en diens compagnon [medeverdachte 2] uit Tilburg."
Vervolgens kwam uit de politiesystemen aanvullende informatie naar boven over mogelijke betrokkenheid van de genoemde personen bij eerdere drugsdelicten:
- -
In januari 2010 was in het bedrijf van [naam bedrijf 1] ongeveer 78 kilo hennep aangetroffen, waarvoor [naam 2] en [naam 3] waren aangehouden en als verdachten aangemerkt. (Deze zaak is inmiddels gevoegd bij het Colt-onderzoek.)
- -
[naam 2] is eigenaar van een pand aan de [straatnaam 8] te Tilburg, waar in juni 2010 een hennepkwekerij was aangetroffen.
- -
In januari 2011 was in een pand van [Verdachte] aan de [straatnaam 2] te Tilburg een hennepkwekerij ontmanteld en werd [Verdachte] als verdachte aangemerkt.
Ook bleek uit het handelsregister van de KvK dat [naam 2] en [naam 3] eigenaren/bestuurders waren van [naam bedrijf 1] en dat [Verdachte] een voormalig eigenaar/bestuurder was van dit bedrijf.
Naar het oordeel van de rechtbank kan aan de CIE-informatie, aangevuld met de overige informatie, een redelijk vermoeden worden ontleend dat [naam 2] , [naam 3] , [Verdachte] en [naam bedrijf 1] zich schuldig maakten aan handel in hennep. De enkele omstandigheid dat [Verdachte] in het onderzoek Patrijshond niet voorkwam en maar éénmaal is genoemd in de CIE-informatie doet daar niet aan af. De verdenking jegens hem moet worden bezien in samenhang met de verdenking tegen de anderen. Bovendien was er een zeer recente verdenking in verband met een hennepkwekerij.
Deze verdenking vormt naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende grondslag voor de inzet van BOB-middelen als telefoontaps en stelselmatige observatie. Aangezien de verdenking gedurende het onderzoek alleen maar sterker is geworden, zijn deze opsporingsmethoden ook langdurig ingezet.
Anders dan de verdediging suggereert, is geen sprake geweest van misleiding van de rechter-commissaris door het achterhouden van informatie. Dat [Verdachte] niet voorkwam in het onderzoek Patrijshond is geen essentiële informatie die een ander licht op de zaak werpt, zodat niet kan worden gezegd dat deze informatie ten onrechte aan de rechter-commissaris is onthouden.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim bij de start van het onderzoek, zodat ook dit verweer wordt verworpen.
De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
4.1
Het standpunt van de officieren van justitie
Feit 1 (zaaksdossiers Bosuil, Buizerd, Eekhoorn, Leeuw, Mus en Valk)
De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat [Verdachte] zich aan het onder 1 ten laste gelegde feit schuldig heeft gemaakt, te weten het medeplegen van het telen, bereiden, bewerken, verwerken en aanwezig hebben van:
- 414 hennepplanten in een pand aan de [straatnaam 2] te Tilburg (Bosuil)
- 321 hennepplanten in een pand aan de [straatnaam 3] te Den Bosch (Buizerd)
- 27,4 kg henneptoppen in een pand aan het [straatnaam 1] te Tilburg (Eekhoorn);
- 1588 hennepplanten in een pand aan de [straatnaam 4] (Leeuw)
- 242 hennepplanten in een pand aan het [straatnaam 5] te Tilburg (Mus)
- 32,5 kg hennep in een pand aan de [straatnaam 6] te Gorinchem (Valk)
in de uitoefening van een beroep of bedrijf gepleegd.
De officieren van justitie baseren zich daarbij op de processen-verbaal waarin het aantreffen van de hennepkwekerijen c.q. -drogerij wordt gerelateerd, de tapgesprekken en de observaties alsmede de verklaring van [medeverdachte 4] afgelegd bij de politie in zaaksdossier Bosuil en de verklaringen van [naam 4] (zaaksdossiers Buizerd en Valk) en [naam 5] (zaaksdossier Valk).
Feit 2 (zaaksdossiers Jaguar en Adder)
Jaguar
De officieren van justitie achten, gelet op de tapgesprekken en de verklaringen die zijn afgelegd door [medeverdachte 3] , [naam 6] en [naam 7] , het medeplegen van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van telkens meer dan 30 gram hennep bewezen.
Het gaat hierbij om de maand april 2011.
Adder
De officieren van justitie achten, gelet op de tapgesprekken, de camerabeelden en de betrokkenheid van [Verdachte] bij het exploiteren van de hennepkwekerijen, bewezen dat [Verdachte] in de maand juli 2011, samen met anderen, hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep heeft verkocht, afgeleverd en/of verstrekt aan [naam bedrijf 1] en de hennep daar naar toe heeft vervoerd en daar aanwezig heeft gehad.
Feit 3 (zaaksdossier Sepia)
Volgens de officieren van justitie is voldaan aan de voorwaarden voor het aannemen van een criminele organisatie en kan dit feit worden bewezen. Er is sprake van een organisatiestructuur en een duurzaam samenwerkingsverband. De organisatie heeft tot doel om op verschillende locaties, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, hennepkwekerijen te exploiteren en in hennep te handelen. De deelnemers hebben ieder hierin hun eigen aandeel. [Verdachte] voert de regie, geeft opdrachten en stuurt anderen aan. Hij heeft contact met en geeft opdrachten aan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , maar ook aan de katvangers. Met hem wordt besproken welke materialen er moeten komen, wie welke werkzaamheden uitvoert en hoe de planten gevoed moeten worden. Het is [Verdachte] die bij verschillende kwekerijen de vinger aan de pols houdt en informeert naar de stand van zaken. Hij is ook zelf actief betrokken bij het inrichten, onderhouden en oogsten van de kwekerijen, het kopen en toedienen van voedingsmiddelen en de handel in hennep. [Verdachte] en [medeverdachte 2] hebben onderling continue overleg over de gang van zaken bij de kwekerijen en over de handel in hennep. Zij zijn duidelijk de bepalende spelers in de organisatie. Op de momenten dat een kwekerij wordt opgerold, worden zij als eerste geïnformeerd.
Feit 4 (zaaksdossiers Withoen en Meeuw)
De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat [Verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan:
- ( A) het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van € 430.000,- in de periode van 1 januari 2007 tot en met 27 november 2008;
- ( B) het witwassen van een geldbedrag van € 33.800,-.
Zij baseren zich daarbij op het politieonderzoek, de resultaten van het rechtshulpverzoek aan Turkije en de verklaringen van verdachte zelf.
In de administratie van [naam bedrijf 1] zijn zeven Turkse leenovereenkomsten met een totaalbedrag van € 430.000,- verwerkt die betrekking hebben op de periode dat verdachte directeur was van [naam bedrijf 1] . Nu volgens de officieren van justitie vast is komen staan dat het geld niet geleend is van de Turkse leningverstrekkers op wiens namen de overeenkomsten staan en noch door [Verdachte] noch door anderen aannemelijk is gemaakt dat het geld dat door deze schijnconstructie in [naam bedrijf 1] is gepompt een legale herkomst heeft, achten zij het medeplegen van witwassen bewezen. De officieren van justitie betrekken hierbij niet alleen het feit dat [Verdachte] directeur was, maar ook dat hij volgens [naam 8] aanwezig was bij het overleg toen de schijnovereenkomsten ter sprake werden gebracht en het plan hiervoor werd opgezet.
Nu ook de verklaring van [Verdachte] over de herkomst van het bedrag van € 33.800,- aantoonbaar onjuist is kan het volgens de officieren van justitie niet anders zijn dan dat dit geld afkomstig is uit enig misdrijf.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat er over dient te worden gegaan tot integrale bewijsuitsluiting van alle resultaten van het onrechtmatig optreden van politie en justitie en de vruchten daarvan, zodat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De verdediging verzoekt [Verdachte] dan ook vrij te spreken.
De verdediging verzoekt ook te bepalen dat de bron(nen) die ten grondslag liggen aan de informatie in de processen-verbaal van de CIE, als getuige worden gehoord. Reeds door dit verzoek is het gebruik tot het bewijs van de CIE-informatie volgens de verdediging uitgesloten. De tapgesprekken worden volgens de verdediging in het “frame” geplaatst van de tenlastegelegde feiten en toegeschreven naar de concreet genoemde zaaksdossier. De verdediging verzoekt voorts geen acht te slaan op de gesprekken die gevoerd zijn met de nummers die door middel van stemherkenning aan [Verdachte] zijn gelinkt, aangezien de stemherkenning niet door een specifieke deskundige is verricht en nogal summier is gemotiveerd alsmede met de gesprekken via de taplijnen TT-16, TT-41 en TT-42, nu niet duidelijk is hoe deze aan [Verdachte] worden toegeschreven.
De verdediging betoogt verder dat er ten onrechte wordt getracht zogenaamde witwastypologieën als bewijs op te voeren.
Feit 1 (zaaksdossiers Bosuil, Buizerd, Eekhoorn, Leeuw, Mus en Valk)
De verdediging wijst ten aanzien van de specifieke zaaksdossiers – kort samengevat – nog op het volgende.
Bosuil
Op geen enkele wijze is de betrokkenheid van [Verdachte] af te leiden uit dit zaaksdossier.
Buizerd/Valk
Uit de tapgesprekken kan niet worden afgeleid dat [Verdachte] de grote organisator is. Voor zover de taps al kunnen worden toegeschreven aan deze adressen, blijkt daaruit nog niet het medeplegen aan de zijde van [Verdachte] . Er kan hooguit uit blijken dat [Verdachte] op de hoogte was van de kwekerijen en dat er een faciliterende rol is geweest, maar van een nauwe en bewuste samenwerking blijkt niet, terwijl hij evenmin zelf alle delictsbestanddelen heeft vervuld.
De 32,5 kilo hennep in de zaak Valk betrof natte hennep en bij de strafoplegging dient uit te worden gegaan van een netto gewicht van 6,5 kilo.
Eekhoorn
[Verdachte] is geen pleger of medepleger van de hennepteelt. Uit de taps en observatie zou hooguit de wetenschap van een hennepkwekerij kunnen worden afgeleid. De enkele omstandigheid dat gesproken wordt over het regelen van knippers is eerder een handeling die ziet op medeplichtigheid dan op medeplegen. Contacten die na de inval zouden hebben plaatsgevonden zeggen ook niets over het plegen of medeplegen.
Leeuw
Veel tapgesprekken worden gekoppeld aan de kwekerij aan de [straatnaam 4] , terwijl niet buiten redelijke twijfel staat dat het om deze kwekerij zou gaan. Dat [Verdachte] bij het pand wordt herkend is onvoldoende voor een bewezenverklaring. Dat zegt op zichzelf immers niets over dat hij pleger of medepleger is van het telen van de hennep. De tapgesprekken die plaatsvinden na de inval van de politie zijn niet redengevend voor het (mede)plegen van [Verdachte] , er wordt hooguit getracht mensen uit de wind te houden.
Mus
Voor zover [Verdachte] al betrokken is bij deze kwekerij, moet de betrokkenheid niet in de sfeer van (mede)plegen worden gezocht. Het vervullen van een faciliterende rol is daartoe onvoldoende. Er is behoedzaamheid geboden bij het uitleggen van de taps.
Feit 2 (zaaksdossiers Jaguar en Adder)
De verdediging betoogt dat [Verdachte] in ieder geval dient te worden vrijgesproken van de periode januari tot en met maart 2011 en augustus tot en met januari 2012. Uit de tapgesprekken kan, voor zover deze al aan [Verdachte] toegerekend kunnen worden, volgens de verdediging niet worden afgeleid dat hij medepleger is van de handel van hennep. Er wordt in de taps niet gesproken over hennep en het volgt ook overigens nergens uit dat er sprake is van handel in hennep.
Feit 3 (zaaksdossier Sepia)
Er is geen sprake van een stelselmatig en gestructureerd samenwerkingsverband, aldus de verdediging.
Feit 4 (zaaksdossiers Withoen en Meeuw)
Withoen
De verdediging wijst op het feit dat de lening van € 70.000,- is gedateerd op 3 januari 2007, en [Verdachte] pas op 12 april 2007 als bestuurder tot [naam bedrijf 1] is toegetreden, zodat hij ten aanzien hiervan dient te worden vrijgesproken. Verder betoogt de verdediging dat er sprake is van een legale herkomst van de gelden. Iedereen verklaart gelijkluidend dat het geld hoofdzakelijk komt uit de opbrengsten van het bedrijf dat de [familienaam] bezit. Diverse getuigen verklaren dat [naam 2] het geld van hen heeft geleend. Dat de administratie niet volgens de regelen der kunst werd bijgehouden, betekent niet dat het geld niet door de [familienaam] is uitgeleend. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat het geld is uitgeleend door familieleden uit een land waar familiaire betrekkingen – in het algemeen – anders zijn dan hier en waar betalingen met grote sommen contant geld aan de orde van de dag zijn. Voor zover de leningen al vals zouden zijn, maakt de enkele omstandigheid dat [Verdachte] formeel bestuurder was van het bedrijf nog niet dat hij (voorwaardelijk) opzet had op het witwassen van die bedragen.
Meeuw
De in het dossier gerelateerde gesprekken en handelingen die na de inbeslagname van het onderhavige geld hebben plaatsgevonden zijn volgens de verdediging niet redengevend voor de conclusie dat deze gelden afkomstig zijn van een misdrijf. Er is sprake van een geldlening en de verklaarde bestemming voor die gelden vindt steun in de tapgesprekken en in de verklaring van de geldlener en de getuige [naam 9] .
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
Inleiding
Op 10 maart 2011 is het opsporingsonderzoek Colt gestart naar aanleiding van drie processen-verbaal met CIE-informatie, die alle drie als betrouwbaar werden aangemerkt. Die informatie hield - kort samengevat - in dat al enige tijd dagelijks partijen hennep worden verhandeld bij het autobedrijf [naam bedrijf 1] aan de [straatnaam 7] in Tilburg, van [naam 3] , bijgenaamd [bijnaam van naam 3] , en [naam 2] , die samenwerkt met [Verdachte] en diens compagnon [medeverdachte 2] Opslag vindt plaats achter het garagebedrijf.
Het onderzoek heeft zich in eerste instantie gericht op het bedrijf [naam bedrijf 1] , diens eigenaren [naam 2] en [naam 3] , en [Verdachte] , en was gericht op handel in hennep. Gaandeweg is het onderzoek uitgebreid naar andere personen die betrokken waren bij [naam bedrijf 1] ; deze personen zijn onderdeel van het onderzoek Colt I.
Uit taps en observaties rees het vermoeden van betrokkenheid van een groep andere personen die zich ook bezighielden met handel in hennep, maar los leken te staan van de eerste groep. Deze tweede groep verdachten zijn onderdeel van Colt II.
Er zijn diverse opsporingshandelingen en -methoden ingezet: telefoontaps (art. 126m/n Sv), stelselmatige observatie o.a. door het plaatsen van camera’s (art. 126g Sv), het vorderen van gegevens (art. 126n, 126na, 126nd, 126nf Sv). Er is informatie opgevraagd bij verschillende instellingen als banken, nutsbedrijven en de Belastingdienst. Er zijn ook rechtshulpverzoeken uitgegaan naar Turkije, Bulgarije en Duitsland.
Tijdens het onderzoek is de verdenking gerezen dat er sprake was van twee criminele samenwerkingsverbanden:
- -
Colt I: een criminele organisatie onder leiding van [naam 2] en [naam 3] , die gebruik maakten van de rechtspersoon [naam bedrijf 1] als dekmantel. Deze criminele organisatie zou zich hoofdzakelijk bezighouden met de grootschalige verkoop van hennep, ook naar het buitenland, vanuit het bedrijfspand van [naam bedrijf 1] in Tilburg.
- -
Colt II: een criminele organisatie onder leiding van [Verdachte] en [medeverdachte 2] . Deze criminele organisatie zou zich hoofdzakelijk bezighouden met de opbouw, inrichting en exploitatie van hennepkwekerijen en het oogsten en verkoop van hennep en diefstallen van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerijen.
Daarnaast zijn verdenkingen gerezen van witwassen en valsheid in geschrift (bij enkele verdachten).
Op 21 november 2011 is een zogeheten actiedag gehouden in Colt I, waarbij verschillende panden zijn doorzocht, diverse zaken in beslag zijn genomen en 8 verdachten zijn aangehouden.
Op 24 januari 2012 was er opnieuw een actiedag, waarbij weer diverse panden zijn doorzocht, diverse zaken in beslag zijn genomen en de verdachten uit Colt II zijn aangehouden, met uitzondering van [Verdachte] en [medeverdachte 4] , die enkele weken later zijn aangehouden in Oekraïne c.q. Bulgarije en daarna zijn uitgeleverd c.q. overgeleverd aan Nederland.
Bij alle verdachten is de voorlopige hechtenis medio 2012 geschorst en in 2015 opgeheven.
Veel verdachten hebben zich bij hun verhoren door de politie, de rechter-commissaris en ter zitting op hun zwijgrecht beroepen.
Het totale dossier Colt beslaat ruim 80 ordners en omvat 31 zaaksdossiers (soms met meerdere ordners), persoonsdossiers, beslagdossiers, methodieken- oftewel BOB-dossiers, rechtshulpdossiers en diverse aanvullende dossiers. Bij twee verdachten is nog een aparte zaak gevoegd. De rechter-commissaris heeft ruim 50 getuigen gehoord, ook in Bulgarije, Duitsland en Turkije, en ander onderzoek verricht.
In de zaken waarin vandaag uitspraak wordt gedaan, gaat het bij Colt I om 9 verdachten en bij Colt II om 5 verdachten, met 2 tot 6 tenlastegelegde feiten per verdachte, waarbij een feit vaak aan meerdere verdachten ten laste is gelegd.
4.3.2
Algemene overweging
De rechtbank stelt voorop dat zij de in het dossier aanwezige CIE-informatie niet voor het bewijs kan en zal gebruiken.
Verder is de rechtbank met de officieren van justitie van oordeel dat het dossier in zijn geheel moet worden beschouwd en dat de tenlastegelegde feiten niet los van elkaar, maar in onderling verband en samenhang moeten worden bezien. Dit betekent onder meer dat bij feiten in het kader van een bepaald zaaksdossier ook stukken uit andere zaakdossiers kunnen worden betrokken.
Dit neemt echter niet weg dat voor ieder tenlastegelegd feit afzonderlijk moet worden beoordeeld of sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs.
4.3.3
Tapgesprekken
Het bewijs zoals dat door de officieren van justitie is gepresenteerd, is in veel zaken voor een groot deel gebaseerd op tapgesprekken, waarbij ook sprake zou zijn van versluierd taalgebruik. Door de verdediging is in een aantal zaken, onder verwijzing naar jurisprudentie, betoogd dat daar behoedzaam mee moet worden omgegaan. Wanneer het in overwegende mate aankomt op uitleg en interpretatie van gesprekken is het risico op verkeerd begrip daarvan aanwezig.
De rechtbank is zich daarvan bewust. Afgeluisterde gesprekken kunnen slechts dan als bewijs dienen wanneer de inhoud, het onderlinge verband daarvan en het verband met eventuele andere bewijsmiddelen daarvoor voldoende basis bieden. Als gesprekken onduidelijk of voor meerdere uitleg vatbaar zijn, hoeft dat die gesprekken nog niet onbruikbaar te maken voor het bewijs, maar wel moet voorzichtigheid worden betracht bij het geven van een interpretatie. Daarbij kan van belang zijn wat er over de gespreksdeelnemers, of over anderen die in die gesprekken ter sprake komen, nog meer is gebleken. Als bijvoorbeeld is gebleken dat zij bij het strafbare feit of vergelijkbare feiten zijn betrokken, kan dat meewegen bij de interpretatie van de gesprekken. Verder kan het feit dat de verdachte zich beroept op zijn zwijgrecht soms in zijn nadeel werken. Dat kan ook zo zijn als hij een verklaring over de gesprekken aflegt die ongeloofwaardig of niet te verifiëren is.
De vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is, zal hierna per zaaksdossier worden besproken.
4.3.4
Start onderzoek
Door de verdediging is betoogd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, doordat zonder redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit zware dwangmiddelen c.q. opsporingsmethoden zijn ingezet en aan de rechter-commissaris informatie is onthouden. Dit zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting van alle resultaten van dit onrechtmatig optreden en de vruchten daarvan.
Zoals hiervoor is overwogen onder de voorvragen, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim bij de start van het onderzoek, zodat dit verweer wordt verworpen.
4.3.5
Telefoonnummers in gebruik bij verdachten
Omdat veel bewijs is gebaseerd op getapte telefoongesprekken, dient de rechtbank allereerst vast te stellen welke telefoonnummers in gebruik zijn geweest bij de verdachten.
[Verdachte]
De gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] (TT-04, TT-24 en TT-401.) is [Verdachte] (hierna: [Verdachte] ). Dit nummer stond in maart 2011 op naam van [Verdachte] .2.Op 24 juni 2011 is onder [Verdachte] de telefoon met dit telefoonnummer in beslag genomen.3.heeft dit nummer dus in ieder geval gebruikt tot 24 juni 2011. Maar voor de rechtbank staat vast dat hij ook daarna van het nummer [telefoonnummer 1] gebruik heeft gemaakt. Op 17 juli 2011 komt op dit nummer een sms binnen die is gericht aan [Verdachte] : [Verdachte] , wanneer wordt er gestart bij [naam 4] ?”.4.[naam 4] heeft verklaard dat hij samen met [Verdachte] betrokken is bij een hennepkwekerij die op 6 september 2011 is ontmanteld.5.Ook wordt op 30 juli 2011 op dit nummer gebeld door een man die vraagt of hij van [naam bedrijf 1] is. De gebruiker antwoordt: “nee, de oude eigenaar”.6.is van 12 april 2007 tot 27 november 2008 mede-eigenaar geweest van [naam bedrijf 1] .7.Dit telefoonnummer is met ingang van 18 augustus 2011 bij een andere provider ondergebracht, maar nog wel op naam van [Verdachte] .8.
Uit onderzoek van getapte telefoongesprekken die zijn gevoerd met de telefoonnummers [telefoonnummer 2] (TT-079.) en [telefoonnummer 3] (TT-1310.) kon uit stemvergelijking door een verbalisant, in samenwerking met de tolken Turks, worden vastgesteld dat het woordgebruik, de intonatie en het dialect overeenkomen met die van de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Hieruit kan worden afgeleid dat de gebruiker van bovenstaande telefoonnummers dezelfde persoon is.11.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman om geen acht te slaan op de gesprekken die door middel van stemherkenning aan [Verdachte] zijn gelinkt en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de stemherkenningen die zijn gedaan door verbalisant [Verbalisant 1] in samenwerking met de tolken. Weliswaar zijn dit geen gecertificeerde deskundigen op het gebied van spraakherkenning, maar de herkenning is gedaan op basis van het beluisteren van een grote hoeveelheid tapgesprekken. Door gedurende een langere periode onder meer naar de intonatie, de woordkeuze en het dialect te luisteren, kon een verband worden gelegd tussen een stem en een persoon. Bovendien worden de stemherkenningen ondersteund door andere bevindingen. Zo wordt op 27 april 2011 met nummer [telefoonnummer 2] (TT-07) gebeld en door de gebruiker gezegd dat vanmorgen de ‘ [Bijnaam 2] ’ hebben gedingest. Hij bevestigt dat ze allemaal zijn opgepakt en meegenomen en zegt: “die dinges van mij…bij mijn broer”.12.Dit is versluierd taalgebruik over de inval van de politie op 27 april 2011 in een pand van de broer van [Verdachte] , waar mensen hennep aan het knippen waren (dossier Eekhoorn).13.Verder geeft [medeverdachte 2] in een telefoongesprek op 20 mei 2011 desgevraagd als telefoonnummer van [Verdachte] het nummer [telefoonnummer 3] (TT-13).
Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om te veronderstellen dat deze telefoonnummers na de datum van het proces-verbaal van stemherkenning door andere personen zouden zijn gebruikt. Dit niet nader onderbouwde verweer wordt dan ook verworpen.
Voor de rechtbank staat verder vast dat [Verdachte] ook de volgende telefoonnummers in gebruik had: [telefoonnummer 4] (TT-16)14., [telefoonnummer 5] (TT-41)15.en [telefoonnummer 6] (TT-42)16..
[telefoonnummer 4] (TT-16): Na zijn aanhouding op Schiphol op 24 juni 2011 belt [Verdachte] op 26 juni 2011 om 12:40 uur met [medeverdachte 2] en zegt dat hij een Blackberry heeft gekocht en deze probeert te installeren.17.Diezelfde middag zijn er nog twee gesprekken tussen [medeverdachte 2] en [Verdachte] , waarbij [Verdachte] dan gebruik maakt van [telefoonnummer 4] (TT-16).18.Dit nummer wordt ook gebruikt in zaaksdossier Buizerd. Op 12 juli 2011 zegt [Verdachte] dat hij bij [naam 4] langskomt; [naam 4] moet dan wel even het adres sms'en.19.Twee minuten later sms’t [naam 4] : [straatnaam 3] .20.Op maandag 25 juli 2011 belt [Verdachte] met [naam 4] en zegt dat hij woensdag rond 10:00 uur langskomt.21.Op woensdag 27 juli 2011 wordt [Verdachte] om 10:13 uur gezien bij het pand aan de [straatnaam 3] in Den Bosch.22.
[telefoonnummer 5] (TT-41): Op 17 november 2011 belt [medeverdachte 2] naar het telefoonnummer [telefoonnummer 5] [Verdachte] wordt aan zijn stem herkend als gebruiker van dat nummer. [medeverdachte 2] vraagt of [Verdachte] een nieuw nummer heeft en of hij het in plaats van die " [telefoonnummer 4] " heeft genomen. [Verdachte] bevestigt dat.23.Dit sluit weer aan op de vaststelling hiervoor dat [Verdachte] eerder gebruik heeft gemaakt van het nummer [telefoonnummer 4] .
[telefoonnummer 6] (TT-42): Het zaaksdossier Valk bevat veel tapgesprekken met dit telefoonnummer. In al die gesprekken wordt zijn stem herkend.24.Bovendien belt [naam 4] op 12 januari 2012 naar dit telefoonnummer en zegt dat [Verdachte] hem een bericht heeft gestuurd.25.[naam 4] heeft verklaard dat dit een gesprek met [Verdachte] betreft en dat [Verdachte] hem eerder heeft gebeld met dit nummer.26.
[medeverdachte 2]
Uit het onderzoek dat is verricht naar de in de woning van [medeverdachte 2] aan de [straatnaam 9] te Waalwijk aangetroffen en in beslag genomen Nokia telefoons blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 7] (TT-0627.) bij [medeverdachte 2] in gebruik was.28.Dit is door hem ook bevestigd.29.
Verder had [medeverdachte 2] het telefoonnummer [telefoonnummer 8] (TT-14) in gebruik.30.Dit nummer stond ook in een telefoon van [Verdachte] die op 24 juni 2011 in beslag is genomen, onder de naam “ [medeverdachte 2] ”.31.
De rechtbank stelt verder vast dat het Turkse telefoonnummer [telefoonnummer 9] door [medeverdachte 2] werd gebruikt. Volgens de uitgewerkte tapgesprekken is hij aan zijn stem herkend. Een aantal gesprekken met dit nummer zijn aan [medeverdachte 2] voorgehouden, waarop hij niet ontkent dat hij degene is die deze gesprekken (met [Verdachte] ) voert. Hij zegt ook dat hij toen in Turkije zat,32.terwijl het een nummer betreft dat begint met 90, de landcode van Turkije.
[medeverdachte 1]
Het telefoonnummer [telefoonnummer 10] (TT-2833.) is in gebruik bij [medeverdachte 1] . Het abonnement voor dit nummer is door hem afgesloten.34.
[medeverdachte 3]
Bij de aanhouding van [medeverdachte 3] zijn twee telefoons onder hem in beslag genomen. Hij is de gebruiker van telefoonnummer: [telefoonnummer 11]. Enkele gesprekken die met dat nummer zijn gevoerd zijn aan hem voorgehouden en hij heeft erkend dat hij die gesprekken heeft gevoerd.35.
Uit het onderzoek aan de in beslag genomen telefoons in de woning van [medeverdachte 3] aan de [straatnaam 10] te Drunen blijkt dat hij tevens het telefoonnummer [telefoonnummer 12] (iPhone) gebruikt.36.
[medeverdachte 4]
De gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 13] is [medeverdachte 4] . In gesprekken met dat nummer wordt [medeverdachte 4] veelvuldig met zijn roepnaam [medeverdachte 4] aangesproken.37.[medeverdachte 2] heeft ook verklaard dat hij [medeverdachte 4] , een Bulgaarse man, kent als [medeverdachte 4] en dat hij [medeverdachte 4] een paar keer met [Verdachte] heeft gezien.38.
Daarnaast maakte [medeverdachte 4] ook gebruik van de nummers [telefoonnummer 14] en [telefoonnummer 15], zo blijkt uit zaaksdossier Valk. In gesprekken met deze telefoonnummers wordt de gebruiker eveneens [medeverdachte 4] genoemd. Verder is bij de tapgesprekken steeds vermeld dat op basis van stemherkenning is vastgesteld dat [medeverdachte 4] de gebruiker is van die telefoonnummers.39.Dat [medeverdachte 4] van een ander telefoonnummer gebruik is gaan maken, kan ook blijken uit een telefoongesprek van [Verdachte] op 11 januari 2012, waarin [Verdachte] noemt dat degene die de [Bijnaam 2] heeft gezien een nieuw nummer heeft genomen.40.
4.3.6
Zaaksdossier Bosuil (feit 1)
Hennepkwekerij [straatnaam 2] te Tilburg
Verbalisanten zagen op 19 december 2010 dat het dak van de woning aan de [straatnaam 2] te Tilburg niet besneeuwd was, terwijl dit bij omliggende panden wel het geval was. Op 6 januari 2011 gaf een warmtemeting een sterk afwijkend beeld met aangrenzende panden.41.Hierop is op 11 januari 2011 in de woning binnengetreden. Op de eerste verdieping werd, verdeeld over drie kamers, een hennepkwekerij met in totaal 414 hennepplanten, van één à twee weken oud, aangetroffen en in beslag genomen.42.De planten zijn bemonsterd en gaven bij het testen een positieve reactie op THC, de werkzame stof van hennep.43.
[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit op het adres [straatnaam 2] te Tilburg. Op 11 januari 2011 constateerde de fraude-inspecteur dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken en aan de onderzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Deze aansluiting liep buiten de elektriciteitsmeter om naar de hennepplantage en voorzag deze van elektriciteit.44.
Bij de politie heeft [medeverdachte 4] verklaard dat hij de eigenaar was van de hennepkwekerij. Verder verklaarde hij dat hij de woning vanaf 1 december 2010 huurde van [Verdachte] , hij de kwekerij zelf had opgezet en de elektriciteit illegaal door hem werd afgetapt.45.De huurovereenkomst vermeldt als ingangsdatum 3 december 2010.46.
Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier om een professioneel opgezette hennepkwekerij. De professionaliteit van de hennepkwekerij bleek niet alleen uit de schaalgrootte en de aangetroffen goederen (transformatoren, afzuiginstallaties en kannen met plantengroeivoeding). Het bleek tevens uit de wijze waarop de kwekerij was ingericht (de ruimtes waren goed afgeschermd en voorzien van ventilatoren, verwarmingselementen en hygrometers) en belicht (kunstlicht op een schakelklok)47.. Op basis van deze indicatoren kan gesteld worden dat er sprake was van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt.
De rechtbank acht, gelet op de voorgaande bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 4] , in de periode van 1 januari 2011 tot en met 11 januari 2011 te Tilburg, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, 414 hennepplanten heeft gekweekt in zijn woning. De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 4] in diezelfde periode in zijn woning te Tilburg elektriciteit heeft gestolen.
Dit feit past in de lijn van het handelen van [Verdachte] , ook gelet op de door de rechtbank vastgestelde samenwerking tussen hem en [medeverdachte 4] bij het exploiteren van andere hennepkwekerijen. [Verdachte] is weliswaar de verhuurder van het pand waarin deze hennepkwekerij is opgezet, maar er is verder geen concreet bewijs aanwezig voor verdere betrokkenheid van [Verdachte] bij deze kwekerij. De rechtbank acht deze omstandigheden onvoldoende om [Verdachte] als medepleger van deze kwekerij aan te merken en zal hem van dit feit dan ook vrijspreken.
4.3.7
Zaaksdossier Eekhoorn (feit 1)
Hennepkwekerij/-knipperij [straatnaam 1] te Tilburg
Aan de hand van tapgesprekken en observaties werd het volgende geconstateerd.
Op 18 april 2011 om 20:40 uur wordt gezien dat [Verdachte] een pand aan het [straatnaam 1] te Tilburg binnengaat, vermoedelijk nummer [opsomming van huisnummers] . De woning op [straatnaam 1] bleek in eigendom van [naam 10] , de broer van [Verdachte] .48.
Op 26 april 2011 om 21:17 uur belt [medeverdachte 4] (met telefoonnummer [telefoonnummer 13] ) naar [Verdachte] . De gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 13] is [medeverdachte 4]49.
[Verdachte] vraagt hoeveel mensen [medeverdachte 4] morgen kan regelen voor de locatie van [Verdachte] . [medeverdachte 4] zegt: “Mijn moeder, mijn vrouw, [naam 11] .. (ntv) daar, [naam 11] is daar, dus 4, 5, 6 of 7 mensen kunnen wij maken.” [Verdachte] zegt: “6 mensen dus, laat het mensen van ons zijn en niet van buiten aannemen.” [Verdachte] wil dat [naam 12] komt. [medeverdachte 4] gaat haar bellen.50.Om 21:24 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] zegt “Ik heb [naam 12] al gebeld. Zij zei dat zij zou komen.” Het gesprek gaat verder over hoe laat ze afspreken, over [naam 11] , over het meenemen van schijnwerpers en over tassen die ze binnen nodig hebben. [Verdachte] denkt dat drie tassen genoeg is. [Verdachte] vraagt: “Laat die ook vannacht niet onbemand he?” [medeverdachte 4] antwoordt: “Nee, dat doe ik niet hoor.”51.
Op 27 april 2011 om 7:45 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 4] . [Verdachte] vraagt of iemand hen heeft gezien bij het binnenkomen. [Verdachte] zegt dat ze er een beetje vaart achter moeten zetten. [medeverdachte 4] zegt: “Omstreeks 8 uur ga ik vuilniszakken voor hen kopen bij de [naam winkel 1] als die open is.” [Verdachte] zegt dat [medeverdachte 4] naar die andere [naam winkel 1] moet gaan.52.Op 27 april 2011 om 9:10 uur wordt gezien dat een donkergrijze Opel Zafira, met kenteken [kenteken 1] geparkeerd staat op het [straatnaam 1] te Tilburg, ter hoogte van perceel [opsomming van huisnummers] . Het kenteken bleek te staan op naam van [Verdachte] . Om 10:04 uur wordt gezien dat de Opel Zafira wordt geparkeerd ter hoogte van de [naam winkel 1] op het [straatnaam 1] te Tilburg en dat [medeverdachte 4] uitstapt en bij de [naam winkel 1] naar binnen gaat. Om 10:13 uur komt hij naar buiten en rijdt de Opel Zafira richting het [straatnaam 1] en daar gaat hij naar binnen.53.Om 10:13 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 4] en vraagt of er buiten stank is.54.
Op 27 april 2011 om 12:00 uur werd binnengetreden in de woning aan het [straatnaam 1] te Tilburg.55.Na aanbellen deed [naam 13] de deur open. De verbalisant zag dat hij resten van hennepplanten aan zijn kleding had. In de woonkamer werden [medeverdachte 4] en [naam 14] aangetroffen en aangehouden. Op de trap werden resten van hennep aangetroffen. In de achterste kamer werden vijf vrouwen aangetroffen: [naam 15] , [naam 16] , [naam 17] , [naam 18] en [naam 12] . Zij hadden resten van hennep aan hun kleding zitten en één vrouw had een knipschaartje in haar handen. In de gang op de eerste etage werd een doos met henneptoppen aangetroffen. Tevens werd er aan de linkerzijde van de gang in twee ruimtes een hennepkwekerij aangetroffen. Alle planten waren afgeknipt.56.Er werden in totaal 230 potten met potgrond aangetroffen. Na weging bleek dat er 27,4 kilogram aan henneptoppen aanwezig was.57.De hennepmonsters gaven een positieve reactie, indicatief voor THC, de werkzame stof in hennep.58.
De verbalisant heeft opgemerkt dat hij vermoedde dat de planten net waren geknipt. Hieruit kan worden afgeleid dat de hennep op dat moment nog niet (volledig) gedroogd was. Bij de weging is echter vermeld dat sprake is van gedroogde henneptoppen. De rechtbank is gelet op deze inconsistentie van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van volledig gedroogde henneptoppen. Gelet hierop gaat de rechtbank in het voordeel van de verdachte(n) er dan ook vanuit dat de aangetroffen henneptoppen natte hennep betroffen. Het is algemeen bekend dat na droging van natte hennep slechts ongeveer 25% van het gewicht resteert, zodat de rechtbank bij de bepaling van de straf uitgaat van het aanwezig hebben van 6,85 kilogram hennep.
Op het moment van de ontmanteling van de kwekerij vonden de volgende telefoongesprekken plaats tussen de verdachten. Om 27 april 2011 te 12:02 uur belt [medeverdachte 4] naar [Verdachte] en zegt dat de politie is gekomen.59.Om 12:30 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 4] en waarschuwt om geen namen te noemen.60.Om 12:32 uur wordt [Verdachte] gebeld door [medeverdachte 2] . [Verdachte] zegt dat hij ze vanochtend te werk heeft gesteld en dat iedereen daar binnen is opgepakt. Ze waren net klaar.61.
[naam 13] heeft verklaard dat hij het pand aan het [straatnaam 1] vanaf 15 februari 2011 huurde van [naam 10] en dat hij de eigenaar was van de hennepkwekerij/-knipperij. Verder verklaarde hij dat ze hem kennen als [naam 11] .62.
Bij de politie verklaarde [medeverdachte 4] dat hij zijn vrouw en moeder naar het huis aan het [straatnaam 1] had gebracht om de planten te knippen.63.Verder heeft hij verklaard dat de Opel Zafira van [Verdachte] was en hij deze mocht lenen als hij hem nodig had.64.
Op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat tussen [Verdachte] en [medeverdachte 4] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op het knippen (bewerken) van de hennep uit deze kwekerij. Ten aanzien van de rol van [Verdachte] kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat hij daarbij een coördinerende en sturende rol had. Hij gaf opdrachten en hij hield [medeverdachte 2] op de hoogte. [medeverdachte 4] regelde de knippers en was aanwezig bij het knippen.
De rechtbank acht bewezen dat er sprake was van beroeps- dan wel bedrijfsmatige bewerking van hennep, gelet op de grote hoeveelheid hennep en de professionele inrichting van de kwekerij.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [Verdachte] , tezamen en in vereniging met anderen, te Tilburg, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk 27,4 kilogram hennep heeft bewerkt en aanwezig heeft gehad.
4.3.8
Zaaksdossier Leeuw (feit 1)
Hennepkwekerij [straatnaam 4] te Beneden-Leeuwen
Op 12 mei 2011 werd in een bedrijfspand aan de [straatnaam 4] te Beneden-Leeuwen een doorzoeking verricht. In het bedrijfspand stonden op de begane grond veel kartonnen dozen op elkaar gestapeld met daarin diverse stopcontacten en ander elektrisch schakelmateriaal. Achter deze corridor van dozen zat een afgesloten binnendeur. Deze binnendeur gaf toegang tot drie verborgen ruimten. In de eerste ruimte werden voorwerpen bestemd voor en ten behoeve van een hennepkwekerij aangetroffen. In ruimten twee en drie werden hennepkwekerijen aangetroffen met respectievelijk 328 en 414 in bloei staande planten. Op de eerste verdieping stonden ook nog 846 planten.65.Vanuit elke kweekruimte zijn willekeurige monsters genomen en getest. Hieruit bleek dat het om hennep ging.66.
Het bedrijfspand aan de [straatnaam 4] te Beneden-Leeuwen werd gehuurd door [naam 20] .67.
Opbouw van de hennepkwekerij
Door analyse van de verkeersgegevens van de bij [Verdachte] en [medeverdachte 2] in gebruik zijnde telefoonnummers, te weten [telefoonnummer 1] (TT-04, [Verdachte] ) en [telefoonnummer 7] (TT-06, [medeverdachte 2] ) kon - middels de bijbehorende mastgegevens - hun positie worden bepaald. In de periode van 23 maart 2011 tot en met 31 maart 2011 bleek dat deze telefoonaansluitingen een aantal malen een mast aanstraalden aan de Zandstraat te Beneden-Leeuwen.68.
Aan de hand van observaties en tapgesprekken werd het volgende geconstateerd.
Op 31 maart 2011 om 10:13 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 1] . [Verdachte] zegt: we gaan de potten bij jou in de auto leggen. [medeverdachte 1] zegt: “Oké goed”.69.Om 10:22 uur belt [medeverdachte 1] naar [Verdachte] . [medeverdachte 1] : “Ik ben achter he!” [Verdachte] : “Laat ik dan dinges bellen zodat ze naar de achterkant komen en zodat we de potten in jouw auto kunnen leggen.” [medeverdachte 1] : “Oké goed”.70.Direct daarna belt [Verdachte] naar [medeverdachte 4] (met telefoonnummer [telefoonnummer 13] ) en zegt " [medeverdachte 4] ga even naar de achterkant en doe de potten". “Oké goed”, zegt [medeverdachte 4] .71.Om 10:42 belt [medeverdachte 4] naar [Verdachte] , die vraagt: “Hebben jullie het geregeld?” [medeverdachte 4] antwoordt: “Er moet nog 1 pallet”.72.
De gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 13] [medeverdachte 4] .73.
Omstreeks 13:00 uur wordt gezien dat een witte bestelauto, Mercedes-Benz, type 212D, met kenteken [kenteken 2] bij een bedrijfspand aan de [straatnaam 4] te Beneden-Leeuwen naar binnen rijdt, waarna het rolluik wordt gesloten. Dit kenteken bleek te staan op naam van [medeverdachte 1] .74.
Op 4 april 2011 om 09:22 belt [Verdachte] naar [naam winkel 2] in Tilburg en bestelt hij een pallet light mix in een doos en vraagt of het kan worden gegeven aan jongens met een rode bus, een Volkswagen LT.75.Daarna zijn er die dag diverse telefonische contacten tussen [Verdachte] en [medeverdachte 4] . Omstreeks 9:25 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 4] en zegt tegen hem dat hij na het krijgen van de sleutels naar de zaak moet gaan waar ze materialen kopen, het busje naar de achterkant moet rijden, daar aanbellen als er niemand is en tegen de betrokkene moet zeggen: “pallet light mix”. De persoon zal dan die pallet in het busje leggen.76.Om 12:06 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 4] en vraagt hoe het er mee staat en of ze hoog zijn geworden. [medeverdachte 4] zegt dat ze mooi verticaal staan en recht. [Verdachte] zegt dan moeten jullie hetgeen doen dat wij zeiden, die dozen moeten jullie doen. En daarnaast moeten jullie de dozen als pallet aan de achterkant leggen.77.Om 14:03 uur belt [Verdachte] weer naar [medeverdachte 4] en vraagt wat het verschil is tussen boven en beneden, waarop [medeverdachte 4] zegt “steeds zelfde joh… boven is voorlopig 28 á 29 graden.” [medeverdachte 4] vraagt of hij de lampen, kappen en trafo’s ook moet pakken.78.Om 14:23 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 4] en zegt dat hij dozen moet maken en vraagt hoeveel pallets zij al gemaakt hebben. Hij zegt “Wij hebben 40 à 50 pallets nodig”.79.
Op 5 april 2011 wordt gezien dat de witte bestelauto, met kenteken [kenteken 2] in het bedrijfspand aan de [straatnaam 4] staat geparkeerd en een rode Volkswagen LT35, met kenteken [kenteken 3] voor het pand staat. Er wordt gezien dat twee Turks uitziende mannen in en uit het bedrijfspand lopen. Een van deze mannen rijdt weg met de rode Volkswagen. Het kenteken van de Volkswagen staat op naam van [naam 20] . Verder wordt gezien dat [Verdachte] uit het bedrijfspand komt lopen en als bijrijder instapt in de witte bestelauto die wegrijdt.80.
Nadat [medeverdachte 4] een observatiefoto van die dag werd getoond, verklaarde hij daarop zichzelf en zijn huisbaas [Verdachte] te herkennen.81.[medeverdachte 4] huurde een woning van [Verdachte] .82.
De rechtbank stelt vast dat de tijdstippen van de telefoongesprekken aansluiten op de observaties, en dat de inhoud van de gesprekken, waarin concreet wordt gesproken over het stapelen van dozen, een ruimte boven en een ruimte beneden, volledig aansluit bij de aangetroffen hennepkwekerij.
Gelet op voorgaande bewijsmiddelen acht de rechtbank dan ook voldoende bewijs aanwezig dat [Verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] bij de opbouw van deze hennepkwekerij betrokken zijn.
Onderhoud van de hennepkwekerij
In april 2011 belt [Verdachte] regelmatig met een man met telefoonnummer [telefoonnummer 16] . Dit nummer is in gebruik bij [naam 20] .83.
Op 12 april 2011 belt [Verdachte] diverse malen met [naam 20] . Hij vraagt of [naam 20] naar de kamers boven is geweest en of ze groot zijn geworden.84.[naam 20] zegt tegen [Verdachte] dat boven een van de lampen blijft branden.85.[Verdachte] legt [naam 20] uit wat hij moet doen om de lamp uit te krijgen en zegt dat [medeverdachte 4] verkeerd heeft aangesloten en dat hij daarom morgen daarnaartoe komt om af te doppen.86.[Verdachte] zegt dat hij er morgen naar kijkt en dat [naam 20] de temperatuur weer op 30 moet zetten.87.[naam 20] zegt later dat het beneden is gestopt en boven aan is gegaan.88.
Op 16 april 2011 om 12:56 uur belt [Verdachte] naar [naam 20] en vraagt of [medeverdachte 1] daar is geweest. [naam 20] zegt dat een van de lampen niet werkt. [Verdachte] zegt dat [medeverdachte 1] onderweg is daarnaartoe en dat hij denkt dat [medeverdachte 1] wel wat gaat geven.89.Om 13:54 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] zegt dat volgens hem die regelaar van boven stuk is.90.Om 15:03 uur wordt [Verdachte] gebeld door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] zegt dat de regelaar van beneden goed erop reageert, maar die van boven niet. [medeverdachte 1] zegt dat de plaats van die van beneden niet goed is, er komt te veel geluid uit. [Verdachte] zegt dat hij tegen de jongens zal zeggen dat zij volgende week van plaats moeten veranderen.91.Om 16:11 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] zegt dat er 1250 stokjes gekocht moeten worden plus een nieuwe regelaar. [Verdachte] zegt dat de regelaar nieuw is en dat zij die eruit moeten halen om te gaan ruilen.92.
Op 21 april 2011 belt [Verdachte] met [medeverdachte 2] . [Verdachte] zegt dat een meisje van de milieudienst bij [naam 1] is gekomen en dat ze voor dinsdag een afspraak heeft gemaakt. [Verdachte] zegt: ik ga sowieso de entree teniet doen. Ik ga pallets er voor leggen.93.Op 26 april 2011 belt [medeverdachte 2] naar [Verdachte] . [Verdachte] zegt dat er nog niemand is geweest. [medeverdachte 2] zegt dat [Verdachte] beter naar de gemeente kan bellen om te vragen wie en wat. [Verdachte] vindt het niet nodig dat zij de gemeente bellen, want straks gaan zij ook de brandweer betrekken en als dat gebeurt, zou dat pas slecht uit kunnen pakken.94.
Op 28 april 2011 belt [Verdachte] met [naam 20] , waarbij ook over de controle wordt gesproken. [naam 20] vertelt dat ze zeiden dat ze elke tien jaar controle doen en dat ze over anderhalve week bellen voor een afspraak. [Verdachte] instrueert [naam 20] wat hij dan moet zeggen.95.
Op 6 mei 2011 wordt gezien dat een witte Opel Combo, met kenteken [kenteken 4] , ter hoogte van het bedrijfspand aan de [straatnaam 4] parkeert en een Turks uitziende man uitstapt en het pand binnengaat. Dit kenteken bleek te staan op naam van [naam 20] . Later op die dag wordt gezien dat de Opel in het pand staat geparkeerd. Kort daarna wordt gezien dat [Verdachte] als bestuurder komt aanrijden met de rode Volkswagen LT35, kenteken [kenteken 3] - op naam van [naam 20] - en deze in het bedrijfspand naast de Opel parkeert.96.
Op 12 mei 2011 omstreeks 10:00 uur wordt waargenomen dat een man die door verbalisant is herkend als [naam 20] een witte Opel Combo (kenteken [kenteken 4] ) het bedrijfspand binnenrijdt en een tijd later weer naar buiten rijdt.
Na de ontmanteling
Op 12 mei 2011 is de politie om 17:28 uur binnengetreden om de hennepkwekerij te ontmantelen.97.
Diezelfde dag belt [medeverdachte 2] omstreeks 18:24 uur naar [Verdachte] en zegt dat het alarm is afgegaan. [Verdachte] vraagt vanuit welke kant het alarm is afgegaan. [medeverdachte 2] vraagt dit op de achtergrond aan zijn zoon [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] zegt: van beide kanten. [Verdachte] zegt: dan moet men er meteen naar toe.98.Er is vervolgens druk telefoonverkeer. Om 18:37 uur belt [Verdachte] naar [naam 20] en zegt dat het alarm is afgegaan en dat hij daarheen moet gaan. [Verdachte] vraagt hoe laat hij is weggegaan en of hij alles goed op slot heeft gedaan.99.[Verdachte] belt om 18:38 uur naar [medeverdachte 2] en zegt dat [naam 20] om 3 uur is weggegaan.100.Op 12 mei 2011 om 19:07 uur wordt gezien dat een grijze Toyota Prius met kenteken [kenteken 5] over de [straatnaam 4] rijdt en dat de bestuurder grote gelijkenis vertoont met het signalement van [medeverdachte 1] . De Toyota bleek op naam te staan van [medeverdachte 2] .101.
Omstreeks 19:09 uur belt [medeverdachte 1] naar [naam 20] en zegt dat hij niet moet komen omdat ze aan het opruimen zijn. [medeverdachte 1] overlegt op de achtergrond met [medeverdachte 2] en zegt dat [naam 20] morgenmiddag naar kantoor moet komen. [Verdachte] komt dan ook terug.102.Om 19:14 uur belt [Verdachte] naar [naam 20] en geeft hem instructies hoe te handelen bij de politie en bij de verhuurder van het pand. Als zij het over compagnons hebben, moet hij zeggen dat ze als compagnons uit elkaar zijn gegaan. Hij moet zeggen dat zij het niet eens zijn geworden en dat hij er zelf mee is doorgegaan. Als ze vragen wie het was dan moet hij maar een naam verzinnen.103.[Verdachte] belt op 14 mei 2011 nogmaals met [naam 20] en zegt hem dat hij ernaartoe moet en moet zeggen dat er een incident heeft plaatsgevonden en hij de sleutels komt ophalen.104.
[Verdachte] belt op 13 mei 2011 ook met ene [naam 21] , aan wie hij vertelt dat gisteravond zijn grote locatie in Beneden-Leeuwen is gevlogen.105.
Op 8 juni 2011 belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] en vraagt hoeveel [medeverdachte 1] heeft uitgegeven voor Beneden-Leeuwen, toen [Verdachte] naar Oekraïne ging en daarna. [medeverdachte 1] zegt dat hij op een bedrag van 530 komt. [medeverdachte 2] zegt dat [medeverdachte 1] die nu kan vernietigen, maar ze moeten wel worden genoteerd, want we zijn compagnons van elkaar.106.
Bij de ontmanteling van de hennepkwekerij bleek verder dat er een alarm- en beeldregistratiesysteem was aangelegd.107.Het systeem was gekoppeld aan een module met een simkaart. In het geheugen van de simkaart stond het telefoonnummer [telefoonnummer 17] voorgeprogrammeerd.108.Dit telefoonnummer bleek gekoppeld te zijn geweest aan het IMEI-nummer van een van de mobiele telefoons in gebruik bij [Verdachte] en [medeverdachte 4] . In de periode 8 mei 2011 tot en met 13 mei 2011 bevond [Verdachte] zich in de Oekraïne. Voordat hij vertrok liet hij zijn alarmtelefoon achter voor [medeverdachte 1] .109.
Bij onderzoek van de desktopcomputer die op 24 januari 2012 in de woning van [medeverdachte 1] in beslag was genomen, bleek dat de volgende documenten in de computer digitaal waren opgeslagen:
- een mailwisseling met makelaars en assurantiekantoor “ [naam 22] ” met betrekking tot het bedrijfspand aan de [straatnaam 4] te Beneden-Leeuwen;
- een huurovereenkomst tussen de verhuurder [naam 23] en [naam 20] voor het bedrijfspand, [straatnaam 4] te Beneden-Leeuwen, ingaande 1 maart 2011;
- een inspectierapport/proces-verbaal van oplevering van de bedrijfsruimte aan de [straatnaam 4] te Beneden-Leeuwen.110.
Bij onderzoek van de inbeslaggenomen losse papieren (IBN-code BEOI .01.002) in het bedrijfspand van [medeverdachte 2] aan de [straatnaam 11] te Tilburg, bleek dat daar een factuur bij zat van een levering van een Volkswagen, type LT, kenteken [kenteken 3] ,111.de hiervoor vermelde auto op naam van [naam 20] .
Op grond van het voorgaande in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat tussen [Verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en de huurder van het pand, [naam 20] , sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op de exploitatie van de hennepkwekerij. De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van [naam 20] waarin hij de volledige schuld op zich neemt. De rechtbank concludeert dat [naam 20] daartoe is geïnstrueerd door [Verdachte] . De verdachten hebben allen een wezenlijke bijdrage geleverd, zodat zij als medepleger van het telen van hennep kunnen worden aangemerkt. Verder acht de rechtbank bewezen dat sprake was van beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt, gelet op het grote aantal planten en de professionele inrichting van de kwekerij.
Diefstal van elektriciteit.
[slachtoffer 2] heeft op 27 mei 2011 aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit op het adres [straatnaam 4] te Beneden-Leeuwen. Op 12 mei 2011 constateerde de fraudespecialist dat door middel van manipulatie de elektriciteit niet via de elektriciteitsmeter liep. De zegeldraad van de hoofdaansluitkast was verbroken en aan de onderzijde van de zekeringautomaten was een illegale 3 fase elektriciteitsaansluiting gemaakt. Deze liep buiten de elektriciteitsmeter om naar de hennepplantage en voorzag deze van elektriciteit. De verbruikte elektriciteit werd hierdoor niet correct via de meter geregistreerd.112.
Conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het gebruik van aan andere bewezen geachte, soortgelijke, feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend bewijs (schakel-, ketting- of ketenbewijs) toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van de ook te bewijzen feiten en dat duidt op een specifiek patroon, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor het te bewijzen feit voorhanden bewijsmiddelen.
De rechtbank is van oordeel dat de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring van diefstal van elektriciteit bij andere hennepkwekerijen mede redengevend zijn voor het bewijs van dit feit, nu daaruit blijkt van een modus operandi die bij vrijwel alle kwekerijen overeenkomt. Er is sprake van het stelselmatig in vereniging exploiteren van hennepkwekerijen, waarbij bij vrijwel alle kwekerijen ook de elektriciteit wordt gestolen, ook in de woningen die eigendom zijn van de verdachten. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] bekennen ook dat zij elektriciteit hebben gestolen, zie hiertoe zaaksdossiers Cheeta en Bosuil. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn ook betrokken geweest bij de opbouw van deze hennepkwekerij, waarvan het aanleggen van de illegale elektriciteitsaansluiting een onderdeel is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] wetenschap hadden van en de opzet hadden op de diefstal van elektriciteit.
4.3.9
Zaaksdossier Edelhert
Hennepkwekerij [straatnaam 12] te Rijen
Op 19 mei 2011 werd een brandveiligheidscontrole uitgevoerd op het adres [straatnaam 12] te Rijen. Tijdens die controle werd bij het hondenhok in de achtertuin een hennepgeur geroken. De politie ging om 13:26 uur ter plaatse. Verbalisanten betraden om 13:49 uur samen met [medeverdachte 1] , de eigenaar van het pand, de achtertuin en openden de schuur. Na het openen van de deur rechts in de hal zagen zij een in werking zijnde hennepkwekerij. In ruimtes drie en vijf werden hennepkwekerijen aangetroffen met respectievelijk 245 en 188 in bloei staande planten.113.Vanuit elke kweekruimte zijn willekeurige monsters genomen en getest. Hieruit bleek dat het om hennep ging.114.
De woning werd sinds 1 februari 2011 voor € 375,- per maand van [medeverdachte 1] gehuurd door [naam 24] .115.
[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit op het adres [straatnaam 12] te Rijen. Op 19 mei 2011 constateerde de fraude-inspecteur dat de deksel van de aansluitkast open was (geweest)/ niet meer aanwezig was, dat er met de zegels van de meter was gefraudeerd en dat de meter beschadigd was. Door de manipulatie werd afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage en het huishoudelijk verbruik niet correct via de elektriciteitsmeter geregistreerd.116.
Aan de hand van de tapgesprekken werd het volgende geconstateerd.
Opbouw van de hennepkwekerij
Op 7 april 2011 belt [medeverdachte 2] naar een vrouw (NN1970). [medeverdachte 2] vraagt de vrouw de ramen van binnen en buiten te wassen. [medeverdachte 2] komt namelijk gordijnen brengen.117.
Op 7 april 2011 belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] en vraagt of hij alle materialen heeft gebracht. [medeverdachte 1] antwoordde dat hij dat gedaan heeft, behalve de boormachine en de trap. “Hoe moet ik nou hier de gordijnen hangen zonder trap en zo”, zegt [medeverdachte 2]118.
Op 8 april 2011 belt [medeverdachte 2] naar dezelfde vrouw (NN1970). [medeverdachte 2] vraagt aan de vrouw of het nu oké is. Zij zegt je moet het gordijn achter de camera doen. Je kan de camera een beetje naar beneden zetten. [medeverdachte 2] vraagt of je de mensen nu wel kan zien. De vrouw antwoordt dat ze de mensen ziet, de voorbijgaande auto’s en het spoor.119.
Op 24 april 2011 belt [medeverdachte 2] weer naar dezelfde vrouw (NN1970) en vraagt haar of [medeverdachte 1] al is geweest. Zij zegt van wel. “Hij heeft mijn vuil en zo weggegooid” zegt de vrouw. [medeverdachte 2] vraagt of hij de gipsplaten ook gebracht heeft voor het plafond. De vrouw bevestigt dit en zegt dat [medeverdachte 1] haar uitschold wegens de lampen.120.
Na de ontmanteling van de hennepkwekerij
[medeverdachte 2] wordt op 19 mei 2011 om 13:25 uur gebeld door dezelfde vrouw (met een nieuw telefoonnummer, NN7606). Zij zegt dat de politie is gekomen. [medeverdachte 2] zegt dat ze haar verklaring niet moet veranderen en moet zeggen dat ze met haar man daar woont en dat hij om de twee weken komt en gaat. En dat hij het deed. De vrouw zegt dat ze met [medeverdachte 1] heeft gebeld en dat [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] gaat bellen.121.
Om 13:28 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] zegt dat [medeverdachte 2] tegen [naam 25] moet zeggen dat zij niet naar haar man moeten bellen. [medeverdachte 1] zegt dat hij nu door een onbekend nummer wordt gebeld en vraagt of hij de deur open zal doen of niet. “Je moet de deur open maken, als ze komen moet je zeggen: we weten van niks, wij verhuurden hier aan haar.”122.
Om 13:31 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] zegt dat ze hem bellen om te vragen of hij daar naar toe komt. Ze willen kijken. [medeverdachte 2] zegt dat hij er maar naar toe moet gaan en moet zeggen dat het van haar is. [medeverdachte 1] vraagt of zij de schuld op haar man moet schuiven. [medeverdachte 2] bevestigt dit. [medeverdachte 1] zegt dat ze moet zeggen dat hij af en toe komt en we weten niet waar hij is. [medeverdachte 2] vraagt of [naam 25] de deur open heeft gedaan. ”Nee, ze wacht op mij” zegt [medeverdachte 1] . “Hadden wij maar een andere keer gedaan verdomme maar goed het is nu eenmaal gebeurd” zegt [medeverdachte 2]123.
Om 13:34 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] zegt dat ze haar telefoon moet weggooien. Ze moet compleet alles weggooien.124.
Om 17:25 uur belt [medeverdachte 2] naar [naam 26] . [medeverdachte 2] zegt dat de locatie waar ze vanmorgen zijn gegaan, daar hebben ze aangespoord. “Daar bij jou?” vraagt [naam 26] . “Ja” zegt [medeverdachte 2] “Was er wat?” vraagt [naam 26] . “Ja natuurlijk, de achterkant zat vol” zegt [medeverdachte 2] . Sedat zegt dat ze [medeverdachte 1] en dat meisje hebben aangehouden. [medeverdachte 2] zegt dat [medeverdachte 1] tegen de politie gaat zeggen dat zij daar hebben verhuurd en [medeverdachte 1] tegen het meisje heeft gezegd dat zij moet zeggen dat haar man het gedaan heeft.125.
Gelet op het feit dat de vrouw (NN1970 en NN7606) in een gesprek [naam 25] wordt genoemd, zij Turks spreekt met een Bulgaars accent126.en dat de aangestraalde masten een aantal keren in de plaats Rijen liggen, gaat de rechtbank ervan uit dat dit [naam 24] is.127.
De tapgesprekken vóór de ontmanteling moeten worden bezien in het licht van de tapgesprekken die na de ontmanteling zijn gevoerd. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat al deze gesprekken betrekking hebben op de hennepkwekerij aan de [straatnaam 12] te Rijen. Uit die tapgesprekken blijkt ook dat er sprake was van gezamenlijke werkzaamheden van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ten behoeve van die kwekerij.
De verklaring van [medeverdachte 1] dat hij niets wist van de hennepkwekerij en dat hij de woning alleen verhuurd had, acht de rechtbank ongeloofwaardig, mede gelet op de inhoud van de tapgesprekken.
De verklaring van [naam 24] dat zij niets wist van de hennepkwekerij en dat de kwekerij van haar man was die in Bulgarije woonde en één à twee keer per maand naar Nederland kwam, acht de rechtbank eveneens ongeloofwaardig. Uit de tapgesprekken blijkt dat [naam 24] door [medeverdachte 2] geïnstrueerd is tot het afleggen van deze verklaring.
De rechtbank is van oordeel dat de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring van de exploitatie van andere hennepkwekerijen en diefstal van elektriciteit daarbij mede redengevend zijn voor het bewijs van de hier te bespreken feiten (ketenbewijs). Uit die bewijsmiddelen blijkt van een modus operandi die bij vrijwel alle kwekerijen overeenkomt. Er is sprake van het stelselmatig in vereniging exploiteren van hennepkwekerijen, waarbij bij vrijwel alle kwekerijen ook elektriciteit wordt gestolen. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] bekennen respectievelijk in zaaksdossier Bosuil en in zaaksdossier Cheeta ook dat zij elektriciteit hebben gestolen. Verder volgt hieruit dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] steeds samen betrokken zijn bij de (opbouw van de) hennepkwekerijen.
Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op de exploitatie van deze hennepkwekerij. De verdachten hebben beiden een wezenlijke bijdrage geleverd, zodat zij als medepleger van het telen van hennep kunnen worden aangemerkt.
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn ook samen betrokken geweest bij de opbouw van deze hennepkwekerij, waarvan het aanleggen van de illegale elektriciteitsaansluiting een onderdeel is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wetenschap hadden van en de opzet hadden op de diefstal van elektriciteit.
Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier bovendien om een professioneel opgezette hennepkwekerij, gelet op onder meer de omvang, de inrichting en de wijze van exploitatie, zodat er sprake was van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt.
4.3.10
Zaaksdossier Mus (feit 1)
Hennepkwekerij [straatnaam 5] te Tilburg
Op 14 juni 2011 om 8:57 uur werd in de woning aan het [straatnaam 5] te Tilburg binnengetreden.128.In de woning werd op de eerste verdieping een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Er waren drie ruimtes, waarvan in twee ruimtes in totaal 242 planten stonden die volgroeid waren (in ruimte I 148 hennepplanten en in ruimte III 94 hennepplanten). De kweekruimte was afgedicht met hout en plastic. Er waren aanwijzingen voor meerdere oogsten: er zat vervuiling op de houten dorpels en toegangsdeur naar de kwekerij, er zat een dikke en sterk aanwezige kalklaag aan de onderzijde van de kweekpotten en op de bodem van het zeil van de kweekbakken. De koolstoffilters waren sterk vervuild en er zat stof op de meeste lampenkappen. Verder werden er in ruimte II en op de zolder restanten van gebruikte bloempotten aangetroffen. Ook werden er bamboestokken op de overloop aangetroffen.129.Uit de inbeslaggenomen hennepplanten werden twee monsters genomen en getest. De test gaf een positieve reactie voor THC, de werkzame stof in hennep.130.
In de woning werden [naam 27] en [naam 17] aangehouden.131.Zij verklaarden dat de woning eigendom was van [naam 28] en dat zij van de eigenaar niet boven mochten komen.132.
Aan de hand van tapgesprekken, observaties en andere bevindingen werd met betrekking tot de rol van de verdachten bij deze hennepkwekerij het volgende geconstateerd.
Opbouw van de hennepkwekerij
T04-534
Op 4 april 2011 wordt [Verdachte] gebeld door zijn broer [naam 10] . [Verdachte] zegt: “Wij gaan zaken doen met [naam 28] vrouw. [naam 28] weet er ook van af. Morgen begin ik aan daar en daarom is er een auto nodig.”
TT04-662
Op 8 april belt [Verdachte] naar [naam 28] die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 18] . [Verdachte] zegt: “ [naam 28] , onze medewerkers komen nu naar de kant van jouw huis. Je kunt ze daar op de parkeerplaats zien.”
TT06-289
Op 9 april 2011 belt [medeverdachte 2] naar een vrouw, die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 18] . [medeverdachte 2] zegt dat [naam 28] wel moet helpen om de materialen daar naar binnen te brengen. [medeverdachte 2] zegt dat zij duizend al hebben gegeven en zij nog tweeduizend moeten geven. Zij zijn van plan om de 15e de lampen aan te zetten, vanaf die dag begint ook de huur. “Is goed, als jij deze week dat andere die tweeduizend wil regelen” zegt NN-vrouw. [medeverdachte 2] zegt dat hij woensdag en volgende week zaterdag het geld zal geven.
TT04-915
Op 14 april 2011 belt [Verdachte] naar [medeverdachte 2] . [Verdachte] vraagt aan [medeverdachte 2] of hij aan [naam 28] en [naam 29] geld had gegeven. [medeverdachte 2] antwoordt “Ja 2 in totaal.”
TT07-219
Op 18 april 2011 om 14:55 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 4] , die gebruik maakt van telefoonnummer [telefoonnummer 13] .133.De gebruiker van dit nummer is [medeverdachte 4] .134.[Verdachte] vraagt wat ze aan het doen zijn. [medeverdachte 4] zegt: We zijn aan het werk.” [Verdachte] zegt: “We wachten nog op de kleintjes. Ik ga jou straks bellen. Laten we dan voor 5 uur dinges gaan halen, 20 stuks dinges.”
TT07-220
Op 18 april 2011 om 14:55 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 1] . [Verdachte] zegt dat hij nu [medeverdachte 4] gaat opbellen omdat de aarde niet voldoende zou zijn. [medeverdachte 1] zegt: “Hij is er nu. Ik ga nu vertrekken.” [medeverdachte 1] weet niet waar het is en vraagt: “Was toch [straatnaam 13] en het nummer.” [Verdachte] antwoordt: “Ik dacht 2, maar je ziet mijn rode busje wel.”
TT07-221
Op 18 april 2011 om 14:58 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 1] . [Verdachte] zegt dat [medeverdachte 1] nu met de kleintjes daarheen komt en dat het ook via de achtertuin kan. [Verdachte] zegt dat ze met zijn drieën zijn en dat het geen probleem moet zijn. [medeverdachte 4] zegt dat [naam 30] en [naam 11] nog vuil gaan wegbrengen. [Verdachte] zegt dat ze dat morgenochtend kunnen doen. “Nadat die naar binnen zijn gebracht kun jij met het busje komen en kunnen we zand kopen. Die kunnen dan in de auto blijven en morgenochtend kunnen jullie die er in doen en dan kunnen jullie 1 kamer doen”, zegt [Verdachte] . [Verdachte] gaat morgen een klok kopen voor daar.135.
Een andere schrijfwijze van het woord [straatnaam 13] zou het Turkse woord [straatnaam 13] kunnen zijn, wat in het Nederlands Vogel betekent. Op het adres [straatnaam 5] te Tilburg stonden [naam 29] en [naam 28] ingeschreven136.en [naam 28] is eigenaar van het perceel.137.
Op 18 april 2011 werd gezien dat [Verdachte] zijn Mercedes-Benz, kenteken [kenteken 6] , parkeerde op de [straatnaam 14] te Tilburg en een steeg naast nummer 8 in liep. De achterzijde van [straatnaam 5] is vanuit die steeg bereikbaar.138.
Op 20 april 2011 belt [Verdachte] naar een man, die gebruik maakt van telefoonnummer [telefoonnummer 19] , die zegt dat hij [naam 30] heet en dat dit zijn nummer is.139.
De rechtbank leidt uit de inhoud van de hierna volgende tapgesprekken af dat dit [naam 27] is, de persoon die is aangehouden in de woning waar de hennepkwekerij was.
Onderhoud van de hennepkwekerij
TT07-670
Op 2 mei 2011 belt [Verdachte] naar Senay, die gebruik maakt van telefoonnummer [telefoonnummer 19] . [Verdachte] vraagt of zij nu aanzienlijk groter zijn geworden. [naam 27] zegt van wel. [Verdachte] vraagt of [medeverdachte 4] gisteren langs is geweest. [naam 27] antwoordt: “Ja abi, hij keek naar hen en zei dat alles normaal was.”
TT07-695
Op 3 mei 2011 belt [Verdachte] naar [medeverdachte 1] . [Verdachte] zegt dat er vandaag naar [naam 28] gegaan moet worden en vraagt of [medeverdachte 1] even wil gaan en hij zegt dat de werkers ook gaan. Er moeten wat medicijnen/middelen naar binnen gaan. [medeverdachte 1] vraagt: “Het was toch aan het [straatnaam 13] ?”
TT04-2535
Op 3 juni 201 belt [Verdachte] naar [naam 27] . [Verdachte] vraagt wat hij aan het doen is. [naam 27] antwoordt dat hij de kinderen water gaat geven. [Verdachte] zegt “Oké doe de kinderen in bad, maar normaal he.” [naam 27] zegt: “Ik heb van de andere medicijn gegeven maar de kinderen zijn niet recht geworden.” [Verdachte] zegt: “Je moet dus spuiten op de uiteinden en proberen die teniet te doen. Je moet met stromend water er op spuiten. Maar dat doe je nadat de lampen uit zijn he.”140.
TT04-2745
08 juni 2011 belt [Verdachte] naar [medeverdachte 2] . [Verdachte] maakt zich druk dat [naam 28] een fout maakt bij het betalen. Er is een tekort van 100 lira bij de hypotheek. [Verdachte] zegt dat hij geen problemen wil hebben. [Verdachte] zegt: “Wat zij betalen is iets van 400 lira, weer enkele maanden achterstand, zij hebben op 2 mei 653 Euro, 25 mei 650 Euro en 30 mei nog eens.” [medeverdachte 2] zegt dat het wel in orde lijkt. [Verdachte] zegt: “Hij zou nog een achterstand hebben van 1800 lira. Dit moeten zij bespreken.” “Dat is goed”, zegt [medeverdachte 2] .141.
Bij een doorzoeking in de woning van [Verdachte] aan de [straatnaam 19] te Tilburg werd een schrijven van de ABN AMRO aangetroffen, over een betalingsachterstand hypothecaire lening van € 1.888,21. De brief was gedateerd op 1 juni 2011 en gericht aan de heer en mevrouw [naam 28] , [straatnaam 5] te Tilburg. De gedetailleerde gegevens die [Verdachte] aan [medeverdachte 2] doorgeeft in bovenstaand gesprek van 8 juni 2011 komen exact overeen met de inhoud van de bij [Verdachte] aangetroffen brief.142.
Na de ontmanteling
TT04-3015
Op 14 juni 2011 om 14:52 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 2] . [Verdachte] zegt: “Is weg abi, die is ook weg.” [medeverdachte 2] vraagt: “Hebben ze die ook meegenomen?” [Verdachte] zegt: “Ja ze hebben het opgehangen.
TT06-1511
Op 14 juni 2011 om 15:53 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] zegt dat [naam 31] is gebombardeerd, [naam 31] is gebaald. Vanmorgen hebben ze er met de bal op geschoten. [medeverdachte 1] zegt; “Onbegrijpelijk, ik weet het niet.” [medeverdachte 2] zegt: “Ik weet het niet zoon” en vraagt of hij nog over het andere huis wat heeft gehoord.
TT13-229
Op 14 juni 2011 om 16:41 uur belt [Verdachte] , naar [naam 27] , die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 20] . [Verdachte] vraagt hoe het is gebeurd. [naam 27] zegt dat zij vanmorgen zijn gekomen. “Hebben ze jouw telefoon gepakt ?”vraagt [Verdachte] . “Nee alles lag hier, mijn telefoon lag hier” zegt [naam 27] , “Zowel aan de voordeur als bij de achterdeur waren politiemensen”. [naam 27] zegt dat hij de deur voor hen open heeft gedaan. [Verdachte] vraagt of [naam 27] ' [naam 28] ' heeft genoemd. “Ja ik heb gezegd dat er hier post is en dat daar de naam van [naam 28] op staat en dat hij de huiseigenaar is en dat zij aan [naam 28] moeten vragen.” “Vroegen ze hoelang je hier was?” vraagt [Verdachte] . “Ja, ik zei dat ik al een maand hier was, maar dat ik nooit naar boven ben gegaan en dat ik 100 euro huur betaalde voor de woning.” “ [medeverdachte 4] haalt jou vanavond op, anders moet je een dag later samen met [medeverdachte 4] gaan”, zegt [Verdachte] .
TT06-1519
Op 14 juni 2011 om 22:04 uur belt [medeverdachte 2] naar [Verdachte] . [medeverdachte 2] vraagt hoe laat [Verdachte] vertrekt. [Verdachte] zegt dat hij omstreeks half 2 vannacht van huis gaat vertrekken maar dat hij om 11 uur vanavond [naam 28] gaat spreken. [medeverdachte 2] zegt dat hij ook daarvoor belt en zegt dat zij naar kantoor mogen komen. [Verdachte] zegt dat hij die jongen gaat bellen en gaat zeggen dat hij naar kantoor moet komen. [medeverdachte 2] : “Ja, laat hem naar kantoor komen zodat wij daar kunnen praten.” [Verdachte] zegt dat hij met [naam 27] heeft gesproken. [medeverdachte 2] vraagt hoe het zou zijn gegaan en of er een tip/klacht is. [Verdachte] antwoordt: “Ja, zij zijn omstreeks kwart over 9 gekomen. Zij zijn omstreeks 4 of 5 uur vrijgelaten.”
TT04-3100
Op 18 juni 2011 om 10:29 uur wordt [Verdachte] gebeld door [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] zegt dat hij gisteren door [naam 28] is gebeld die naar de sleutels heeft gevraagd. [medeverdachte 4] zegt dat hij de sleutels aan [medeverdachte 2] had gegeven en dat [naam 28] vroeg waarom wij de woning niet schoon hebben gemaakt. “Laat hem oprotten”, zegt [Verdachte] .
TT06-1615
Op 19 juni 2011 om 22:43 uur belt [medeverdachte 2] naar [Verdachte] . [medeverdachte 2] zegt dat [Verdachte] zijn broer moet bellen, want [naam 32] heeft de sleutel van het huis gebracht. De sleutel van het huis van [naam 28] zou namelijk ook daar liggen. [medeverdachte 2] gaat de sleutel teruggeven. [naam 28] zou [medeverdachte 4] hebben gebeld om te vragen waarom hij het huis niet heeft schoongemaakt. Men zou de sleutel aan [naam 27] hebben gegeven en [naam 27] zou die aan [medeverdachte 4] hebben gegeven. [medeverdachte 2] zegt: “Men wilde geld om het huis te laten schoonmaken. We hebben geen winst gemaakt en we hebben het niet gedaan. Onze naam komt toch niet voor in het contract. We hebben zoveel verlies geleden en hij heeft 5.500 winst gemaakt. Hij heeft zijn huur van 1 jaar gekregen, wat wilt hij nou nog meer?”. [Verdachte] is het daar volledig mee eens.143.
Op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat tussen [Verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [naam 27] en de eigenaar van het pand, [naam 28] , sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op de exploitatie van de hennepkwekerij. De verdachten hebben allen een wezenlijke bijdrage geleverd, zodat zij als medepleger van het telen van hennep kunnen worden aangemerkt. [Verdachte] en [medeverdachte 2] hebben een leidende rol gehad in de organisatie en financiering van de kwekerij en de afhandeling hiervan na de ontmanteling. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [naam 27] hebben een meer uitvoerende rol gehad en voerden de instructies van [Verdachte] en [medeverdachte 2] uit.
Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier om een professioneel opgezette hennepkwekerij, gelet op onder meer de omvang, de inrichting en de wijze van exploitatie, zodat er sprake was van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt.
Diefstal van elektriciteit
[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit op het adres [straatnaam 5] te Tilburg. Op 14 juni 2011 constateerde de fraude-inspecteur verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie. Er was een illegale aftakking gemaakt voor de hoofdbeveiliging op de hoofdkabel binnen. De deksel van de aansluitkast was ongeoorloofd open. Er was gefraudeerd met de zegels en de meter was beschadigd. Door de manipulatie werd afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage en het huishoudelijk verbruik niet correct via de elektriciteitsmeter geregistreerd.144.
De rechtbank is van oordeel dat de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring van diefstal bij andere hennepkwekerijen mede redengevend zijn voor het bewijs van dit feit, nu daaruit blijkt van een modus operandi die bij vrijwel alle kwekerijen overeenkomt (ketenbewijs). Er is sprake van het stelselmatig in vereniging exploiteren van hennepkwekerijen, waarbij bij vrijwel alle kwekerijen ook de elektriciteit wordt gestolen, ook in de woningen die in eigendom zijn van de verdachten. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] bekennen ook dat zij de elektriciteit hebben gestolen. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn betrokken geweest bij de opbouw van deze hennepkwekerij, waarvan het aanleggen van de illegale elektriciteitsaansluiting een onderdeel is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] wetenschap hadden van en de opzet hadden op de diefstal van de elektriciteit, zodat zij dit feit ook wettig en overtuigend bewezen acht.
4.3.11
Zaaksdossier Buizerd (feit 1)
Hennepkwekerij [straatnaam 3] te ‘s-Hertogenbosch
Op 6 september 2011 betrad de politie de woning aan de [straatnaam 3] te ‘s-Hertogenbosch, waarna een in werking zijnde hennepkwekerij werd ontmanteld.145.Er werden twee kweekruimten aangetroffen, met in totaal 321 hennepplanten, te weten 86 planten op de eerste verdieping en 235 planten op de zolder.146.Uit elke ruimte werden vijf planten geknipt en twee daarvan getest. Het bleek te gaan om hennep.147.
Hierop werd [naam 4] , de bewoner van het pand, aangehouden.148.[naam 4] is werkzaam als taxichauffeur.149.[naam 4] verklaarde bij de politie dat hij schulden had en dat hij de (huur)woning had aangeboden aan [Verdachte] om tegen betaling hennep te kweken. Hij zou van [Verdachte] € 5.000,- krijgen. Hij verklaarde dat de hem getoonde rijbewijsfoto op [Verdachte] lijkt. Op de vraag wie de hennepkwekerijen onderhield, zei hij dat [Verdachte] af en toe langs kwam, soms een Turkse jongen, een kennis van [Verdachte] , en af en toe deed hij het zelf. Hij had met [Verdachte] afgesproken dat als er problemen zouden ontstaan, [Verdachte] dat zou betalen.150.
[naam 5] , de vrouw van [naam 4] , verklaarde bij de politie dat er één keer een Poolse man langs kwam en gelijk naar de zolder ging. Nadat aan haar een foto van [medeverdachte 1]151.werd getoond, verklaarde zij deze persoon te herkennen als de Poolse man.
Aan haar werd het volgende telefoongesprek (TT16-1042) voorgehouden:
‘Op 22 augustus 2011 omstreeks 14:19 uur werd [Verdachte] , die op dat moment gebruik maakte van telefoonnummer [telefoonnummer 4] gebeld door een onbekende vrouw die op dat moment gebruik maakte van telefoonnummer [telefoonnummer 21] . In het gesprek zegt de onbekende vrouw dat het heel erg droog is bij de wortels, waarop [Verdachte] zegt dat dat normaal is.’
[naam 5] verklaarde dat zij dit gesprek voerde met de man van wie zojuist een rijbewijsfoto aan haar was getoond. Hij was een keer langs geweest en nam toen twee jerrycans mee en bracht deze naar zolder. Hij noemde zich [naam 33] . Na de ontmanteling van de kwekerij belde zij die Poolse man om door te geven dat zij geld nodig had. Tien minuten later werd zij gebeld door [Verdachte] . Hij zou het geld komen brengen. Later belde hij dat hij het niet zou halen om het geld binnen de gestelde tijd te komen brengen.152.
De verklaringen van [naam 4] en [naam 5] worden ondersteund door de volgende tapgesprekken en observaties.
Opbouw van de hennepkwekerij
Op 8 juni 2011 om 17:58 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 2] . [Verdachte] vraagt: “Wat gaan we over Den Bosch zeggen en gaan we door?” [medeverdachte 2] zegt dat ze in principe doorgaan, maar vraagt wat ze moeten doen als de stroom er niet tegen kan. Hierop zegt [Verdachte] dat het dat wel kan dragen.153.Op 9 juni 2011 om 18:29 uur belt [medeverdachte 2] naar [Verdachte] en spreken zij hun zorgen uit over de houding van [naam 4] (ten aanzien van zijn drankgebruik en gokverslaving) en bespreken ze wat ze moeten doen als het fout gaat. [Verdachte] zegt: “Anders slaan wij hem in elkaar en nemen we zijn taxi in en zeggen we dat de taxi hier blijft totdat hij het geld brengt.”154.Op 17 juni 2011 om 21:27 uur belt [medeverdachte 2] naar [Verdachte] . [Verdachte] vraagt of hij zijn zakenpartner heeft gemist en vraagt of hij [naam 4] nog heeft gesproken.155.
Op 25 juli 2011 wordt [Verdachte] gebeld door [naam 4] , die op dat moment gebruik maakt van het nummer [telefoonnummer 21] ; [Verdachte] zegt dat zij op woensdag rond 10 uur komen.156.Op woensdag 27 juli 2011 wordt gezien dat voor de ramen van de benedenverdieping van de woning aan de [straatnaam 3] te Den Bosch doorzichtig plastic is geplakt, zodat het binnenkijken wordt bemoeilijkt en het lijkt of de benedenverdieping leeg staat. Om 10:13 uur wordt gezien dat [Verdachte] samen met een andere man zijn auto, Opel Zafira, met kenteken [kenteken 1] , voor het pand aan de [straatnaam 3] te Den Bosch parkeert. [Verdachte] stapt als bestuurder uit en opent de achterklep. Samen met de man brengt hij diverse goederen waaronder (sport)tassen, een attachékoffer en plastic zakken vanuit de auto de woning in.157.
Onderhoud van de hennepkwekerij
Op 13 augustus 2011 belt [Verdachte] naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] overlegt met [Verdachte] over de instellingen. [Verdachte] zegt: “Doe beneden op 4.” [medeverdachte 1] zegt: “Het is 11 he, je hebt dit ingesteld zeker.” [Verdachte] zegt vervolgens: “Je moet het alleen in het midden zetten.”158.Op 14 augustus 2011 omstreeks 00:32 uur belt [Verdachte] weer naar [medeverdachte 1] en vraagt hem of hij die twee stekkers van 220 niet heeft uitgetrokken.159.Vandaar dat het bleef branden. [medeverdachte 1] zegt dat hij dat is vergeten. Daarop zegt [Verdachte] : “Zij nemen de telefoon niet op”.160.Om 00:36 uur belt [Verdachte] naar [naam 4] en zegt dat hij net [medeverdachte 1] heeft gebeld en vraagt of hij ervan op de hoogte is. [Verdachte] zegt dat [medeverdachte 1] dat vergeten is, boven staat er 220.161.
Na de ontmanteling
Op 6 september 2011 om 15:34 uur belt [medeverdachte 1] naar [Verdachte] en zegt dat de plaats in Den (Den Bosch) is gevlogen. [medeverdachte 1] zegt dat de vrouw heeft gebeld en zei dat ze 1000 Lira nodig heeft voor de elektriciteit.162.Om 16:06 uur belt [Verdachte] naar [naam 5] . Zij zegt dat alles is weggehaald, [naam 4] is aangehouden en ze dringend tweeduizend Lira nodig heeft. [Verdachte] zegt dat zij hun nummers moet wissen en vraagt of de mannen met de pet nog daar zijn. [naam 5] antwoordt dat ze momenteel boven ruimen.163.Om 16:27 uur belt [Verdachte] naar [naam 5] en zegt dat zij het nooit redden om binnen tien minuten daar te komen.164.
Om 18:01 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 2] . [Verdachte] zegt dat het een tip is geweest en dat er metingen zijn gedaan, waarna men naar binnen is gegaan.165.
Op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat tussen [Verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [naam 4] en [naam 5] , sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op de exploitatie van de hennepkwekerij. De verdachten hebben allen een wezenlijke bijdrage geleverd, zodat zij als medepleger van het telen van hennep kunnen worden aangemerkt. Ten aanzien van de rol van [Verdachte] kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat hij een coördinerende en sturende rol had. Hij gaf opdrachten, was zelf bij de hennepkwekerij aanwezig en hield [medeverdachte 2] op de hoogte. [medeverdachte 1] had een ondersteunende rol en fungeerde als contactpersoon met [naam 4] en [naam 5] . Dat [naam 5] verklaarde over een Poolse man, terwijl [medeverdachte 1] niet Pools maar Turks is, doet niet af aan haar herkenning van [medeverdachte 1] op een foto als die bewuste man. [medeverdachte 2] was betrokken bij de opbouw van de kwekerij en hij werd na de ontmanteling op de hoogte gehouden van de situatie door [Verdachte] .
Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier om een professioneel opgezette hennepkwekerij, gelet op onder meer de omvang, de inrichting en de wijze van exploitatie, zodat er sprake was van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt.
4.3.12
Zaaksdossier Valk (feit 1)
Hennepkwekerij [straatnaam 6] te Gorinchem
Op 11 januari 2012 is omstreeks 20:00 uur binnengetreden in het pand aan de [straatnaam 6] te Gorinchem. Verbalisanten zagen dat er op de begane grond een schoenenwinkel zat. Op de tweede verdieping hingen zes droognetten voorzien van vakken, waarop henneptoppen lagen. Onder deze netten stond een kacheltje met ventilator aan. De henneptoppen zijn gewogen en in beslag genomen. Het bedroeg een totaal gewicht van 32,5 kilo. Achter de droogruimte was een tweede kamer die bestond uit twee gedeelten, beide gedeelten waren ingericht als hennepplantage. In kweekruimte 1 stonden 138 plantenbakken en in kweekruimte 2 stonden 86 plantenbakken, alle gevuld met aarde.166.
Van de in beslag genomen henneptoppen167.is een monster genomen en getest. De stof reageerde positief op de aanwezigheid van hennep/THC.168.
Het pand werd vanaf september 2011 gehuurd door [naam 4] .169.
[naam 4] verklaarde dat het huurcontract op zijn naam stond, maar dat hij verder van niets wist. Hij had geen sleutels van het pand. Het contract was op verzoek van [Verdachte] op zijn naam gezet. In het begin had hij er € 1.000,- voor gekregen. Na afloop zou [Verdachte] nog iets regelen. De huur van het pand werd door [Verdachte] betaald.170.
Aan de hand van tapgesprekken werd het volgende geconstateerd.
TT42-117
Op 9 januari 2012 om 19:19 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 4] , die gebruik maakt van het nummer [telefoonnummer 14] . [medeverdachte 4] vraagt: “Zullen we dan om 7 uur bij jou dinges zijn?”
TT42-141
Op 10 januari 2012 om 13:32 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 4] . [Verdachte] zegt: “Houd die in kartonnen dozen he.” [medeverdachte 4] zegt dat die daar nog liggen.
TT 42-143
Op 10 januari 2012 om 15:49 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] zegt dat de achterkant nog gedaan moet worden. [Verdachte] vraagt of dat nog compleet gedaan moet worden. [medeverdachte 4] zegt van wel. [medeverdachte 4] zegt dat zij nog 10 stuks aan de voorzijde hebben. [Verdachte] zegt dat zij een beetje tempo moeten houden.171.
Na de ontmanteling vonden de volgende gesprekken plaats.
Op 11 januari 2012 om 19:05 uur belt [medeverdachte 4] , die dan gebruik maakt van het nummer [telefoonnummer 15] , naar [Verdachte] . [medeverdachte 4] zegt: “Dinges staan voor de deur, onze [Bijnaam 2] zijn er toch? Ze staan naar boven te kijken.” [Verdachte] zegt tegen [medeverdachte 4] : “Laat ze jou niet zien en je moet je telefoon op stil zetten.”172.
Om 19:33 uur die dag belt [Verdachte] naar [medeverdachte 4] en vraagt wat er is gebeurd. [Verdachte] zegt dat hij onderweg is en er aan komt. Hij vraagt of [medeverdachte 4] zeker weet dat het [Bijnaam 2] zijn. [medeverdachte 4] bevestigt dit en vraagt hoe de naam van die taxichauffeur is die daar huurt. [Verdachte] zegt dat zijn naam [naam 4] is.173.
Om 19:59 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 4] en vraagt of hij het dak al op gegaan is. [medeverdachte 4] bevestigt dit en zegt dat niemand hem kan zien.174.
De rechtbank gaat ervan uit dat het hier steeds gaat om [medeverdachte 4] . Zoals hiervoor, onder ‘Telefoonnummers in gebruik bij verdachten’ is vastgesteld, is [medeverdachte 4] de gebruiker van beide telefoonnummers.
De rechtbank leidt uit deze tapgesprekken, in combinatie met de bij het binnentreden aangetroffen situatie, af dat de hennepplanten op 10 en 11 januari 2012 zijn geoogst en de toppen vervolgens te drogen zijn gelegd.
Op 12 januari 2012 belt [Verdachte] naar [naam 4] en brengt hem op de hoogte van het feit dat de hennepkwekerij is geruimd. [Verdachte] zegt: “Het is weer weg verdomme. Gisterenavond tussen half 8 en 8 uur hebben ze dinges gedaan.”175.
[Verdachte] belt op 12 januari 2012 ook naar [medeverdachte 2] . [Verdachte] zegt dat ze weer dinges hebben gedaan en de moeder er van hebben laten huilen. [Verdachte] zegt dat zij er later over zullen praten. [Verdachte] geeft aan dat het gegaan is toen het kant en klaar was.176.
Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier om een professioneel opgezette hennepkwekerij, gelet op onder meer de omvang, de inrichting en de wijze van exploitatie, zodat er sprake was van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt.
Op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat [Verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het beroepsmatig telen en het medeplegen van het bewerken van een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan. Ten aanzien van de rol van [Verdachte] kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat hij een coördinerende rol had. Hij gaf opdrachten aan [medeverdachte 4] en via [medeverdachte 4] aan anderen, betaalde de huur van het pand en bracht [naam 4] en [medeverdachte 2] op de hoogte van de ontruiming.
De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 4] zich schuldig heeft gemaakt aan het beroepsmatig medeplegen van het bewerken van een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [medeverdachte 4] fungeerde als tussenpersoon/bedrijfsleider ter plaatse. De dag voor de ontmanteling was [medeverdachte 4] bij de kwekerij aanwezig. Hij werd op dat moment door [Verdachte] aangestuurd om andere aanwezigen te instrueren. Op het moment van de ontmanteling, terwijl de hennep lag te drogen, was [medeverdachte 4] ook ter plaatse.
Diefstal van elektriciteit
Uit de aangifte van [slachtoffer 3] blijkt dat ten behoeve van de hennepkwekerij die op 11 januari 2012 is aangetroffen in het pand aan [straatnaam 6] te Gorinchem gedurende enige tijd op illegale wijze elektriciteit van het net is afgenomen.
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat [medeverdachte 4] van de diefstal van die elektriciteit wist en daarbij betrokken is geweest, zodat hij van dit feit wordt vrijgesproken.
4.3.13
Zaaksdossier Cheeta
Hennepdrogerij [straatnaam 15] te Waalwijk
Op 24 januari 2012 is er in het kader van het onderzoek Colt een doorzoeking gedaan in de woning aan de [straatnaam 15] te Waalwijk (abusievelijk is in het proces-verbaal Tilburg vermeld). Op de zolderetage werd een vermoedelijk onlangs geknipte professionele hennepkwekerij aangetroffen. Na het openen van de deur naar het tweede gedeelte van de zolder was een sterke wietlucht waarneembaar. In de ruimte stonden aan weerszijden plastic bloempotten met daarin potgrond. Aan het plafond bevonden zich koolstoffilters en verschillende lampenunits. De lampenunits hingen boven de bloempotten. In het midden van de ruimte stonden drie plastic rekken met verschillende lagen, waarop over het hele oppervlak van een laag, wiet lag te drogen.177.Het materiaal is gewogen en bemonsterd. Het ging om 15 zakken met plantendelen en een zak met een plastic bakje van respectievelijk 9,27 kilogram netto en 10,4 gram netto en werd door de verbalisanten herkend als hennep. Door de verbalisanten werd uit die partij een monster genomen en getest. Hieruit bleek dat het om hennep ging.178.
[medeverdachte 1] verklaarde bij de politie dat hij huurder en bewoner is van de woning.179.[medeverdachte 1] verklaarde ook bij de politie dat er in zijn woning 9 kilogram aan hennep was aangetroffen en dat hij die hennep had gevonden.180.
De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] 9,27 kilogram hennep aanwezig had in zijn woning en schuift de enkele verklaring dat hij deze hennep heeft gevonden als ongeloofwaardig terzijde. De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] de hennep door deze te drogen heeft bewerkt in zijn woning.
Diefstal van elektriciteit
Aangezien [medeverdachte 1] ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. De rechtbank acht de diefstal van elektriciteit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de aangifte van [slachtoffer 1] ;181.
- de bekennende verklaring van [medeverdachte 1] afgelegd bij de politie op 2 februari 2012.182.
De rechtbank acht niet bewezen dat [medeverdachte 1] ten aanzien van deze feiten op enig moment nauw en bewust met een ander of anderen heeft samengewerkt. De rechtbank zal hem daarom vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.
4.3.14
Zaaksdossier Hyena
Hennepkwekerij Veldhovenring 2 te Tilburg
Op 24 januari 2012 werd er een doorzoeking verricht in de woning aan de [straatnaam 16] te Tilburg. De woning bevond zich op de eerste woonlaag en bestond uit een aantal kamers die door verschillende personen werden bewoond. In de tweede ruimte aan de straatzijde was een woonkamer ingericht. In de woonkamer zat een luik in het plafond dat via een trap toegang gaf tot de zolderverdieping. Op de zolder werd een vierkante tent van circa twee bij tweeëneenhalve meter aangetroffen waarin hennepplanten werden gekweekt. In de tent waren verwarming, assimilatielampen en afzuiging aangebracht. De pijp van de afzuiging ging rechtstreeks door het dak naar buiten. Vanuit de kwekerij zijn willekeurig een aantal toppen van de planten voor onderzoek veilig gesteld.183.De kamer waarin zich de trap naar de zolder bevond, is doorzocht. In een kast in deze kamer is een plastic zak met hennep aangetroffen en in beslag genomen. Op de vloer van de zolder is een plastic AH-zak met hennep aangetroffen en in beslag genomen.184.Alle materiaal is gewogen en bemonsterd. Het ging om twee plastic zakken met plantendelen van respectievelijk 1,26 kilo netto en 0,672 kilo netto en 5 henneptoppen met een gewicht van in totaal 0,16 kilo. Een monster werd getest en het bleek dat het om hennep ging.185.
[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit op het adres [straatnaam 16] te Tilburg. De overeenkomst voor dit adres stond op naam van [medeverdachte 2] . Op 24 januari 2012 constateerde de fraude-inspecteur dat door middel van manipulatie de elektriciteit niet via de elektriciteitsmeter liep. De deksel van de aansluitkast was ongeoorloofd open geweest, er was een illegale aansluiting op de bovenzijde van de zekeringhouders, er was manipulatie of verzwaring van de smeltveiligheid in de eindgroep en de hoofdbeveiliging was verzwaard. De verbruikte elektriciteit werd hierdoor niet correct via de meter geregistreerd.186.
[naam 34] verklaarde tijdens de doorzoeking van de woning dat hij sinds 1 december 2011 van [medeverdachte 2] een kamer huurde op de [straatnaam 16] te Tilburg en dat [medeverdachte 2] alleen op doordeweekse dagen op diens kamer kwam, meestal van 13:00 uur tot 16:00 uur.187.
Op 26 januari 2012 verklaarde [medeverdachte 2] bij de politie dat in de woning, die zijn eigendom was, aan de [straatnaam 16] te Tilburg, kamers zaten die werden verhuurd. Een van de kamers verhuurde hij aan zijn dochter. Er is een zolder. Hij wist dat er wietplanten op zolder hebben gestaan. Hij dacht ongeveer 35 planten. Deze planten waren van hemzelf en zijn dochter wist niets van deze kwekerij af. De planten waren pas drie weken oud. Hij had de kwekerij zelf opgebouwd. Hij verklaarde verder dat je alleen via de kamer van zijn dochter bij de hennepkwekerij kon komen, dat de stroom illegaal was afgetapt en dat er vier lampen hingen. [medeverdachte 1] , zijn dochter en hijzelf hadden een sleutel van de kamer van zijn dochter. [medeverdachte 1] had een sleutel omdat hij ook eigenaar van het pand is.188.
In een later afgelegde verklaring komt [medeverdachte 2] terug op zijn bekentenis en zegt niets met de hennepkwekerij te maken te hebben. Aangezien de gedetailleerde bekennende verklaring over de aangetroffen situatie op de zolder grotendeels overeenkomt met de beschrijving van de politie, hecht de rechtbank aan die latere ontkenning geen waarde.
De rechtbank acht, gelet op de voorgaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 2] , hennep heeft gekweekt in deze woning. Volgens de getuige [naam 34] kwam [medeverdachte 2] regelmatig op de kamer waarin de hennep is aangetroffen. Nu de zakken met hennep zijn aangetroffen in een kast in die kamer en op de vloer van de zolder waar zich de hennepkwekerij bevond, acht zij tevens wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 2] op 24 januari 2012 opzettelijk in totaal 1,93 kilogram hennep aanwezig heeft gehad.
Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier bovendien om een professioneel opgezette hennepkwekerij, gelet op onder meer de omvang, de inrichting en de wijze van exploitatie, zodat er sprake was van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Het gaat bij deze kwekerij weliswaar om een relatief beperkt aantal planten, maar de rechtbank neemt ook in aanmerking dat ze de betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij een aantal andere hennepkwekerijen en daarmee bij het kweken van een zeer groot aantal hennepplanten bewezen acht.
Daarnaast acht de rechtbank ook bewezen dat [medeverdachte 2] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van elektriciteit in deze woning.
Hoewel er aanwijzingen zijn dat [medeverdachte 1] ook betrokken is geweest bij deze kwekerij, acht de rechtbank deze onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen van een nauwe en bewuste samenwerking bij deze feiten. De rechtbank zal dan ook [medeverdachte 2] vrijspreken van het aan hem ten laste gelegde medeplegen.
4.3.15
Zaaksdossier Zebra
Hennepkwekerij [straatnaam 10] te Drunen
Op 24 januari 2012 is er een doorzoeking gedaan in de woning aan de [straatnaam 10] te Drunen. Daar werd in de garage een hennepkwekerij aangetroffen met 222 hennepplanten.189.Een monster van de planten is getest. Hieruit bleek dat het om hennep ging.190.
Door [slachtoffer 1] is aangifte gedaan van diefstal van stroom, via een illegale aansluiting op de onderzijde van de zekeringhouders.191.
[medeverdachte 3] , de bewoner van het pand, heeft bekend dat de hennepkwekerij van hem was en dat hij de elektriciteit heeft gestolen.192.
Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier om een professioneel opgezette hennepkwekerij, gelet op onder meer de omvang, de inrichting en de wijze van exploitatie, zodat er sprake was van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt.
De rechtbank acht, gelet op de voorgaande bewijsmiddelen, bewezen dat [medeverdachte 3] , in de periode van 1 december 2011 tot en met 24 januari 2012 te Drunen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, hennep heeft gekweekt in zijn woning en dat hij stroom heeft gestolen.
De rechtbank acht niet bewezen dat [medeverdachte 3] ten aanzien van deze feiten op enig moment nauw en bewust met een ander of anderen heeft samengewerkt. De rechtbank zal hem daarom vrijspreken van het aan hem ten laste gelegde medeplegen.
4.3.16
Deelonderzoek Mier
Hennepkwekerij [straatnaam 17] te Millingen aan de Rijn
Op 11 januari 2011 werd binnengetreden op het adres [straatnaam 17] te Millingen aan de Rijn. In de woning op de eerste verdieping werd een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. De kwekerij was onderverdeeld in vier verschillende ruimten met in totaal 830 planten. In een van de ruimten werd op een plank een hoeveelheid gedroogde plantentoppen aangetroffen. In de garage van de woning werden diverse goederen aangetroffen die verband hadden met de hennepkwekerij: flessen met voedingsmiddelen, plantenresten, isolatiemateriaal en voedingsbodem.193.
Na weging van de toppen bleek het te gaan om 21,96 gram. Van de planten en de toppen zijn willekeurig monsters genomen en getest. Het bleek te gaan om hennep.194.
Door een medewerker van energiemaatschappij [slachtoffer 2] werd vastgesteld dat de stroom ten behoeve van de kwekerij illegaal werd afgenomen van de hoofdmeter. De medewerker constateerde dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken en dat een illegale aansluiting was gemaakt. Hierdoor liep de voeding voor de kwekerij buiten de elektriciteitsmeter om.195.In verband hiermee is aan [naam 36] € 33.731,76 in rekening gebracht.196.
Hierop werd de bewoonster van de woning [naam 35] aangehouden.197.[naam 35] verklaarde bij de politie op 11 januari 2011 dat zij samen met haar vriend [naam 36] op het adres aan [straatnaam 17] te Millingen aan de Rijn woonachtig was en dat de hennepkwekerij eigendom was van een Turkse/Marokkaanse man, waarvan zij de naam niet wilde noemen.
Op 24 april 2012 werden [naam 35] en [naam 36] benaderd om als getuigen te worden gehoord. Beiden gaven aan dat zij hieraan niet mee wilden werken in verband met de angst voor represailles. In het gesprek met verbalisant [Verbalisant 2] gaven zij echter wel aan dat zij van [Verdachte] gratis in de woning aan de [straatnaam 17] te Millingen aan de Rijn mochten wonen, maar dat in de woning dan wel een hennepkwekerij zou komen. Zij kenden ook [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en de kleinere broer van [medeverdachte 1] . Verder deelden zij mede dat er nu nog civiele rechtszaken liepen in verband met energieschulden. Zij zeiden dat zij door [Verdachte] een schuld hadden bij de energiemaatschappij, die was opgelopen tot € 36.000,-.198.
Op 21 januari 2016 heeft [naam 35] bij de rechter-commissaris ontkend dat zij op 24 april 2012 een naam zou hebben genoemd. De rechtbank hecht echter meer waarde aan wat [naam 35] en [naam 36] op 24 april 2012 hebben verteld aan een verbalisant, nu deze gedetailleerde verklaring is neergelegd in een ambtsedig proces-verbaal en wordt ondersteund door de volgende tapgesprekken.
Op 12 mei 2011 werd tijdens een doorzoeking van het perceel [straatnaam 4] te Beneden Leeuwen (zaaksdossier Leeuw) een alarmsysteem aangetroffen met een mobiele telefoon voorzien van een simkaart. Uit onderzoek bleek dat in het geheugen van deze simkaart het telefoon [telefoonnummer 17] opgeslagen stond. Dit telefoonnummer bleek gekoppeld te zijn geweest aan het IMEI-nummer van een van de mobiele telefoons in gebruik bij [Verdachte] en [medeverdachte 4] . Uit analyse van de opgevraagde verkeersgegevens van dit telefoonnummer bleek dat dit telefoonnummer contact heeft gehad met onder andere telefoonnummer [telefoonnummer 22] , dat in gebruik was bij [naam 35] .199.
Op 26 maart 2011 belt [naam 35] (met het telefoonnummer [telefoonnummer 22] , dat op naam stond van [naam 36]200.) naar [Verdachte] , waarin hij vraagt naar een rekening, waarop zij zegt dat de nota van [slachtoffer 2] € 33.000 is. Verder zegt [naam 35] dat zij al eerder had gezegd dat in januari de meter eruit gehaald is en dat er geen gas en elektra meer is. [Verdachte] geeft hierop aan dat hij het zelf gaat onderzoeken.201.
Op 25 juni 2011 belt [Verdachte] naar telefoonnummer [telefoonnummer 22] . [naam 35] geeft bij [Verdachte] aan dat de nota van [slachtoffer 2] inmiddels € 35.000 is.202.
Op 3 januari 2012 wordt [Verdachte] gebeld door [naam 35] . [naam 35] zegt dat [naam 36] op 23 maart moet voorkomen voor [slachtoffer 2] . Verder geeft ze aan dat de advocaatkosten nog open staan. [Verdachte] zegt dat hij dit weet en dat hij binnenkort koffie komt drinken.203.
Uit deze tapgesprekken kan worden geconcludeerd dat [naam 35] en [Verdachte] elkaar kennen en dat zij spreken over de schuld aan [slachtoffer 2] als gevolg van de hennepkwekerij. Dit bevestigt wat [naam 35] en [naam 36] bij de politie hebben verteld over de rol van [Verdachte] bij de hennepkwekerij in de woning aan de [straatnaam 17] te Millingen aan de Rijn, zodat voor de rechtbank vast staat dat hij daarbij betrokken was.
4.3.17
Deelonderzoek Postduif
Hennepkwekerij [straatnaam 18] te Westmalle, België
Op 24 januari 2012 werd een doorzoeking uitgevoerd in een pand aan de [straatnaam 18] te Westmalle (België). Het pand betrof een pizzeria met daarboven een woongedeelte van twee woonlagen. In het keldergedeelte, dat ook via een trap in de pizzeria te bereiken was, trof de Belgische politie bloempotten aan. Er was kalkaanslag zichtbaar aan de zijkant en onderkant van de bloempotten. Aan de achterzijde van het pand bevond zich een achteruitgang naar de tuin. In deze tuin lag een laag aarde met plantenresten over een gedeelte van de tuin verspreid. Enkele van deze plantenresten zijn door de Belgische politie veiliggesteld.204.Uit de aarde staken hier en daar wortels van cannabisplanten.205.Verder werden in de tuin onder meer 193 bamboestokjes, 286 teeltpotten en een dompelpomp aangetroffen.206.De rechtbank merkt op dat dit materialen zijn die specifiek worden gebruikt voor een hennepkwekerij.
Aan de hand van de tapgesprekken werd het volgende geconstateerd.
Op 20 juli 2011 belt [Verdachte] naar [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] zegt tegen [Verdachte] dat [naam 37] uit België heeft gebeld.207.
Op 22 juli 2011 belt [Verdachte] naar [naam 37] . [Verdachte] zegt tegen [naam 37] dat hij over een half uurtje bij hem is. lbo geeft het adres Westmalle, [straatnaam 18] .208.
Op 31 augustus 2011 belt [medeverdachte 2] naar [naam 37] en bespreken ze welke locatie ze wel en niet doen. [naam 37] zegt: “Je moet mij wat geld geven om rond te komen totdat de appels rijp zijn.” [naam 37] zegt dat als het boven gaat draaien, hij [naam 38] gaat wegsturen. [naam 37] zegt dat hij de pizzabakkerij gaat stopzetten. [medeverdachte 2] wil alleen als ook het café erbij blijft en zegt dat [naam 38] beneden ergens kan slapen totdat zij klaar zijn met het café. [naam 37] wil 5.000 om 2 maanden rond te komen totdat de appels rijp zijn.209.
Op 6 september 2011 omstreeks 18:22 uur belt [Verdachte] naar [naam 37] . Het gesprek gaat over onenigheid tussen [naam 37] en [naam 38] . [naam 37] zegt dat [naam 38] bepaalde percentages wil van de opbrengst. [naam 37] zegt: “De winkel mag op mijn naam blijven. Ik wil mijn 40 procent en jullie mogen zelf met [naam 38] een en ander afspreken.”210.Omstreeks 18:32 uur belt [Verdachte] naar [medeverdachte 2] en zegt: “Hij zegt geven jullie maar 40 procent dan moeten jullie zelf weten wat jullie [naam 38] geven.” [Verdachte] vraagt of zij nu met [naam 38] moeten gaan afspreken. [medeverdachte 2] zegt laat [naam 38] samen met [naam 37] naar ons toe komen.211.
[medeverdachte 2] en [Verdachte] hebben diverse keren contact gehad met de exploitant van de winkel, genaamd [naam 37] , die zich [naam 37] noemde.212.In de tapgesprekken werd in versluierd taalgebruik gesproken. Zij spraken over ‘appels’ waarmee klaarblijkelijk hennep werd bedoeld.
De rechtbank stelt gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, vast dat [medeverdachte 2] en [Verdachte] betrokken zijn geweest bij de – ten tijde van de doorzoeking reeds geruimde – hennepkwekerij aan de [straatnaam 18] te Westmalle (België).
4.3.18
Deelonderzoek Impala
Hennepkwekerij/-drogerij [straatnaam 9] te Waalwijk
Op 24 januari 2012 werd er een doorzoeking verricht aan de [straatnaam 9] te Waalwijk. In de schuur achter de woning werd een ruimte aangetroffen die was ingericht als hennepkwekerij/hennepdrogerij. Er werden drie zakken met plantendelen en onder andere een afzuigslang, een koolstoffilter, een slakkenhuis, 4 staande tafelventilatoren en een temperatuurventilator aangetroffen.213.Het materiaal in de drie zakken is gewogen en bemonsterd. Het ging om respectievelijk 0,0038 kilo, 0,236 kilo en 0,0058 kilo. Na het testen van een monster bleek dat het om hennep ging.214.
[medeverdachte 2] was de eigenaar en bewoner van deze woning.215.De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte 2] dat dit spullen waren die hij na een inval in 2008 niet had opgeruimd ongeloofwaardig en stelt vast dat [medeverdachte 2] opzettelijk 332 gram hennep en apparatuur ten behoeve van een hennepkwekerij aanwezig had.
4.3.19
Zaaksdossier Jaguar (feit 2)
Hennephandel
Aan verdachten [medeverdachte 2] , [Verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] is ten laste gelegd dat zij zich in de periode van 1 april 2011 tot en met 24 januari 2012 in vereniging schuldig hebben gemaakt aan hennephandel.
Aan de hand van tapgesprekken is het volgende geconstateerd.
De gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 23] is [naam 6] .216.Op 4 april 2011 belt [naam 6] naar [Verdachte] en zegt tegen hem dat hij heeft gezegd dat er 4 stuks waren. [Verdachte] zegt dat [naam 6] langs moet komen zodat [Verdachte] het kan laten zien. [naam 6] geeft aan dat hij de volgende dag wil komen. [Verdachte] zegt dat dat goed is.217.
Op 5 april 2011, 16:26 uur, belt [medeverdachte 2] naar [Verdachte] . [Verdachte] zegt dat [naam 6] het heeft opgehaald, dat hij alles, die 51,5 heeft meegenomen. [Verdachte] zegt dat hij [naam 6] nog eens twee wil. [medeverdachte 2] zegt “Breng en maak nog eens twee”.218.Om 16:36 uur belt [medeverdachte 2] naar [Verdachte] . [medeverdachte 2] zegt dat [naam 6] zegt ‘laat maar brengen’. [Verdachte] zegt dat dat goed is. Later zegt [medeverdachte 2] dat hij er nog twee stuks in zal gooien.219.Om 17:39 uur belt [Verdachte] naar [naam 6] . [Verdachte] zegt dat hij die twee ook heeft gebracht.220.
Op 7 april 2011, 21:10 uur, belt [Verdachte] naar [medeverdachte 2] . [Verdachte] spreekt over Hikmet. [Verdachte] heeft tegen [naam 6] gezegd dat zij papieren nodig hebben. [naam 6] zei dat er wat problemen zijn ontstaan. [Verdachte] hoopt dat [naam 6] niet gaat zeggen dat ze deze maar weer terug moeten nemen.
[medeverdachte 2] zegt dat hij het niet weet. “Je weet het nooit met mensen. Ze hebben mij toch de “ot” (onkruid/weed) na 1 dag teruggegeven.” [medeverdachte 2] zal hem bellen.221.Om 21:12 uur belt [medeverdachte 2] naar [naam 6] . [naam 6] zegt dat ‘deze’ niet dezelfde is als die van de vorige keer. [medeverdachte 2] : “Dat was van een andere partij, deze is van een andere partij.”222.
Op 10 april 2011 belt [Verdachte] naar [naam 6] . [naam 6] zegt gelijk dat hij gekomen is, maar dat de documenten niet volledig zijn en stelt voor om elkaar de volgende dag te zien omdat hij dan alles krijgt. Hij zegt: “Het was erg slecht, we hebben het niet kunnen geven. (..) hij zei toch nog dat er veel aarde bij zat”.223.
Op 27 april 2011 belt [medeverdachte 2] met [medeverdachte 3] en vraagt wat hij met die van gisteren heeft gedaan. Die zijn morgen klaar zegt [medeverdachte 3] [medeverdachte 2] zegt dat de auto’s heel goedkoop zijn. [medeverdachte 3] zegt 52. [medeverdachte 2] zegt voor 52 gaan wij niet kopen, vandaag heeft men voor 50 gebracht.224.
Op 29 april 2011 om 20:45 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] vraagt of hij die voor 5.1 kan kopen. [medeverdachte 2] zegt dat hij niet moet kopen maar wel voor 5.225.
Om 22:29 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door een vrouw. Zij zegt dat [medeverdachte 3] 2 kilo en 100 gram heeft gebracht. De vrouw zegt: “Daar geef ik 10.500 voor.” [medeverdachte 2] vraagt wat hij ervoor betaalt. Nu komt [medeverdachte 3] aan de lijn en zegt 5. [medeverdachte 2] zegt dat 5 niet kan en dat [medeverdachte 2] dit had moeten rekenen voor 4.9. [medeverdachte 2] vraagt naar zijn vrouw. Nu komt zijn vrouw aan de lijn. [medeverdachte 2] zegt: je mag hem 10.300 geven, niet meer dan dat.226.
Op 4 mei 2011 om 14:26 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] . Ze overleggen over het betalen voor 2,5 stuks waar 5 voor wordt gevraagd en [medeverdachte 2] zegt dat [medeverdachte 3] er 4,5 mag geven. [medeverdachte 3] zegt dat ze nog met de auto’s zitten opgescheept.227.
Om 15:59 uur belt [medeverdachte 2] naar [Verdachte] . [medeverdachte 2] zegt dat [naam 6] belde en zei dat hij die beide delen wilde opsturen en dat hij heeft gezegd dat [naam 6] [Verdachte] moest bellen. [Verdachte] zegt: “Dat is goed, maar moet ik het kopen van de andere landgenoten, die huilt steeds en zegt dat het niet kan voor 5 die 2 stuks.” [medeverdachte 2] zegt dat hij net 2,5 gevonden heeft voor 5 en vraagt of hij [medeverdachte 3] moet bellen want hij heeft gezegd dat hij 4,5 mocht bieden. [Verdachte] zegt dat hij die gasten niet kan geloven.228.
Om 16:07 uur belt [medeverdachte 3] naar [Verdachte] . [Verdachte] vraagt of het er goed uitziet en vraagt of hij 5 heeft gezegd. [Verdachte] zegt dat hij het mag komen brengen als hij het voor 5 geeft/verkoopt. “Als het er mooi uitziet zonder dinges, anders gaan wij die weggooien, anders plant het niet verder, koop die 2, niet allemaal.”229.
Om 16:34 uur belt [medeverdachte 3] naar [Verdachte] . [medeverdachte 3] zegt: “Hij zou 2 9 nu hebben, zij zijn mooi, ik koop het wel, ook geen dinges er in.” [Verdachte] zegt: “Vraag het ook aan je vader. Ik geef je mijn fiat. Als je vader dat ook doet, moet je het kopen.”230.
Op 23 mei 2011 om 22:20 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door een man genaamd [naam 11] die gebruik maakt van telefoonnummer [telefoonnummer 24] . [naam 11] geeft aan dat er adam is en vraagt of [medeverdachte 2] dat wil. [medeverdachte 2] vraagt wat zij er voor vragen. [naam 11] geeft aan 5 2 en zegt dat het heel erg mooi is. Hij heeft 7 stuks. [medeverdachte 2] geeft aan dat zij niets gaan verdienen als zij voor 5 2 kopen en zegt dat hij bereid is voor 4 9 te kopen.231.
Op 24 juni 2011 belt [medeverdachte 2] naar [naam 6] . [medeverdachte 2] vraagt hoe lang het gaat duren. [medeverdachte 2] zegt dat [naam 6] zijn geld daarvan moet hebben ontvangen. [naam 6] zweert dat hij dit niet ontvangen heeft. [medeverdachte 2] zegt dat zij met vakantie moeten gaan en dat zij in een erbarmelijke situatie verkeren. Zij hebben zelfs [Verdachte] opgepakt. Ze hebben weer veel geld onderschept. “Ga er anders morgen heen [naam 6] en breng maandag geld voor ons mee.”232.
Op 14 augustus 2011 wordt [medeverdachte 2] gebeld door [naam 11] . [medeverdachte 2] geeft aan dat ze het toch voor 1000 lira hebben gekocht. [medeverdachte 2] vraagt het of het niet 9 kilo 700 was. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij toch had gezegd 9 kilo en 70 gram. Hij geeft aan dat hij [naam 11] 8800 geld heeft gegeven.233.
Op 19 augustus 2011 om 15:41 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 3] en vraagt wat ze vroegen voor die stekjes. [medeverdachte 3] zegt dat zij 5 en 4,5 vragen.234.
[medeverdachte 3] verklaarde bij zijn verhoor bij de politie dat dit gesprek ging over de aankoop van jonge hennepplantjes.235.
Op 20 augustus 2011 om 23:03 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] . [medeverdachte 3] zegt dat er iemand langs was gekomen die 5 auto’s zou hebben en dat ze 43 per stuk kosten. [medeverdachte 2] wil weten om welke auto het gaat, waarop [medeverdachte 3] zegt dat het van die dure zijn en dat ze mooi zijn.236.
Op 18 september 2011 wordt [medeverdachte 2] gebeld door een man die gebruik maakt van telefoonnummer [telefoonnummer 25] . Dit nummer is in gebruik bij [naam 7] .237.[naam 7] wil weten wat de prijs is. [medeverdachte 2] zegt: “5,2 à 5,1 lager kan niet. Het is mooi. Betreft export-goed.” [naam 7] zegt: “Ik zamel hier zelf in voor 48 à 49 à 50.” [medeverdachte 2] zegt dat zij het daar niet voor kunnen geven. Voor 54, 55 geeft hij de mooiste spul aan coffeeshops.238.
Op 20 september 2011 om 14:38 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [naam 7] . [naam 7] vraagt of het mogelijk is dat hij een zak aan die mensen laat zien. “Wij zijn met de kinderen samen; iedereen is hier”, zegt [medeverdachte 2] Hij zal kijken of hij wat kan doen.239.
Om 19:22 uur wordt [medeverdachte 2] door [medeverdachte 3] gebeld. [medeverdachte 3] vraagt hoeveel hij tegen hen had gezegd. [medeverdachte 2] zegt dat hij 51 had gezegd.240.
Om 19:23 uur belt [medeverdachte 2] terug naar [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] zegt: “Dat andere daar is een stukje nog van in Tilburg. Totaal 14.600.” [medeverdachte 2] vraagt of hij daar nog wat opgehaald heeft. [medeverdachte 3] zegt dat dat niet het geval is omdat hij het al had. Hij heeft wel wat gepakt, maar dat ligt nog bij hem in de auto.241.
Om 19:30 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [naam 7] . [naam 7] zegt dat het ok is en vraagt of hij het met de zoon van [medeverdachte 2] kan regelen. [medeverdachte 2] zegt dat hij zelf ook zo komt. [naam 7] zegt dat de jongens wel hebben gezegd dat alles zelf moet zijn en als het anders is zij niet zullen doen.242.
Om 19:37 uur belt [medeverdachte 2] naar [naam 7] . [naam 7] vraagt of het in Waalwijk kan. [medeverdachte 2] zegt dat dat goed is en zegt dat [naam 7] hem om half negen vanuit Waalwijk moet bellen.243.
Om 20:13 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] zegt dat ze vandaag alles willen zien en handgeld willen geven en het morgen willen komen ophalen. [medeverdachte 3] zegt dat [medeverdachte 2] tegen hen zou hebben gezegd dat zij hem moeten bellen als ze naar Waalwijk zijn gekomen. [medeverdachte 2] zegt: “Dat klopt laat zij mij maar bellen.” [medeverdachte 3] vraagt: “Moeten ze naar ons huis komen?” [medeverdachte 2] wordt kwaad op [medeverdachte 3] dat hij dat over de telefoon zegt en verbreekt kwaad het gesprek.244.
Om 20:15 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [naam 7] . [naam 7] zegt dat de jongens vandaag alles willen zien en een aanbetaling van 10 duizend willen zien, waarna zij morgen willen ophalen. Hij heeft de aanbetaling bij zich. [medeverdachte 2] zegt dat dat goed is als zij de aanbetaling doen.245.
Om 20:20 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [naam 7] . [naam 7] zegt dat hij er is. [medeverdachte 2] zegt dat hij er zo aankomt.246.
Om 20:24 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] zegt dat hij geen zak heeft gepakt, alleen maar wat daarachter lag, omdat hij het niet kon vinden.247.
Om 21:26 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [medeverdachte 1] , die zegt: “Er ligt hier zes en half.” en vraagt of dat klopt. “Dat klopt”, zegt [medeverdachte 2]248.
Op 21 september 2011 om 15:10 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] zegt dat [medeverdachte 1] daar 14 papier moet krijgen en dat hij niet minder moet nemen. “Dat is goed”, zegt [medeverdachte 1] . “Jullie moeten goed wegen en daarna gaan geven”, zegt [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] vraagt of zij daar zullen doen. “Nee laat ze niet daar komen, laat ze maar daar bij jou garage doen”, zegt [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] vraagt of er weer zoveel mensen komen. “Nee, waarschijnlijk komt alleen [naam 7] .” antwoordt [medeverdachte 2]249.
Om 17:25 uur belt [medeverdachte 2] naar [naam 7] , die zegt: “Ik kom eraan. Ik sprak net met je zoon. Ik heb de papieren.”250.
Om 17:28 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] vraagt waar zij zijn. [medeverdachte 3] zegt dat zij bij [naam 39] zijn en nu naar het huis van zijn broer gaan.251.
Om 17:29 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [naam 7] . [naam 7] vraagt: ”Was het precies 14 stuks, dan kreeg ik in totaal precies 79 van hen ook voor die van gisteren.”252.
Om 18:12 uur belt [medeverdachte 2] boos terug naar [naam 7] en zegt dat hij 1200 papier te kort komt. Je hebt 63.700 papieren gegeven. [medeverdachte 2] zegt: “Hier heb je 63.700 Lira aan geld. Je zou 64.900 Lira aan geld achterlaten.”253.
Op 12 oktober 2011 wordt [medeverdachte 2] gebeld door [naam 11] . [naam 11] geeft aan dat hij ongeveer 10 of 15 nat heeft en er 825 voor vraagt. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij dat er niet voor gaat betalen. Aan tien heeft hij niks, dat is het niet eens waard om er achteraan te gaan.254.
Op 17 oktober 2011 wordt [medeverdachte 2] gebeld door [naam 7] . [naam 7] zegt voor een vriend te bellen en vraagt of er van die lichte zijn. Hij zou er 40 nodig hebben. [medeverdachte 2] zegt dat het voor 4,3 à 4,4 aan de coffeeshops wordt verkocht en vraagt wat de prijs is van de zwarte meisjes. [naam 7] zegt er 52 voor te willen geven.255.
Op 12 januari 2012 wordt [medeverdachte 3] gebeld door een onbekend gebleven man. Er worden afspraken gemaakt over de betaling en de levering. De man zegt: “Ja, als je er 48 van maakt.” [medeverdachte 3] zegt: “49 is het laatste anders hoeft het echt niet. Normaal is het 51 52.” Uiteindelijk spreken ze 49 af. De man belt [medeverdachte 3] morgenmiddag en dan komt hij ze ophalen.256.
Op 13 januari 2012 wordt [medeverdachte 3] gebeld door een onbekend gebleven man. De man zegt: “Ik vroeg je de vorige keer wat. Waarom bel je niet terug joh?” [medeverdachte 3] vraagt wat de man hem had gevraagd, waarop hij antwoordt: “Wiet/onkruid.” [medeverdachte 3] zegt dat hij het morgen zal komen brengen.257.
[medeverdachte 3] verklaarde bij de politie op 25 januari 2012 dat hij zag dat de politie veel tapgesprekken had en dat hij begreep dat het vrij groot was, maar dat hij met betrekking tot zijn broer en vader niets wilde zeggen. Verder verklaarde hij dat hij wel een bepaalde rol had in de hennephandel, maar dat die niet groot was. [medeverdachte 3] verklaarde desgevraagd dat het gesprek waarin hij met zijn vader spreekt over dure vijf stuks auto’s kopen, ging over hennephandel waar zijn vader bij betrokken was.258.Verder verklaarde hij op 26 januari 2012 dat je zijn rol als heel klein moest zien wat betreft de hennephandel. Als hij een grotere rol zou spelen dan zou je hem meer met zijn vader, [medeverdachte 1] en [Verdachte] zien en dat was niet het geval.259.
[naam 7] verklaarde bij zijn verhoor bij de politie op 30 mei 2012 – nadat bovenstaande door hem gevoerde tapgesprekken van 18, 20 en 21 september 2011 aan hem waren voorgehouden – dat het kon zijn dat hij had bemiddeld. Hij dacht dat het ging om hennep.260.
Conclusie
In diverse gesprekken wordt gesproken over bedragen en getallen met steeds ongeveer dezelfde hoeveelheden, al dan niet in combinatie met stuks, kilo en gram en gaat het over kopen en verkopen. Ook wordt gezegd ‘anders plant het niet verder’, ‘dat er veel aarde bij zat’, ‘stekjes’, ‘nat’, ‘partijen’, ‘mooiste spul aan coffeeshops geven’, ‘wegen’ en ‘wiet/onkruid’. De rechtbank overweegt dat deze termen te relateren zijn aan (de handel in) hennep. In dat licht kan ook betekenis worden toegekend aan het versluierd taalgebruik dat door verdachten is gebezigd. Regelmatig wordt de term auto’s gebruikt. Dat hiermee hennep wordt bedoeld, wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 3] die bevestigt dat het gesprek met zijn vader waarin werd gesproken over het kopen van vijf stuks auto’s, ging over hennephandel. Verder valt op dat wordt gesproken over papieren en documenten waarmee kennelijk geld wordt bedoeld en over de prijs van zwarte meisjes.
Gelet op dit alles staat voor de rechtbank vast dat verdachten telefonisch het kopen en verkopen van grote hoeveelheden hennep met elkaar bespraken en dat er ook afspraken zijn gemaakt over het betalen en afleveren van die hennep. Vanaf het moment dat er is getapt, begin april 2011, zijn dergelijke gesprekken gevoerd. De rechtbank constateert dan ook dat er gedurende een langere periode, te weten vanaf begin april 2011, steeds met verschillende afnemers (waaronder [naam 6] , [naam 7] en [naam 11] ) is gehandeld in grote hoeveelheden hennep.
Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [medeverdachte 2] , [Verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] op tijdstippen in de periode van 1 april 2011 tot en met 24 januari 2012 in Nederland, tezamen en in vereniging, telkens opzettelijk hennep hebben verkocht en/of afgeleverd. De rechtbank stelt hierbij vast dat [medeverdachte 3] steeds door [medeverdachte 2] werd geïnstrueerd - en soms door [Verdachte] - welke bedragen hij mocht bieden. Gelet op de hoeveelheid telefoongesprekken, waaruit af te leiden is dat [medeverdachte 3] een rol speelt bij het kopen, verkopen, keuren, ophalen en afleveren van hennep, stelt de rechtbank vast dat hij - anders dan hij zelf verklaart - een grote rol heeft gehad bij deze handel in hennep.
Dat ook [medeverdachte 1] betrokken was bij deze hennephandel, zoals ook valt af te leiden uit de verklaring van [medeverdachte 3] , blijkt uit de tapgesprekken rond de levering aan [naam 7] , waarbij hij door [medeverdachte 2] werd geïnstrueerd, bijvoorbeeld over hoeveel geld hij moest krijgen en dat er goed gewogen moest worden.
4.3.20
Zaaksdossier Adder (feit 2)
Hennephandel
Bij [medeverdachte 2] en [Verdachte] is ten aanzien van de ten laste gelegde hennephandel ook het dossier Adder betrokken.
Aan de hand van tapgesprekken en observaties is het volgende geconstateerd.
Op 8 juli 2011 belt [Verdachte] naar [medeverdachte 2] . [Verdachte] geeft aan dat hij die dingen aan iemand zal laten zien en van plan is om het voor 46 à 47 af te geven. [medeverdachte 2] geeft aan dat het inderdaad minimaal 46 moet zijn. [Verdachte] geeft aan dat ‘ [bijnaam van naam 3] ’ het voor 46 wil kopen. [medeverdachte 2] zegt dat ‘ [bijnaam van naam 3] ’ die dan zelf 50 à 51 zal geven/kopen. [Verdachte] bevestigt dit en geeft aan dat hij ( [bijnaam van naam 3] ) standaard klanten heeft. [Verdachte] zegt dat [naam 39] straks bij hem komt.261.
Van [naam 3] (verdachte in Colt I) is bekend dat hij de bijnaam ‘ [bijnaam van naam 3] ’ heeft.262.Hij is vanaf 27 november 2008 mede-eigenaar/directeur van het bedrijf [naam bedrijf 1] . Tot die datum was [Verdachte] mede-eigenaar/directeur van [naam bedrijf 1] .263.
De gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 26] is [naam 39] .264.[medeverdachte 1] heeft bij de politie over dit telefoonnummer verklaard dat het van een vriend van hem was, genaamd [naam 39] .265.
Op 14 juli 2011 om 12:31 uur belt [Verdachte] naar [naam 39] . [Verdachte] vraagt [naam 39] of de man rond vier uur twee dinges naar waar die de vorige keer was geweest (kan brengen). [Verdachte] zegt dat [naam 39] hem moet geloven en dat het een goede prijs is. [naam 39] geeft aan dat het goed is en vraagt 8 4. [Verdachte] begint te lachen en zegt “4 8. Was het maar 8 4.”266.
Om 12:47 uur die dag belt [naam 39] naar [Verdachte] . [Verdachte] zegt dat de prijzen nog meer omlaag gaan, hetgeen [naam 39] ontkent. Daarop zegt [Verdachte] dat hij het maar goed uit moet zoeken en dat hij ook ergens anders twee kan regelen, nog mooiere voor 47. [naam 39] geeft aan dat hij nog best wel een maandje of anderhalf kan wachten, dat is voor hem geen probleem, maar de prijs. [naam 39] zegt dat hij [Verdachte] om vier uur ziet.267.
Om 15:54 uur belt [naam 39] naar [Verdachte] . [Verdachte] vraagt of [naam 39] nog komt. Hij antwoordt dat hij onderweg is en dat hij over 10 of 15 minuten daar is. [Verdachte] zegt: “Bij die garage he.”268.
Op 14 juli 2011 om 16:26 uur wordt waargenomen dat een man, die door verbalisanten is herkend als [naam 39] , bij de achterzijde van het bedrijfspand van [naam bedrijf 1] aan de [straatnaam 7] te Tilburg komt aanrijden met een grijze personenauto, merk Opel. [naam 40] loopt vervolgens met [naam 39] naar de achterzijde van de auto. [naam 39] opent de bagageruimte en [naam 40] haalt uit de bagageruimte van voornoemde auto een tas en loopt vervolgens met de tas het bedrijfspand van [naam bedrijf 1] binnen. De grijze personenauto, merk Opel, met kenteken [kenteken 7] stond op naam van [naam 41] , de oom van [naam 39] .269.
Op 26 juli 2011 om 13:48 uur belt [Verdachte] naar [naam 39] [Verdachte] vraagt of [naam 39] 3 meter hout mee kan nemen. [naam 39] vraagt wat voor soort. [Verdachte] antwoordt: “4 voor 49”. [naam 39] vraagt: “10 meter?” [Verdachte] geeft aan 49 en zegt: “dezelfde als de vorige keer”. [naam 39] vraagt waar [Verdachte] is. Hij antwoordt: “Bij die oude werkplek van mij.”270.
Om 14:23 uur belt [Verdachte] naar [naam 39] . [Verdachte] vraagt: “Hoelang nog?” en zegt dat hij er al is. [naam 39] antwoordt dat hij er over 20 minuten is.271.
Op 26 juli 2011 om 14:58 uur wordt waargenomen dat [Verdachte] en [naam 42] aan de achterzijde van het bedrijfspand van [naam bedrijf 1] naar buiten lopen. Een grijze personenauto, merk Opel, komt achteruit aanrijden bij de achterzijde van het bedrijf. [Verdachte] en [naam 42] lopen beiden naar de achterzijde van de auto. Door [naam 42] wordt de bagageruimte van deze auto geopend.
Om 14:59 uur wordt gezien dat [naam 42] vervolgens een grijze vuilniszak met inhoud uit de bagageruimte pakt. Aan de bestuurderszijde stapt [naam 39] uit. [naam 42] loopt vervolgens met de vuilniszak samen met [Verdachte] het bedrijfspand van [naam bedrijf 1] in. [naam 39] stapt in de grijze personenauto en rijdt weg.272.
Verder is hiervoor (onder zaaksdossier Jaguar) al vastgesteld dat [Verdachte] en [medeverdachte 2] zich bezighielden met de handel in grote hoeveelheden hennep.
Conclusie
In de gesprekken wordt door [Verdachte] , [medeverdachte 2] en anderen op eenzelfde manier en met dezelfde termen als bij het hiervoor besproken zaaksdossier Jaguar gesproken over aantallen, bijbehorende prijzen en kwaliteit. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat ook hier over koop en levering van hennep gesproken wordt. Gelet op de tijd tussen de telefoongesprekken van 14 juli 2011 om 15:54 uur en 26 juli 2011 om 14:23 uur en de aankomsten van de grijze personenauto bij [naam bedrijf 1] , gaat de rechtbank ervan uit dat op verzoek van [Verdachte] leveringen en verkopen van hennep hebben plaatsgevonden bij [naam bedrijf 1] . De rechtbank stelt hierbij vast dat [Verdachte] voorafgaand aan de leveringen heeft afgestemd met [medeverdachte 2] over de prijs.
Daarbij merkt de rechtbank nog op dat dit aansluit bij de vaststelling in de vonnissen in Colt I dat er bij [naam bedrijf 1] sprake was van grootschalige hennephandel.
Op basis van het voorgaande, in samenhang bezien, komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat [Verdachte] en [medeverdachte 2] in de maand juli 2011 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meerdere malen opzettelijk grote hoeveelheden hennep hebben verkocht en/of afgeleverd.
4.3.21
Zaaksdossier Sepia (feit 3)
Criminele organisatie
Aan [medeverdachte 2] , [Verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] is tenlastegelegd dat zij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 januari 2012 hebben deelgenomen aan een criminele organisatie. Tot die organisatie zouden ook [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] behoord hebben en [medeverdachte 2] en [Verdachte] zouden daaraan leiding hebben gegeven. De organisatie zou gericht zijn op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, lid 3 en/of lid 5 van de Opiumwet, namelijk het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk:
- telen/bereiden/bewerken/verwerken van hennep,
- verkopen/afleveren/verstrekken/vervoeren van hennep en
- aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep.
4.3.21.1 Toetsingskader
Onder het bestanddeel ‘organisatie’ moet worden verstaan: een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, of bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.
Het oogmerk van de organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven. Voor bewijs van het bestanddeel ‘oogmerk’ kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie zijn gepleegd, aan het duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Van deelneming aan een criminele organisatie kan slechts sprake zijn als aan twee vereisten is voldaan:
1) de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en
2) de verdachte heeft een aandeel in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk, dan wel ondersteunt dergelijke gedragingen.
Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken.
In het bestanddeel ‘deelneming’ aan een criminele organisatie ligt tevens het opzet van de verdachte besloten. Voor ‘deelneming’ is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
4.3.21.2 Organisatie
Uit de bewijsmiddelen, zoals hiervoor uitgewerkt ten aanzien van de zaaksdossiers betreffende hennepkwekerijen en -drogerijen en de verkoop, het leveren en voorhanden hebben van hennep, volgt dat er door alle vijf verdachten structureel en langdurig - ongeveer een jaar - is samengewerkt bij het bedrijfsmatig opzetten van hennepkwekerijen en het daaruit voortvloeiende oogsten, drogen, verkopen en leveren van hennep aan derden.273.Niet iedere verdachte was bij elke kwekerij en de hennephandel (even sterk) betrokken, er werd in wisselende samenstelling samengewerkt. Zo had [medeverdachte 3] duidelijk een grotere rol bij de handel en de verkoop van hennep dan bij het kweken en volgt uit de bewijsmiddelen een grotere betrokkenheid van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] bij het opzetten, onderhouden en oogsten van de kwekerijen dan bij de handel in hennep.
Uit de telefoontaps is gebleken dat verdachten zeer veel onderling contact hadden, niet alleen per telefoon, maar ook in persoon. Zo spraken zij onderling af ‘op kantoor’. In de gesprekken werd veel gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik en er werd gezegd dat dingen niet via de telefoon gezegd moesten worden.
Binnen de organisatie bestond ook een duidelijke structuur. [medeverdachte 2] en [Verdachte] hadden telkens een leidinggevende en coördinerende rol. Zij bespraken hoeveel planten er moesten komen in een kwekerij en gaven opdrachten over de opbouw van de kwekerijen en het oogsten. Zij bepaalden ook de prijs die voor hennep of hennepstekjes betaald zou moeten worden en stemden een en ander onderling af. Ook bespraken [medeverdachte 2] en [Verdachte] de opbrengst samen en hielden ze elkaar op de hoogte over het oprollen van een kwekerij. Ze waren compagnons en zakenpartners, zo noemden ze het zelf. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] kregen met name opdrachten, stemden steeds met [medeverdachte 2] en/of [Verdachte] af en rapporteerden aan hen als er problemen waren.
Daarnaast is er ook nog een familieverband binnen een deel van de organisatie; [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zijn zonen van [medeverdachte 2] . Daarbij geldt dat - anders dan door de verdediging is aangevoerd - met name uit de tapgesprekken blijkt dat er zeer veel contact tussen hen is geweest, waarbij de inhoud van de gesprekken direct te relateren is aan samenwerking bij het plegen van misdrijven en niet louter te verklaren is vanuit een (sociale) familieband.
Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat sprake was van een samenwerkingsverband tussen alle verdachten, met een zekere duurzaamheid en structuur.
4.3.21.3 Oogmerk misdrijven Opiumwet
Hennepteelt
Het oogmerk van de organisatie op hennepteelt blijkt alleen al uit het feit dat er gedurende een lange periode, grotendeels via eenzelfde professionele werkwijze, hennepkwekerijen werden opgezet. Eigen panden of panden van anderen werden, meestal met katvangers als ‘huurders’, ingericht voor het opzetten van kwekerijen. Bij deze hennepkwekerijen is vrijwel steeds vastgesteld dat de elektriciteit voor de hennepteelt illegaal afgetapt werd.274.Katvangers als [naam 4] , [naam 13] en [naam 24] werden ingezet om bij ontdekking van de kwekerijen de schuld op zich te nemen of naar anderen (buiten de organisatie) te wijzen. [medeverdachte 4] werd ingezet bij de opbouw van de kwekerijen, maar vooral ook bij het oogsten van de hennep. Hij regelde knippers en stuurde deze in opdracht van [medeverdachte 2] en [Verdachte] aan. Dat het daarbij om een vaste groep knippers ging, kan blijken uit het feit dat [Verdachte] hem ook opdroeg om mensen ‘van ons’ in te zetten (zaaksdossier Eekhoorn). Daarnaast sprak [Verdachte] ook over ‘onze medewerkers’ die naar het huis van [naam 28] gestuurd werden bij de opbouw van de kwekerij (zaaksdossier Mus). Ook [medeverdachte 1] was betrokken bij de opbouw van de kwekerijen (zoals in zaaksdossier Leeuw). Daarnaast kwamen [Verdachte] en [medeverdachte 2] ook zelf bij kwekerijen (zoals in zaaksdossier Mus). Verder rapporteerden [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] steeds aan [Verdachte] en [medeverdachte 2] . Bijvoorbeeld in zaaksdossier Valk over dat de politie is gearriveerd.
Daarnaast hebben vrijwel alle verdachten professionele hennepkwekerijen en/of -drogerijen in hun eigen panden/woningen gehad.275.Daarvoor geldt overigens dat uit het dossier niet steeds blijkt dat de organisatie daarbij direct betrokken is geweest, maar het benadrukt wel dat de verdachten zich bedrijfsmatig bezighielden met hennepteelt.
Verkoop en levering van hennep
[medeverdachte 2] , [Verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hebben zich ook schuldig gemaakt aan de handel in hennep, zoals hiervoor in zaaksdossiers Jaguar en Adder is beschreven. Binnen een periode van bijna tien maanden zijn verdachten betrokken geweest bij het verkopen en leveren van grote hoeveelheden hennep aan verschillende afnemers. [medeverdachte 2] en [Verdachte] keurden de hennep, bepaalden steeds wat er betaald mocht/moest worden voor bepaalde partijen en regisseerden de verkopen. Zo hield [medeverdachte 2] contact met koper [naam 7] en instrueerde [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] ‘dat er goed gewogen moest worden’ en ten aanzien van de levering (zaaksdossier Jaguar). Uit de tapgesprekken blijkt bovendien dat er sprake is van herhaalde leveringen aan [naam 39] , [naam 6] en [naam 7] . Er werd bijvoorbeeld gesproken over ‘dezelfde als de vorige keer’ (Adder), ‘wil er nog 2 bij’ (Jaguar), ‘niet hetzelfde als de vorige keer’ (Jaguar) en ‘moet hetzelfde zijn’ (Jaguar). [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] waren met name ondersteunend actief bij het keuren en leveren van hennep. Zij overlegden daarbij steeds met [medeverdachte 2] en [Verdachte] . [medeverdachte 2] en [Verdachte] hielden ook contact met elkaar over de betaling van hennep. Zij overlegden in zaaksdossier Jaguar over de betaling(sproblemen) die [naam 6] kennelijk had en over wat er gedaan moest worden om het geld te krijgen.
Aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep
De professionele kweek heeft geleid tot grote hoeveelheden hennep. Verdachten hebben allen bij het kweken, oogsten en/of leveren van hennep grote hoeveelheden daarvan voorhanden gehad. Zo heeft [medeverdachte 4] 32,5 kilo (natte) hennep voorhanden gehad (zaaksdossier Valk) en was er bij de levering van hennep steeds sprake van aantallen die gelet op de genoemde bedragen betrekking hadden op kilo’s (zaaksdossiers Jaguar en Adder).
De rechtbank is, gelet op al het voorgaande, dan ook van oordeel dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, lid 3 en/of lid 5 van de Opiumwet, namelijk het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bewerken van hennep en verkopen en afleveren van hennep en het aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep.
4.3.21.4 Deelnemers en rolverdeling
Zoals hiervoor al overwogen hebben [medeverdachte 2] en [Verdachte] leiding gegeven aan deze organisatie. Zij voerden de regie en stuurden anderen aan. Dat was het geval vanaf het opbouwen van de kwekerijen tot aan de betaling van de geleverde hennep, of de afwikkeling bij een door de politie opgerolde kwekerij.
[medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hadden een meer uitvoerende en ondersteunende rol, maar ook een deels coördinerende rol ten opzichte van anderen buiten de organisatie. Zo regelde [medeverdachte 4] - in opdracht van [medeverdachte 2] of [Verdachte] - knippers en gaf deze aanwijzingen voor hun werk en vertelde [medeverdachte 1] aan [naam 24] wat zij moest zeggen bij de politie als zij zou worden gehoord over de hennepplantage in haar woning.
Anders dan de officieren van justitie acht de rechtbank, gelet op de bewijsmiddelen, de betrokkenheid van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] niet zodanig dat er bij hen sprake was van opzet op deelname aan een criminele organisatie, met het oogmerk als hiervoor beschreven. De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook niet bewezen.
4.3.21.5 Conclusie
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat alle verdachten hebben deelgenomen aan een organisatie die als oogmerk had het in het kader van een beroep of bedrijf plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet, zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven. Voor [medeverdachte 2] en [Verdachte] geldt bovendien dat zij leiding hebben gegeven aan deze organisatie.
4.3.22
Zaaksdossier Withoen (feit 4A)
Aan [naam 2] , [naam 3] en [naam bedrijf 1] is tenlastegelegd dat zij zich in vereniging schuldig hebben gemaakt aan het witwassen van € 590.000 door, kort gezegd, geldbedragen als geldleningen op te nemen in de administratie van [naam bedrijf 1] en valse leenovereenkomsten op te stellen, waardoor een legale herkomst aan die geldbedragen zou zijn gegeven. Ditzelfde feit is ook aan [Verdachte] tenlastegelegd, zij het tot een bedrag van € 550.000, en aan [naam 43] voor een bedrag van € 30.000.
4.3.22.1 Toetsingskader
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van witwassen opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Voor het bewijs van een vermoeden van witwassen kan gebruik worden gemaakt van zogenaamde witwastypologieën. Dit zijn min of meer objectieve kenmerken die, naar de ervaring heeft geleerd, duiden op het witwassen van opbrengsten van misdrijven.
Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.
Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.
Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden (HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194).
4.3.22.2 Vermoeden van witwassen
[naam bedrijf 1] is sinds 12 april 2007 ingeschreven in het handelsregister.276.[naam 2] is bestuurder/algemeen directeur vanaf 12 april 2007. Van 12 april 2007 tot 27 november 2008 was [Verdachte] zijn medebestuurder/algemeen directeur en vanaf 27 november 2008 was dat [naam 3] .
Bij het onderzoek zijn in de administratie van [naam bedrijf 1] acht leenovereenkomsten aangetroffen:277.
nr. | datum | leningnemer | leningverstrekker | bedrag | pag. |
1 | 23-07-2007 | [Verdachte] | [naam bedrijf 2] | € 75.000 | 49 |
2 | 23-07-2007 | [naam 2] | [naam bedrijf 3] | € 75.000 | 50 |
3 | 03-01-2007 | [naam 2] | [naam 44] | € 70.000 | 51 |
4 | 12-12-2007 | [naam bedrijf 1] | [naam 45] | € 60.000 | 52 |
5 | 20-02-2008 | [naam bedrijf 1] | [naam 46] | € 60.000 | 55 |
6 | 03-04-2008 | [naam bedrijf 1] | [naam 43] | € 30.000 | 58 |
7 | 29-07-2008 | [naam bedrijf 1] | [naam 46] | € 60.000 | 60 |
8 | 01-05-2011 | [naam bedrijf 1] | [naam 45] | € 60.000 | 64 |
Totaal | € 490.000 |
Daarnaast is in de administratie van [naam bedrijf 1] , in het dagboek kasboek, op 9 november 2010 een bedrag van € 100.000 geboekt met de omschrijving 'lening 2010-01' (hierna: lening 9).278.
Er is bij de leningen 1 tot en met 8 sprake van een aantal witwastypologieën.
- -
Het gaat om zeer grote bedragen aan contant geld.
- -
Dit betreft (met uitzondering van lening 6) leningen uit het buitenland door niet-financiële instellingen en particulieren.
- -
Lening 6 is een lening door een particulier van een groot bedrag.
- -
Het betreft (met uitzondering van lening 6) leningen uit Turkije in euro’s in plaats van Turkse lira’s.
- -
In enkele leenovereenkomsten (1, 2 en 3) is de naam van de leningverstrekker niet opgenomen in de tekst, maar uitsluitend in de ondertekening.
- -
De leningen 1 tot en met 3 zijn volgens de leenovereenkomsten afgesloten door privépersonen (dus als leningnemer), maar wel opgenomen in de administratie van [naam bedrijf 1] .
- -
De leenovereenkomsten zien op grote bedragen, maar zijn uiterst summier qua inhoud. Zo ontbreken elementen die gebruikelijk zijn bij dergelijke grote leningen, zoals een zekerheidstelling, voorwaarden voor opeisbaarheid, een aflossingsschema, een looptijd en een passage over andere kredieten en inzicht in de financiële positie van de leningnemer.279.
- In de overeenkomsten is geen doel van de lening opgenomen, of als doel “startkapitaal” terwijl de onderneming al langer actief was.
- Bij een boekenonderzoek door de Belastingdienst in februari 2008 zijn alleen de leenovereenkomsten 1 en 2 aangetroffen. Bij een volgend boekenonderzoek in 2010 zijn echter ook de leenovereenkomsten 3 en 4 aangetroffen in de administratie, terwijl die zijn gedateerd in 2007.280.
- Er zijn verschillende versies van dezelfde leenovereenkomsten aangetroffen. Op de laptop van [naam bedrijf 1] stonden andere versies van de leningen 4, 5, 6, 7 en 8, die zijn aangemaakt op 14 juni 2011 en 25 oktober 2011, terwijl ze wel dezelfde datering hebben.281.Het belangrijkste verschil is dat in de nieuwere versies telkens sprake is van een achtergestelde lening. Deze versies zijn ook gebruikt bij het aanvragen van een hypotheek voor het bedrijfspand van [naam bedrijf 1] .282.
- Er is geen aansluiting tussen de bedragen in de leenovereenkomsten en de bedragen die als 'ontvangst lening' in de administratie zijn geboekt. Zo worden de geleende bedragen in kleine porties in het kasboek ingeboekt en zijn de bedragen van verstrekte leningen in 2008 niet voldoende om de geboekte bedragen aan leningen te dekken.283.
- Voor leenovereenkomst 1 en 2 geldt dat daarin een maandelijkse rente van 4% is overeengekomen. Dat er rentebetalingen van die omvang zijn gedaan, volgt niet uit de balans van [naam bedrijf 1] per 31 december 2007.284.
- [naam 21] was als werknemer van [naam bedrijf 1] onder meer belast met de facturen en de boekhouding.285.In zijn woning is een usb-stick aangetroffen, met daarop diverse mappen en documenten,286.onder andere een “Exploitatieoverzicht 2008 [naam bedrijf 1] , waarbij onderaan is vermeld: 'SVP een nieuwe leningsovereenkomst voor een aanvullende lening maken van 170.000 begin 2008’.287.
- Op diezelfde usb-stick is in het document “Balans per 31-12-2008” vermeld als ‘ontvangen leningen 2008’ 169000.288.Ditzelfde bedrag komt ook terug op een notitie “Verstrekte leningen O/G per kas in 2008 van Masterlening” als totaalbedrag van 8 bedragen aan leningen.289.Dit bedrag sluit niet aan bij de leenovereenkomsten uit 2008 en de 8 losse bedragen evenmin.
Voor lening 9 geldt het volgende:
- Van deze lening is geen leenovereenkomst aangetroffen. Evenmin is een bijbehorend kasstuk met boekingsnummer 20100402 aanwezig.290.
- Een in beslag genomen laptop van [naam bedrijf 1] (IBN CE081.02.01.001) bevatte twee Excel-documenten waarin de kasmutaties over 2010 zijn verwerkt, maar die inhoudelijk verschillen.291.Beide dragen de documentnaam ‘kassaldo2010’.
- -
Versie 1 (aangemaakt op 15 maart 2011) bevat geen lening. Het kassaldo bedroeg op 10 november 2010 € 2.168,70 negatief en op 4 december 2010 € 83.489,75 negatief.
- -
De later (op 23 juni 2011) aangemaakte versie 2 vermeldt op 9 november 2010 wel een kasontvangst van € 100.000 met als omschrijving ‘lening’. Daarbij zijn de kassaldi wel positief: op 10 november 2010 € 82.278, 85 en op 4 december 2010 € 957,80.
- -
Volgens de bij [naam bedrijf 1] aangetroffen kasstukken over 2010 zijn in de periode november 2010 tot 4 december 2010 auto’s contant aangekocht voor een totaalbedrag van € 96.450,00.292.Verder zijn twee contante stortingen gedaan op een Raborekening van [naam bedrijf 1] : € 9.000 en € 5.000.293.
- De rechtbank stelt vast dat de boeking van deze lening pas achteraf plaatsvindt in 2011, nadat volgens de administratie sprake was van een negatief kassaldo, wat feitelijk onmogelijk is.
Verder is nog een belangrijke witwastypologie aanwezig, namelijk dat [naam 2] , [naam 3] , [Verdachte] en [naam bedrijf 1] , zo blijkt uit de overige feiten, zich bezighielden met grootschalige hennephandel. Het is een feit van algemene bekendheid dat hierin grote bedragen omgaan en dat dit vaak grote hoeveelheden contant geld betreft.
Naar het oordeel van de rechtbank vormen alle voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende grondslag voor het vermoeden dat de geldbedragen die als leningen in de administratie van [naam bedrijf 1] zijn opgenomen, geen daadwerkelijke leningen waren, maar slechts waren bedoeld om de criminele herkomst van die bedragen te verhullen. De rechtbank is dan ook met de officieren van justitie van oordeel dat er sprake is van een vermoeden van witwassen.
Dit vermoeden geldt voor [naam 2] en [naam bedrijf 1] gedurende de tenlastegelegde periode tot een bedrag van € 590.000.
Nu [Verdachte] en [naam 3] niet gedurende de gehele tenlastegelegde periode bestuurder zijn geweest van [naam bedrijf 1] , maar slechts tot, respectievelijk vanaf 27 november 2008, dient die verdenking naar het oordeel van de rechtbank beperkt te worden tot de periode waarin zij bestuurder waren van [naam bedrijf 1] . Niet gebleken is dat zij voor dan wel na die datum betrokken waren bij het bedrijf.
Ten aanzien van [naam 43] is de verdenking beperkt tot het bedrag van lening 6, dus € 30.000.
4.3.22.3 Verklaring verdachten
Gelet op het toetsingskader mag vervolgens van de verdachten worden verlangd dat zij een verklaring geven voor de herkomst van de geldbedragen genoemd in de leningen 1 tot en met 9.
Alleen [naam 2] en [naam 43] hebben tegenover de politie een verklaring afgelegd over de herkomst van het geld. [naam 3] en [Verdachte] beroepen zich slechts op hun zwijgrecht. Toch zal de rechtbank, evenals de officieren van justitie, de verklaring van [naam 2] ook bespreken ten aanzien van [naam 3] en [Verdachte] .
4.3.22.4 Leningen uit Turkije
Kern van de verklaring van [naam 2] is dat sprake is van echte leningen, die zijn afgesloten met zijn broers [naam 45] en [naam 46] in Turkije en met [naam 43] .
Der rechtbank constateert in de eerste plaats dat [naam 2] slechts voor een deel van de leenovereenkomsten een verklaring heeft gegeven en dat die ook niet geheel concreet en min of meer verifieerbaar is. In zijn verhoor op 5 april 2012 (pagina 250) verklaart [naam 2] dat hij aan zijn broers ieder € 120.000 is verschuldigd en aan [naam 43] € 30.000, waarvan € 5.000 is afgelost. Daarmee wordt slechts een verklaring gegeven voor een bedrag van € 270.000, terwijl het totale bedrag volgens de aangetroffen leenovereenkomsten € 490.000 bedraagt. Iets verder in het verhoor (pagina 251) zegt hij zelfs dat het bedrag van € 490.000 zeker niet klopt.
[naam 2] verklaart ook wisselend over hoe hij de geleende contanten uit Turkije heeft meegenomen. Hij stelt die gewoon zelf in het vliegtuig meegenomen te hebben vanuit Turkije. Op pagina 251 verklaart hij het geld in delen mee te hebben genomen: € 10.000 tot € 15.000 per keer. Maar eerder, op 22 november 2011, (pagina 187) verklaarde hij nog dat hij ongeveer € 60.000 meenam.
De verklaringen van beide broers komen niet overeen met die van [naam 2] , maar stroken ook niet geheel met de leenovereenkomsten. Zo verklaren zij - anders dan [naam 2] - wel dat ze € 460.000 hebben uitgeleend, wat overeenkomt met het totaalbedrag van de leenovereenkomsten uit Turkije. Bij de rechter-commissaris stelt [naam 45] dat hij drie leningen van € 60.000, in totaal € 180.000, heeft verstrekt. Maar volgens de leenovereenkomsten zou het bij [naam 45] gaan om slechts twee maal € 60.000. Voor zover hij zou doelen op de overige leningen, die indirect ook van hem afkomstig zouden zijn, bedragen die € 75.000 en € 70.000 en niet € 60.000.
Hoewel [naam 2] niet heeft verklaard dat hij de leningen (deels) aan zijn broers heeft terugbetaald, verklaren beide broers dat aan ieder van hen reeds € 120.000 is terugbetaald. De rechtbank stelt echter vast dat voor de gestelde terugbetalingen geen enkel bewijs is te vinden in de administratie van [naam bedrijf 1] . Dergelijke grote terugbetalingen waren ook feitelijk niet mogelijk, gelet op de slechte financiële situatie van [naam bedrijf 1] , zoals die uit de administratie blijkt.
Zowel door de broers [naam 45] en [naam 46] als door [naam 8] en [naam 47] is erkend dat de leenovereenkomsten 1 en 2 schijnovereenkomsten zijn. Volgens hen zouden de bedragen namelijk niet zijn uitgeleend door [naam bedrijf 2] (het bedrijf van [naam 8] ) en [naam bedrijf 3] (het bedrijf van [naam 47] ), maar door [naam 48] . De rechtbank constateert, los van de gegeven verklaring voor deze constructie, dat dit in ieder geval valse leenovereenkomsten zijn.
Over de lening op naam van [Verdachte] ( [naam bedrijf 2] ) verklaart [naam 2] stellig dat hij daar niets mee te maken heeft. Zijn broers zeggen echter in totaal € 460.000 te hebben uitgeleend, dat is inclusief de lening aan [Verdachte] . [naam 45] heeft bij de politie ook verklaard (p. 1161) dat geld is geleend aan [Verdachte] en [naam 2] . Dit wordt ook bevestigd door [naam 8] (p. 1162) die verklaarde dat hij [naam 2] en [Verdachte] een paar keer samen heeft gezien en dat beiden aanwezig waren bij de ondertekening van de leenovereenkomsten in 2007.
De rechtbank constateert dat de door [naam 2] gegeven verklaring niet volledig is, niet consistent is, niet aansluit bij de aangetroffen leningen en op essentiële onderdelen niet overeenkomt met de verklaringen van zijn broers. Gezien al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank de door [naam 2] gegeven verklaring dermate ongeloofwaardig dat het niet anders kan zijn dan dat leenovereenkomsten zijn opgemaakt en geldleningen zijn opgenomen in de administratie ter verhulling van de criminele herkomst van het geld, dat is verkregen uit de grootschalige hennephandel. Met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de in de leenovereenkomsten genoemde bedragen een legale herkomst hebben, zodat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
4.3.22.5 Lening [naam 43]
Over de lening van € 30.000 van [naam 43] heeft [naam 2] verklaard dat hij het geld contant van [naam 43] heeft ontvangen en dat hij inmiddels € 5.000 heeft terugbetaald. Dit vindt steun in het “groene boek” van [naam 2] , waarin onder het opschrift ‘ [naam 49] ’ is geschreven: ‘30000 ontvangen [naam 50] verschuldigd aan [naam 49] ’, ‘5000 gegeven’ en ‘25000 Restant [naam 50] verschuldigd aan [naam 49] ’ (pagina 233, vertaling pagina 471).
Daar staat weer tegenover dat uit onderzoek van de Belastingdienst naar voren kwam dat er geen aansluiting is tussen de bedragen in de leenovereenkomsten en de bedragen die als 'ontvangst lening' in de administratie van [naam bedrijf 1] zijn geboekt. Zo worden de geleende bedragen in kleine porties in het kasboek ingeboekt.294.Het verhaal van [naam 2] wordt dus niet bevestigd door de administratie van [naam bedrijf 1] .
Daarnaast heeft [naam 43] iets heel anders verklaard over deze leenovereenkomst. Aanvankelijk heeft hij het over het geld van een door [naam bedrijf 1] verkochte Audi waar hij € 9.000 heeft bijgelegd, dat hij op verzoek van [naam 2] heeft geïnvesteerd in het bedrijf [naam bedrijf 1] . De € 9.000 zou contant geld zijn van de verkoop van een stuk grond in Turkije. Een dag later, nadat hij is geconfronteerd met ongeloofwaardige onderdelen van zijn verklaring, stelt hij dat het ging om € 21.000 inruilwaarde van de Audi en dat hij daar rendement over zou krijgen plus een vergoeding voor het repareren van auto’s voor [naam 2] . Hij stelt ook dat hij onlangs € 5.000 terug had ontvangen en tussendoor ook wel eens € 2.000 of € 3.000 contant, in totaal € 12.000.
Verder is gezien de financiële situatie van [naam 43] , zoals die blijkt uit de gegevens van de Belastingdienst, niet verklaarbaar dat hij in 2008 zou beschikken over een bedrag van € 30.000 om uit te lenen.295.
De verklaringen van [naam 2] en [naam 43] verschillen zo sterk van elkaar op essentiële onderdelen, dat naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen door die verklaringen dan ook niet is weggenomen, integendeel.
Op basis van met name de aantekening in het groene boek acht de rechtbank niet uitgesloten dat [naam 2] op enig moment € 30.000 aan [naam 43] verschuldigd is geweest, maar het is geenszins aannemelijk geworden dat het hier een lening betrof van contant geld. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat hier sprake is van een witwasconstructie, waarbij de leenovereenkomst valselijk is opgemaakt en de geldlening is opgenomen in de administratie ter verhulling van de criminele herkomst van het geld. Met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het bedrag van € 30.000 een legale herkomst heeft, zodat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
4.3.22.6 Conclusie
Op grond van voorgaande bewijsmiddelen en overwegingen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat [naam 2] zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een bedrag van € 590.000 via (de administratie van) [naam bedrijf 1] .
[naam 2] heeft dit feit niet alleen gepleegd, maar in nauwe en bewuste samenwerking met zijn broers, met het bedrijf [naam bedrijf 1] en met [Verdachte] en [naam 3] , de mede-eigenaren/medebestuurders van [naam bedrijf 1] , en met [naam 43] voor wat betreft de € 30.000.
Voor [Verdachte] geldt dat hij actief betrokken is geweest bij lening 1, die op zijn naam is gesteld. Verder was hij, als mede-eigenaar en medebestuurder van [naam bedrijf 1] , tot 27 november 2008 ten volle verantwoordelijk voor de administratie van [naam bedrijf 1] . Ook leenovereenkomst 2 is in die periode opgenomen in die administratie, zoals bleek bij de controle door de Belastingdienst in februari 2008. Van de overige leenovereenkomsten is op basis van het dossier evenwel niet vast te stellen of deze voor 27 november 2008 in de administratie van [naam bedrijf 1] zijn opgenomen, zodat deze niet aan [Verdachte] kunnen worden toegerekend. Dit betekent dat [Verdachte] schuldig is aan het witwassen van een bedrag van € 150.000 en voor het overige moet worden vrijgesproken.
4.3.23
Zaaksdossier Meeuw (feit 4B)
[Verdachte] wordt onder feit 4B verweten dat hij € 33.800 heeft witgewassen. Dit betreft een bedrag in contanten waarmee hij op Schiphol is aangehouden.
4.3.23.1 Toetsingskader
Voor het toetsingskader van witwassen wordt hier volstaan met een verwijzing naar overweging 4.3.22.1 onder zaaksdossier Withoen - witwassen.
4.3.23.2 Vermoeden van witwassen
Op 24 juni 2011 is [Verdachte] op luchthaven Schiphol na het verlaten van zijn vliegtuig, vlucht HV814 uit Antalya (Turkije), aangehouden. Zijn bagage is in beslag genomen. Tijdens de visitatie van de bagage werd een totaalbedrag van € 33.800 aangetroffen.296.Het ging daarbij om 24 coupures van € 500, 108 van € 200 en 2 van € 100.297.Het is een feit van algemene bekendheid dat de luchthaven Schiphol is gelegen in de gemeente Haarlemmermeer.
Zoals hiervoor is overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat [Verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan hennephandel en hennepteelt, maar uit de bewijsmiddelen valt geen rechtstreeks verband te leggen tussen de aangetroffen € 33.800 en deze specifieke misdrijven.
Ten aanzien van [Verdachte] bestond op het tijdstip van zijn aanhouding al een verdenking van betrokkenheid bij het kweken en verhandelen van hennep, waarmee grote winsten kunnen worden behaald, zoals algemeen bekend is. Daarnaast is ook gelet op de hoogte en samenstelling (veel grote coupures) van het contante geldbedrag in zijn bagage, sprake van een witwasvermoeden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat de luchthaven Schiphol niet zelden wordt gebruikt voor de in-, uit- of doorvoer van voorwerpen, waaronder grote contante geldbedragen, die afkomstig zijn uit misdrijf.
Van verdachte mag onder deze omstandigheden worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, welke verklaring concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.
4.3.23.3 Verklaring van verdachte
[Verdachte] heeft over een deel van het aangetroffen geld, te weten € 3.800, geen verklaring afgelegd. Over het andere deel, € 30.000, heeft [Verdachte] op 24 juni 2011 bij de FIOD verklaard dat hij dit geld van een neef van hem heeft geleend. Deze neef, [naam 51] , zou het geld op 22 juni 2011 op de rekening van [Verdachte] bij de T.C. Ziraatbankasi A.S. in Turkije hebben gestort, [Verdachte] zou dit contant van zijn rekening hebben opgenomen op 23 juni 2011 en dit daarna vanuit Turkije mee naar Nederland hebben genomen. De lening zou zijn afgesloten voor de aankoop van een machine en voor de koop van een partij laminaat. [Verdachte] zou 4% rente over dit bedrag moeten betalen. Hij zou niet aanwezig zijn geweest bij het storten van het geld. Bij de aanhouding van [Verdachte] had hij een geschrift in de Turkse taal bij zich, wat volgens hem het bewijs van de leenovereenkomst met [naam 51] vormde298..
4.3.23.4 Onderzoek naar de verklaring
Na vertaling van de leenovereenkomst blijkt dat daarin staat vermeld dat [naam 51] , geboren in 1983, in het bijzijn van getuige [naam 9] € 30.000 heeft geleend aan [Verdachte] , geboren in 1983, en dat dit geldbedrag op 30 augustus 2013 terugbetaald dient te worden. In de leenovereenkomst staat echter niet vermeld dat er rente moet worden betaald en er wordt er niet vermeld wat het doel van de lening is.
[naam 51] is op 26 juli 2012 gehoord en zijn verklaring wijkt - sterk - van die van [Verdachte] af. Hij heeft weliswaar bevestigd dat hij [Verdachte] € 30.000 heeft geleend, maar hij heeft verklaard dat [Verdachte] geld nodig had in verband met schulden voor het huis dat hij in Eregli had gekocht. Hij heeft ook verklaard dat ze een overeenkomst hebben opgesteld in de zaak van [naam 51] en dat ze de overeenkomst daar hebben ondertekend. Zijn medewerker [naam 9] zou, als getuige, de overeenkomst ook hebben ondertekend. [naam 51] ontkent stellig dat hij geld op de rekening van [Verdachte] heeft gestort; hij stelt dat hij contant geld aan [Verdachte] heeft gegeven. [naam 51] verklaart ook dat hij geen enkele vorm van rente heeft bedongen van [Verdachte] .
[naam 51] heeft in een (veel) latere verklaring op 23 mei 2016 weliswaar met name ten aanzien van het doel van de lening anders verklaard en meer in overeenstemming met de verklaring van [Verdachte] , maar de rechtbank hecht meer geloof aan de verklaring uit 2012, onder meer gelet op het tijdsverloop en omdat verdachte en [naam 51] ook daarna nog contact met elkaar hebben gehad, zodat de latere verklaring onderling kan zijn afgestemd.
[naam 9] , die volgens de leenovereenkomst getuige zou zijn geweest van de lening, is ook op 26 juli 2012 gehoord. Hij heeft verklaard dat [naam 51] inderdaad geld heeft geleend aan [Verdachte] , dat dat was voor een huis in Turkije en dat [naam 9] heeft gezien dat er contant geld (euro’s) aan [Verdachte] werd gegeven. In 2016 heeft [naam 9] verklaard dat [naam 51] euro’s en Turkse lira’s aan [Verdachte] heeft gegeven.
Uit onderzoek van de bankrekeningen van [Verdachte] bij de T.C. Ziraatbankasi A.S. in Turkije is gebleken dat er geen storting door of bijboeking afkomstig van [naam 51] is geweest op of omstreeks 22 juni 2011 en dus ook niet van € 30.000. Wel is gebleken dat [Verdachte] in de periode die hij voorafgaand aan zijn aanhouding op Schiphol in Turkije verbleef, van 15 tot en met 23 juni 2011, in totaal € 50.000 en 51.000 Turkse lira (TL) van zijn eigen rekeningen in Turkije heeft opgenomen.
Uit een stortingsbewijs dat [Verdachte] bij zijn aanhouding op Schiphol bij zich had, blijkt bovendien dat [Verdachte] TL 23.000 heeft gestort op de rekening van [naam 51] op 23 juni 2011. De verklaringen van [Verdachte] en [naam 51] over de reden voor het storten van dit geld op de rekening van [naam 51] , lopen ook uiteen. [Verdachte] zegt dat hij geld voor [naam 51] heeft gewisseld in Antalya, omdat daar de koers gunstiger was, [naam 51] verklaart dat dit al een terugbetaling van een deel van de lening was.
Uit getapte telefoongesprekken valt bovendien af te leiden dat [Verdachte] na de inbeslagname van de € 33.800 heeft geprobeerd een bewijs voor de storting van € 30.000 te laten opmaken, waaruit zou moeten blijken dat [naam 51] op 22 juni 2011 geld op de rekening van [Verdachte] heeft gestort, en dat hij opdracht geeft een aanmaning aan zichzelf te laten sturen met betrekking tot de afbetaling van de lening.
Samengevat geldt dat er grote tegenstrijdigheden zijn in de verklaringen van [Verdachte] , [naam 51] en [naam 9] over het doel, de wijze van uitbetaling en de verschuldigdheid van rente bij de lening. Het onderzoek van de rekeningen van [Verdachte] in Turkije leidt tot de conclusie dat [Verdachte] aantoonbaar onjuist heeft verklaard over de uitbetaling van de lening en uit de telefoontaps na de aanhouding op Schiphol komt naar voren dat [Verdachte] heeft geprobeerd achteraf bewijzen voor een storting te laten opmaken.
Gelet op deze resultaten van het onderzoek dat is gedaan naar de verklaring van [Verdachte] , hecht de rechtbank geen geloof aan die verklaring en kan met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het geldbedrag dat hij op 24 juni 2011 op Schiphol bij zich had, een legale herkomst heeft en daarmee dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het onder [Verdachte] aangetroffen geld - middellijk of onmiddellijk - uit enig misdrijf afkomstig is.
4.3.23.5 Conclusie
Het dossier bevat geen bewijs dat [naam 51] het bedrag van € 33.800 heeft overgedragen of omgezet, zodat hij van dat deel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat hij dit bedrag voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat het afkomstig was uit misdrijf.
Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende bewijs dat [naam 51] hierbij heeft gehandeld in nauwe en bewuste samenwerking met een ander. De rechtbank zal hem dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.
4.3.23.6 Kwalificatie
De rechtbank komt - zoals hiervoor overwogen - tot een bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Met het kweken en verhandelen van hennep kunnen, zoals algemeen bekend, grote winsten behaald worden. Voor zover aangenomen zou moeten worden dat het geld dat [Verdachte] op Schiphol bij zich had, afkomstig is uit eigen misdrijf, overweegt de rechtbank het volgende.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad rechtvaardigt het enkele verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit eigen misdrijf nog niet de kwalificatie witwassen. In een dergelijk geval is voor die kwalificatie vereist dat een gedraging kan worden vastgesteld die heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst.
Zoals hiervoor overwogen verbleef [Verdachte] voorafgaande aan zijn aanhouding op Schiphol ruim een week in Turkije. In die periode is in totaal € 50.000 en TL 51.000 contant van zijn bankrekeningen opgenomen en zijn er geen andere bij- en afboekingen geweest. De rechtbank concludeert daaruit dat het geld dat [Verdachte] op Schiphol bij zich had, afkomstig was van zijn eigen bankrekeningen. Uit onderzoek van die bankrekeningen in Turkije is bovendien gebleken dat het saldo op die rekeningen met name gevoed is door stortingen van [Verdachte] op die rekeningen. In het geval er sprake is van stortingen van geld dat onmiddellijk afkomstig was uit eigen misdrijf, merkt de rechtbank dat aan als een verhullingshandeling. Met het storten van bedragen op een buitenlandse bankrekening, wordt het geld immers bewust buiten het economische verkeer van Nederland gebracht en wordt het zicht op de herkomst bemoeilijkt.
Voor het bedrag van € 30.000 geldt bovendien dat [Verdachte] daarvan de herkomst heeft verhuld door een overeenkomst op te (doen) stellen, waaruit zou moeten blijken dat het geld zou zijn geleend van [naam 51] . Ook daarmee heeft hij een bewuste handeling verricht, gericht op het verhullen van de criminele herkomst van het geld.
Dit betekent dat het bewezenverklaarde, ook voor zover het zou gaan om uit eigen misdrijf afkomstig geld, kan worden gekwalificeerd als strafbaar witwassen.
4.3.24
Aanwezig hebben cocaïne (feit 5)
De rechtbank is met de officieren van justitie en de verdediging van oordeel dat er geen bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring van feit 5 (het aanwezig hebben van 5 gram cocaïne) en zal [naam 51] hiervan vrijspreken.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 januari 2012 te Tilburg en/of Rijen, gemeente Gilze-Rijen en/of 's-Hertogenbosch en/of Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, althans een ander, in de uitoefening van een beroep of bedrijf (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad in meerdere panden in Nederland grote aantallen hennepplanten en/of delen daarvan en/of grote hoeveelheden hennep, te weten (onder andere):
- (in een pand gelegen aan de [straatnaam 2] te Tilburg) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan (zaaksdossier Bosuil) en/of
- ( in een pand gelegen aan de [straatnaam 3] te 's-Hertogenbosch) 321, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of
- ( in een pand gelegen aan het [straatnaam 1] 49 te Tilburg) 27,4 kilo, althans een grote hoeveelheid, hennep en/of delen daarvan en/of
- ( in een pand gelegen aan de [straatnaam 4] te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal) (in totaal) 1588, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan en/of
- ( in een pand gelegen aan het [straatnaam 5] te Tilburg) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of
- ( in een pand gelegen aan de [straatnaam 6] te Gorinchem) een groot aantal hennepplanten en/of delen van hennepplanten daarvan
in elk geval (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 januari april 2011 tot en met 24 januari 2012 te Tilburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans een ander, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en), in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, danwel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 3
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 januari 2012 te Waalwijk en/of Tilburg en/of Drunen en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen, waartoe onder meer behoorden [medeverdachte 1] (geb. [geboortedag medeverdachte 1] -1980) en/of [medeverdachte 2] (geb. [geboortedag medeverdachte 2] -1961) en/of [medeverdachte 3] (geb. [geboortedag medeverdachte 3] -1982) en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of een of meer andere personen, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/ofvijfde lid van de Opiumwet, namelijk het (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) opzettelijk
- telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken van hennep en/of
- verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep en/of
- aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep,
zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,
aan welke organisatie verdachte leiding heeft gegeven;
feit 4
A.
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 24 januari 2012 26 november 2008, te Tilburg althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) van een voorwerp, te weten een of meer geldbedragen (in totaal ongeveer 590.000 150.000 euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, was of wie bovenomschreven voorwerp, te weten een of meer geldbedragen (in totaal ongeveer 550.000 euro), voorhanden had, terwijl hij wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, immers heeft hebben verdachte en/of zijn mededader(s) zogenaamde (valse) leningsovereenkomst(en) opgesteld en aldus een legale herkomst aan genoemde geldbedragen heeft/hebben gegeven;
en/of
B.
hij op of omstreeks 24 juni 2011 in de gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), in elk geval alleen, een of meer voorwerp(en), te weten een geldbedrag van ongeveer 33.800,- euro heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van bovengenoemde(e) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Zoals onder 4.3.22.6 is overwogen kan het onder feit 4B bewezenverklaarde gekwalificeerd worden als strafbaar witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officieren van justitie hebben op grond van hetgeen zij bewezen achten gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarbij hebben zij rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Ook hebben de officieren van justitie verzocht om verbeurdverklaring van de op de beslaglijst onder 3 tot en met 10 en 15 genummerde voorwerpen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt geen straf op te leggen die met zich meebrengt dat [Verdachte] een nadere (onvoorwaardelijke) detentie zal moeten ondergaan. De verdediging acht de strafeis disproportioneel en onbegrijpelijk en betrekt daarbij de in het kader van het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aangevoerde feiten en omstandigheden, de persoonlijke omstandigheden van [Verdachte] , de schending van de redelijke termijn en het feit dat [Verdachte] sedert de aanhouding in 2012 niet in aanraking is geweest met politie en justitie voor soortgelijke feiten. Door de schending van zijn rechten heeft deze zaak een enorme impact gehad op [Verdachte] . Bovendien is er een ontnemingsvordering aangekondigd, die ook nog een punitief karakter heeft.
De verdediging wijst verder op de hypocrisie van het zogenaamde achterdeurbeleid en de politieke en jurisprudentiële ontwikkelingen ten aanzien van hennep.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
6.3.1
Algemene strafoverwegingen
Het gaat in deze zaak om een criminele drugsorganisatie die zich beroepsmatig bezig hield met de handel in hennep en exploitatie van hennepkwekerijen. Daarnaast hebben enkele verdachten zich schuldig gemaakt aan witwassen. Allemaal ernstige feiten, waarvoor in beginsel onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. Door de officieren van justitie zijn dan ook forse straffen geëist.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze eisen in vrijwel alle gevallen te hoog, met name gelet op de ouderdom van de zaken. Er is sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn, die grotere gevolgen moet hebben voor de strafoplegging dan waar de officieren van justitie kennelijk rekening mee hebben gehouden.
Hierna gaat de rechtbank achtereenvolgens in op (de ernst van) de afzonderlijke feiten, de uitgangspunten voor de straftoemeting, strafverzwarende en verlichtende omstandigheden, verbeurdverklaring en de redelijke termijn, om tot slot tot een passende straf te komen.
6.3.2
De strafbare feiten
[Verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hebben gedurende ruim een jaar deelgenomen aan een criminele drugsorganisatie, die zich bezig hield met hennepteelt en hennephandel. In het onderzoek Colt zijn 13 hennepkwekerijen en/of -drogerijen aan het licht gekomen, voornamelijk in woningen, maar niet onwaarschijnlijk is dat er nog meer zijn geweest, die de politie niet heeft ontdekt. De stroom voor die hennepkwekerijen werd vrijwel altijd gestolen.
Er werd ook hennep, onder andere uit die kwekerijen, verhandeld. [Verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zijn betrokken geweest bij het verkopen en leveren van grote hoeveelheden hennep aan verschillende afnemers. [Verdachte] en [medeverdachte 2] regisseerden de verkopen en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] waren met name ondersteunend actief.
[Verdachte] en [medeverdachte 2] hebben samen leiding gegeven aan deze criminele drugsorganisatie.
Door deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben de verdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in softdrugs meebrengt. De werkzame stof THC is immers bij (langdurig) gebruik schadelijk voor de gezondheid. Door het in de samenleving brengen van grote partijen hennep wordt bijgedragen aan dit schadelijke gevolg.
Hennepteelt en hennephandel zijn daarnaast direct en indirect oorzaak van vele vormen van overlast en criminaliteit. Deelnemers aan en zeker leidinggevenden van dit type criminele organisaties verkeren in een omgeving waarin veel geld omgaat, en waar andere vormen van criminaliteit niet geschuwd worden, zoals het gebruik van geweld. De liquidaties die de afgelopen jaren in Nederland hebben plaatsgevonden tegen de achtergrond van de grootschalige (soft)drugshandel zijn hiervan een schrijnend voorbeeld. Hoewel niet gebleken is dat deze criminele organisatie geweld heeft gebruikt, blijkt hieruit wel de noodzaak om dergelijke criminele organisaties te bestrijden.
Criminele organisaties als deze hebben een ontwrichtend effect op de rechtsorde, onder meer door het witwassen van de winsten, zoals ook in deze zaak heeft plaatsgevonden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend op het economisch verkeer en ondermijnend voor de maatschappij.
Weliswaar kent Nederland een gedoogbeleid voor softdrugs, maar ook dit beleid kent zijn grenzen. Het gedogen is vooral gericht op het gebruik van hennep en hasj. Hoewel de rechtbank beseft dat er door het gedoogbeleid sprake is van een schemergebied, neemt dit niet weg dat het op grote schaal kweken van en handelen in hennep, zoals in deze zaak, nadrukkelijk niet gedoogd wordt en strafbaar is.
Hennepkwekerijen in woningen leiden regelmatig tot gevaarlijke situaties voor de bewoners én omwonenden, omdat er brand uitbreekt. Ook wordt daarbij vaak misbruik gemaakt van ‘katvangers’, zwakke mensen met financiële problemen en/of verslavingen, die hun woning ter beschikking stellen voor een hennepkwekerij. Achteraf blijkt dan dat zij alleen maar verder in de problemen zijn gekomen, doordat zij blijven zitten met torenhoge rekeningen voor gestolen elektriciteit of schade aan hun pand. Maar ook bonafide verhuurders worden regelmatig slachtoffer van deze praktijken. En uiteraard ook de elektriciteitsleveranciers, die blijven zitten met onbetaalde stroomrekeningen.
Verdachten hebben zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.
De deelnemers aan de criminele organisatie zullen hier ongetwijfeld financieel van geprofiteerd hebben, maar de rechtbank is ervan overtuigd dat de winst vooral bij de leiders is terechtgekomen, die beschikken over goedgevulde bankrekeningen in het buitenland en ook worden veroordeeld voor witwassen.
[Verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van ruim € 180.000.
In de eerste plaats was hij betrokken bij het witwassen van € 150.000 door de criminele organisatie uit Colt I, door middel van zogenaamde ‘loan-back-leningen’. Er werden valse leenovereenkomsten opgemaakt, die vervolgens werden verwerkt in de administratie van het bedrijf [naam bedrijf 1] . Verder heeft hij ook ruim € 33.000 witgewassen; naar alle waarschijnlijkheid ging het hierbij om opbrengsten van zijn eigen criminele organisatie. Het verhullen van de criminele herkomst van geld is op zich al kwalijk, maar witwassen heeft ook een ontwrichtende werking op het economisch verkeer.
6.3.3
Straftoemeting
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank waar mogelijk rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting.
Ten aanzien van het witwassen heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor fraude, waarin bij een bedrag tussen € 125.000 en € 250.000 een gevangenisstraf van 9 tot 12 maanden geldt. De rechtbank gaat in dit geval uit van 11 maanden.
De landelijke oriëntatiepunten voor hennepkwekerijen zijn hier niet goed bruikbaar, omdat die niet zien op grootschalige teelt binnen een criminele organisatie. Voor (grootschalige) hennephandel en voor deelname aan een criminele organisatie bestaan geen landelijke oriëntatiepunten, maar normaliter worden hiervoor lange gevangenisstraffen opgelegd.
6.3.4
Strafverzwarende en/of strafverminderende omstandigheden
In het nadeel van verdachte is rekening gehouden met zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij al eerder in 2008 is veroordeeld voor een Opiumwetdelict. Omdat hij een van de leiders van de criminele organisatie was, is de rechtbank van oordeel dat alleen een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is.
De rechtbank houdt er rekening mee dat de in de Oekraïne doorgebrachte uitleveringsdetentie, gelet op de detentieomstandigheden daar, zwaarder zal hebben gewogen. Zoals onder de voorvragen is overwogen, was daarbij sprake van schending van artikel 3 EVRM. De rechtbank zal om die reden, naast de normale aftrek voor de 79 dagen uitleveringsdetentie, de straf verminderen met 3 maanden.
De rechtbank ziet in zijn persoonlijke omstandigheden voor het overige geen aanleiding om daar ten voor- of nadele rekening mee te houden bij de strafbepaling.
6.3.5
Verbeurdverklaring
De rechtbank zal de volgende in beslag genomen voorwerpen verbeurd verklaren: een beveiligingscamera met simkaart, een accu van camera, een deuralarm, een verpakking van een camera, een schroevendraaier, een bewegingsmelder met antenne, een sleutel met afstandsbediening, een detectieapparaat en een weegschaal. Gebleken is dat die voorwerpen aan verdachte toebehoren en dat de feiten zijn begaan met behulp van die voorwerpen. Bij de straftoemeting wordt hiermee rekening gehouden.
6.3.6
Redelijke termijn
In artikel 6, eerste lid, van het EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat een strafzaak bij de rechtbank dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaar nadat die redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem strafvervolging zal worden ingesteld. In dit geval geldt als aanvangsdatum 10 februari 2012, de dag waarop verdachte in Oekraïne is aangehouden op basis van een uitleveringsverzoek.
Dit vonnis wordt gewezen op 20 februari 2018, ruim 6 jaar na de aanvangsdatum, dus in beginsel is de redelijke termijn zeer aanzienlijk overschreden.
De vraag is of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden uitgegaan van een langere redelijke termijn. Daarbij gaat het volgens vaste jurisprudentie om:
- -
de ingewikkeldheid van de zaak;
- -
de invloed van de verdachte/verdediging op het procesverloop en
- -
de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Wat de eerste factor betreft: de zaken zijn inhoudelijk niet heel ingewikkeld, maar het betreft wel een zeer omvangrijk dossier, met veel verdachten, op basis van een groot en langdurig onderzoek. Hierbij past ook het grote aantal onderzoekswensen, waaronder het horen van een groot aantal getuigen in het buitenland. Hoewel dit niet aan de verdediging kan worden tegengeworpen, is dat wel een vertragende factor. Naar het oordeel van de rechtbank is dit reden voor enige verlenging van de redelijke termijn met een half jaar.
Door diverse raadslieden is betoogd dat de afdoening is vertraagd door de keuze van het openbaar ministerie om Colt I en Colt II tegelijkertijd af te doen, terwijl daarvoor geen goede reden is.
De rechtbank constateert dat het onderzoek in Colt II is voortgevloeid uit het onderzoek in Colt I, maar dat beide onderzoeken betrekking hebben op twee aparte groepen verdachten met ieder andere strafbare feiten. Alleen [Verdachte] wordt verdacht van feiten uit beide onderzoeken. Inhoudelijk is er nog een verband in die zin dat door de criminele organisatie in Colt II leveringen hebben plaatsgevonden aan de criminele organisatie in Colt I. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de overlap en samenloop dermate beperkt, dat er geen noodzaak bestond voor gelijktijdige afdoening van Colt I en Colt II. Anderzijds is niet gebleken dat gelijktijdige afdoening heeft geleid tot een langere behandelingsduur.
Wat wel aantoonbaar heeft geleid tot vertraging, is de hardnekkige weigering van het openbaar ministerie om het onderzoek Patrijshond ter beschikking te stellen, toen daar vanuit de verdediging om werd verzocht. Pas nadat de rechter-commissaris daartoe opdracht had gegeven, is dit alsnog geschied.
De rechtbank moet echter tot haar spijt constateren dat de grootste vertraging is opgelopen doordat de zaak lange tijd heeft stilgelegen bij de rechter-commissaris en de rechtbank, wat niet aan de verdachten is te wijten.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat slechts in beperkte mate sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere redelijke termijn kunnen rechtvaardigen, en dat die termijn 2½ jaar bedraagt. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met 3½ jaar. Deze zeer forse overschrijding dient gevolgen te hebben voor de op te leggen straf. In dat verband weegt voor de rechtbank ook zwaar mee dat alle verdachte na hun voorlopige hechtenis inmiddels al ruim 5½ jaar op vrije voeten zijn. Voor de meesten geldt bovendien dat zij sindsdien niet meer met justitie in aanraking zijn gekomen voor soortgelijke feiten. Daarom hanteert de rechtbank als uitgangspunt dat de verdachten niet terug hoeven naar de gevangenis.
Om dit te bereiken legt de rechtbank aan de ‘gewone’ deelnemers aan de criminele organisatie een combinatie op van een taakstraf, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die niet langer is dan het voorarrest en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf.
Dit geldt niet voor de leiders van de criminele organisatie omdat, gelet op de ernst en omvang van de feiten, alleen een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Op die gevangenisstraf zal de rechtbank een strafvermindering van 25% toepassen.
6.3.7
Conclusie
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 36 maanden passend.
Wegens de overschrijding van de redelijke termijn en de extra aftrek in verband met de detentieomstandigheden in Oekraïne, wordt dit verminderd tot 24 maanden, met aftrek van voorarrest.
7. Het beslag
7.1
De onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal de op de beslaglijst genoemde wapens (nummer 1 en 2) onttrekken aan het verkeer, aangezien deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
7.2
De teruggave aan verdachte
De rechtbank zal de teruggave gelasten van op de beslaglijst onder 11 tot en met 14 genummerde voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.
7.3
De verbeurdverklaring
Zoals onder 6.3.5 is overwogen, zullen de voorwerpen die worden genoemd op de beslaglijst onder de nummers 3 tot en met 10 en 15 verbeurd worden verklaard.
8. De wettelijke voorschriften
9. De beslissing
De rechtbank:
Voorvragen
- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder 5 tenlastegelegde feit;
Bewezenverklaring
- -
verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- -
spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 3: als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet;
feit 4A: medeplegen van witwassen;
feit 4B: witwassen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- -
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden;
- -
bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- -
verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde voorwerpen, genummerd 1 en 2;
- -
verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 3 tot en met 10 en 15;
- -
gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 11 tot en met 14.
Dit vonnis is gewezen door mr. Tempelaar, voorzitter, mr. Breeman en mr. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van den Hurk-Van der Zanden en mr. Hoezen, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 februari 2018.
mr. Tempelaar is verhinderd om het vonnis te ondertekenen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑02‑2018
Methodiekendossier, p. 1336, 1684 en 1707
Methodiekendossier, p. 1322
Zaaksdossier Meeuw, p. 31
Methodiekendossier, p. 1392, TT04-4004
Zaaksdossier Buizerd, p. 344, verhoor verdachte [naam 4]
Methodiekendossier, p. 1395, TT04-4387
Zaaksdossier Withoen, p. 38-39, uittreksel handelsregister
Methodiekendossier, p. 1710
Methodiekendossier, p. 1472
Methodiekendossier, p. 1578
Persoonsdossier [Verdachte] , p. 2-3, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Eekhoorn, p. 29, TT07-505
Zaaksdossier Eekhoorn, p. 56 en 57
Methodiekendossier, p. 1613-1617
Methodiekendossier, p. 1748-1753
Methodiekendossier, p. 1789-1794
Methodiekendossier, p. 1625. TT04-3414
Methodiekendossier, p. 1626, TT 06-1801 en p. 1627, TT 06-1802
Zaaksdossier Buizerd, p. 15, TT16-279
Zaaksdossier Buizerd, p. 16, TT16-280
Zaaksdossier Buizerd, p. 32, TT16-458
Zaaksdossier Buizerd, p. 51-52, proces-verbaal observatie
Methodiekendossier, p. 1763, TT06-374
Zaaksdossier Valk, p. 30-70, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Valk, p. 75, TT42-282
Zaaksdossier Valk, p. 262, proces-verbaal verhoor [naam 4]
Methodiekendossier, p. 1449
Beslagdossier, p. 418, proces-verbaal onderzoek inbeslaggenomen goederen
Persoonsdossier [medeverdachte 2] , p. 27, proces-verbaal van verhoor verdachte
Methodiekendossier, p. 3039-3045, 3092
Zaaksdossier Meeuw, p. 185
Persoonsdossier [medeverdachte 2] , p. 36, proces-verbaal van verhoor verdachte
Methodiekendossier, p. 3103
Methodiekendossier, p. 3105, aanvraag bevel onderzoek telecommunicatie (tap) spoedaanvraag
Persoonsdossier [medeverdachte 3] , p. 4, proces-verbaal aanhouding en p. 24-32, proces-verbaal van verhoor verdachte
Beslagdossier, p. 418-419, proces-verbaal onderzoek inbeslaggenomen goederen
Persoonsdossier [medeverdachte 4] , p. 2-4, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Valk, p. 205, proces-verbaal van verhoor verdachte
Zaaksdossier Valk, p. 24-27, proces-verbaal van bevindingen en p. 35-70, tapgesprekken
Zaaksdossier Valk, p. 226, tapgesprek TT40-180
Zaaksdossier Bosuil, p. 51-53, processen-verbaal van bevindingen (warmtemeting en geen sneeuw)
Zaaksdossier Bosuil, p. 37-39, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Bosuil, p. 40-41, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Bosuil, p. 57-59, aangifte
Zaaksdossier Bosuil, p. 31-34, proces-verbaal verhoor verdachte
Zaaksdossier Bosuil, p. 84-86, huurovereenkomst woonruimte
Zaaksdossier Bosuil, p. 37-39, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Eekhoorn, p. 37-38, proces-verbaal van bevindingen
Persoonsdossier [medeverdachte 4] , p. 2-4, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Eekhoorn, p. 4, tapgesprek TT07-454
Zaaksdossier Eekhoorn, p. 5, tapgesprek TT04-1332
Zaaksdossier Eekhoorn, p. 8, tapgesprek TT07-460
Zaaksdossier Eekhoorn, p. 230-233, observeren 27 april 2011
Zaaksdossier Eekhoorn, p. 9, tapgesprek TT07-463
Zaaksdossier Eekhoorn, p. 49-50, proces-verbaal binnentreden woning
Zaaksdossier Eekhoorn, p. 206-208, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Eekhoorn, p. 209-211 proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Eekhoorn, p. 200-203, processen-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Eekhoorn, p. 16, tapgesprek TT04-1346
Zaaksdossier Eekhoorn, p. 18, tapgesprek TT07-479
Zaaksdossier Eekhoorn, p. 19, tapgesprek TT06-436
Zaaksdossier Eekhoorn, 86-88, proces-verbaal verhoor verdachte (abusievelijk is in het proces-verbaal in plaats van [naam 13] de naam van zijn zoon [naam 19] vermeld, zie proces-verbaal p. 61)
Zaaksdossier Eekhoorn, p. 142, proces-verbaal verhoor verdachte
Zaaksdossier Eekhoorn, p. 237, proces-verbaal van verhoor verdachte
Zaaksdossier Leeuw, p. 275-284, proces-verbaal van doorzoeking
Zaaksdossier Leeuw, p. 199-200, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Leeuw, p. 292, huurovereenkomst
Zaaksdossier Leeuw, p. 56-58, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Leeuw, p. 35, tapgesprek TT04-349
Zaaksdossier Leeuw, p. 36, tapgesprek TT04-351
Zaaksdossier Leeuw, p. 37, tapgesprek TT04-352
Zaaksdossier Leeuw, p. 38, tapgesprek TT04-358
Persoonsdossier [medeverdachte 4] , p. 2-4, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Leeuw, p. 256-257, proces-verbaal observeren 31 maart 2011
Zaaksdossier Leeuw, p. 45, tapgesprek TT04-504
Zaaksdossier Leeuw, p. 46, tapgesprek TT04-506
Zaaksdossier Leeuw, p. 47, tapgesprek TT04-517
Zaaksdossier Leeuw, p. 48 tapgesprek TT04-525
Zaaksdossier Leeuw, p. 50, tapgesprek TT04-530
Zaaksdossier Leeuw, p. 259-265, proces-verbaal observeren 5 april 2011
Zaaksdossier Leeuw, p. 259-265, proces-verbaal observeren 5 april 2011 en p. 488-489, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4]
Zaaksdossier Bosuil, p. 80, huurcontract
Zaaksdossier Leeuw, p. 513, proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 20]
Zaaksdossier Leeuw, p. 67, tapgesprek TT07-42
Zaaksdossier Leeuw, p. 69, tapgesprek TT07-72
Zaaksdossier Leeuw, p. 70, tapgesprek TT07-73
Zaaksdossier Leeuw, p. 74, tapgesprek TT07-84
Zaaksdossier Leeuw, p. 75, tapgesprek TT07-88
Zaaksdossier Leeuw, p. 83, tapgesprek TT07-179
Zaaksdossier Leeuw, p. 84, tapgesprek TT07-184
Zaaksdossier Leeuw, p. 85, tapgesprek TT07-186
Zaaksdossier Leeuw, p. 86, tapgesprek TT07-188
Zaaksdossier Leeuw, p. 88, tapgesprek TT04-1288
Zaaksdossier Leeuw, p. 92, tapgesprek TT06-406
Zaaksdossier Leeuw, p. 95, tapgesprek TT07-544
Zaaksdossier Leeuw, p. 267-270, proces-verbaal observeren 6 mei 2011
Zaaksdossier Leeuw, p. 275, proces-verbaal van doorzoeking
Zaaksdossier Leeuw, p. 114-115, tapgesprek TT06-731
Zaaksdossier Leeuw, p. 117, tapgesprek TT11-39
Zaaksdossier Leeuw, p. 118, tapgesprek TT06-735
Zaaksdossier Leeuw, p. 272-273, proces-verbaal observeren 12 mei 2011
Zaaksdossier Leeuw, p. 124, tapgesprek TT11-68
Zaaksdossier Leeuw, p. 126, tapgesprek TT11-71
Zaaksdossier Leeuw, p. 135, tapgesprek TT04-1831
Zaaksdossier Leeuw, p. 132, tapgesprek TT04-1774
Zaaksdossier Leeuw, p. 158 en160, tapgesprek TT06-1370 en tapgesprek TT06-1371
Zaaksdossier Leeuw, p. 235-254, proces-verbaal van onderzoek aan in beslag genomen goed en bevindingen
Zaaksdossier Leeuw, p. 207-210, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Sepia, p. 401-406, proces-verbaal van bevindingen en p. 408, TT04 -1719
1e aanvulling zaaksdossier Leeuw, p. 549-574, proces-verbaal van onderzoek inbeslaggenomen goed
1e aanvulling zaaksdossier Leeuw, p. 546-547, proces-verbaal van onderzoek inbeslaggenomen goed
Zaaksdossier Leeuw, p. 163-193, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Edelhert, p. 40-42, proces-verbaal relaas
Zaaksdossier Edelhert, p. 71-72, proces-verbaal Opiumwet
Zaaksdossier Edelhert, p. 123, kamerhuurcontract
Zaaksdossier Edelhert, p. 86-91, proces-verbaal aangifte
Zaaksdossier Edelhert, p. 6, tapgesprek TT06-186
Zaaksdossier Edelhert, p. 8, tapgesprek TT06-201
Zaaksdossier Edelhert, p. 9, tapgesprek TT06-255
Zaaksdossier Edelhert, p. 10, tapgesprek TT06-445
Zaaksdossier Edelhert, p. 17, tapgesprek TT06-916
Zaaksdossier Edelhert, p. 18, tapgesprek TT06-919
Zaaksdossier Edelhert, p. 19, tapgesprek TT06-920
Zaaksdossier Edelhert, p. 20, tapgesprek TT06-923
Zaaksdossier Edelhert, p. 26, tapgesprek TT06-934
Zaaksdossier Edelhert, p. 6, tapgesprek TT06-186
Zaaksdossier Edelhert, p. 2, proces-verbaal tijdlijn
Zaaksdossier Mus, p. 60, proces-verbaal binnentreden woning
Zaaksdossier Mus, p. 62-64, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Mus, p. 65-66, proces-verbaal Opiumwet
Zaaksdossier Mus, p. 29-30 en 37-38, processen-verbaal van aanhouding
Zaaksdossier Mus, p. 33 en 40-41, processen-verbaal verhoor verdachte
Zaaksdossier Mus p. 1-5, proces-verbaal van bevindingen, diverse tapgesprekken
Persoonsdossier [medeverdachte 4] , p. 2-4, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Mus, p. 1-5, proces-verbaal van bevindingen, diverse tapgesprekken
Zaaksdossier Mus, p. 4-5, proces-verbaal van bevindingen.
Zaaksdossier Mus, p. 53, uittreksel uit het kadaster
Zaaksdossier Mus p. 6, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Mus p. 7, tapgesprek TT07-297 in proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Mus, p. 8-11, proces-verbaal van bevindingen, diverse tapgesprekken
Zaaksdossier Mus, p. 137, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Mus p. 136-138, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Mus, p. 115-120, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Mus, p. 88-112 aangifte
Zaaksdossier Buizerd, p. 138, proces-verbaal binnentreden woning
Zaaksdossier Buizerd, p. 121-122, proces-verbaal
Zaaksdossier Buizerd, p. 161-162, proces-verbaal testen en wegen
Zaaksdossier Buizerd, p. 128, proces-verbaal aanhouding.
Zaaksdossier Buizerd, p. 166, proces-verbaal verhoor verdachte
Zaaksdossier Buizerd, p. 342-346, proces-verbaal van verhoor verdachte
Algemeen dossier, p. 11 en 20, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Buizerd, p. 351-352, proces-verbaal van verhoor verdachte
Zaaksdossier Buizerd, p. 6, tapgesprek TT04-2729
Zaaksdossier Buizerd, p. 8, tapgesprek TT06-1394
Zaaksdossier Buizerd, p. 11, tapgesprek TT14-83
Zaaksdossier Buizerd, p. 32, tapgesprek TT16-458
Zaaksdossier Buizerd, p. 51-42, observeren 27 juli 2011
Zaaksdossier Buizerd, p. 86, tapgesprek TT04-4662
Zaaksdossier Buizerd, p. 87, tapgesprek TT16-870
Zaaksdossier Buizerd, p. 88, tapgesprek TT16-871
Zaaksdossier Buizerd, p. 89, tapgesprek TT16-872
Zaaksdossier Buizerd, p. 105, tapgesprek TT24-970
Zaaksdossier Buizerd, p.106, tapgesprek TT16-1319
Zaaksdossier Buizerd, p. 107, tapgesprek TT16-1320
Zaaksdossier Buizerd, p. 115, tapgesprek TT16-1330
Zaaksdossier Valk, p. 104-107, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Valk, p. 90, kennisgeving van inbeslagneming
Zaaksdossier Valk, p. 108, proces-verbaal testen verdovende middelen
Zaaksdossier Valk, p. 111-112, verhoor getuige J.G.J.M. Mens, p. 114, proces-verbaal verhoor verdachte [naam 4] en p. 155-157 akte van indeplaatsstelling
Zaaksdossier Valk, p. 261, proces-verbaal verhoor verdachte [naam 4]
Zaaksdossier Valk, p. 24-26, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Valk, p. 35, tapgesprek TT42-179
Zaaksdossier Valk, p. 182, tapgesprek TT42-189
Zaaksdossier Valk, p. 45, tapgesprek TT42-192
Zaaksdossier Valk, p. 75, tapgesprek TT40-282
Zaaksdossier Valk, p. 76, tapgesprekTT40-317
Zaaksdossier Cheeta, p. 1, proces-verbaal van bevindingen, aantreffen recent geknipte hennepkwekerij
Zaaksdossier Cheeta, p. 3, proces-verbaal testen en wegen verdovende middelen (PV hennep hasjiesj ir Lelystraat)
Persoonsdossier [medeverdachte 1] , p. 19, proces-verbaal verhoor verdachte
Zaaksdossier Cheeta, p. 28, proces-verbaal van verhoor verdachte
Zaaksdossier Cheeta, p. 94-108, de aangifte met bijlagen
Zaaksdossier Cheeta, p. 9, proces-verbaal van verhoor verdachte
Zaaksdossier Hyena, p. 1, proces-verbaal forensisch onderzoek in woning
Zaaksdossier Hyena, p. 4, relaasproces-verbaal en Procesdossier beslag, proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 1051-1056
Zaaksdossier Hyena, p. 7, proces-verbaal testen en wegen verdovende middelen
Zaaksdossier Hyena, p. 9-29, proces-verbaal ontvangst aangifte met als bijlage de aangifte
Zaaksdossier Hyena, p. 31 en 32, proces-verbaal van bevindingen, getuige verhoor [naam 34]
Zaaksdossier Hyena, p. 37-38, proces-verbaal van verhoor verdachte
Zaaksdossier Zebra, p. 1, proces-verbaal van bevindingen hennepkwekerij [straatnaam 10] te Drunen
Zaaksdossier Zebra, p. 3-38, proces-verbaal forensische opsporing met fotobijlage
Zaaksdossier Zebra, p. 40-59, proces-verbaal aangifte
Zaaksdossier Zebra, p. 71-72, proces-verbaal van verhoor verdachte
Zaaksdossier Sepia, p. 964-969, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Sepia, p. 998-999, proces-verbaal van bevindingen
Zaaksdossier Sepia, p. 1077-1079, aangifte [slachtoffer 2]
Zaaksdossier Sepia, p. 1094, nota [slachtoffer 2]
Zaaksdossier Sepia, p. 977-978, verslag binnentreden woning
Zaaksdossier Sepia, p. 774-776, proces-verbaal van bevindingen, gesprek met de getuigen [naam 36] en [naam 35]
Zaaksdossier Sepia, p. 401, proces-verbaal bevindingen analyse historische verkeersgegevens, betreffende [telefoonnummer 17]
Zaaksdossier Sepia, p. 1006, proces-verbaal verhoor verdachte
Zaaksdossier Sepia, p. 427, tapgesprek TT04-161
Zaaksdossier Sepia, p. 429, tapgesprek TT04-3385
Zaaksdossier Sepia, p. 937, tapgesprek 37
Zaaksdossier Sepia, p 798, proces-verbaal forensische opsporing, doorzoeking
Beslagdossier, p. 541, fotodossier, foto 13 en 14
Beslagdossier, p. 546, navolgend PV
Zaaksdossier Sepia, p. 441, tapgesprek TT07-1183
Zaaksdossier Sepia, p. 443, tapgesprek TT07-1204
Zaaksdossier Sepia, p. 444, tapgesprek TT06-2455
Zaaksdossier Sepia, p. 445, tapgesprek TT07-1748
Zaaksdossier Sepia, p. 446, tapgesprek TT16-1335
Zaaksdossier Sepia, p. 50, proces-verbaal zaaksdossier Sepia
Zaaksdossier Sepia, p. 814-823, proces-verbaal van binnentreden ter doorzoeking [straatnaam 9] te Waalwijk
Zaaksdossier Sepia, p. 796, proces-verbaal testen en wegen verdovende middelen
Persoonsdossier [medeverdachte 2] , p. 26, proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2]
Zaaksdossier Jaguar, p. 308 en 310, proces-verbaal van verhoor verdachte en p. 52-53, proces-verbaal tijdlijn gesprekken levering [medeverdachte 2] en [Verdachte] aan [naam 6]
Zaaksdossier Jaguar, p. 57, tapgesprek TT04-554
Zaaksdossier Jaguar, p. 58, tapgesprek TT06-129
Zaaksdossier Jaguar, p. 59, tapgesprek TT06-133
Zaaksdossier Jaguar, p. 60, tapgesprek TT04-583
Zaaksdossier Jaguar, p. 67, tapgesprek TT06-211
Zaaksdossier Jaguar, p. 68, tapgesprek TT06-213
Zaaksdossier Jaguar, p. 75, tapgesprek TT04-740
Zaaksdossier Jaguar, p. 12, tapgesprek TT06-456
Zaaksdossier Jaguar, p. 13, tapgesprek TT06-509
Zaaksdossier Jaguar, p. 15, tapgesprek TT06-518
Zaaksdossier Jaguar, p. 17, tapgesprek TT06-593
Zaaksdossier Jaguar, p. 18, tapgesprek TT06-595
Zaaksdossier Jaguar, p. 20, tapgesprek TT04-1620
Zaaksdossier Jaguar, p. 22, tapgesprek TT04-1624
Zaaksdossier Jaguar, p. 110, tapgesprek TT06-1000
Zaaksdossier Jaguar, p. 340, tapgesprek TT06-1781
Zaaksdossier Jaguar, p. 111, tapgesprek TT06-2016
Zaaksdossier Jaguar, p. 170, tapgesprek TT06-2146
Zaaksdossier Jaguar, p. 167, proces-verbaal van verhoor verdachte
Zaaksdossier Jaguar, p. 32, tapgesprek TT06-2220
Zaaksdossier Jaguar, p. 348-349, proces-verbaal van bevindingen, onderzoek gebruiker 06-17574717
Zaaksdossier Jaguar, p. 81, tapgesprek TT06-2895
Zaaksdossier Jaguar, p. 82, tapgesprek TT06-2944
Zaaksdossier Jaguar, p. 36, tapgesprek TT06-2946
Zaaksdossier Jaguar, p. 37, tapgesprek TT06-2947
Zaaksdossier Jaguar, p. 38, tapgesprek TT06-2948
Zaaksdossier Jaguar, p. 83, tapgesprek TT06-2950
Zaaksdossier Jaguar, p. 39, tapgesprek TT06-2952
Zaaksdossier Jaguar, p. 85, tapgesprek TT06-2958
Zaaksdossier Jaguar, p. 86, tapgesprek TT06-2959
Zaaksdossier Jaguar, p. 88, tapgesprek TT06-2966
Zaaksdossier Jaguar, p. 90, tapgesprek TT06-2971
Zaaksdossier Jaguar, p. 91, tapgesprek TT06-3020
Zaaksdossier Jaguar, p. 93, tapgesprek TT06-3026
Zaaksdossier Jaguar, p. 95, tapgesprek TT06-3028
Zaaksdossier Jaguar, p. 96, tapgesprek TT06-3029
Zaaksdossier Jaguar, p. 97, tapgesprek TT06-3032
Zaaksdossier Jaguar, p. 115, tapgesprek TT06-3410
Zaaksdossier Jaguar, p. 303, tapgesprek TT06-3517
Zaaksdossier Jaguar, p. 131, tapgesprek TT44-209
Zaaksdossier Jaguar, p. 140, tapgesprek TT44-376
Zaaksdossier Jaguar, p. 167, proces-verbaal van verhoor verdachte
Zaaksdossier Jaguar, p. 175, proces-verbaal van verhoor verdachte
Zaaksdossier Jaguar, p. 285, proces-verbaal van verhoor verdachte
Zaaksdossier Adder, p. 11, tapgesprek TT16-177
Zaaksdossier Adder, p. 3, proces-verbaal bevindingen leveringen [Verdachte] aan [naam bedrijf 1]
Zaaksdossier Withoen, p. 38-39
Zaaksdossier Adder, p. 2, proces-verbaal bevindingen leveringen [Verdachte] aan [naam bedrijf 1]
Persoonsdossier [medeverdachte 1] , p. 37, proces-verbaal van verhoor verdachte
Zaaksdossier Adder, p. 14, tapgesprek TT16-314
Zaaksdossier Adder, p. 15, tapgesprek TT16-316
Zaaksdossier Adder, p. 17, tapgesprek TT16-321
Zaaksdossier Adder, p. 4-5 en 9, proces-verbaal bevindingen leveringen [Verdachte] aan [naam bedrijf 1]
Zaaksdossier Adder, p. 23 tapgesprek TT16-474
Zaaksdossier Adder, p. 24, tapgesprek TT16-475
Zaaksdossier Adder, p. 7-9, proces-verbaal bevindingen leveringen [Verdachte] aan [naam bedrijf 1]
Zie de overwegingen en de bewijsmiddelen onder de zaaksdossiers Eekhoorn, Leeuw, Edelhert, Mus, Buizerd, Valk, Mier, Postduif, Jaguar en Adder.
Zie ook Zaaksdossier Buizerd, p. 184-185, aangifte [slachtoffer 1]
Zie de overwegingen en de bewijsmiddelen onder de zaaksdossiers Bosuil, Cheeta, Hyena, Zebra en Impala
zaaksdossier Withoen, p. 38-39
zaaksdossier Withoen, paginanummers: zie de tabel
Zaaksdossier Withoen, 1e aanvulling, p. 791, 828 en 830
Zaaksdossier Withoen, p. 81
Zaaksdossier Withoen, p. 47
Zaaksdossier Withoen, p. 131-133
Zaaksdossier Withoen, p. 138
Zaaksdossier Withoen, p. 83
Zaaksdossier Withoen, p. 81
Zaaksdossier Withoen, p. 480, verhoor verdachte [naam 21]
Zaaksdossier Withoen, p. 513-515
Zaaksdossier Withoen, p. 726
Zaaksdossier Withoen, p. 727
Zaaksdossier Withoen, p. 730
Zaaksdossier Withoen, 1e aanvulling, p. 791
Zaaksdossier Withoen, 1e aanvulling, p. 777
Zaaksdossier Withoen, 1e aanvulling, p. 856-870
Zaaksdossier Withoen, 1e aanvulling, p. 871 en 872
Zaaksdossier Withoen, p. 83
Zaaksdossier Withoen, p. 107
Zaaksdossier Meeuw, p. 6, proces-verbaal van Belastingdienst/FIOD/kantoor Schiphol, dossiernummer 48950,
Zaaksdossier Meeuw, p. 22, proces-verbaal van Belastingdienst/FIOD/kantoor Schiphol, dossiernummer 48950, Bewijs van ontvangst
Zaaksdossier Meeuw, p. 11, proces-verbaal van Belastingdienst/FIOD/kantoor Schiphol, dossiernummer 48950