Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/8.1.3:8.1.3 Afbakening
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/8.1.3
8.1.3 Afbakening
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS584061:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de positie van de retentor in de schuldsaneringsregeling Lammers 2000, p. 1-10 en Wessels IX 2017/9133-9136.
Deze stemming komt overigens in de praktijk zelden voor, zie: Polak/Pannevis 2017/11.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
342. Ik heb niet gepoogd om een uitputtende beschrijving te geven van alle mogelijke scenario’s van retentierechten in alle insolventieprocedures. In dit hoofdstuk beperk ik me tot twee hoofdzaken: ten eerste analyseer ik art. 60 Fw en ten tweede ga ik in op het samenspel tussen art. 57 en art. 60 Fw.
De volgende onderwerpen blijven buiten beschouwing, ondanks dat ze gaan over de combinatie retentie en insolventie. Ik laat het retentierecht in de WSNP buiten beschouwing, zie art. 299b Fw en voor de vereffening art. 349 Fw.1 De regeling lijkt qua opzet op die van art. 60 Fw, maar wijkt daar op belangrijke punten juist van af vanwege het eigen karakter van de schuldsaneringsregeling. De positie van een retentierecht tijdens surséance en bij het aanbieden van een surséanceakkoord blijft eveneens buiten beschouwing. De surséance werkt ingevolge art. 232 Fw niet ten aanzien van vorderingen waaraan voorrang is verbonden, behoudens voor zover zij niet verhaald kunnen worden op het goed waar de voorrang betrekking op heeft. De retentor mag zich dus tijdens de surséance nog steeds verhalen op de teruggehouden zaak (in afwijking van de hoofdregel van art. 230 Fw, dat bepaalt dat de schuldenaar niet tot betaling kan worden gedwongen en verhaal op zijn goederen is geschorst), maar met betrekking tot het gedeelte van zijn vordering dat niet op de teruggehouden zaak kan worden verhaald, werkt de surseance wél. Verder laat ik de rol van de retentor bij een eventuele schuldeiserscommissie, zie art. 74 e.v. Fw buiten beschouwing. Ten slotte ga ik niet in op art. 173b Fw, dat gaat over een stemming op een voorstel tot voortzetting van de onderneming. In art. 173b lid 1 Fw is bepaald dat een voorstel tot voortzetting van de onderneming is aangenomen indien de schuldeisers, wiens vordering niet is gedekt door pand-, hypotheek of retentierecht, met meer dan de helft van de erkende en voorwaardelijk toegelaten vorderingen vóór stemmen. Art. 173b Fw is intrigerend, omdat de bevoorrechte schuldeisers kennelijk wel meetellen, maar de retentor niet. Ook deze bepaling laat ik echter verder rusten.2