Vgl. HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9223 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2012:BV9223), rov. 2.6.
HR, 05-11-2024, nr. 22/02232
ECLI:NL:HR:2024:1454
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-11-2024
- Zaaknummer
22/02232
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1454, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑11‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:873
ECLI:NL:PHR:2024:873, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1454
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0270
Uitspraak 05‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. medeplegen aanwezig hebben van hennep en hasj (art. 3.C Opiumwet) en medeplegen diefstal van elektriciteit (art. 311.1 Sr). Kon hof het door verdachte ingestelde hoger beroep na rolzitting niet-ontvankelijk verklaren, nu karakter van rolzitting (waarbij zaak niet inhoudelijk wordt behandeld) meebrengt dat inhoudelijke behandeling op later moment zal plaatsvinden? Hof heeft vastgesteld dat verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend en ook niet (eventueel via gemachtigde raadsman) mondeling bezwaren tegen vonnis Rb heeft opgegeven. ’s Hofs mede hierop gebaseerde oordeel dat door verdachte ingesteld hoger beroep n-o moet worden verklaard, is in het licht van stukken (waaruit onder meer blijkt dat raadsman al voorafgaand aan rolzitting door griffie hof werd benaderd over planning van datum voor inhoudelijke behandeling van zaak) niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij neemt HR in aanmerking dat brief van AG aan raadsman onder meer inhoudt dat “wanneer niet tot gezamenlijk standpunt gekomen wordt of hof van oordeel is dat gezamenlijk standpunt geen rechtvaardige uitkomst van procedure oplevert, zaak naar rolzitting zal gaan om daar inschatting te maken van uiteindelijke inhoudelijke behandeltijd op latere inhoudelijke zitting”, terwijl hof niet zo’n latere inhoudelijke zitting heeft laten plaatsvinden. Dat deze brief ook (maar zonder nadere toelichting) inhoudt dat “op rolzitting (...) de gebruikelijke vaststellingen en beslissingen (kunnen) worden genomen als bijvoorbeeld niet ontvankelijkheid”, maakt dat niet anders. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 22/02233 P.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02232
Datum 5 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 juni 2022, nummer 20-000313-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. Zilver, advocaat in Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het door de verdachte ingestelde hoger beroep.
2.2.1
Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe overwogen:
“Het hof is van oordeel dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven of een raadsman heeft gemachtigd dat namens haar te doen en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden.”
2.2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De verdachte genaamd:
[verdachte]
(...)
is ‑ hoewel behoorlijk gedagvaard ‑ niet verschenen.
De raadsman van de verdachte mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, is evenmin ter terechtzitting verschenen.
(...)
De voorzitter deelt voorts mede dat, zoals de advocaat-generaal, de raadsman en de verdachte tevoren bekend was, de zaak vandaag niet inhoudelijk zal worden behandeld, maar dat deze zitting een rolzitting betreft, waarop slechts de grieven en/of onderzoekswensen zullen worden geïnventariseerd en besproken.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De advocaat-generaal deelt vervolgens als volgt mede:
In het dossier heb ik geen grieven aangetroffen. Evenmin heb ik een nadere toelichting en/of een bericht van de verdachte of van diens raadsman in het dossier aangetroffen of ontvangen. Om die reden vorder ik dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het door de verdachte ingestelde hoger beroep.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 7 juni 2022 te 09.00 uur.”
2.2.3
Bij de stukken bevinden zich:
(i) een brief van de voorzitter van het hof aan de griffier van de Hoge Raad van 15 juli 2022 met daarbij gevoegd afdrukken van e-mailverkeer tussen de verkeerstoren bij het hof en de raadsman van de verdachte. Daarin is door de raadsman gereageerd op twee achtereenvolgende voorstellen van de verkeerstoren voor het plannen van de inhoudelijke behandeling van deze strafzaak tegen de verdachte en de samenhangende ontnemingszaak, waarbij op het bericht van de raadsman van 23 maart 2022, waarin hij meedeelde op één van de voorgestelde data beschikbaar te zijn, op 24 maart 2022 is gereageerd door een senior administratief medewerker van het hof met een bericht dat onder meer inhoudt:
“Hierbij deel ik u mede dat de betreffende zaken van uw cliënt inmiddels zijn aangebracht op de rolzitting van 24 mei 2022 om 09:00 uur.
U ontvangt hiervan spoedig de oproepingen inclusief de verdere uitleg over deze rolzitting.”
(ii) de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op 24 mei 2022 op de terechtzitting in hoger beroep waarin onder meer is vermeld dat het een rolzitting betreft; volgens de daarvan opgemaakte akte is deze dagvaarding op 30 maart 2022 in persoon aan haar uitgereikt;
(iii) een brief van 25 maart 2022 van de advocaat-generaal bij het hof aan de raadsman van de verdachte, die inhoudt dat op 24 mei 2022 de strafzaak tegen de verdachte op de terechtzitting wordt behandeld, waarbij is vermeld dat het een rolzitting betreft en waarbij is meegezonden een aan de raadsman gerichte brief van de voorzitter van de innovatiekamer van het hof, met als aanhef “TOELICHTING ROLZITTING INNOVATIEKAMER HOF ’S-HERTOGENBOSCH”. Deze brief houdt onder meer in:
“Geachte raadsman/-vrouw,
Bijgaand treft u een afschrift aan van de dagvaarding van uw cliënt voor de rolzitting van de vijfentwintigste meervoudige strafkamer van het gerechtshof (de innovatiekamer). In deze brief wordt een toelichting gegeven op de gang van zaken rondom deze rolzitting.
Zoals bekend kampt de rechtspraak met een forse achterstand in het verwerken van hoger beroepszaken. Ook in het ressort Den Bosch overschrijden de doorlooptijden met enige regelmaat de gewenste termijn. De gevolgen van COVID hebben de bestaande situatie verslechterd.
In de praktijk betekent dit dat er een aanzienlijke voorraad van zaken is die ongewenst lang op behandeling ligt te wachten. In een aantal van deze zaken kunnen veranderde omstandigheden, mede vanwege het tijdsverloop, wellicht gevolgen hebben voor de uitkomst van het ingestelde appel. In die zaken verwacht het Hof wellicht een versnelling van het strafproces te bereiken door op voorhand duidelijk te krijgen waar het in de zaak nu nog om draait en daar de inhoudelijke behandeling op te richten.
Bij het bekijken van de voorraad meent het Hof dat de zaak waarin u hoger beroep heeft ingesteld mogelijk in aanmerking komt voor een versnelde afdoening in 2022. Wij nodigen u uit om liefst voorafgaand aan de rolzitting, maar anders op de rolzitting zelf, te bekijken of u met de advocaat-generaal tot een gezamenlijk standpunt kunt komen. Met een dergelijke versnellingsafspraak zou de zaak via een korte inhoudelijke behandeling kunnen komen tot een arrest. Wanneer niet tot een gezamenlijk standpunt gekomen wordt of het Hof van oordeel is dat het gezamenlijk standpunt geen rechtvaardige uitkomst van de procedure oplevert, zal de zaak naar de rolzitting gaan om daar een inschatting te maken van de uiteindelijke inhoudelijke behandeltijd op een latere inhoudelijke zitting.
Indien bij u de behoefte bestaat om voorafgaand aan de zitting met de advocaat-generaal contact op te nemen teneinde te onderzoeken of er ‘versnellingsafspraken’ gemaakt kunnen worden, kunt u het OM bereiken via het mailadres: innovatieRP-DB@OM.nl.
Voorafgaand aan de rolzitting
• Indien (een deel van) de grieven inmiddels zijn komen te vervallen, ontvangt het Hof daar op voorhand graag bericht van;
• De aanwezigheid van uw cliënt is niet noodzakelijk; indien u meent dat de aanwezigheid van uw cliënt op de rolzitting vereist is dan wordt u verzocht om dit tijdig kenbaar te maken;
• Indien u voornemens bent om preliminaire verweren te voeren, dan wordt u verzocht om dit voorafgaand aan de rolzitting en met vermelding van de aard van die verweren tijdig kenbaar te maken;
• U wordt verzocht om uiterlijk drie dagen voor de rolzitting een actueel overzicht van uw verhinderdata te verstrekken over de periode van drie tot negen maanden na de rolzitting (onder vermelding van de datum van de rolzitting, de naam van uw cliënt en het parketnummer).
Alle correspondentie bij voorkeur via: innovatiekamer.hofshe.strafrecht@rechtspraak.nl
Tijdens de rolzitting
• Op de rolzitting kunnen de gebruikelijke vaststellingen en beslissingen worden genomen als bijvoorbeeld niet ontvankelijkheid en nietigheid maar ook ‑ met name in ontnemingszaken ‑ het gelasten van een (extra) schriftelijke ronde;
• Het Hof kan door het OM en/of verdediging worden voorgelicht over de stand van zaken met betrekking tot eventuele ‘versnellingsafspraken’;
• De advocaat en het OM kunnen aangeven alsnog tot een versnellingsafspraak te willen komen;
• Het Hof kan vaststellen dat de zaak zich leent voor inhoudelijke behandeling en daartoe, rekening houdend met de opgegeven grieven, verhinderdata, duur van pleidooi en requisitoir, de in te plannen zittingstijd en datum bepalen;
• Het Hof kan ‑ zo de standpunten van verdediging en advocaat-generaal met betrekking tot de onderzoekswensen duidelijk zijn ‑ beslissingen nemen op de onderzoekswensen en nadere afspraken maken over de verdere planning;
• Er wordt een (verkort) proces-verbaal van de rolzitting opgemaakt.
Na de rolzitting
• Indien van toepassing wordt u zo snel mogelijk na de rolzitting, bij voorkeur dezelfde dag, per e-mail op de hoogte gesteld van de volgende zittingsdatum.
Verzoeken om aanhouding van de - n.a.v. de rolzitting - geplande inhoudelijke behandeling zullen slechts bij hoge uitzondering worden gehonoreerd.”
2.3
“1. Ingeval hoger beroep is ingesteld door de officier van justitie, geeft de advocaat-generaal bij gelegenheid van de voordracht der zaak mondeling een toelichting op de bezwaren tegen het vonnis. De advocaat-generaal geeft in voorkomende gevallen tevens op waarom door de officier van justitie geen schriftuur houdende grieven is ingediend. Na de voordracht van de advocaat-generaal wordt de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld, in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.
2. Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.”
2.4
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend en ook niet – eventueel via een gemachtigd raadsman – mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven. Het mede hierop gebaseerde oordeel dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, is in het licht van de onder 2.2.3 weergegeven stukken – waaruit onder meer blijkt dat de raadsman van de verdachte al voorafgaand aan de rolzitting door de griffie van het hof werd benaderd over de planning van een datum voor de inhoudelijke behandeling van de zaak – niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de daar onder (iii) weergegeven brief onder meer inhoudt dat “Wanneer niet tot een gezamenlijk standpunt gekomen wordt of het Hof van oordeel is dat het gezamenlijk standpunt geen rechtvaardige uitkomst van de procedure oplevert, de zaak naar de rolzitting zal gaan om daar een inschatting te maken van de uiteindelijke inhoudelijke behandeltijd op een latere inhoudelijke zitting”, terwijl het hof niet zo’n latere inhoudelijke zitting heeft laten plaatsvinden. Dat deze brief ook – maar zonder nadere toelichting – inhoudt dat “op de rolzitting (...) de gebruikelijke vaststellingen en beslissingen (kunnen) worden genomen als bijvoorbeeld niet ontvankelijkheid”, maakt dat niet anders.
2.5
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2024.
Conclusie 03‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Aanwezigheidsrecht. Klacht over n.o.-verklaring van het hoger beroep wegens ontbreken van grieven, terwijl de communicatie vanuit het hof de verwachting wekte dat aanwezigheid en indiening grieven op rolzitting niet nodig was. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 22/02233.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02232
Zitting 3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 7 juni 2022 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 22/02233 P. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R. Zilver, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ik merk op dat de raadsman in de samenhangende zaak 22/02233 P hetzelfde middel van cassatie heeft voorgesteld.
Het procesverloop
5. Bij vonnis van 31 januari 2020 is de verdachte door de rechtbank Oost-Brabant veroordeeld in de tegen haar ingestelde strafzaak en is ook in de ontnemingszaak uitspraak gedaan. De zaken zijn telkens gelijktijdig behandeld. Op 4 februari 2020 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
6. Uit de stukken blijkt dat tussen 18 maart 2022 en 23 maart 2022 tussen de ‘verkeerstoren’ van het hof en de raadsman overleg heeft plaatsgevonden over het inplannen van de inhoudelijke behandeling van de beide zaken.
7. Op 24 maart 2022 heeft de verkeerstoren van het hof aan de raadsman per e-mail laten weten dat de zaken zijn aangebracht op de rolzitting van 24 mei 2022. Voorts blijkt uit de stukken dat op 25 maart 2022 de dagvaarding om in hoger beroep op de rolzitting van 24 mei 2022 te verschijnen, aan de verdediging is verstrekt. Hierbij is eveneens een “toelichting rolzitting innovatiekamer” (hierna: de toelichting bij de dagvaarding) van het hof als bijlage verstuurd. Deze toelichting houdt onder meer in dat gelet op de grote achterstanden bij het hof, er eventueel tot versnellingsafspraken gekomen kan worden zodat de zaak via een korte inhoudelijke behandeling tot een arrest zou kunnen komen. Voorts wordt erop gewezen dat wanneer niet tot een gezamenlijk standpunt gekomen wordt of het hof van oordeel is dat dit geen rechtvaardige uitkomst van de procedure oplevert, de zaak naar de rolzitting zal gaan om daar een inschatting te maken van de uiteindelijke inhoudelijke behandeltijd op een latere inhoudelijke terechtzitting. Ook wordt erop gewezen dat de aanwezigheid van de verdachte op de rolzitting niet noodzakelijk is.
8. Op 24 mei 2022 heeft de rolzitting plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt – voor zover relevant voor de beoordeling van het middel – het volgende in:
“De verdachte genaamd:
[verdachte] (…)
is – hoewel behoorlijk gedagvaard – niet verschenen.
De raadsman van de verdachte mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, is evenmin ter terechtzitting verschenen.
(…)
De voorzitter deelt voorts mede dat, zoals de advocaat-generaal, de raadsman en de verdachte tevoren bekend was, de zaak vandaag niet inhoudelijk zal worden behandeld, maar dat deze zitting een rolzitting betreft, waarop slechts de grieven en/of onderzoekswensen zullen worden geïnventariseerd en besproken.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De advocaat-generaal deelt vervolgens als volgt mede:
In het dossier heb ik geen grieven aangetroffen. Evenmin heb ik een nadere toelichting en/of een bericht van de verdachte of van diens raadsman in het dossier aangetroffen of ontvangen. Om die reden vorder ik dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het door de verdachte ingestelde hoger beroep.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 7 juni 2022 te 09.00 uur.
(…)”
9. Het hof heeft vervolgens op 7 juni 2022 uitspraak gedaan. Deze uitspraak luidt – voor zover relevant voor de beoordeling van het middel – als volgt:
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof is van oordeel dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven of een raadsman heeft gemachtigd dat namens haar te doen en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden.”
10. Uit de stukken blijkt voorts dat de raadsman op 14 juni 2022 een brief aan het hof heeft gestuurd met als strekking dat hij “onaangenaam verrast is” door de beslissing van het hof omdat hij ervan uit is gegaan dat de behandeling op de rolzitting van 24 mei 2022 geen doorgang zou vinden, dan wel zou worden aangehouden nu daar bij brief van 16 mei 2022 om was verzocht. Op 20 juni 2022 is namens de verdachte in beide zaken beroep in cassatie ingesteld.
11. In de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden bevindt zich ook een brief van de voorzitter van de strafkamer van het hof van 15 juli 2022 gericht aan de Hoge Raad, welke onder meer als volgt luidt:
“Het hof heeft van de raadsman mr. Zilver een brief ontvangen d.d. 14 juni 2022 waarin wordt verzocht de niet-ontvankelijkverklaring in de betreffende procedures ongedaan te maken en te bepalen dat de behandeling daarvan zal plaatsvinden op een latere datum. Als bijlagen bij voornoemde brief is een brief van de raadsman bijgevoegd welke is voorzien van de datum 16 mei 2022 (bijlage 1), alsmede een e-mailbericht van de Verkeerstoren d.d. 18 maart 2022 (bijlage 2).
In de brief van 16 mei 2022 verzoekt de raadsman de zaken op de terechtzitting van 24 mei 2022 geen doorgang te laten vinden dan wel aan te houden tot een latere datum. Het hof heeft deze brief voorafgaand aan de terechtzitting van 24 mei 2022 echter niet ontvangen en op het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaken is dan ook niet gereageerd.
De brief van de raadsman d.d. 14 juni 2022 met bijlagen zijn achter deze brief gevoegd. Voorts is bij deze brief (interne) e-mailcorrespondentie gevoegd.”
Het middel en de toelichting daarop
12. Het middel klaagt dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep. Hieraan wordt ten grondslag gelegd dat het karakter van een rolzitting met zich brengt dat de daadwerkelijke inhoudelijke behandeling op een later moment zal plaatsvinden, temeer nu in dit geval aan de verdediging de eerder besproken toelichting is toegestuurd die bezwaarlijk anders kan worden opgevat dan als de mededeling dat de verdachte op een latere terechtzitting – en dan voor de eerste maal inhoudelijk – op de voet van artikel 416 lid 1 Sv de gelegenheid zou hebben om haar bezwaren tegen de vonnissen op te geven.
13. Het hof heeft de verdachte gelet hierop ten onrechte op de voet van artikel 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard, aldus de steller van het middel.
De beoordeling van het middel
14. Het hof heeft de verdachte naar aanleiding van het voorgevallene op de rolzitting, waarop de verdachte en haar raadsman niet zijn verschenen, op grond van artikel 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en die beslissing mede gegrond op de omstandigheid dat de verdachte geen mondelinge bezwaren tegen de vonnissen heeft opgegeven.
15. Dat oordeel is gelet op de hiervoor door mij besproken omstandigheden niet-begrijpelijk. Het hof heeft er in het bijzonder aan voorbijgezien dat de toelichting bij de dagvaarding, waaruit kan worden opgemaakt dat de rolzitting geen inhoudelijk karakter zal hebben, meebrengt dat pas voor de eerste maal op een latere inhoudelijke terechtzitting de zaken door de advocaat-generaal zullen worden voorgedragen en de verdachte op grond van artikel 416 lid 1 Sv de gelegenheid zou hebben om haar bezwaren tegen de vonnissen op te geven.1.Zoals eerder door de Hoge Raad is opgemerkt zet toepassing van artikel 416 lid 2 Sv het bepaalde in het eerste lid van artikel 416 Sv niet opzij.2.
16. Daarnaast komt het mij voor dat gelet op de inhoud van de brief van de voorzitter van de strafkamer, het hof abusievelijk voorbij is gegaan aan het aanhoudingsverzoek van de raadsman zoals dat – naar in cassatie moet worden aangenomen – per brief van 16 mei 2022 is gedaan. Gelet op het belang van het in artikel 6 lid 3 onder c EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht en de gang van zaken in de voorliggende zaak, meen ik dat de beslissing tot niet-ontvankelijkheid daardoor temeer als niet-begrijpelijk kan worden beschouwd.
Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie
17. Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte cassatie is ingesteld op 20 juni 2022. Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM overschreden.
18. Hieraan behoeven op dit moment geen consequenties te worden verbonden, gelet op hetgeen ik hiervoor heb geconcludeerd ten aanzien van het middel en de gevolgen die ik daaraan verbind voor wat betreft de vernietiging van de bestreden uitspraak en de terugwijzing van de zaak.
Slotsom
19. Het middel slaagt.
20. Andere gronden (dan genoemd in randnummer 17) die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑09‑2024
Zie vorige voetnoot.