BNB 2021/9
Eigenwoningregeling. Tijdelijke verhuur van aanhorigheid bij eigen woning
HR 18-09-2020, ECLI:NL:HR:2020:1448, m.nt. E.J.W. Heithuis
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18 september 2020
- Magistraten
Mrs. De Groot, Overgaauw, Fierstra, Wortel, Beukers-van Dooren
- Zaaknummer
19/03974
- Conclusie
A-G Niessen
- Noot
E.J.W. Heithuis
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS248776:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Eigen woning
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2020:1448, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑09‑2020
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑09‑2020
ECLI:NL:PHR:2020:438, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 01‑05‑2020
- Wetingang
Art. 3.111 lid 1 en 7, en art. 3.113 Wet IB 2001
Essentie
Eigenwoningregeling. Tijdelijke verhuur van aanhorigheid bij eigen woning
Samenvatting
Belanghebbende is met haar echtgenoot eigenaar/bewoner van een woning, bestaande uit het woonpand en een tuinhuis. In 2015 is het tuinhuis 21 dagen verhuurd. In de aangiften IB/PVV 2015 van belanghebbende en haar echtgenoot zijn de inkomsten uit eigen woning volledig aan belanghebbende toegerekend. De huuropbrengst van het tuinhuis is daartoe niet gerekend. Bij navorderingsaanslag is het aangegeven inkomen uit werk en woning verhoogd met 70% van de huuropbrengst. Het Hof heeft geoordeeld dat het tuinhuis behoort tot de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen.
HR: Het ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.