Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/3.1.3
3.1.3 Doel en karakter
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS304892:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze strofe is herhaalde malen in uitspraken van de Europese Commissie gehanteerd, zo bijvoorbeeld in ECRM 15 juli 1982, Bricmont/België, 9938182, DR 48, p. 21.
Heel duidelijk legt Asser (1992), p. 14-15, het verband tussen de motiveringsplicht van de rechter en het recht op een eerlijke behandeling: het niet responderen door de rechter in zijn uitspraak op een essentiële stelling van een partij houdt in dat tenminste kwestieus is of de rechter bij de beoordeling van de zaak wel rekening heeft gehouden met die stelling.
Asser (1992), p. 11. Overigens beschouwt Asser het beginsel van hoor en wederhoor en dat der rechterlijke onpartijdigheid in dit opzicht van gelijke importantie.
Habscheid (1978), p. 58.
Internationaler Kommentar zur EMRIC(Miehsleffilogler), aant. 344 op art. 6 EVRM en Vélu/Ergec (1990), nr. 468
Zie VélufErgec (1990), nr. 468 onder verwijzing naar enkele uitspraken van de Europese Commissie. Voor een bevestiging in enkele civiele zaken zie men onder andere ECRM 5 maart 1983, X/Oostenrijk, 8893180, DR 31, p. 66; ECRM 11 mei 1983, WebbJGB, 9353181, DR 33, p. 133 en ECRM 15 juli 1986, Bricmont/België, 9938182, DR 48, p. 21. Ook het Hof beoordeelt of 'the contested proceedings as a whole were fair within the meaning of the Convention'. Zie o.a. EHRM 19 april 1993, Kraska, serie A, vol 254-b, § 30.
VélufErgec (1990), nr. 467.
Degene die hier uitgebreide uiteenzettingen over op schrift heeft gesteld, is Lindijer (2006). In zijn proefschrift over de goede procesorde wijdt hij een kleine honderd pagina's (p. 509-600) aan de verhouding van de eisen van een goede procesorde tot andere leerstukken, waarvan hij met name noemt art. 6 EVRM, redelijkheid en billijkheid, rechtsverwerking, misbruik van procesbevoegdheid en de aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad.
Zie daarover Haardt (1958). Snijders, Ynzonides en Meijer (2007), nr. 29, verkiezen het daarom in dit verband te spreken van behoorlijk (proces)gedrag.
Vgl. Haardt (1984), p. 11-18, met name onder nr. 4-6 en 8. Ook Lindijer (2006), p. 307 e.v., alsmede p. 335 e.v., wijst hierop. Hij plaatst een en ander - uiteraard - in de sleutel van de goede procesorde.
Haardt, a.w., p. 17 (nr. 9). In gelijke zin Lindijer (2006), p. 173.
Haardt, a.w., p. 11. Volgens hem is nog het meeste te zeggen voor de regel dat partijen jegens elkaar verplicht zijn mede te werken tot alles wat een goede procesorde eist. Over dit laatste begrip nader hieronder.
Storme (1990), p. 361.
Storme, a.w., p. 371.
Storme, a.w., p. 440 (nr. 59).
Hammerstein (1989), p. 1595 e.v.
Hammerstein, a.w., p. 1604.
Van den Reek (1997), p. 212 e.v.
Van den Reek (1997), p. 218. In gelijke zin oordeelt Van der Wiel (2004), nr. 187, dat de verschillen tussen redelijkheid en billijkheid en goede procesorde 'louter optisch' zijn.
Hier wijst ook Lindijer (2006), p. 529 e.v., op, in het bijzonder onder referte aan de belangen ontleend aan het publieke belang dat bij een goede rechtspleging gemoeid is. Lindijer neemt in zoverre een aparte positie in dat redelijkheid en billijkheid volgens hem geen algemene norm voor procesgedrag inhouden, maar slechts wezenlijke betekenis hebben in de materiële, verbintenisrechtelijke context tussen partijen. Een 'processuele redelijkheid en billijkheid' wordt aldus door hem afgewezen; zie Lindijer (2006), p. 534 e.v.
Ten Berg-Koolen (1986), p. 113 e.v.
In het verlengde daarvan stelt Lindijer (2006), p. 643: 'Wil de rechter zijn beslissing controleerbaar en aanvaardbaar maken, dan doet hij er goed aan om aan te geven welke specifieke normatieve argumenten hij met de verwijzing naar de eisen van een goede procesorde op het oog heeft.'
Het recht op een eerlijke behandeling vormt om diverse redenen een fundamenteel element van de in art. 6 EVRM neergelegde waarborgen.
Het begrip kan men in ruime en in beperktere zin opvatten. In ruime zin houdt het - gegeven de toegang tot de rechter - in het recht op een processueel eerlijke procedure; van dat recht maken dan de overige elementen in art. 6 EVRM, dat wil zeggen het recht op (toegang tot) een openbare procedure binnen een redelijke termijn door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, deel uit. Aldus opgevat zou het dan inhouden een overkoepelend, algemeen recht op behoorlijke rechtspraak. Ten faveure van deze opvatting zou kunnen worden aangevoerd de constatering dat de afgrenzing in de Straatsburgse jurisprudentie tussen het begrip 'fair hearing' en de overige elementen uit art. 6 EVRM, met name die welke betrekking hebben op het recht op rechtsbijstand (als onderdeel van het recht op toegang tot de rechter) en op de onpartijdigheid van de rechter, niet altijd even scherp is. Aannemelijk is echter dat een dergelijk vage notie van het recht op een eerlijke behandeling door de Straatsburgse rechters niet bedoeld is. Getracht is immers aan dit recht een eigen specifieke betekenis te geven.
In beperktere zin, na 'aftrek' van de afzonderlijke onderdelen van art. 6 EVRM, kan men het recht op een 'fair hearing' opvatten als het recht van iedere procespartij om haar zaak aan de rechter voor te leggen onder zodanige omstandigheden dat zij niet wezenlijk benadeeld wordt ten opzichte van haar wederpartij.1 Dat de aldus gegeven definitie het begrip nog niet volledig dekt (maar wel voor een groot gedeelte), bleek reeds uit de - voorlopige - aanduiding van de deelaspecten van het recht op een eerlijke behandeling hierboven; zo maakt ook de motivering van gerechtelijke uitspraken, zo zagen wij, onderdeel van dat recht uit.2
Ook in de beperkte opvatting vormt het recht op een eerlijke behandeling een zeer wezenlijk, zo niet het wezenlijkste, element uit art. 6 EVRM. Immers, het beginsel van hoor en wederhoor, als essentieel onderdeel daarvan, zou men kunnen aanduiden als het 'superbeginsel' van procesrecht. In de vaderlandse literatuur wordt dit beginsel wel beschouwd als het kenmerk bij uitstek van elk proces; bij afwezigheid daarvan zou geen sprake meer zijn van een proces, maar van loutere machtsuitoefening door de rechter.3 In internationale context is het recht om gehoord te worden wel beschouwd als een 'principe procédural de valeur éternelle', welk principe 'n'est pas liée à un certain systeme légal',4 kortweg een eeuwig en mondiaal beginsel van procesrecht.
Hoe belangrijk en universeel het recht op een eerlijke behandeling, of preciezer, (een) aspect(en) daarvan, ook moge(n) zijn, het is aan de EVRM-lidstaten overgelaten naar eigen inzicht daaraan gestalte te geven. Of de uitkomsten van die vormgeving in overeenstemming zijn met het EVRM wordt door de Straatsburgse rechters van geval tot geval, dus in concreto, beoordeeld.5 Dit betekent anderzijds niet dat de toetsing van het individuele geval niet tevens een toetsing in globo inhoudt, in die zin dat de procedure in zijn geheel - dat wil zeggen in de regel na afloop van de gehele procedure (eventueel in meerdere instanties) - op het vereiste van fairness doorgelicht wordt.6 Voor alle duidelijkheid en wellicht ten overvloede zij vermeld dat het dan altijd gaat om de processuele fairness. Of met de procedure tevens materiële fairness (in de zin van een materieelrechtelijk rechtvaardige beslissing) is bereikt, wordt buiten beschouwing gelaten, hoewel het begrip 'fair hearing' volgens het Engelse recht ook deze laatste connotatie in zich draagt.7
Het valt overigens op dat de omvang van de Straatsburgse jurisprudentie ten aanzien van het recht op een eerlijke behandeling relatief gering is in verhouding tot de Nederlandse civiele rechtspraak. Met name met betrekking tot het beginsel van hoor en wederhoor en de motivering hebben zich, zoals nog nader zal worden beschouwd, in de loop der tijd hele bouwwerken van nationale jurisprudentie gevormd. De richting wordt in deze in mindere mate bepaald door de rechter in Straatsburg en in meerdere mate door de (hoogste) rechter in 's-Gravenhage.
Ter afsluiting van deze inleidende paragraaf wil ik nog enkele opmerkingen maken over de verhouding tussen het recht op een eerlijke behandeling (fair hearing/fair trial) in de civiele procedure, fair play in het burgerlijk geding, goede trouw in het procesrecht en ten slotte de goede procesorde. Genoemde begrippen worden dikwijls met elkaar in verband gebracht in literatuur en jurisprudentie. Het komt mij raadzaam voor deze begrippen hieronder kort te bespreken met het oog op de plaats die het recht op een eerlijke behandeling daarbij inneemt.8
De aanspraak op een fair hearing is een aanspraak die - gelijk de overige aanspraken in art. 6 EVRM - eenieder in een procedure waarbij diens burgerlijke rechten of verplichtingen worden vastgesteld, heeft tegenover de rechter, de overheid c.q. de wetgever. De vraag in hoeverre een regel van fair play in het burgerlijk geding zou dienen te regeren, ziet vooreerst op de verhouding tussen procespartijen onderling.9 Voor zover en in welke mate er wederzijdse plichten van fair play bestaan tussen gedingvoerenden en de rechter, zijn echter raakvlakken met het recht op een fair hearing uit art. 6 EVRM aanwijsbaar, met name daar waar de rechter een procespartij het volle pond behoort te geven als het erom gaat of hij wel gehoord is of de gelegenheid daartoe heeft gehad, en waar op de rechter een plicht rust om partijen niet door een uitspraak te verrassen (bijvoorbeeld door een goede motivering van zijn uitspraak).10 Doch ook omgekeerd hangt de plicht tot fair play van (een) procespartij(en) ten opzichte van de rechter met het recht op een fair hearing samen, in die zin dat partijen gehouden zijn de rechter zo duidelijk en volledig mogelijk in te lichten, opdat deze in de gelegenheid wordt gesteld tot behoorlijke rechtspraak.11
Hoewel volgens Haardt de eis van de goede trouw voor procesvoerenden niet kan dienen12, menen andere schrijvers dat die goede trouw tussen procespartijen in het burgerlijk procesrecht wel degelijk een rol te vervullen heeft. M.E. Storme stelt met zoveel woorden de verplichting tot fair play tussen partijen onderling gelijk aan de processuele goede trouw van het handelen.13 Het fair play-vereiste omschrijft hij dan als 'een rechtsverhouding (namelijk de procesverhouding) waarin partijen zich mede door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij moeten laten leiden, en meer bepaald door hun gerechtvaardigde processuele belangen'.14 Dit vereiste kan onder meer voor partijen meebrengen een 'mededelingslast die volgt uit het beginsel van tegenspraak'.15 De opvattingen van Storme komen te dezen overeen met die van Hammerstein. Volgens Hammerstein betekent 'fair play' niets anders dan te goeder trouw procederen.16 Eveneens met een beroep op de norm 'dat de ene partij zich tegenover de ander niet alleen fatsoenlijk moet gedragen maar zelfs met de gerechtvaardigde processuele belangen van die andere partij rekening moet houden',17 leidt ook hij (onder verwijzing naar Nederlandse jurisprudentie) een medewerkings- en mededelingsplicht van partijen af, alsmede een waarheidsplicht van dezen in de zin van het geven van een betrouwbaar en volledig beeld van het geschil. Een dergelijke plicht is thans verankerd in de wet, en wel in art. 21 Rv: 'Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.' Het is vooral Van den Reek geweest die deze processuele mededelingsplichten van partijen heeft voorgestaan en van een theoretische grondslag heeft trachten te voorzien. Volgens hem dient een dergelijke informatiedwang gegrond te worden op de redelijkheid en billijkheid die vanuit het materiële recht doorgetrokken moeten worden naar het burgerlijk procesrecht.18
Van de processuele redelijkheid en billijkheid is het nog maar een kleine stap naar de goede procesorde, tussen welke twee begrippen - volgens Van den Reek19 - niet meer dan een terminologisch onderscheid bestaat. Dit laatste begrip heeft echter een grotere reikwijdte dan alleen een aanduiding voor door partijen in acht te nemen plichten.20 Uit een uitgebreide (en inmiddels al weer wat oudere, maar nog immer bruikbare) rechtspraakanalyse door Ten Berg-Koolen21 blijkt dat achter de term 'goede procesorde' tal van uiteenlopende normen en beginselen schuilgaan. Niet alleen normen gericht tot partijen, zoals de adstructieplicht, het verbod van tardiviteit of het niet oneigenlijk gebruikmaken van recht of bevoegdheid, zijn hiertoe te rekenen, maar ook de (tot de overheid of rechter gerichte) beginselen van hoor en wederhoor (verdedigingsbeginsel), het geven van een rechterlijke beslissing binnen een redelijke termijn, en het onpartijdigheidsbeginsel vallen hieronder. De term 'goede procesorde' wordt dus voor een veelheid van normen gebruikt, waarvan er één de norm van hoor en wederhoor is als onderdeel van het recht op een eerlijke behandeling (fair hearing) uit art. 6 EVRM.
De suggestie van Ten Berg Koolen om de term 'goede procesorde' hooguit te gebruiken in combinatie met de (achterliggende) norm waar men zich op beroept, kan niet anders dan onderschreven worden, al was het alleen al om spraakverwarring - gezien het bovenstaande reeds niet ondenkbeeldig - te voorkomen.22