Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.3.9
II.4.3.9 Schakelbepaling van art. 6:216 BW
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623188:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voorbeelden van andere meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen zijn: de vaststellingsovereenkomst (titel 7.15 BW), de goederenrechtelijke overeenkomst (art. 3:84 en 3:98 BW), de bewijsovereenkomst (art. 7:900 lid 3 BW), de huwelijkse voorwaarden (art. 1:114 BW), evenals het echtscheidingsconvenant en het samelevingscontract, voorzover de in de overeenkomst geregelde onderwerpen van vermogensrechtelijke aard zijn (zie in dit verband HR 21 februari 2014, NJ 2014/265, m.nt. L.C.A. Verstappen; AA 2014, p. 363-368, m.nt. A.J.M. Nuytinck).
Kamerstukken II 1984/85, 17496, 10, p. 15 en 16 (MvA II Inv.), Parl. Gesch. Boek 3, p. 1123-1124.
Kamerstukken II 1984/85, 17496, 10, p. 15 en 16 (MvA II Inv.), Parl. Gesch. Boek 3, p. 1123-1124.
Gelet op de gelijkenis tussen de schenkingsovereenkomst en het legaat (zie paragraaf 2.4) en gelet op het feit dat het legaat een verbintenisrechtelijke aard heeft, zie ik ruimte voor eenzelfde soepel bepaaldheidsvereiste als geldt voor de verbintenisscheppende overeenkomst. Namelijk het bepaaldheidsvereiste als bedoeld in art. 6:227 BW, waarin bepaalbaarheid voldoet.
Het soepele bepaaldheidsvereiste van art. 6:227 BW geldt voor de verbintenisscheppende overeenkomst als bedoeld in art. 6:213 BW. Dat wil zeggen de overeenkomst waarbij een (of meer) partij(en) jegens een (of meer) andere partij(en) een verbintenis aangaan. Op grond van de schakelbepaling van art. 6:216 BW is het soepele bepaaldheidsvereiste van art. 6:227 BW in beginsel ook van toepassing op andere meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen,1 voorzover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de rechtshandeling zich daartegen niet verzet. In paragraaf 4.2.3 (‘Parlementaire geschiedenis van Titel 3.2 BW’) zagen we reeds dat de aard van de rechtshandeling belangrijk is voor de opvatting van het bepaaldheidsvereiste. In het daar aangehaalde citaat uit de Memorie van Antwoord werd immers opgemerkt dat met de bepaalbaarheid van art. 6:227 BW voorzichtig moet worden omgesprongen. Hieronder de alinea in kwestie nogmaals aangehaald:
‘Zoals uit het bovenstaande blijkt, is art. 6.5.2.10 [art. 6:227 BW, toev. NB] bedoeld als een versoepeling voor de obligatoire overeenkomst van de voor alle rechtshandelingen geldende eis van een bepaald onderwerp, en wel één die niet los gezien kan worden van de eisen van redelijkheid en billijkheid waardoor de obligatoire overeenkomst blijkens art. 6.5.3.1 [art. 6:248 BW, toev. NB] mede wordt beheerst. De regel van art. 6.5.2.10 leent zich dan ook niet voor toepassing op alle andere rechtshandelingen dan obligatoire overeenkomsten (curs. NB). Dat voor de zakelijke overeenkomst een iets strikter stelsel geldt, blijkt uit de artt. 3.4.2.2 lid 2, 3.4.2.4 en 3.4.2.11 [thans artt. 3:84 lid 2, 3:89 en 3:98 BW, toev. NB] waarvan zeker het eerste artikel overigens op een ruime uitleg aanspraak kan maken, in het bijzonder wanneer het om overdracht bij voorbaat van toekomstige goederen gaat.’2
En voor eenzijdige rechtshandelingen wordt opgemerkt dat:
‘Ook voor vele eenzijdige rechtshandelingen zou een algemene regel als die van art. 6.5.2.10 niet passend zijn […] In het algemeen kan gezegd worden dat ten aanzien van eenzijdige rechtshandelingen veelal uit de wet voortvloeit aan welke vereisten zij naar vorm en inhoud moeten voldoen teneinde het beoogde rechtsgevolg in het leven te roepen, hetgeen tevens inhoudt dat zij, zo zij niet aan deze vereisten voldoen, nietig zijn. (curs. NB).’3
Aan het bepaaldheidsvereiste dat geldt voor eenzijdige rechtshandelingen besteed ik aandacht in paragraaf 4.5. In paragraaf 4.6 en hoofdstuk 5 ga ik vervolgens in op het bepaaldheidsvereiste dat geldt voor uiterste wilsbeschikkingen, in het bijzonder voor de erfstelling, het legaat,4 de last, de executeursbenoeming en het testamentair bewind.
Voor de goederenrechtelijke overeenkomst geldt, zoals we in het zojuist aangehaalde eerste citaat kunnen lezen, een iets strikter bepaaldheidsvereiste dan voor de obligatoire overeenkomst. Kennelijk verzet de aard van de goederenrechtelijke overeenkomst zich tegen een analoge toepassing van het bepaaldheidsvereiste van art. 6:227 BW. Hoe strikt dient het bepaaldheidsvereiste voor de goederenrechtelijke overeenkomst dan te worden opgevat? En kan het antwoord op deze vraag van belang zijn voor het bepaaldheidsvereiste dat geldt voor de erfstelling? Bij de erfstelling betreft het immers (anders dan bij het legaat) goederenrechtelijke verhoudingen.