Procestaal: Portugees.
HvJ EU, 14-11-2024, nr. C-643/23
ECLI:EU:C:2024:959
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
14-11-2024
- Magistraten
T. von Danwitz, A. Kumin, I. Ziemele
- Zaaknummer
C-643/23
- Roepnaam
Agenciart – Management Artístico
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:959, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 14‑11‑2024
Uitspraak 14‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 2011/7/EU — Bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties — Artikel 2, punt 3 — Begrip ‘onderneming’ — Uitoefening van een zelfstandige beroepsmatige activiteit — Actrice — Agentuurovereenkomst — Betalingsbevelprocedure
T. von Danwitz, A. Kumin, I. Ziemele
Partij(en)
In zaak C-643/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal da Relação de Lisboa (rechter in tweede aanleg Lissabon, Portugal) bij beslissing van 4 juli 2023, ingekomen bij het Hof op 26 oktober 2023, in de procedure
Agenciart — Management Artístico Lda
tegen
CT,
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, A. Kumin (rapporteur) en I. Ziemele, rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
CT, vertegenwoordigd door P. Mendes Ferreira, advogado,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Ioan en M. Narciso als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, punt 3, van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB 2011, L 48, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Agenciart — Management Artístico Lda (hierna: ‘Agenciart’) en CT over de betaling van een door Agenciart gevorderde commissie krachtens een agentuurovereenkomst.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
In de overwegingen 5 en 10 van richtlijn 2011/7 staat te lezen:
- ‘(5)
Ondernemingen moeten overal op de interne markt onder zodanige omstandigheden zaken kunnen doen dat grensoverschrijdende transacties geen grotere risico's meebrengen dan binnenlandse transacties. Wanneer voor binnenlandse en grensoverschrijdende transacties wezenlijk verschillende regels van toepassing zijn, is er sprake van concurrentievervalsing.
[…]
- (10)
Het feit dat de vrije beroepen onder deze richtlijn vallen, mag geen verplichting inhouden voor de lidstaten deze beroepen als ondernemingen of handelaars te behandelen voor doeleinden buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn.’
4
Artikel 1 van deze richtlijn, met het opschrift ‘Voorwerp en toepassingsgebied’, bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
Deze richtlijn heeft ten doel betalingsachterstanden bij handelstransacties tegen te gaan teneinde de correcte werking van de interne markt te waarborgen, en daardoor het concurrentievermogen van ondernemingen en met name van [het midden- en kleinbedrijf/kleine en middelgrote ondernemingen (mkb/kmo's)] te versterken.
- 2.
Deze richtlijn is van toepassing op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties.’
5
Artikel 2 van deze richtlijn luidt als volgt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
- 1.
‘handelstransacties’: transacties tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding;
[…]
- 3.
‘onderneming’: elke organisatie, met uitsluiting van overheidsinstanties, die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook wanneer deze activiteit door slechts één persoon wordt uitgeoefend;
[…]’
Portugees recht
6
Richtlijn 2011/7 is in Portugees recht omgezet bij decreto-lei n.° 62/2013 (wetsbesluit nr. 62/2013) van 10 mei 2013.
7
Artikel 3 van wetsbesluit nr. 62/2013 bepaalt:
‘In dit wetsbesluit wordt verstaan onder:
[…]
- b)
‘handelstransactie’: transactie tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leidt tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding;
[…]
- d)
‘onderneming’: elke organisatie, met uitsluiting van overheidsinstanties, die handelt in het kader van een zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook wanneer deze activiteit door slechts één persoon wordt uitgeoefend;
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
8
Agenciart is een handelsvennootschap die actief is op het gebied van vertegenwoordiging van artiesten en het beheer van de artistieke loopbaan van de acteurs met wie zij een agentuurovereenkomst heeft gesloten. Zij was tot 30 juni 2017 de agent van de actrice CT.
9
In mei 2017 is Agenciart met een televisie- en filmproductiebedrijf tot een akkoord gekomen over de deelname van CT aan een televisieserie. Er is overeenstemming bereikt over de voorwaarden en modaliteiten van haar opdracht. Deze deelname is begonnen in juni 2017 en geëindigd eind mei 2018.
10
Voor de diensten van loopbaanbeheer die aan CT zijn verleend in het kader van de deelname aan de televisieserie heeft Agenciart een factuur uitgereikt, met datum 17 juli 2019, ten bedrage van 19 188 EUR.
11
Omdat deze factuur onbetaald bleef, heeft Agenciart een betalingsbevelprocedure ingeleid tegen CT. CT heeft zich daartegen verzet.
12
De Tribunal Judicial da Comarca de Lisboa — Juízo de Execução de Lisboa (rechter in eerste aanleg Lissabon — beslagrechter, Portugal), heeft het verzet tegen de executie gegrond verklaard. Hij heeft overwogen dat Agenciart CT niet kon dagvaarden met het oog op tenuitvoerlegging via de betalingsbevelprocedure omdat CT geen onderneming was.
13
Vervolgens heeft Agenciart beroep ingesteld bij de Tribunal da Relação de Lisboa (rechter in tweede aanleg Lissabon, Portugal), de verwijzende rechter.
14
Deze rechter heeft uitgelegd dat de werkingssfeer van de betalingsbevelprocedure bepaald wordt door tevoren vastgestelde objectieve en subjectieve voorwaarden. In het onderhavige geval moet worden nagegaan of voldaan is aan de subjectieve voorwaarde in artikel 3, onder d), van wetsbesluit nr. 62/2013 betreffende de kwalificatie als onderneming.
15
In dit verband wijst deze rechter erop dat het begrip ‘onderneming’ in artikel 2, punt 3, van richtlijn 2011/7 als volgt wordt gedefinieerd: ‘elke organisatie […] die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook wanneer deze activiteit door slechts één persoon wordt uitgeoefend’.
16
Volgens de verwijzende rechter valt Agenciart kennelijk onder dit begrip, maar is het twijfelachtig of dit ook het geval is voor CT. Op het eerste gezicht pleit het feit dat zij professionele actrice is en dat de agentuurovereenkomst die zij gesloten heeft met Agenciart gericht is op het bevorderen van haar beroepsmatige activiteit als zelfstandige voor de kwalificatie van CT als onderneming in de zin van artikel 3, onder d), van wetsbesluit nr. 62/2013.
17
Toch stelt CT volgens de verwijzende rechter dat op basis van de juiste uitlegging van het recht en van het begrip ‘onderneming’ niet kan worden volgehouden dat een persoon door de uitoefening van een zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit kan worden beschouwd als een persoon die in de commerciële sfeer handelt louter op grond van het feit dat zij ten tijde van het tekenen van een overeenkomst inzake loopbaanbeheer actrice is.
18
CT baseert zich hierbij op het arrest van 15 december 2016, Nemec (C-256/15, EU:C:2016:954), waarin het Hof zich heeft gebogen over de uitlegging van het begrip ‘onderneming’ in de zin van artikel 2, punt 1, derde alinea, van richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB 2000, L 200, blz. 35), thans artikel 2, punt 3, van richtlijn 2011/7, wat betreft natuurlijke personen.
19
Zo heeft het Hof in de punten 33 en 34 van dit arrest geoordeeld dat het vereiste dat de betrokken persoon handelt als organisatie in het kader van een zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, impliceert dat deze persoon, ongeacht zijn vorm of juridisch statuut naar nationaal recht, deze activiteit uitoefent op een gestructureerde en duurzame manier.
20
Volgens de verwijzende rechter brengt het begrip ‘duurzaamheid’ zoals gebruikt door het Hof in de onderhavige zaak geen bijzondere moeilijkheden met zich mee. Daarentegen is deze rechter van oordeel dat er twijfel bestaat over wat er verstaan moet worden onder ‘handelen als organisatie’ en onder het uitoefenen van een dergelijke activiteit ‘op een gestructureerde manier’.
21
In dit opzicht had het arrest van 15 december 2016, Nemec (C-256/15, EU:C:2016:954), volgens hem betrekking op een persoon die een vergunning had om als zelfstandige werkzaam te zijn op het gebied van de bouw van mechanische onderdelen en lasonderdelen. Om een dergelijke activiteit te kunnen uitoefenen moest deze persoon, naast zijn arbeid en technische kennis, voor het realiseren van zijn ambachtelijke activiteit beschikken over zijn eigen bedrijfsruimte, grondstoffen en gereedschap, dus over een gestructureerd geheel van productiemiddelen. Dat zou de situatie van een dergelijke ambachtsman onderscheiden van die van een actrice als CT.
22
Tegen deze achtergrond heeft de Tribunal da Relação de Lisboa beslist de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet een natuurlijke persoon die gewoonlijk als zelfstandige tegen een geldelijke vergoeding het beroep van actrice uitoefent, maar die niet beschikt over een georganiseerde middelenstructuur (aangezien zij die activiteit uitoefent zonder over een eigen bedrijfsruimte, personeel, gereedschap of uitrusting die verband houden met haar beroepsactiviteit te beschikken) worden aangemerkt als een ‘onderneming’ in de zin en voor de doeleinden van overweging 5 en artikel 2, punt 3, van richtlijn 2011/7 […]?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
23
Met zijn enige vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, punt 3, van richtlijn 2011/7 aldus moet worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die gewoonlijk als zelfstandige tegen vergoeding het beroep van actrice uitoefent, maar die niet beschikt over een eigen bedrijfsruimte, personeel, gereedschap of uitrusting die verband houden met haar beroepsactiviteit, onder het begrip ‘onderneming’ in de zin van die bepaling valt.
24
Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met haar bewoordingen, maar ook met haar context en met de doelstellingen die worden nagestreefd door de regelgeving waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 12 oktober 2023, INTER CONSULTING, C-726/21, EU:C:2023:764, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25
Om te beginnen dient eraan herinnerd te worden dat richtlijn 2011/7 volgens artikel 1, lid 2, ervan van toepassing is op alle betalingen tot vergoeding van ‘handelstransacties’ en dat dit begrip in artikel 2, punt 1, van die richtlijn wordt gedefinieerd als ‘transacties tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding’.
26
Als gevolg daarvan en in tegenstelling tot wat CT heeft aangevoerd in haar schriftelijke opmerkingen is het niet-grensoverschrijdende karakter van een handelstransactie niet relevant voor de toepassing van richtlijn 2011/7.
27
Bovendien wordt volgens artikel 2, punt 3, van richtlijn 2011/7 ‘onderneming’ als volgt gedefinieerd: ‘elke organisatie, met uitsluiting van overheidsinstanties, die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook wanneer deze activiteit door slechts één persoon wordt uitgeoefend’.
28
In dit verband volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat het niet volstaat dat een persoon een transactie sluit die verband houdt met een economische activiteit om te vallen onder het begrip ‘onderneming’ en opdat die transactie een ‘handelstransactie’ is, maar vereist is dat die persoon handelt als organisatie in het kader van een dergelijke activiteit of van een zelfstandige beroepsmatige activiteit (zie in die zin arrest van 15 december 2016, Nemec, C-256/15, EU:C:2016:954, punt 33).
29
Dit vereiste impliceert dat die persoon die activiteit gestructureerd en duurzaam uitoefent, zodat het bij die activiteit niet slechts dient te gaan om één geïsoleerde verrichting, en dat de betrokken transactie wordt gesloten in het kader van die activiteit (zie in die zin arrest van 15 december 2016, Nemec, C-256/15, EU:C:2016:954, punt 34).
30
Zoals de verwijzende rechter opmerkt, staat het in de onderhavige zaak vast dat de contractuele verhouding tussen Agenciart en CT een verrichting van diensten tegen vergoeding inhield en dat Agenciart als ‘onderneming’ moet worden gekwalificeerd. Wat betreft de vraag of ook CT als onderneming moet worden gekwalificeerd, zijn de twijfels van de verwijzende rechter ingegeven door het feit dat CT weliswaar gewoonlijk als zelfstandige tegen vergoeding het beroep van actrice uitoefent, maar zij niet beschikt over een georganiseerde middelenstructuur, omdat zij die activiteit uitoefent zonder te beschikken over een eigen bedrijfsruimte, personeel, gereedschap of uitrusting die verband houden met haar beroepsactiviteit.
31
In dat verband moet er eerst, voor zover artikel 2, punt 3, van richtlijn 2011/7 het begrip ‘onderneming’ definieert als ‘elke organisatie […] die handelt in het kader van haar zelfstandige […] beroepsmatige activiteit’, op worden gewezen dat een natuurlijke persoon die gewoonlijk als zelfstandige tegen vergoeding het beroep van actrice uitoefent, een ‘zelfstandige beroepsmatige activiteit’ in de zin van artikel 2, punt 3, uitoefent. Bovendien volgt ook uit de bewoordingen van artikel 2, punt 3, dat het feit dat de betrokken activiteit door slechts één persoon wordt uitgeoefend, in deze context niet relevant is.
32
Wat vervolgens het vereiste betreft om te handelen als ‘organisatie’ ‘in het kader’ van een zelfstandige beroepsmatige activiteit, volgt uit de rechtspraak die in punt 29 van dit arrest in herinnering is gebracht dat de activiteit in kwestie uitgeoefend moet worden op een ‘gestructureerde en duurzame manier’.
33
Noch uit de bewoordingen van artikel 2, punt 3, van richtlijn 2011/7 noch uit deze rechtspraak kan dus worden afgeleid dat de kwalificatie als ‘onderneming’ in de zin van artikel 2, punt 3, afhangt van het feit dat de betrokken persoon, van wie vaststaat dat hij zijn beroep gewoonlijk uitoefent, beschikt over een georganiseerde middelenstructuur, zoals een eigen bedrijfsruimte, personeel, gereedschap of uitrusting die verband houden met deze beroepsactiviteit. In sommige economische sectoren zijn de activa, materieel of immaterieel, namelijk beperkt tot een minimum en zijn arbeidskrachten de voornaamste factor (zie naar analogie arrest van 10 december 1998, Hernández Vidal e.a., C-127/96, C-229/96 en C-74/97, EU:C:1998:594, punt 27).
34
Voor zover de transactie ten slotte moet plaatsvinden ‘in het kader’ van de betrokken activiteit, kan de uitlegging van CT dat een zelfstandige actrice weliswaar gekwalificeerd moet worden als ‘onderneming’ in de zin van richtlijn 2011/7 wanneer zij een overeenkomst sluit met een televisiezender, maar dat zij niet als zodanig handelt wanneer zij een agentuurovereenkomst sluit zoals in het hoofdgeding aan de orde, niet worden aanvaard.
35
Het sluiten van een agentuurovereenkomst door een actrice maakt namelijk deel uit van haar professionele activiteit en is nauw verbonden met deze activiteit, want als deze persoon dit beroep niet zou uitoefenen, zou de sluiting van een agentuurovereenkomst, die juist dient om de genoemde activiteit te bevorderen en te beheren, noodzakelijkerwijs zinloos zijn.
36
Voor deze uitlegging is steun te vinden in de context van artikel 2, punt 3, van richtlijn 2011/7 en in het doel dat deze richtlijn nastreeft. Ten eerste volgt met name uit artikel 1, lid 1, van de richtlijn dat het doel ervan is betalingsachterstanden bij handelstransacties te bestrijden om zo de correcte werking van de interne markt te waarborgen, en daardoor het concurrentievermogen van ondernemingen en met name van het mkb/kmo's te verbeteren. Ten tweede wordt in overweging 10 van richtlijn 2011/7 onderstreept dat vrije beroepen als ‘ondernemingen’ onder de richtlijn vallen.
37
In het licht van het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 2, punt 3, van richtlijn 2011/7 aldus moet worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die gewoonlijk als zelfstandige tegen vergoeding het beroep van actrice uitoefent, maar die niet beschikt over een eigen bedrijfsruimte, personeel, gereedschap of uitrusting die verband houden met haar beroepsactiviteit, onder het begrip ‘onderneming’ in de zin van die bepaling valt.
Kosten
38
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 2, punt 3, van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties
moet aldus worden uitgelegd dat
een natuurlijke persoon die gewoonlijk als zelfstandige tegen vergoeding het beroep van actrice uitoefent, maar die niet beschikt over een eigen bedrijfsruimte, personeel, gereedschap of uitrusting die verband houden met haar beroepsactiviteit, onder het begrip ‘onderneming’ in de zin van die bepaling valt.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 14‑11‑2024