Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/3.1.2.2
3.1.2.2 Engelse traditie: de adversarial benadering
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS303398:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het komt voornamelijk voort uit het oude stelsel van juryrechtspraak. Een jury had immers de bevoegdheid noch de kennis om een proces te sturen. Met het (goeddeels) afschaffen van de juryrechtspraak is het adversarial karakter van het civiele proces echter niet verdwenen. Vgl. Zuckerman 2006, p. 402-403. Verkerk (2010, p. 281-288) beschrijft twee algemenere, aan het adversarial proces ten grondslag liggende gedachten. Ten eerste zou hiermee kunnen worden voorkomen dat de rechter al een beslissing heeft genomen voordat de zaak ter zitting komt, het zogenaamde premature decision making of confirmation bias.Ten tweede stelt het partijen in staat om hun standpunt goed naar voren te brengen en wordt het voor de rechter makkelijker om de schijn van partijdigheid te vermijden. Immers, hij hoeft zich niet uit te laten over bewijs of feitelijke kwesties, omdat partijen verantwoordelijk zijn voor het aandragen daarvan. Hierdoor wordt de procedure als eerlijker ervaren door partijen, waardoor zij de eindbeslissing sneller accepteren. Dat kan weer een gunstig effect hebben op de kosten van de totale procedure, omdat partijen minder snel zullen doorprocederen.
Overigens is geen enkel stelsel geheel adversarial of inquisitoir van karakter, vaak is het een mengvorm van beide. Zo bezien is het Nederlandse en Duitse stelsel meer inquisitoir van karakter en het Engelse stelsel meer adversarial van karakter (vgl. Verkerk 2010, p. 280-281). In het Engelse rechtsstelsel bestaan ook non-adversarial procedures. Het betreft dan vaak zaken waarin het welzijn van kwetsbare personen voorop staat. In dergelijke procedures wordt van bepaalde uitgangspunten van het adversarial proces afgeweken, zoals het uitgangspunt dat de bewijslevering strikt aan partijen is voorbehouden. Vgl. Zuckerman 2006, p. 403.
Zuckerman 2006, p. 397. Zie ook: Verkerk 2010, p. 279 e.v. (vnl. toegesneden op Amerikaans recht).
Het komt voornamelijk voort uit het oude stelsel van juryrechtspraak. Een jury had immers de bevoegdheid noch de kennis om een proces te sturen. Met het (goeddeels) afschaffen van de juryrechtspraak is het adversarial karakter van het civiele proces echter niet verdwenen. Vgl. Zuckerman 2006, p. 402-403. Verkerk (2010, p. 281-288) beschrijft twee algemenere, aan het adversarial proces ten grondslag liggende gedachten. Ten eerste zou hiermee kunnen worden voorkomen dat de rechter al een beslissing heeft genomen voordat de zaak ter zitting komt, het zogenaamde premature decision making of confirmation bias. Ten tweede stelt het partijen in staat om hun standpunt goed naar voren te brengen en wordt het voor de rechter makkelijker om de schijn van partijdigheid te vermijden. Immers, hij hoeft zich niet uit te laten over bewijs of feitelijke kwesties, omdat partijen verantwoordelijk zijn voor het aandragen daarvan. Hierdoor wordt de procedure als eerlijker ervaren door partijen, waardoor zij de eindbeslissing sneller accepteren. Dat kan weer een gunstig effect hebben op de kosten van de totale procedure, omdat partijen minder snel zullen doorprocederen.
Overigens is geen enkel stelsel geheel adversarial of inquisitoir van karakter, vaak is het een mengvorm van beide. Zo bezien is het Nederlandse en Duitse stelsel meer inquisitoir van karakter en het Engelse stelsel meer adversarial van karakter (vgl. Verkerk 2010, p. 280-281). In het Engelse rechtsstelsel bestaan ook non-adversarial procedures. Het betreft dan vaak zaken waarin het welzijn van kwetsbare personen voorop staat. In dergelijke procedures wordt van bepaalde uitgangspunten van het adversarial proces afgeweken, zoals het uitgangspunt dat de bewijslevering strikt aan partijen is voorbehouden. Vgl. Zuckerman 2006, p. 403.
Zuckerman 2006, p. 397. Zie ook: Verkerk 2010, p. 279 e.v. (vnl. toegesneden op Amerikaans recht).
Zuckerman 2006, p. 402-403.
Zuckerman 2006, p. 404.
Herb 2007, p. 82; Zuckerman 2006, p. 3-6; p. 30-32 en p. 36; Woolf 1996, p. 2 (nr. 2).
Vgl. Woolf 1996.
De van kracht zijnde CPR 1998 kunnen worden geraadpleegd via de website van het Ministry of Justice: http://www.justice.gov.uk/civil/procrules_fin/menus/rules.htm. Bij de CPR horen de Practice Directions, welke eveneens via genoemde site geraadpleegd kunnen worden. Deze Practice Directions regelen de concrete invulling van de regels in de praktijk.
Zuckerman 2006, p. 7-8; Woolf 1996, p. 104 (nr. 1).
Zo ook Lord Woolf in zijn voorstel uit 1996, p. 14-19. Vgl. ook: Andrews 2003, p. 144, die er wel op wijst dat door case management (regie) de discretionaire bevoegdheden van de rechter worden uitgebreid.
Vgl. de opsomming van Lord Woolf (1996), p. 18-19 en Zuckerman 2006, p. 3-6 en 36-40.
Zuckerman 2006, p. 1. In het Engelse rechtsstelsel geldt, net als in elk Angelsaksisch systeem, het precedentstelsel van de Common Law. Uitspraken die zijn gedaan voor 1998 zijn niet onbruikbaar, maar met de invoering van de CPR 1998 moeten zij wel worden toegepast en geïnterpreteerd in het licht van de overriding objective (Zuckerman 2006, p. 21-25). Zie tevens: Sime 2008, p. 25-27, die nog opmerkt dat een bepaling zoveel mogelijk naar het doel dat zij dient moet te worden geïnterpreteerd.
Het rechtvaardig beslechten van geschillen is een oud principe, dat terugvoert op de Magna Carta. In dat document was in regel 40 bepaald: “Nulli vendemus, nulli negabimus, aut differemus, rectum aut justiciam.” De gehele Magna Carta kan worden geraadpleegd via de website van de Latin Library: http://www.thelatinlibrary.com/magnacarta.html.
Vgl. Sime 2008, p. 20; O’Hare & Browne 2007, p. 3-4; Zuckerman 2006, p. 1-8 en Woolf 1996, p. 274 (nr. 10).
Woolf 1996, p. 274 (nr. 10).
Vgl. House of Lords, O’Brien v. Chief Constable of South Wales Police [2005] 2 All E.R. 931, [6]: “(…) always bear in mind that justice requires not only that the right answer be given but also that it beachieved by a fair process which is fair to all parties.”
Uitgebreider: Zuckerman 2006, p. 8-10 en Sime 2008, p. 23-24.
Woolf 1996, p. 14-19.
Eigenlijk was de rechter op dit vlak voor de CPR 1998 evenmin lijdelijk. Hij bezat wel regiebevoegdheden, maar verzuimde die in de praktijk uit te oefenen, waardoor die lijdelijkheid ontstond (vgl. Zuckerman 2006, p. 404 e.v.). Met de CPR 1998 heeft de wetgever nogmaals willen benadrukken dat de rechter een actief toezicht moet houden op het verloop van een civiele procedure.
Zuckerman 2006, p. 40 e.v. Vgl. ook: Goveran Trading v. Skjevesland [2003] EWCA 1 All E.R. 1.
84.
Een andere benadering kan worden aangetroffen in het Engelse civiele procesrecht. Dat proces is al van oudsher adversarial van karakter.1 Naar de woordelijke betekenis is het civiele proces daarmee een proces dat is gebaseerd op een strijd tussen partijen. In tegenstelling tot het in Nederland en Duitsland meer inquisitoire proces staat in het adversarial proces het conflict voorop en wordt de vijandigheid tussen partijen meer belicht.2 Het adversarial karakter is een verzamelbegrip van bepaalde fundamenten van een civiele procedure. Zo omvat het de partijautonomie, de lijdelijkheid van de rechter met betrekking tot einduitkomst van de procedure en de lijdelijkheid van de rechter met betrekking tot het verloop van de procedure.3
85.
Een andere benadering kan worden aangetroffen in het Engelse civiele procesrecht. Dat proces is al van oudsher adversarial van karakter.4 Naar de woordelijke betekenis is het civiele proces daarmee een proces dat is gebaseerd op een strijd tussen partijen. In tegenstelling tot het in Nederland en Duitsland meer inquisitoire proces staat in het adversarial proces het conflict voorop en wordt de vijandigheid tussen partijen meer belicht.5 Het adversarial karakter is een verzamelbegrip van bepaalde fundamenten van een civiele procedure. Zo omvat het de partijautonomie, de lijdelijkheid van de rechter met betrekking tot einduitkomst van de procedure en de lijdelijkheid van de rechter met betrekking tot het verloop van de procedure.6
86.
Een tweede, met de partijautonomie samenhangend kenmerk van het adversarial karakter van het Engelse civiele proces is de beperkte verantwoordelijkheid van de rechter voor de uitkomst van het proces. Een civielrechtelijke zaak wordt in Engeland afgedaan op een processuele waarheid. Hier moet overigens niet het misverstand ontstaan dat het Engelse rechtsstelsel niets opheeft met de materiële waarheid. De wijze waarop wordt gestreefd naar het bereiken van een eindbeslissing die op die waarheid is gebaseerd, is echter een andere dan waarop dat wordt gedaan in Nederland. Het wordt gezien als verantwoordelijkheid van partijen om de materiële waarheid naar voren te brengen. Een middel als disclosure kan hen bij die taak behulpzaam zijn.7
Waarom wordt er in Engeland nu gekozen voor weinig verantwoordelijkheid voor de rechter met betrekking tot een met de materiële waarheid overeenstemmende uitkomst in de procedure? Dat heeft te maken met de wijze waarop de rol van de civiele rechter in Engeland wordt beschouwd. Het is de taak van de rechter om als een arbiter tussen partijen recht te doen. De rechter spreekt recht tussen partijen, in hun conflict. Het maakt niet uit of dit conflict conform de waarheid is gepresenteerd of dat het überhaupt bestaat. Partijen willen dat de rechter in het hem voorgelegde geschil recht spreekt en dat is zijn taak. Niet het bepalen of het geschil conform de materiële waarheid is weergegeven.8
87.
Het derde en laatste kenmerk van het adversarial karakter betreft de regie over de procedure. Deze ligt bij partijen. Partijen moeten de vrije hand hebben in de voorbereiding en de presentatie van hun zaak. Zij kiezen welke proceshandelingen worden gevoerd. Het is niet de taak van de rechter om partijen proceshandelingen te ontzeggen vanwege het geringe belang of de aard van de procedure. Zuckerman verwoordt het als volgt:
“In an adversarial system, the argument concludes, litigants should be free within the parameters of the permissible to exploit to their own advantage the procedural devices that the law provides because they know best what is in their best interest.”9
Het werd steeds duidelijker welke onwenselijke consequenties de terughoudende benadering van de rechter met betrekking tot de regie over de procedure met zich bracht. De procedures werden vertraagd, termijnvoorschriften werden een dode letter, partijen gingen op een te gemakzuchtige wijze om met vormvoorschriften en het resultaat van dit al waren stijgende kosten voor civiele procedures.10 In 1996 kwam Lord Woolf met voorstellen tot verandering, waarin de civiele rechter ruimere bevoegdheden werden toebedeeld met betrekking tot de regie over de procedure.11 De meeste van de voorgestelde hervormingen van het Engelse procesrecht zijn inmiddels neergelegd in de CPR 1998.12 Zo berusten de CPR 1998 op drie pijlers: uitspraken die zoveel mogelijk in overeenstemming zijn met het materiële recht, een proportionele aanwending van processuele bevoegdheden en uitspraken binnen een redelijke termijn.13
88.
Met de CPR 1998 is niet bedoeld om het adversarial karakter van het civiele proces te verlaten.14 De uitwassen ervan – weinig aandacht voor de belangen van de wederpartij, vertraging in de procedures en oplopende kosten – moesten wel verdwijnen. Om dat te bereiken is aan de civiele rechter de regie over de procedure toegekend. Het is nu bijvoorbeeld aan de rechter om partijen aan te moedigen te schikken, om die aspecten van het geschil aan te wijzen, die een verdere verdieping behoeven in de procedure, om kansloze zaken verkort af te doen, om de toegankelijkheid en de kosten van een procedure te bewaken, om partijen te verduidelijken welke (extra) kosten gepaard gaan met de aanwending van nog een processueel middel en om de termijnen te bewaken.15 Bij het voeren van deze regie dient de rechter alle regels uit de CPR toe te passen en te interpreteren in het licht van de overriding objective welke met de herziening in 1998 in de CPR is neergelegd.16 Artikel 1.1, sub 1 CPR 1998 vermeldt de overriding objective als volgt: “(…) of enabling the court to deal with cases justly.”17 Deze overriding objective zweeft eigenlijk boven de CPR 1998.18 Het dirigeert de rechter naar een rechtvaardige toepassing van de regels uit de CPR 1998.19
In sub 2 van genoemd artikel 1.1 CPR 1998 wordt deze overriding objective wat concreter ingevuld. Zo dient de rechter bij toepassing van de CPR 1998 te verzekeren dat partijen op voet van gelijkheid optreden in de procedure en dient hij acht te slaan op de aan de processuele middelen verbonden kosten. Bij de aanwending van processuele middelen dient de rechter te zorgen dat dit geschiedt in overeenstemming met het proportionaliteitsbeginsel. Dat betekent dat de rechter waar de kosten de baten (dreigen te) overtreffen goed zal moeten overwegen of hij de aanwending van het bewuste middel wenst toe te staan. Verder dient de rechter erop te letten dat de zaak binnen een redelijke termijn wordt afgedaan en dat het proces eerlijk verloopt.20 De overriding objective komt dus enerzijds voort uit artikel 6 EVRM, dat een eerlijk proces garandeert, waarin partijen gelijke mogelijkheden hebben om standpunten naar voren te brengen en de eindbeslissing binnen een redelijke termijn volgt. Anderzijds ligt er een efficiëntiegedachte aan ten grondslag. Een rechter dient niet al zijn tijd en aandacht aan een zaak te besteden. Derhalve dient op een proportionele wijze tijd en geld aan zaken te worden gealloceerd.21
89.
Hoe ziet het procesrechtelijk landschap er in Engeland uit na de invoering van de CPR 1998? Aan het adversarial karakter van de civiele procedure is nagenoeg niets veranderd. Partijen zijn nog altijd verantwoordelijk voor het aanvoeren van de voor de eindbeslissing noodzakelijke feiten en bepalen ook nog steeds het verloop van de procedure. Dit laatste kunnen zij echter niet langer in onbeperkte vrijheid doen, de rechter houdt toezicht op dit verloop om ervoor te zorgen dat partijen zich concentreren op de relevante geschilpunten.22 Wat met de CPR 1998 dus is veranderd, is het derde aspect van het adversarial karakter van een procedure. De rechter is niet meer lijdelijk ten aanzien van het verloop van de procedure, maar deelt met partijen de verantwoordelijkheid voor een goed verloop van de procedure.23 Een gedeelde verantwoordelijkheid moet leiden tot een efficiënte beslechting van het geschil. Partijen zijn verplicht om de rechter te helpen, zo bepaalt artikel 1.3 CPR 1998: ‘The parties are required to help the court to further the overriding objective.’ Concreet betekent deze gezamenlijke verantwoordelijkheid van rechter en partijen bijvoorbeeld dat de partijen voorafgaand aan het aanbrengen van de zaak pre-action protocols doorlopen, teneinde te trachten de zaak te schikken voordat deze bij de rechter belandt. Stelt de rechter een vraag, dan dienen partijen daarop te antwoorden als zij beschikken over relevante informatie. Het is niet alleen de rechter waar partijen dienstbaar aan moeten zijn, maar ook aan elkaar. Zo kunnen ze niet van elkaars processuele misslagen profiteren als ze elkaar daar niet eerst op hebben gewezen. Ze moeten redelijke verzoeken van de wederpartij tot het verstrekken van informatie inwilligen en mogen uitnodigingen tot het beproeven van een schikking niet aanstonds afslaan.24 Met de CPR1998 is er dus een wederkerige relatie ontstaan tussen zowel de partijen, als tussen de partijen en de rechter, voor zover het het verloop van de procedure betreft.