NJ 1983, 540
Rb. Rotterdam, 29-03-1983
Rb. Rotterdam 29-03-1983, ECLI:NL:RBROT:1983:AC7934, m.nt. Th.W. van Veen
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
29 maart 1983
- Magistraten
Fransen, Willems-Morsink, Van Schendel
- Zaaknummer
[1983-03-29/NJ_60090]
- Noot
Th.W. van Veen
- LJN
AC7934
- JCDI
JCDI:ADS143949:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Onbekend (V)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal belastingrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:RBROT:1983:AC7934, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 29‑03‑1983
- Wetingang
Sv art. 139; Sv art. 140; Sv art. 141; Sv art. 142; Sv art. 143; Sv art. 144; Sv art. 145; Sv art. 146; Sv art. 147; Sv art. 148; Sv art. 149; Sv art. 150; Sv art. 151; Sv art. 152; Sv art. 153; Sv art. 154; Sv art. 155; Sv art. 157; Sv art. 158; Sv art. 159; Sv art. 160; Sv art. 161; Sv art. 162; Sv art. 163; Sv art. 164; Sv art. 165; Sv art. 166; Sv art. 167; EVRM art. 6
Essentie
Aan OM wordt vertraging in opsporing toegerekend. I.c. geen inbreuk op art. 6 Europees Verdrag mensenrechten maar wel strijd met het beginsel dat geen onredelijke vertraging bij het opsporingsonderzoek mag optreden.
Uitspraak
1
Namens verdachte (J.A. red.) is aangevoerd, dat de OvJ niet‑ ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging, primair op de grond dat de in art. 6 eerste lid Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (nader te noemen het Verdrag) voorgeschreven ‘reasonable time’ zou zijn overschreden, subs. op de grond dat de OvJ heeft gehandeld ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.