De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/1.2.2:1.2.2 Het voorontwerp Van der Grinten
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/1.2.2
1.2.2 Het voorontwerp Van der Grinten
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS389465:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Van Zeben 1962, p. 7.
Dit koninklijk besluit van 25 april 1947 is afgedrukt in Van Zeben 1962, p. 5.
Van Zeben 1962, p. 10.
Van der Grinten 1972.
De openbare vennootschap is de vennootschap die handelt onder een gemeenschappelijke naam.
Van der Grinten 1972, art. 2 voorontwerp.
Van der Grinten 1972, p. 1085.
Maeijer 1973, p. 411.
Zo is in het begin van de eenentwintigste eeuw in Engeland de Limited Liability Partnership ingevoerd en heeft de Belgische VOF rechtspersoonlijkheid gekregen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De behoefte aan een algehele herziening van het burgerlijk recht, waaronder het personenvennootschapsrecht, werd in de loop van de twintigste eeuw steeds sterker. De wet was inmiddels sterk verouderd en niet altijd even duidelijk en het recht werd sinds 1838 veelal door de rechtspraak ontwikkeld, terwijl de maatschappij vaak meer baat heeft bij een van tevoren vastgestelde regel dan bij een achteraf uitgesproken vonnis.1 De minister van Justitie gaf in 1947 aan Meijers de opdracht om een ontwerp te maken voor een algehele herziening van het Burgerlijk Wetboek.2 Voordat Meijers aan het werk begon, heeft hij een aantal vragen opgesteld, aan de hand waarvan de Tweede Kamer alvast over een aantal punten zijn mening kon geven. Op deze wijze kon worden bereikt, dat belangrijke punten niet slechts vanuit rechtsgeleerd oogpunt, maar ook vanuit een meer praktische invalshoek werden belicht.3
Het voorontwerp over de personenvennootschappen (Titel 7.13) dateert van 1971 en is bewerkt door Van der Grinten.4 De belangrijkste vernieuwing ten opzichte van het geldende recht was de uitrusting van alle openbare vennootschappen5 met rechtspersoonlijkheid.6 Ondanks de rechtspersoonlijkheid zou de personenvennootschap primair een contractuele rechtsbetrekking tussen de vennoten blijven; zo zou de rechtspersoonlijkheid geen gevolgen hebben voor de verbintenisrechtelijke betrekkingen tussen de vennoten.7 Rechtspersoonlijkheid zou meer duidelijkheid moeten scheppen over de rechtspositie van het vennootschappelijk vermogen. De vennootschap onder firma werd geregeld in de tweede afdeling van Titel 7.13 als bijzondere vorm van de openbare vennootschap: ‘De vennootschap onder firma is de openbare vennootschap tot uitoefening van een bedrijf, welke geen commanditaire vennoten heeft’. De VOF werd dus ook rechtspersoon. De vennoten van de ‘gewone’ openbare vennootschap werden aansprakelijk voor gelijke delen, terwijl de vennoten van de VOF hoofdelijk aansprakelijk zouden zijn voor de verbintenissen van de vennootschap.
Vooral de verplichte rechtspersoonlijkheid en het ontbreken van vormvoorschriften voor het ontstaan van de personenvennootschap-rechtspersoon kregen veel kritiek, onder anderen van Maeijer.8 Door het ontbreken van (constitutieve) vormvoorschriften zou een stille vennootschap van het ene op het andere moment rechtspersoonlijkheid verkrijgen zodra zij onder gemeenschappelijke naam gaat optreden. Vooral ten aanzien van de status van het vennootschappelijk vermogen zou dit volgens Maeijer tot te veel rechtsonzekerheid leiden: gaat het gemeenschappelijke vermogen bijvoorbeeld van rechtswege over op de rechtspersoon en zo ja, hoe wordt het exacte moment bepaald waarop dit gebeurt? En wanneer is er eigenlijk sprake van optreden onder gemeenschappelijke naam?
Het voorontwerp van Van der Grinten is na publicatie lange tijd op de plank blijven liggen, totdat in 1996 de minister van Justitie aan Maeijer de opdracht gaf om opnieuw met een ontwerp en toelichting voor Titel 7.13 BW te komen. Deze opdracht was mede ingegeven door de wens de Nederlandse ondernemingsvormen meer concurrerend te maken in internationaal perspectief; voorkomen moest worden dat met het toenemende internationale rechtsverkeer een te grote kloof zou ontstaan tussen het Nederlandse recht en het (jongere, modernere) buitenlandse recht.9