Hof 's-Hertogenbosch, 11-07-2019, nr. 200.240.122, 01
ECLI:NL:GHSHE:2019:2416
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
11-07-2019
- Zaaknummer
200.240.122_01
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2019:2416, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 11‑07‑2019; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:3994
ECLI:NL:GHSHE:2018:3994, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 27‑09‑2018; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:2416
- Wetingang
- Vindplaatsen
PFR-Updates.nl 2018-0234
Uitspraak 11‑07‑2019
Inhoudsindicatie
Gezag Uithuisplaatsing/ots IPR: IVRK Het hof toetst of de betrokken instelling bij het voornemen te komen tot een gezagsbeëindiging voldoende rekening heeft gehouden met de band tussen de ouders en de kinderen en de kinderen onderling en met hun culturele achtergrond. Ouders worden ten aanzien van de twee oudste kinderen in het gezag hersteld. Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing ambtshalve uitgesproken.
Partij(en)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 11 juli 2019
Zaaknummer : 200.240.122/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/243524 FA RK 17-4625
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
en
[de (stief)vader] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna te noemen: de ouders en afzonderlijk de moeder en de (stief)vader,
advocaat: mr. D. Dronkers.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] (hierna te noemen: de raad);
- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI));
- Familie [pleegouders 1] (hierna te noemen: de pleegouders van nader te noemen [minderjarige 3] en [minderjarige 4] );
- Familie [pleegouders 2] (hierna te noemen: de pleegouders van nader te noemen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ).
5 De beschikking van 27 september 2018.
Bij die beschikking heeft het hof de advocaten van de ouders en de GI in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 23 november 2018 hun verzoeken en stellingen aan te passen zoals overwogen in r.o. 3.8.8. van die beschikking. Voorts is de raad in de gelegenheid gesteld om 10 januari 2019 schriftelijk nader te adviseren over de vraag of een gezagsbeëindigende maatregel op dit moment op zijn plaats is.
6. Het verdere procesverloop
6.1.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de ouders, bijgestaan door mr. D. Dronkers en de heer L. Warsame als tolk in de Somalische taal (tolkennummer 4002);
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de raad 2] ;
- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] , mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] en de heer [vertegenwoordiger van de GI 3] ;
- de heer [pleegvader 1] en mevrouw [pleegmoeder 1] , de pleegouders van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
6.2.
[minderjarige 1] is tijdens een korte schorsing van de mondelinge behandeling op haar eigen verzoek voor de tweede keer in deze procedure gehoord. De voorzitter heeft van de inhoud van dit gesprek aan de aanwezigen een korte weergave gegeven na hervatting van de zitting.
6.3.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 8 februari 2018;
- -
de brief met bijlage van de advocaat van de ouders d.d. 23 november 2018 (op voorhand per fax ingekomen);
- -
het bericht van de GI met bijlage ingekomen ter griffie op 23 november 2018;
- -
het rapport van de raad, ingekomen ter griffie op 3 januari 2019;
- -
het faxbericht van de GI d.d. 16 januari 2019, nagekomen per gewone post op 18 januari 2019;
- -
de brief van de GI d.d. 21 december 2018, ingekomen ter griffie op 18 januari 2019;
- -
het faxbericht met bijlage van de advocaat van de ouders, ingekomen ter griffie op 21 mei 2019;
- -
de brief van de GI d.d. 23 mei 2019.
Na de voortgezette mondelinge behandeling is nog ingekomen een brief van de GI d.d. 1 juli 2019.
7. De verdere beoordeling
7.1.
Bij rapport van 24 december 2018 heeft de raad het hof nader geadviseerd om de bestreden beschikking ten aanzien van [minderjarige 4] en [minderjarige 3] te bekrachtigen en ten aanzien van de oudste twee kinderen te vernietigen. Ten aanzien van de oudsten is de raad van mening dat zij zich herhaaldelijk geconfronteerd zien met onzekerheden en wisselingen in hun woonperspectief en dat dit niet goed is voor deze al beschadigde kinderen die heel graag bij de ouders willen wonen. De mogelijkheid tot thuisplaatsing van deze twee kinderen zou zeker onderzocht moeten worden, aldus de raad. De jongste kinderen ontwikkelen zich goed bij pleegouders en wonen al geruime tijd bij het pleeggezin en daar zijn geen wijzigingen te verwachten. De kinderen zijn gehecht aan de pleegouders als hun opvoeders nu zij al vanaf jonge leeftijd bij hen wonen.
7.2.
De raad heeft ter zitting herhaald zich ten aanzien van de jongste twee kinderen, [minderjarige 4] en [minderjarige 3] , te kunnen vinden in de gezagsbeëindigende maatregel, gelet op het tijdsverloop en de goede ontwikkeling en hechting die zij aldaar doormaken.
Helaas is na het uitspreken van de maatregel ten aanzien van de oudste kinderen de situatie alleen maar verslechterd. Zij willen graag thuis wonen en zij worden herhaaldelijk geconfronteerd met wisselingen in hun woonsituatie. Zij wonen inmiddels ook niet meer bij elkaar waardoor zij ook daarin eens stuk stabiliteit moeten missen. De omgang met ouders is dan ook zeker voor de oudste kinderen van groot belang en de noodzakelijke uitbreiding daarvan komt niet goed van de grond. Hier moet op ingezet worden en in de visie van de raad kunnen de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing dan volstaan.
Voor de raad is het gebeurde rondom het alcoholgebruik en huiselijk geweld tussen de ouders een incident. De raad vindt het positief dat de politie door de ouders is gebeld, terwijl zij wisten dat het gebeurde dan uit zou komen. Zij hebben openheid van zaken gegeven en hebben naar de mening van de raad een terugval gehad, hetgeen verder niets zegt over structureel alcoholgebruik en/of herhaaldelijk geweld.
7.3.
De GI heeft bij brief van 21 december 2018 aan het hof gemeld dat er met name rondom [minderjarige 1] zorgelijke ontwikkelingen zijn. Zij laat meer dan voorheen teruggetrokken gedrag zien, krijgt nu een HALT-traject naar aanleiding van winkeldiefstal en zij is heel beïnvloedbaar. [minderjarige 1] geeft zelf bij de GI aan zoveel mogelijk thuis te willen zijn of thuis te willen wonen. De GI schat in dat een pleeggezin geen optie is voor [minderjarige 1] , nu zij zich daar niet meer zal kunnen hechten. Het eerdere gastgezin waar [minderjarige 2] en [minderjarige 1] samen verbleven is ermee gestopt. Een gezinshuis heeft te lange wachtlijsten dus gedacht wordt aan een leefgroep van [instelling] . Voor [minderjarige 2] kan wel opnieuw gezocht worden naar een pleeggezin. Hij wil dan graag in een gezin dichtbij de ouders gaan wonen. Het is jammer dat de beide oudste kinderen niet samen kunnen blijven wonen.
Bij brief van de GI van 16 januari 2019 wordt aangegeven dat de GI zich kan vinden in het advies van de raad ten aanzien van de twee jongste kinderen en dat zij de redenering over de twee oudste kinderen kunnen volgen, maar toch teveel risico’s zien in het vernietigen van de gezagsbeëindiging ten aanzien van hen omdat er de komende periode weer een nieuw perspectief voor hen bepaald moet worden. Dat zal de nodige onrust mee brengen. De ouders kunnen niet meedenken over alternatieven voor thuisplaatsing. Spanning blijft op deze manier bestaan en onzekerheid voor de kinderen daarmee ook.
7.4.
Bij brief van 23 mei 2019 heeft de GI het hof bericht over recente ontwikkelingen bij de ouders thuis, waar sprake is geweest van alcoholgebruik door stiefvader en huiselijk geweld. De GI ziet een door de jaren heen herhalend patroon van terugval van de ouders in alcoholgebruik, gepaard gaande met fysieke escalaties bij spanning. De ouders wijten dit aan de spanning ten gevolge van onderhavige procedure. De omgang tussen de ouders en de kinderen is naar aanleiding van het gebeurde teruggeschroefd en de GI zal pas na uitspraak van het hof verder bezien hoe de omgang mogelijk weer uitgebreid kan worden.
7.5.
Ter zitting heeft de GI verklaard dat [minderjarige 2] thans in een gezinshuis verblijft met begeleiding vanuit een instelling. [minderjarige 1] verblijft op een behandelgroep bij [instelling] en zij maakt een moeilijke periode door. [minderjarige 1] zat niet op haar plek in het gezinshuis en was erg zoekende. [minderjarige 1] ging ieder weekend naar de ouders, maar dat is nu tijdelijk stopgezet, vanwege vele spanningen in de thuissituatie en zorgelijke uitspraken die zijn gedaan. De GI wenst de omgang graag uit te breiden maar ziet daar op dit moment geen mogelijkheden toe.
Er is nu vaak een ronde tafel gesprek, er zijn duidelijke en korte lijnen naar de ouders toe. Er komen nu dan ook niet meer steeds verschillende geluiden vanuit verschillende instanties bij de ouders terecht. Met ouders wordt getracht toe te werken naar structurele omgang, hetgeen lastig blijft omdat voor de ouders de focus ligt op thuisplaatsing van de kinderen. Dit blijft zorgen voor onduidelijkheid bij de kinderen.
Ten aanzien van het voorval, meent de GI dat geen sprake is van een incident maar juist van een steeds terugkerend patroon van alcoholgebruik en escalaties. Er is geen openheid hierover richting hulpverlening, waardoor de risico’s voor de kinderen blijven bestaan.
7.6.
De ouders hebben zich uitgelaten bij akte, ingekomen bij het hof op 23 november 2018. Zij zijn teleurgesteld over het advies van de raad aangaande de twee jongste kinderen. De ouders willen het hele gezin herenigd zien. Ten aanzien van de oudste kinderen zijn de ouders van mening dat zij naar huis kunnen; de kinderen geven ook aan dat zij zoveel mogelijk thuis willen zijn of wonen. Ten aanzien van de omgang blijft het tot zover eens in de drie weken een uur begeleid. Benadrukt wordt dat de leefwereld van de ouders uit veel meer bestaat dan religieuze feesten en dat zij gewoon graag meer tijd met de kinderen doorbrengen en hun eigen taal met hen willen spreken, betrokken kunnen zijn bij het leven van de kinderen etc. Intensiever contact draagt bij aan het beter spreken van de Somalische taal en meer in het algemeen een uitbreiding van kennis van de Somalische cultuur, hetgeen belangrijk is voor hun identiteit. De focus van ouders ligt op thuisplaatsing en de focus van de GI ligt op beëindiging van het gezag. De relatie is verstoord en het zou voor iedereen beter zijn als de GI vervangen zou worden. De advocaat handhaaft het primaire verzoek tot vernietiging en verzoekt subsidiair een deskundigenonderzoek over de noodzaak van de maatregel.
7.7.
Ter zitting heeft de advocaat van de ouders verklaard dat de ouders onder spanning staan in verband met deze langlopende procedure. Allerlei mensen en instanties vinden iets van de situatie en proberen de ouders daarin te sturen. De ouders proberen hierin overeind te blijven, maar ondervinden ook onderling spanning waarbij soms verwijten over en weer een rol spelen. Het is dan ook een keer goed misgegaan, waarbij ook is gedronken door de (stief)vader. De ouders hebben echter de politie gebeld en de situatie weer ten goede weten te keren. Vervolgens wordt door de GI na een dergelijk incident alles wat is opgebouwd weer stopgezet en dat is moeilijk te verteren voor de ouders. [minderjarige 1] kwam voorafgaand aan dit incident ieder weekend bij de ouders en kon in dat opzicht gaan en staan waar zij wilde. [minderjarige 1] bleef dan ook overnachten. Nu is de omgang ook voor [minderjarige 1] teruggeschroefd naar een uur omgang in de drie weken onder begeleiding. [minderjarige 1] gaat hieronder gebukt. Er is weer veel gewijzigd voor haar, haar plek om te wonen is zij kwijt, haar broer woont niet meer bij haar en haar vaste logeermomenten bij de ouders zijn stopgezet. [minderjarige 1] voelt zich niet thuis op de groep en gaat door een zeer moeilijke periode.
8. Overwegingen van het hof
8.1.
[minderjarige 4] en [minderjarige 3]
Het hof is met de raad van oordeel, gelet op de inhoud van met name de laatst ingekomen stukken en de recente ontwikkelingen die ter zitting zijn besproken, dat de bestreden beschikking ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] dient te worden bekrachtigd.
Het hof acht het in het belang van [minderjarige 4] en [minderjarige 3] dat zij de plek die zij reeds jaren hebben in het pleeggezin kunnen continueren en dat zij duidelijkheid krijgen over deze plek, ook voor de toekomst. Ondanks de positieve ontwikkelingen die de ouders hebben doorgemaakt en nog steeds doormaken, is naar het oordeel van het hof de aanvaardbare termijn waarbinnen zij in staat zijn de verantwoordelijkheid over de verzorging en opvoeding van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] weer op zich te nemen, ruimschoots verstreken. [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ontwikkelen zich goed in het pleeggezin waar zij al van jongs af aan verblijven, zijn aldaar goed gehecht aan de pleegouders en vinden het er fijn. Het is in hun belang dat zij weten dat hun definitieve plek daar bij de pleegouders zal zijn, waarbij zij een goed contact met de ouders en hun oudere broer en zus zullen kunnen onderhouden. Het is ook voor hen van belang dat zij zich zullen kunnen identificeren met de Somalische cultuur, waarbij zij de taal en de gebruiken die daarbij horen aangeleerd krijgen door contact met alle overige leden van het stamgezin.
8.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Ten aanzien van de twee oudste kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , is het hof van oordeel dat het in hun belang is dat het gezag van de ouders over hen wordt hersteld. [minderjarige 1] heeft tot twee keer toe zeer nadrukkelijk aan het hof te kennen gegeven dat zij en [minderjarige 2] heel graag terug willen naar de ouders en hen erg missen. [minderjarige 2] heeft geen gebruik gemaakt van zijn recht om door het hof gehoord te worden, doch hij heeft bij de raad en de GI meermaals aangegeven dat hij graag terug naar zijn ouders wil en dat hij denkt dat dit mogelijk moet zijn. Er zijn voor beide kinderen reeds vele wisselingen geweest in hun verblijfplaats en er is in tegenstelling tot bij de jongste kinderen ook geen zicht op een definitief verblijf in een vertrouwd pleeggezin. Voor [minderjarige 1] is een pleeggezin überhaupt niet meer aan de orde, vanwege haar belaste voorgeschiedenis en de beschadiging die zij daardoor heeft opgelopen. [minderjarige 1] lijdt onder de huidige situatie en heeft grote behoefte aan haar ouders. De logeermomenten in de weekenden, zoals zij die tot voor de bestreden uitspraak iedere week had, zijn haar thans afgenomen en dit doet haar groot verdriet. Niet alleen is [minderjarige 1] dit omgangscontact met haar ouders kwijt, maar ook is zij inmiddels gescheiden van haar broer [minderjarige 2] en moet zij die stabiele factor in haar onzekere en onrustige leven nu ook missen. Dit laatste geldt ook voor [minderjarige 2] . Er is voor [minderjarige 1] geen perspectief op verblijf in een pleeggezin waar zij lange tijd kan verblijven en zij is aangewezen op een behandelgroep. Uit de laatste berichtgeving van de GI is het hof wel gebleken dat het omgangscontact met de ouders ten aanzien van [minderjarige 1] weer is opgepakt.
Ondanks dat ook ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] inmiddels sprake is van een langdurige uithuisplaatsing, is het hof met de raad niet overtuigd van een overschrijding van de aanvaardbare termijn ten aanzien van hen. Een dergelijke toets dient per kind te worden gedaan en kan dan ook per kind en per geval verschillen. De leeftijd en de situatie van de vier kinderen van dit gezin zijn ook zeer verschillend, zoals hierboven is vermeld. Voor de oudste twee kinderen is de mogelijkheid tot thuisplaatsing naar het oordeel van het hof nog onvoldoende onderzocht, waar dit gelet op hun leeftijd, gebrek aan blijvend perspectief elders en hun uitdrukkelijke wens tot thuisplaatsing wel dient te gebeuren.
Ook ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geldt, dat onderling contact tussen alle broers en zussen alsmede het contact met de ouders zo mogelijk geïntensiveerd dient te worden, teneinde de familieband in tact te laten en hen gedegen kennis te kunnen laten nemen van de Somalische cultuur en de taal en gebruiken die daarbij horen.
Een maatregel van ondertoezichtstelling in combinatie met een machtiging uithuisplaatsing kan naar het oordeel van het hof volstaan in het geval van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waarbij de ouders als gezagsdragers betrokken blijven bij de (gezags)beslissingen die over de oudste kinderen genomen moeten worden en waarbij onderzocht wordt door de GI of er wellicht mogelijkheid bestaat (één van) hen op termijn thuis te plaatsen bij de ouders. Het hof acht het daarbij wel van belang dat ouders zullen accepteren dat thuisplaatsing op zeer korte termijn niet mogelijk is. Ook dienen de ouders niet uit te sluiten dat thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort en dat zij vanuit hun gezagsdragende positie ook mee zullen moeten denken over eventuele alternatieven voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn gedurende de procedure thans verlopen en het hof zal deze derhalve ambtshalve opnieuw uitspreken bij onderhavige beschikking, zodat de plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gewaarborgd blijft na vernietiging van de bestreden beschikking ten aanzien van hen.
Onderzoek ex artikel 810 a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
8.3.
Het hof acht het niet in het belang van de twee jongste kinderen om ten aanzien van hun situatie een contra-expertise te gelasten. Zij verblijven inmiddels lange tijd in de pleeggezinnen. Er moet nu, in hun belang, duidelijkheid komen over dit perspectief. Ten aanzien van de twee oudste kinderen volgt het hof het advies van de raad, waarmede ook het verzoek in hoger beroep van de ouders wordt ingewilligd. Het hof zal het verzoek tot het gelasten van een contra-expertise dan ook afwijzen.
8.4.
Gelet op het bovenstaande zal het hof de bestreden beschikking deels vernietigen voor zover het betreft de beslissing betreffende het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , en voor het overige bekrachtigen. Tevens zal het hof [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ambtshalve onder toezicht van de GI stellen en ten behoeve van hen aan de GI een machtiging verlenen tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, beiden voor de duur van een jaar.
4. De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 1 maart 2018, voor zover het betreft de gezagsbeëindiging van de ouders over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , en in zoverre opnieuw rechtdoende;
herstelt het gezag van de moeder en (stief)vader over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ;
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van de datum van onderhavige beschikking onder toezicht van de GI voor de duur van een jaar;
verleent aan de GI machtiging om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van de datum van de onderhavige beschikking en voor de duur van een jaar;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, H. van Winkel en I.B.M.L. Oomes en is op 11 juli 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 27‑09‑2018
Inhoudsindicatie
Gezag Uithuisplaatsing IPR: IVRK Het hof toetst aan de artikelen 3 en 20 IVRK of de betrokken instelling bij het voornemen tot het inzetten van gezagsbeëindiging voldoende rekening heeft gehouden met de band tussen de ouders en de kinderen en de kinderen onderling en met hun culturele achtergrond.
Partij(en)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
Uitspraak : 27 september 2018
Zaaknummer : 200.240.122/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/243524 FA RK 17-4625
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
en
[de vader] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna te noemen: de ouders en afzonderlijk de moeder en de (stief)vader,
advocaat: mr. D. Dronkers,
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] (hierna te noemen: de raad);
- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI));
- Familie [de pleegouders 1] (hierna te noemen: de pleegouders van nader te noemen [minderjarige 3] en [minderjarige 4] );
- Familie [de pleegouders 2] (hierna te noemen: de pleegouders van nader te noemen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ).
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 1 maart 2018.
2. Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 mei 2018, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende primair: het gezag over de minderjarigen weer aan de ouders toe te kennen en subsidiair over te gaan tot benoeming van een deskundige teneinde de noodzaak van een gezagsbeëindiging te onderzoeken en met inachtneming van diens advies het gezag alsnog toe te kennen aan de ouders.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 juli 2018, heeft de GI verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de ouders, bijgestaan door mr. Dronkers. Voor de vader is L. Warsame opgetreden als tolk in de Somalische taal;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 1] en [vertegenwoordiger van de raad 2] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] , [vertegenwoordiger van de GI 2] en [vertegenwoordiger van de GI 3] ;
- de pleegouders van nader te noemen [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ;
- de pleegouders van nader te noemen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.4.
Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.
[minderjarige 1] heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
[minderjarige 2] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2.5.
Bij aanvang van de mondelinge behandeling is gebleken dat de ouders, hun advocaat, alsook de raad vooraf geen verweerschrift hebben ontvangen van de GI. Derhalve is door het hof een leespauze ingelast zodat alsnog kennis kon worden genomen van de inhoud van het verweerschrift.
3. De beoordeling
3.1.
Uit de moeder zijn geboren;
- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .
De (stief)vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.
Uit de relatie van de moeder en de (stief)vader zijn geboren:
- [minderjarige 3] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 4] (hierna te noemen: [minderjarige 4] ), op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .
De (stief)vader heeft [minderjarige 3] en [minderjarige 4] erkend.
3.2.
De kinderen staan sinds 12 november 2014 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 12 november 2018.
De kinderen zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 25 november 2014 uit huis geplaatst. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder en [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in een voorziening voor pleegzorg. Deze machtigingen zijn eveneens verlengd tot 12 november 2018.
3.3.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank ambtshalve het gezag van de ouders beëindigd.
3.4.
De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
De ouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan. In de eerste grief stellen de ouders de niet-ontvankelijkheid van het verzoek in eerste aanleg aan de orde. Volgens de ouders is niet inzichtelijk of de juiste procedurele route bewandeld is en of de daarmee samenhangende termijnen in acht zijn genomen.
De ouders zijn voorts van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen te dragen. De rechtbank gaat daarbij ten onrechte niet uit van de goede ontwikkelingen en emotionele en opvoedkundige vaardigheden van de ouders, zoals door de raad aangemerkt als reden om het perspectief van de kinderen bij de ouders binnen twee jaar te herzien.
Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat aan de wens van de beide ouders om zelf zorg te dragen voor de kinderen wordt voorbijgegaan, nu het belang van de kinderen bij continuïteit van de opvoedsituatie en duidelijkheid over het opvoedperspectief zwaarder wegen. Hoe instandhouding van het gezag van de ouders een schadelijk effect zou hebben op de kinderen wordt volstrekt ongemotiveerd en onduidelijk overwogen. De ouders verwijzen hierbij naar een notitie “beslissingen over kinderen in problematische opvoedingssituaties”, waaruit blijkt dat er geen argument is aan te voeren dat het opbouwen van een veilige gehechtheid slechts mogelijk is in de eerste kinderjaren.
De ouders zijn van mening dat de rechtbank ten onrechte van het raadsadvies is afgeweken. De rechtbank had het advies van de raad moeten volgen of in ieder geval een nader onderzoek dienen in te stellen naar de wensen en de belangen van de kinderen en de mogelijkheden van de ouders.
Ter zitting heeft de advocaat van de ouders verklaard onaangenaam verrast te zijn met het verweerschrift, waar pas ter zitting kennis van kon worden genomen. Dit had tijdig per post verzonden moeten worden zodat de ouders zich, ook mentaal, hierop hadden kunnen voorbereiden. Er wordt door de GI steeds opnieuw onrust gezaaid en de ouders voelen zich niet serieus genomen. Graag zou de advocaat de contactpersoon van Altacura meegenomen hebben als informant voor de zitting, maar omdat het erop leek dat de GI geen verweer voerde, is dit helaas nagelaten. De rol van voornoemde contactpersoon, mevrouw [contactpersoon van Altacura] , wordt door de GI thans ten onrechte geminimaliseerd. Mevrouw [contactpersoon van Altacura] vervult al geruime tijd een spilfunctie rondom onder meer de omgang tussen de ouders en de kinderen. Bij ieder gesprek van de ouders op kantoor van de advocaat was mevrouw [contactpersoon van Altacura] ook aanwezig en toonde blijk van een betrokken en kritische houding, ook jegens de ouders. De GI insinueert thans dat Pleegzorg de rol van Altacura zou hebben overgenomen, maar dit is onjuiste informatie. De ouders zijn van mening dat de GI ook de hechting tussen de kinderen en de biologische ouders had moeten stimuleren, hetgeen niet is gebeurd.
De ouders zouden graag nader onderzoek willen op grond van artikel 810 a Rechtsvordering (Rv) om de vraag te beantwoorden waar de kinderen het best op hun plek zijn.
De moeder geeft aan dat zij haar kinderen mist en dat zij er wil zijn voor hen. In de vakantie heeft de moeder de kinderen slechts drie keer kunnen zien en dat maakt haar verdrietig.
De (stief)vader geeft aan dat de situatie van de ouders verbeterd is en dat zij een kans willen krijgen van de GI om zelf voor de kinderen te zorgen.
3.6.
De GI voert (in het verweerschrift, zoals aangevuld) ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan. Volgens de GI is het verzoek van de raad in eerste aanleg terecht ontvankelijk bevonden door de rechtbank. Hiertoe heeft de GI correspondentie overgelegd.
Volgens de GI, hierbij verwijzende naar een brief vanuit Pleegzorg, dienen opmerkingen vanuit de hulpverlening omtrent de (on)mogelijkheden van de ouders in de juiste context geplaatst te worden. Er is immers een verschil in opvoeden en invulling geven aan omgangsmomenten. De positieve ontwikkelingen inzake de hulpverleningsprocessen van de ouders zegt iets over de persoonlijke ontwikkeling van de ouders waarin op dit moment voortgang gezien wordt. Dit zegt echter niets over de opvoedingsvaardigheden van de ouders. Ten aanzien van de hechting van de kinderen acht de GI het van belang dat het uitgangspunt is dat er geen kritische periode aangetoond kan worden in de ontwikkeling van hechtingsrelaties, doch dat wel bekend is, zoals ook in de door ouders aangehaalde notitie staat beschreven, dat positieve en correctieve gehechtheidsrelaties helpend blijven, maar dat het in de loop der jaren moeilijker wordt en langer zal duren om veilige gehechtheidsrelaties te realiseren, wanneer kinderen negatieve ervaringen hebben opgedaan.
Volgens de GI bevat het besluit van de raad tegenstrijdigheden die voor de GI niet te verenigen zijn met de belangen van de kinderen. Bij het beoordelen van de vraag naar de aanvaardbare termijn dient uit te worden gegaan van het perspectief van de kinderen vanaf het moment van uithuisplaatsing. De aanhoudende procedures en boodschappen vanuit de ouders gericht op thuisplaatsing geven veel onrust en daarmee een onacceptabele belasting voor de kinderen. De GI sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank dat de ontwikkelingsbelangen van de kinderen prevaleren boven de wens van de ouders om de opvoeding van de kinderen op zich te nemen.
Door het zich herhalende patroon in de relatie tussen de ouders, met de daarmee gepaard gaande onveiligheid voor de kinderen, stelt de GI, anders dan Altacura, niet de ontwikkelingen bij de ouders, maar de continuïteit in de opvoedingssituatie van de kinderen centraal. Hierdoor hecht de GI een andere waarde aan de ontwikkelingen bij de ouders die natuurlijk wel van belang blijven voor een positieve relatie met de kinderen. Het aanhoudend centraal stellen van de ontwikkelingen bij de ouders, betekent uitstel van de uitspraak over het perspectief van de kinderen, hetgeen de GI schadelijk acht voor de kinderen.
De kinderen maken een goede ontwikkeling door in een veilige en stabiele omgeving die de pleeggezinnen hen bieden. Vanuit deze omgeving is het voor de kinderen mogelijk om een goede relatie op te bouwen met de ouders, mits hun perspectief duidelijk is. Daarvoor is het noodzakelijk dat de ouders deze plaatsing accepteren, waarna het mogelijk is om een goede invulling te geven aan hun rol als ouders.
Ter zitting heeft de GI verklaard dat de ouders de uithuisplaatsing van de kinderen moeilijk kunnen accepteren, waardoor de kinderen blijven worstelen met hun loyaliteit.
De GI heeft verklaard dat de rol van de ouders meer ligt in het invoegen in het leven van de kinderen, zoals meegaan naar de sporten van de kinderen. De nadruk zou volgens de GI niet zozeer moeten liggen op contactmomenten bij de ouders thuis. Voor alle kinderen ligt het perspectief niet meer thuis volgens de GI.
3.7.
De raad heeft ter zitting verklaard dat hij het gezien het raadsonderzoek van 2017 beter vond om geen gezagsbeëindigende maatregel in te zetten. Volgens de raad is eerst beter onderzoek nodig. De raad heeft zich wel bij de beslissing neergelegd en geen appel ingesteld omdat deze juridisch wel klopt, maar geeft aan bezorgd te zijn over hoe de omgang nu verder vorm gegeven gaat worden. Met name de oudste kinderen missen de ouders enorm en willen graag contact met hen. Bij de jongste kinderen speelt dit minder en zij vervreemden dus meer van hun ouders. Bovendien is sprake van een Somalisch gezin, met een andere cultuur, waarvan de kinderen thans weinig meekrijgen. Altacura bevestigt dit volgens de raad ook. Verder vindt Altacura dat begeleiding tijdens de omgang niet nodig is omdat het goed gaat en de kinderen en de ouders genieten van de omgangsmomenten. De raad heeft verklaard dat het niet zozeer uitmaakt waar het gezag over de kinderen moet komen te liggen, maar dat belangrijk is dat goed gekeken wordt naar de ouderrol van de ouders en de invulling van de omgangsregeling. De huidige situatie acht de raad niet in het belang van de kinderen. De GI ziet het perspectief van de kinderen niet thuis en de raad vooralsnog op dit moment ook niet, maar zeker ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zou dit in de toekomst wel een mogelijkheid kunnen zijn. De raad heeft het hof geadviseerd nader onderzoek te gelasten en de beslissing omtrent de gezagsbeëindigende maatregel aan te houden.
3.8.
Het hof overweegt het volgende.
3.8.1.
Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in
artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
3.8.2.
Het hof wijst daarnaast op het bepaalde in artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), inhoudende dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen , alsmede op artikel 20 IVRK, voor zo ver in deze zaak van belang samengevat inhoudende dat voor het kind dat niet thuis kan wonen er een vorm van zorg dient te zijn die plaatsing in een pleeggezin kan omvatten; bij het overwegen van oplossingen wordt op passende wijze rekening gehouden met de wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding van het kind en met de etnische, godsdienstige en culturele achtergrond van het kind en met zijn of haar achtergrond wat betreft de taal. Het hof zal (ook) nagaan of de betrokken instanties bij weging van de voorgestane beëindiging van het gezag van de ouders, in voldoende mate rekening hebben gehouden met deze verdragsregels.
3.8.3.
Op grond van 1:267 lid 1 BW kan beëindiging van het gezag worden uitgesproken op verzoek van de raad of het openbaar ministerie. In het tweede lid is bepaald dat, indien de raad niet tot een verzoek als bedoeld in het eerste lid overgaat nadat hij een verzoek tot onderzoek hiertoe van de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling over de minderjarige uitvoert, heeft ontvangen, hij dit schriftelijk meedeelt aan die gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling kan na ontvangst van die mededeling de raad verzoeken het oordeel van de rechtbank te vragen of beëindiging van het gezag noodzakelijk is. De raad die van de gecertificeerde instelling zodanig verzoek ontvangt, vraagt binnen twee weken na de dagtekening van dat verzoek het oordeel van de rechtbank of een beëindiging van het gezag moet volgen. In dat geval kan de rechtbank de beëindiging van het gezag ambtshalve uitspreken.
3.8.4.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de raad op 18 juli 2017 een verzoek van de GI heeft ontvangen om onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel ten behoeve van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek, neergelegd in de rapportage van de raad van 30 oktober 2017, blijkt dat de raad ten aanzien van de vraag of een gezagsbeëindigende maatregel op zijn plaats is, van mening verschilt met de GI en niet over zal gaan tot het indienen van een verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . De GI heeft op 23 november 2017 de Raad verzocht deze rapportage ter beoordeling voor te leggen aan de rechtbank Limburg, locatie Roermond .
De raad heeft op 23 november 2017 het oordeel van de rechtbank verzocht.
Nu voldaan is aan de vereisten van artikel 1:267 lid 1 BW faalt grief 1.
3.8.5.
Het hof is gebleken dat het verweerschrift van de GI niet naar de (advocaat van de) ouders en de raad is toegestuurd zodat het standpunt van de GI in de appelprocedure voor de (advocaat van de) ouders noch de raad kenbaar was.
De raad heeft geen verweerschrift ingediend zodat het standpunt van de raad voor de (advocaat van de) ouders en de GI pas op het moment van de mondelinge behandeling bij het hof kenbaar was.
3.8.6.
De GI is blijkens haar verweerschrift van mening dat de bestreden beschikking bekrachtigd dient te worden, nu aan alle voorwaarden die de wetgever heeft gesteld aan een gezagsbeëindigende maatregel is voldaan.
De raad blijft bij zijn mening dat op dit moment een gezagbeëindigende maatregel niet op zijn plaats is.
3.8.7.
Het hof stelt vast dat de raad en de ouders elkaar vinden in het feit dat dat de kinderen meer bij de leefwereld en de cultuur van de ouders betrokken moeten worden. Het hof stelt verder vast dat de GI weliswaar stelt open te staan voor een “andere” contactregeling maar dat een “andere” contactregeling geen uitbreiding van het huidige contact tussen de ouders en de kinderen impliceert.
Het hof is vooralsnog, gezien ook doel en strekking van de genoemde verdragsbepalingen, van oordeel dat de kinderen er belang bij hebben dat zij in deze situatie meer in de leefwereld van de moeder en de (stief) vader betrokken gaan worden dan tot nu toe het geval is geweest. Daarmee ziet het hof ook meer mogelijkheden ontstaan voor contact tussen de kinderen onderling welk contact op dit moment minimaal is.
3.8.8.
Gelet op de impasse tussen de raad en de GI betreffende de vraag of een gezagsbeëindigende maatregel op dit moment op zijn plaats is en gelet op het belang van een uitbreiding van de omgangsregeling tussen de ouders en de kinderen die mede tot doel heeft de kinderen te betrekken in de leefwereld en de cultuur van de ouders, stelt het hof de (advocaat van de) ouders en de GI in de gelegenheid hun verzoeken en stellingen in hoger beroep nader aan te passen en te concretiseren. Het hof beoogt allereerst van ouders en de GI gedaan te krijgen dat zij zich buigen over de vraag wat er daadwerkelijk zou moeten, dan wel kunnen gebeuren om voor elkaar te krijgen dat de kinderen meer gaan mee krijgen van (de cultuur) van de ouders en dat de kinderen onderling ook meer contact zullen hebben. Het verdient de voorkeur dat de ouders en de GI dat traject allereerst trachten gezamenlijk in te gaan en zo mogelijk tot een door ouders en de GI tezamen ondersteund plan van aanpak te geraken. Bij gebreke van (volledige) overeenstemming volstaat afzonderlijke stellingname ten aanzien van zo een plan van aanpak.
Vervolgens wordt de raad in de gelegenheid gesteld door het hof om op de stukken van de ouders en de GI schriftelijk een reactie te geven en het hof nader te adviseren.
3.9.
Dit leidt tot de navolgende beslissing.
4. De beslissing
Het hof:
stelt de (advocaat van de) ouders en de GI in de gelegenheid om uiterlijk 23 november 2018 hun verzoeken en stellingen aan te passen zoals overwogen in r.o. 3.8.8.van deze beschikking onder verzending van een afschrift van de door hen bij het hof ingediende stukken aan de raad;
stelt de raad in de gelegenheid om 10 januari 2019 schriftelijk nader te adviseren waarbij een afschrift van dit nadere advies tegelijkertijd wordt verstuurd aan de (advocaat van de) ouders en de GI;
houdt de zaak pro forma aan tot 10 januari 2019.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, E.L. Schaafsma-Beversluis en H.J. Witkamp en is op 27 september 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.