Rb. Rotterdam, 15-09-2021, nr. C/10/619369 / HA ZA 21-478
ECLI:NL:RBROT:2021:8985
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
15-09-2021
- Zaaknummer
C/10/619369 / HA ZA 21-478
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2021:8985, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 15‑09‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2021:7898, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 21‑07‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
INS-Updates.nl 2021-0274
OR-Updates.nl 2021-0322
INS-Updates.nl 2021-0240
OR-Updates.nl 2021-0289
Uitspraak 15‑09‑2021
Inhoudsindicatie
Verstek. Vordering tot bestuurdersverbod toegewezen na tussenvonnis waarin de curator is opgedragen de rechtbank te informeren over de vraag of er andere rechtspersonen zijn waarvan gedaagde bestuurder of commissaris is als bedoeld in artikel 106c Fw (ECLI:NL:RBROT:2021:7898).
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/619369 / HA ZA 21-478
Vonnis van 15 september 2021
in de zaak van
[naam eiser], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HEINTZ/VREEZEN BOUW B.V. (hierna: HV Bouw),
kantoorhoudende te [plaatsnaam],
eiser,
advocaat mr. M.L. Dost te Rotterdam,
tegen
[naam gedaagde] ,
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats binnen Nederland of daarbuiten,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna de curator en [naam gedaagde] worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 21 juli 2021 en de daarin genoemde stukken (hierna: het tussenvonnis);
- -
de akte houdende uitlating na tussenvonnis van de curator.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.
In het tussenvonnis is de curator opgedragen de rechtbank te informeren over de vraag of er andere rechtspersonen zijn waarvan [naam gedaagde] bestuurder of commissaris is en, zo ja, een uittreksel uit het Handelsregister over te leggen van die overige rechtspersonen, als bedoeld in artikel 106c, eerste lid, Fw.
2.2.
Bij akte van 18 augustus 2021 heeft de curator, mede door overlegging van een netwerktekening opgevraagd bij Justis, voldoende onderbouwd gesteld dat [naam gedaagde] niet als bestuurder of commissaris betrokken is bij overige rechtspersonen.
2.3.
Gelet op het voorgaande zal, zoals al aangekondigd in rechtsoverwegingen 3.3 en 3.4 van het tussenvonnis, bij dit vonnis worden beslist op de vorderingen.
2.4.
De vorderingen van de curator komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom worden toegewezen, met de volgende uitzonderingen.
2.4.1.
De curator vordert – kort gezegd – onder B van het petitum dat [naam gedaagde] wordt veroordeeld om “zonder enige vorm van verrekening” en aan de curator € 75.000,00 te betalen.
2.4.2.
De curator heeft niet gesteld waarom verrekening door [naam gedaagde] in dit geval niet mogelijk zou zijn. Verrekening is een wettelijke bevoegdheid en de curator moet aannemelijk maken – of ten minste stellen – dat in dit geval geen verrekening mogelijk is. Dat heeft de curator echter nagelaten, zodat dit gedeelde van de vordering, te weten “zonder enige vorm van verrekening”, de rechtbank onrechtmatig voorkomt. Dit gedeelte van de vordering wordt dan ook afgewezen.
2.5.
De curator vordert onder C van het petitum – kort gezegd – [naam gedaagde] te veroordelen tot een bestuursverbod als bedoeld in artikel 106a Fw vanaf de datum van het vonnis. Het bestuursverbod zal conform de wet worden opgelegd vanaf het moment dat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Immers, vanaf dat moment is sprake van een uitspraak op grond van artikel 2:248 BW die onherroepelijk is geworden.
2.6.
De rechtbank tekent daarbij wel aan, dat het moment van onherroepelijk worden van dit vonnis, niet zonder nadere informatie zal kunnen worden vastgesteld door de rechtbank. Een verstekvonnis wordt op zijn vroegst onherroepelijk nadat de verzettermijn ongebruikt is verstreken, maar deze termijn vangt aan op een onzeker moment in de toekomst (artikel 143 Rv). Teneinde de griffier in staat te stellen aan zijn verplichtingen op grond van artikel 106b, derde lid, Fw te voldoen, ligt het op de weg van de curator de rechtbank op de hoogte te stellen van relevante gebeurtenissen in het kader van de tenuitvoerlegging van dit vonnis.
2.7.
[naam gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:
- dagvaarding € 100,11
- griffierecht € 952,00
- salaris advocaat € 1.114,00 (1,0 punt × tarief € 1.114,00)
Totaal € 2.166,11
2.8.
[naam gedaagde] zal tevens worden veroordeeld in de nakosten en de daarover gevorderde wettelijke rente op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
2.9.
De veroordelingen tot betaling worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, nu het verzoek daartoe is gegrond op de wet en [naam gedaagde] het niet heeft bestreden.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat [naam gedaagde] op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk is voor de schulden van Heintz/Vreezen Bouw B.V., inclusief de faillissementskosten, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, op te maken bij staat en te vereffenen conform de wet;
3.2.
veroordeelt [naam gedaagde] om bij wijze van voorschot op het faillissementstekort binnen veertien dagen na dit vonnis aan de curator te voldoen een bedrag van € 75.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
3.3.
veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 2.166,11, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
3.4.
veroordeelt [naam gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [naam gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;
3.5.
verklaart de veroordelingen onder 3.2, 3.3 en 3.4 uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
veroordeelt [naam gedaagde] tot een bestuursverbod als bedoeld in artikel 106a Fw voor de duur van vijf jaren vanaf het moment dat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan gedurende welke periode [naam gedaagde] niet benoemd kan worden tot bestuurder of commissaris van een rechtspersoon en niet mag optreden als feitelijk beleidsbepaler van een rechtspersoon, onder opleggen van een dwangsom van € 1.000,00 per dag waarop [naam gedaagde] niet aan dit verbod voldoet tot een maximum van € 100.000,00, met dien verstande dat deze dwangsom, indien er geen boedel (meer) is, conform het bepaalde in artikel 106b lid 5 Fw toekomt aan de staat;
3.7.
draagt de griffier op om dit vonnis zodra het onherroepelijk is geworden, met bekwame spoed aan de Kamer van Koophandel te sturen zodat die kan overgaan tot uitschrijving van betrokkene als bestuurder uit het Handelsregister en tot registratie van het bestuursverbod gedurende de duur waarvoor het is opgelegd;
3.8.
wijst de curator op zijn verantwoordelijkheid, zoals besproken in rechtsoverweging 2.6;
3.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos. Het is ondertekend door de rolrechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 15 september 2021.
Uitspraak 21‑07‑2021
Inhoudsindicatie
Bestuursverbod. De curator heeft geen uittrekstel overgelegd van overige rechtspersonen als bedoeld in 106c Fw. Voordat de rechtbank een beslissing zal nemen over de vorderingen, zal de curator worden opgedragen de rechtbank hierover te informeren. Verstekvonnis.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/619369 / HA ZA 21-478
Vonnis van 21 juli 2021
in de zaak van
[naam eiser], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HEINTZ/VREEZEN BOUW B.V. (hierna: HV Bouw),
kantoorhoudende te [plaatsnaam],
eiser,
advocaat mr. M.L. Dost te Rotterdam,
tegen
[naam gedaagde] ,
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats binnen Nederland of daarbuiten,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna de curator en [naam gedaagde] worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 februari 2021, met producties;
- het ter rolzitting van 2 juni 2021 tegen gedaagde verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil
2.1.
De curator vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
A. verklaart voor recht dat [naam gedaagde] op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk is voor de schulden van HV Bouw, inclusief de faillissementskosten, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, op te maken bij staat en te vereffenen conform de wet;
B. [naam gedaagde] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting en zonder enige vorm van verrekening bij wijze van voorschot op het faillissementstekort binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis aan de curator te voldoen een bedrag van € 75.000,00, te vermeerderen met rente;
C. [naam gedaagde] veroordeelt tot een bestuursverbod op grond van artikel 106a Fw voor de duur van vijf jaren vanaf de datum van het vonnis gedurende welke periode [naam gedaagde] niet benoemd kan worden tot bestuurder of commissaris van een rechtspersoon en niet mag optreden als feitelijk beleidsbepaler van een rechtspersoon, onder opleggen van een dwangsom van € 1.000,00 per dag waarop [naam gedaagde] niet aan dit verbod voldoet tot een maximum van € 100.000,00, met dien verstande dat deze dwangsom, indien er geen boedel (meer) is, conform het bepaalde in artikel 106b lid 5 Fw toekomt aan de staat;
D. [naam gedaagde] veroordeelt tot betaling van de kosten van het geding, inclusief nakosten.
3. De beoordeling
Vordering C
3.1.
De rechtbank stelt het volgende voorop.
3.1.1.
De artikelen 106a e.v. Fw zijn per 1 juli 2016 ingevoerd bij de Wet civielrechtelijk bestuursverbod. Artikel 106a lid 1 Fw bepaalt, voor zover van belang, dat de rechtbank op vordering van de curator een bestuursverbod kan opleggen aan de bestuurder van een in artikel 2:3 BW genoemde rechtspersoon als tijdens of in de drie jaren voorafgaand aan het uitspreken van het faillissement van die rechtspersoon:
a. door de rechter bij onherroepelijk geworden uitspraak is geoordeeld dat hij voor zijn handelen of nalaten bij die rechtspersoon aansprakelijk is, als bedoeld in de artikelen 2:138 of 2:248 BW; of
c. de bestuurder, ondanks een verzoek van de curator, in ernstige mate is tekortgeschoten in de nakoming van zijn informatie- of medewerkingsverplichtingen, bedoeld in deze wet, jegens de curator.
3.1.2.
Ingevolge artikel 106b lid 1 Fw kan een bestuurder aan wie een bestuursverbod is opgelegd gedurende vijf jaar nadat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, of zoveel korter als in de uitspraak is bepaald, niet tot bestuurder of commissaris van een in artikel 2:3 BW genoemde rechtspersoon worden benoemd. Het bestuursverbod vormt voor betrokkene tevens een beletsel voor de uitoefening van zijn functie als bestuurder bij alle op grond van artikel 106c, tweede lid, Fw in de procedure betrokken rechtspersonen (artikel 106b lid 2 Fw). Dit betekent dat de betrokken bestuurder niet langer deze rechtspersonen – als bestuurder – kan vertegenwoordigen. Gelet op de implicaties die dit rechtgevolg voor de betreffende rechtspersonen kan hebben, worden deze rechtspersonen in de procedure in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze over het gevraagde bestuursverbod en de mogelijke gevolgen daarvan naar voren te brengen (artikel 106c lid 2 Fw).
3.2.
De rechtbank stelt vast dat de curator bij dagvaarding geen uittreksel uit het Handelsregister heeft overgelegd van overige rechtspersonen, bedoeld in artikel 2:3 BW, waarvan de betrokkene bestuurder of commissaris is, als bedoeld in artikel 106c, eerste lid, Fw. Nu de curator hier in het geheel geen aandacht aan heeft besteed en geen informatie over heeft verstrekt, is het de rechtbank niet duidelijk of er sprake is van overige rechtspersonen, waarvan [naam gedaagde] bestuurder of commissaris is.
3.3.
Voordat de rechtbank een beslissing zal nemen over de vorderingen, zal de curator dan ook worden opgedragen om de rechtbank te informeren over andere rechtspersonen waarvan [naam gedaagde] bestuurder of commissaris is, op de wijze als in de beslissing omschreven.
3.4.
Indien blijkt dat [naam gedaagde] nog meer rechtspersonen bestuurt of daarvan commissaris is, zullen die rechtspersonen in staat worden gesteld om hun zienswijze in de procedure naar voren te brengen conform artikel 106c, tweede lid, Fw. Indien blijkt dat [naam gedaagde] niet nog meer rechtspersonen bestuurt of daarvan commissaris is, komt de zaak weer voor vonnis te staan.
4. De beslissing
De rechtbank
4.1.
draagt de curator op de rechtbank te informeren over de vraag of er andere rechtspersonen zijn waarvan [naam gedaagde] bestuurder of commissaris is en, zo ja, een uittreksel uit het Handelsregister over te leggen van die overige rechtspersonen, als bedoeld in artikel 106c, eerste lid, Fw;
4.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 augustus 2021 voor uitlating door de curator als omschreven in 4.1;
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos. Het is ondertekend door de rolrechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2021.
3242/1407