Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/11.8.1.1
11.8.1.1 Restitutieverplichting voor alle ontvangers
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS409093:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
§ 31 lid 1 GmbHG luidt: “Zahlungen, welche den Vorschriften des § 30 zuwider geleistet sind, müssen der Gesellschaft erstattet werden.”
§ 31 lid 2 GmbHG luidt: “War der Empfänger in gutem Glauben, so kann die Erstattung nur insoweit verlangt werden, als sie zur Befriedigung der Gesellschaftsgläubiger erforderlich ist.” Het BGH heeft aan dit criterium de volgende invulling gegeven: “Die Erstattung von gemäß § 30 GmbHG verbotenen Auszahlungen ist i.S. von § 31 Abs. 2, 3 GmbHG zur Gläubigerbefriedigung erforderlich, wenn und soweit die GmbH nach den Grundsätzen einer Überschuldungsbilanz (bei Ansatz von Liquidationswerten) überschuldet ist, wobei auch Rückstellungen für ungewisse Verbindlichkeiten (§ 249 Abs. 1 HGB) zu berücksichtigen sind.” BGH 22 september 2003, II ZR 229/02.
Karsten Schmidt e.a. 2009, p. 14.
Aandeelhouders die in strijd met § 30 GmbHG een uitkering ontvangen, dienen deze aan de vennootschap terug te betalen op grond van § 31 GmbHG.1 In beginsel is daarvoor niet van belang of de ontvanger van de uitkering op de hoogte was van haar ongeoorloofde karakter; ook de aandeelhouder te goeder trouw kan tot restitutie worden aangesproken. Ingevolge het tweede lid van § 31 GmbHG is de restitutieverplichting van de ontvanger te goeder trouw beperkt tot het bedrag dat nodig is om de vorderingen van de crediteuren te voldoen.2 Nu uitkeringen echter vrijwel uitsluitend worden teruggevorderd in faillissement en ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren, is deze beperking van de (omvang van de) aansprakelijkheid praktisch van weinig betekenis.3