Procestaal: Engels.
HvJ EU, 19-09-2024, nr. C-555/22 P, nr. C-556/22 P, nr. C-564/22 P
ECLI:EU:C:2024:763
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
19-09-2024
- Magistraten
A. Prechal, F. Biltgen, N. Wahl, D. Gratsias, M. L. Arastey Sahún
- Zaaknummer
C-555/22 P
C-556/22 P
C-564/22 P
- Conclusie
L. Medina
- Roepnaam
LSEGH and London Stock Exchange Group Holdings/Commissie
ITV/Commissie
Verenigd Koninkrijk/Commissie
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:763, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 19‑09‑2024
ECLI:EU:C:2024:304, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 11‑04‑2024
Uitspraak 19‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Hogere voorziening — Staatssteun — Steunregeling die door het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland ten behoeve van bepaalde multinationale groepen ten uitvoer is gelegd — Heffing van belasting over passieve financiële winsten van onder zeggenschap staande buitenlandse ondernemingen (CFC's) — Vrijstellingen — Sleutelfuncties — Kunstmatige verlegging van winst — Uitholling van de belastinggrondslag — Besluit waarbij de steunregeling onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard en de terugvordering van de reeds betaalde steun wordt gelast — Referentiestelsel — Toepasselijk nationaal recht — ‘Normale’ belastingheffing
A. Prechal, F. Biltgen, N. Wahl, D. Gratsias, M. L. Arastey Sahún
Partij(en)
In de gevoegde zaken C-555/22 P, C-556/22 P en C-564/22 P,*
betreffende drie hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op respectievelijk 16, 17 en 25 augustus 2022,
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, aanvankelijk vertegenwoordigd door L. Baxter, vervolgens door L. Baxter en S. Fuller, daarna door R. Fadoju en S. Fuller, en tot slot door S. Fuller als gemachtigden, bijgestaan door P. Baker, KC, en T. Johnston, barrister,
Rekwirant en verzoeker in eerste aanleg (C-555/22 P),
interveniënt in eerste aanleg (C-556/22 P en C-564/22 P),
ITV plc, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door K. Beal, KC, en J. Lesar, solicitor,
rekwirante (C-556/22 P),
verzoekster in eerste aanleg (C-556/22 P en C-564/22 P),
en
LSEGH (Luxembourg) Ltd, gevestigd te Londen,
London Stock Exchange Group Holdings (Italy) Ltd, gevestigd te Londen,
vertegenwoordigd door O. W. Brouwer, A. Pliego Selie, advocaten, en A. von Bonin, Rechtsanwalt,
rekwiranten (C-564/22 P),
interveniënten in eerste aanleg (C-556/22 P en C-564/22 P),
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Farley, L. Flynn, en B. Stromsky als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg (C-555/22 P, C-556/22 P en C-564/22 P),
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: A. Prechal, kamerpresident, F. Biltgen, N. Wahl (rapporteur), D. Gratsias en M. L. Arastey Sahún, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: R. Stefanova-Kamisheva, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 januari 2024,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 april 2024,
het navolgende
Arrest
1
Met hun respectieve hogere voorzieningen verzoeken het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (C-555/22 P), ITV plc (C-556/22 P), en LSEGH (Luxembourg) Ltd en London Stock Exchange Group Holdings (Italy) Ltd (hierna samen: ‘LSEGH’) (C-564/22 P) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 8 juni 2022, Verenigd Koninkrijk en ITV/Commissie (T-363/19 en T-456/19, EU:T:2022:349; hierna: ‘bestreden arrest’), houdende verwerping van de beroepen van het Verenigd Koninkrijk en ITV, ondersteund door LSEGH, tot nietigverklaring van besluit (EU) 2019/1352 van de Commissie van 2 april 2019 betreffende steunmaatregel SA.44896 van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot een CFC-vrijstelling inzake groepsfinanciering (PB 2019, L 216, blz. 1; hierna: ‘litigieus besluit’).
Recht van het Verenigd Koninkrijk
2
In het Verenigd Koninkrijk zijn de belastingregels voor onder zeggenschap staande buitenlandse ondernemingen (CFC) neergelegd in deel 9 A van de Taxation (International and Other Provisions) Act 2010 [belastingwet van 2010 (internationale en andere bepalingen); hierna: ‘TIOPA’].
3
De relevante bepalingen van deel 9 A TIOPA zijn de volgende:
‘[…]
Hoofdstuk 1
Overzicht
371AA. Overzicht van deel [9 A TIOPA]
- (1)
Op grond van het onderhavige deel wordt een heffing (‘CFC-heffing’) toegepast op in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschappen die bepaalde belangen hebben in CFC's.
- (2)
De CFC-heffing wordt toegepast op de belastbare winst van de CFC's.
- (3)
Een ‘CFC’ is een niet in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap die onder de zeggenschap staat van een of meer in het Verenigd Koninkrijk gevestigde personen […].
- (4)
Hoofdstuk 2 definieert de basiskenmerken van de CFC-heffing, met inbegrip van[:]
- (a)
de voorwaarden voor de toepassing van de CFC-heffing (waaraan de winst van een CFC moet voldoen om deze heffing erop toe te passen), en
- (b)
de stappen die moeten worden genomen om de CFC-heffing toe te passen.
- (5)
Hoofdstuk 2 wordt gevolgd door de hoofdstukken 3 tot en met 17; in het bijzonder[:]
- (a)
in hoofdstuk 3 wordt beschreven hoe moet worden bepaald of (en zo ja, welke van) de hoofdstukken 4 tot en met 8 van toepassing zijn op de winsten van een CFC,
- (b)
voor zover van toepassing wordt in de hoofdstukken 4 tot en met 8 gedefinieerd hoe moet worden bepaald of (en zo ja, welke) winsten van een CFC aan de voorwaarden voor de toepassing van de CFC-heffing voldoen […],
- (c)
in hoofdstuk 9 worden de vrijstellingen voor de winsten uit in aanmerking komende leningen uiteengezet,
- (d)
in de hoofdstukken 10 tot en met 14 worden de totale vrijstellingen van de CFC-heffing omschreven.
[…]
- (12)
Het onderhavige deel valt onder de Corporation Tax Acts [(wetten op de vennootschapsbelasting)].
Hoofdstuk 2
CFC-heffing
371BA. Inleiding
- (1)
De CFC-heffing wordt geïnd voor het boekjaar van de CFC overeenkomstig section 371BC.
[…]
371BB. Voorwaarden voor de toepassing van de CFC-heffing
- (1)
Volg de onderstaande stappen om te bepalen in welke mate de geraamde totale winst van een CFC voor een boekjaar aan de voorwaarden voor de toepassing van de CFC-heffing voldoen.
- Stap 1.
Bepaal overeenkomstig hoofdstuk 3 of (en zo ja, welke van) de hoofdstukken 4 tot en met 8 van toepassing zijn op het boekjaar. Indien geen van deze hoofdstukken van toepassing is, voldoet geen enkele geraamde totale winst van de CFC aan de voorwaarden voor de toepassing van de CFC-heffing en hoeft stap 2 niet te worden gevolgd.
- Stap 2.
Bepaal in welke mate de geraamde totale winst van de CFC onder een van de hoofdstukken valt die van toepassing zijn op het boekjaar […].
- (2)
Lid 1 [hierboven] is van toepassing onder voorbehoud [van:]
- (a)
hoofdstuk 9 (Vrijstellingen voor winsten uit in aanmerking komende leningen), […]
[…]
371BC. Toepassing van de CFC-heffing
[…]
- (3)
[…]
‘het passende tarief’ […] betekent[:]
[…]
- (b)
indien er meer dan één […] tarief is, het gemiddelde tarief over het gehele relevante boekjaar […],
[…]
[…]
Hoofdstuk 3
Voorwaarde voor de toepassing van de CFC-heffing: bepalen of (en zo ja welke van) de hoofdstukken 4 tot en met 8 van toepassing zijn
[…]
371CB. Is hoofdstuk 5 van toepassing?
- (1)
[…] [H]oofdstuk 5 (passieve financiële winsten) is (enkel) van toepassing op het boekjaar van een CFC indien de CFC passieve financiële winsten heeft behaald.
- (2)
In de onderhavige section en in hoofdstuk 5 hebben de verwijzingen naar de passieve financiële winsten van de CFC betrekking op deze winsten, met uitsluiting van elke winst die onder de [hiernavolgende] leden 3 en 4 of onder hoofdstuk 8 valt […].
[…]
- (8)
In het geval van een belastingplichtige vennootschap die een verzoek op grond van hoofdstuk 9 indient, hebben de verwijzingen in de onderhavige section en hoofdstuk 5 naar de passieve financiële winsten van een CFC betrekking op deze winsten, ook met uitsluiting van de winsten uit in aanmerking komende leningen (zoals gedefinieerd in hoofdstuk 9).
[…]
Hoofdstuk 4
Voorwaarden voor de toepassing van de CFC-heffing: winsten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten in het Verenigd Koninkrijk
371DA. Inleiding tot hoofdstuk 4
- (1)
Volg de in section 371DB, lid 1, beschreven stappen om de onder dit hoofdstuk vallende winsten van de CFC te bepalen […].
- (2)
In dit hoofdstuk hebben de verwijzingen naar de geraamde totale winst van de CFC betrekking op deze winsten, met uitsluiting van de eventuele passieve financiële winsten […].
- (3)
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder[:]
- (a)
‘OESO-verslag’: het verslag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (‘OESO’) van 22 juli 2010 over de toerekening van winst aan vaste inrichtingen,
[…]
- (f)
‘sleutelfunctie’: een sleutelfunctie […],
- (g)
sleutelfunctie: een ‘sleutelfunctie van het VK’ voor zover de sleutelfunctie in het Verenigd Koninkrijk wordt uitgevoerd […],
- (h)
sleutelfunctie: een ‘sleutelfunctie buiten het VK’ voor zover zij geen sleutelfunctie van het VK is.
[…]
371DB. Stappen
- (1)
Dit zijn de [acht] stappen bedoeld in section 371DA, lid 1.
De stappen moeten worden gevolgd overeenkomstig de beginselen die zijn uiteengezet in het OESO-verslag (voor zover relevant).
- Stap 1.
Geef aan over welke activa de CFC beschikt of heeft beschikt en welke risico's de CFC draagt of heeft gedragen en waaruit bedragen voortvloeien die zijn opgenomen in de geraamde totale winst van de CFC. De [aldus] vastgestelde activa en risico's worden ‘de relevante activa en risico's’ genoemd.
- Stap 2.
[…]
- Stap 3.
Identificeer de sleutelfuncties die worden uitgevoerd door de groep waartoe de CFC behoort en die relevant zijn voor[:]
- (a)
de economische eigendom van de activa die in de relevante activa en risico's zijn opgenomen, of
- (b)
het op zich nemen en het beheren van de risico's die deel uitmaken van de relevante activa en risico's.
Ga er in dit verband van uit dat de groep waartoe de CFC behoort één enkele vennootschap is.
- Stap 4.
Bepaal in welke mate de bij stap 3 geïdentificeerde sleutelfuncties sleutelfuncties van het VK zijn en in welke mate het sleutelfuncties buiten het VK zijn. Als geen van de sleutelfuncties in enige mate een sleutelfunctie van het VK is, dan vallen de winsten niet onder de werkingssfeer van dit hoofdstuk en is het niet nodig om de andere stappen te volgen.
- Stap 5.
Veronderstel dat de in stap 4 bepaalde sleutelfuncties in het VK worden uitgevoerd door een vaste inrichting die de CFC in het Verenigd Koninkrijk heeft en bepaal dienovereenkomstig in welke mate de in de relevante activa en risico's begrepen activa en risico's aan de vaste inrichting worden toegerekend. […]
[…]
- Stap 7.
Stel de geraamde totale winst van de CFC opnieuw vast op basis van de veronderstelling dat de CFC[:]
- (a)
de activa die in de desbetreffende activa en risico's zijn begrepen, niet houdt of heeft gehouden, en
- (b)
de risico's die in de desbetreffende activa en risico's zijn begrepen, niet draagt of niet heeft gedragen,
voor zover ze worden toegewezen aan de vaste inrichting vermeld in stap 5. De ‘voorlopige winst van hoofdstuk 4’ is de geraamde totale winst van de CFC voor zover deze bij de herberekening van de winst buiten beschouwing wordt gelaten.
- Stap 8.
Sluit de bedragen die op grond van section 371DD, 371DE of 371DF moeten worden uitgesloten, uit van de voorlopige winst van hoofdstuk 4. De resterende winst (indien aanwezig) valt onder dit hoofdstuk.
[…]
Hoofdstuk 5
Voorwaarden voor de toepassing van de CFC-heffing: passieve financiële winsten
371EA. Basisregel
- (1)
De winsten van de CFC die voor de toepassing van stap 2 van section 371BB, lid 1 (voorwaarden voor de toepassing van de CFC-heffing), onder het onderhavige hoofdstuk vallen, zijn de passieve financiële winsten voor zover zij onder een van de bepalingen van section 371EB tot en met 371EE vallen.
- (2)
Verwijzingen in dit hoofdstuk naar passieve financiële winsten moeten worden gelezen overeenkomstig section 371CB, lid 2, en, voor zover van toepassing, section 371CB, lid 8.
371EB. Activiteiten in het Verenigd Koninkrijk
- (1)
Om te bepalen in welke mate passieve financiële winsten van de CFC onder deze section vallen, volgt u de stappen 1 tot en met 5 en 7 van section 371DB, lid 1, alsof de verwijzingen naar section 371DB naar de geraamde totale winst van de CFC verwijzingen naar de passieve financiële winsten zijn.
- (2)
Passieve financiële winsten vallen onder deze section voor zover zij zouden worden opgenomen in de voorlopige winst van hoofdstuk 4, zoals bepaald in lid 1 [van deze section].
371EC. Kapitaalinvesteringen vanuit het Verenigd Koninkrijk
- (1)
Passieve financiële winsten vallen onder deze section voor zover zij voortvloeien uit fondsen of andere relevante activa in het Verenigd Koninkrijk.
[…]
Hoofdstuk 9
Vrijstellingen voor winsten uit in aanmerking komende leningen
371IA. Basisregel
- (1)
Het onderhavige hoofdstuk is van toepassing indien[:]
- (a)
naast dit hoofdstuk, hoofdstuk 5 (passieve financiële winsten) van toepassing is voor een boekjaar van de CFC,
- (b)
de passieve financiële winsten van de CFC winsten uit in aanmerking komende leningen omvatten, en
- (c)
aan de voorwaarde met betrekking tot de bedrijfsruimten […] is voldaan.
- (2)
Een belastingplichtige vennootschap (‘vennootschap V’) kan voor het boekjaar verzoeken […] om toepassing van stap 2 van section 371BB, lid 1 (voorwaarden voor de toepassing van de CFC-heffing), uitsluitend in het geval van vennootschap V, onder voorbehoud van dit hoofdstuk.
- (3)
Indien vennootschap V een verzoek indient, uitsluitend in het geval van vennootschap V, moeten de winsten uit in aanmerking komende leningen voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van de CFC-heffing voor zover (en alleen voor zover) de winsten uit hoofde van dit hoofdstuk niet zijn vrijgesteld.
[…]
371IG. Wat is een ‘in aanmerking komende lening’?
- (1)
In het onderhavige hoofdstuk wordt onder ‘in aanmerking komende lening’ verstaan een relatie die betrekking heeft op een vordering van de CFC[:]
- (a)
waarvan de uiteindelijke schuldenaar een in aanmerking komende vennootschap is, […]
[…]
[…]
- (8)
In deze section wordt onder ‘in aanmerking komende vennootschap’ verstaan een vennootschap die[:]
- (a)
verbonden is met de CFC, en
- (b)
onder de zeggenschap staat van een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde persoon of personen die zeggenschap heeft/hebben over de CFC.
371IH. Uitsluiting van de definitie van ‘in aanmerking komende leningen’
[…]
- (2)
Indien de uiteindelijke schuldenaar van een vordering van de CFC een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap is, kan deze vordering slechts een in aanmerking komende lening zijn indien[:]
- a)
[de bepalingen inzake de] vrijstelling van winsten of verliezen van buitenlandse vaste inrichtingen van toepassing zijn op [deze] vennootschap, en
- (b)
alle schulden van de vennootschap worden geboekt [met het oog op de toepassing van deze bepalingen].
[…]’
4
Deel 2 TIOPA is gewijd aan het voorkomen van dubbele belasting, zoals blijkt uit het opschrift ervan.
Voorgeschiedenis van het geding
5
Ten behoeve van de onderhavige procedure kan de voorgeschiedenis van het geding, zoals uiteengezet in de punten 1 tot en met 28 van het bestreden arrest, als volgt worden weergegeven.
ITV-groep
6
ITV, voor de belastingen gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, is de holdingvennootschap aan het hoofd van de gelijknamige groep, die audiovisueel materiaal maakt, de productie daarvan verzorgt en dat materiaal distribueert over verschillende platformen wereldwijd. ITV omvat met name CFC's.
7
Over meerdere boekjaren, ten minste tot en met het boekjaar 2016, is voor de aan ITV toegerekende rentewinsten uit enkele van de leningen die zijn verstrekt door CFC's die door haar worden gecontroleerd, om vrijstelling verzocht op grond van hoofdstuk 9 van deel 9 A TIOPA (hierna: ‘hoofdstuk 9’).
Door het Gerecht weergegeven nationale belastingregels
8
Het Gerecht heeft de nationale belastingregels als volgt samengevat:
- ‘3.
Volgens het vennootschapsbelastingstelsel in het Verenigd Koninkrijk worden ondernemingen belast over hun winsten die voortvloeien uit activiteiten en activa in het Verenigd Koninkrijk. Overeenkomstig het territorialiteitsbeginsel worden in het Verenigd Koninkrijk uitgekeerde winsten van buitenlandse ondernemingen niet belast. Evenzo zijn de winsten die kunnen worden toegerekend aan buitenlandse vaste inrichtingen vrijgesteld van vennootschapsbelasting in het Verenigd Koninkrijk.
- 4.
De CFC-regels bepalen in het algemeen of kan worden aangenomen dat winsten van een CFC kunstmatig buiten het Verenigd Koninkrijk zijn verlegd en derhalve in die staat moeten worden belast door die winsten aan een bijzondere heffing te onderwerpen[, te weten de CFC-heffing bedoeld in section 371AA, deel 9 A TIOPA].
- 5.
Hoofdstuk 2 van deel 9 A TIOPA definieert deze heffing […] in section 371BA in algemene zin als de belasting die over een boekjaar wordt geheven op de belastbare winsten van een CFC, die op hun beurt in section 371BB worden gedefinieerd als de winsten die worden belast overeenkomstig de hoofdstukken 4 tot en met 8 van deel 9 A TIOPA […], onder voorbehoud van, met name, de toepassing van hoofdstuk 9 […], waarin vrijstellingen worden bepaald.
- 6.
In hoofdstuk 5 van deel 9 A TIOPA bepaalt section 371EA dat de passieve financiële winsten van een CFC in het Verenigd Koninkrijk worden belast indien het gaat om:
- —
passieve financiële winsten uit activiteiten waarbij de sleutelfuncties in het Verenigd Koninkrijk worden uitgevoerd, zoals bedoeld in section 371EB van deel 9 A TIOPA onder het opschrift [‘Activiteiten in het Verenigd Koninkrijk’];
- —
passieve financiële winsten uit fondsen of activa die afkomstig zijn uit het Verenigd Koninkrijk, zoals bedoeld in section 371EC van deel 9 A TIOPA onder het opschrift ‘Kapitaalinvesteringen vanuit het Verenigd Koninkrijk’;
[…]
- 8.
Hoofdstuk 9 […] bepaalt dat de belastingplichtige entiteiten kunnen verzoeken om vrijstelling van de CFC-heffing die overeenkomstig hoofdstuk 5 van deel 9 A TIOPA verschuldigd zou zijn geweest over passieve financiële winsten uit in aanmerking komende leningen, […].’
9
In dit verband heeft het Gerecht in punt 8, laatste volzin, van het bestreden arrest gepreciseerd dat het ‘[o]vereenkomstig section 371IG [van hoofdstuk 9] […] bij de in aanmerking komende leningen in wezen [gaat] om intragroepsleningen van de CFC aan andere, buiten het Verenigd Koninkrijk gevestigde leden van de multinationale groep’. Deze definitie moet worden gelezen in het licht van punt 145 van dat arrest, waarin het Gerecht heeft overwogen dat leningen aan een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap of een vaste inrichting van een buitenlandse vennootschap in die staat overeenkomstig section 371IH [van hoofdstuk 9] uitgesloten zijn van de definitie van in aanmerking komende lening.
10
Bovendien heeft het in punt 9 van dat arrest aangegeven dat hoofdstuk 9 voorzag in de volgende drie typen vrijstellingen (hierna: ‘betrokken vrijstellingen’):
- —
de vrijstelling kan betrekking hebben op 75 % van de belastbare passieve financiële winsten uit in aanmerking komende leningen;
- —
de vrijstelling kan volledig zijn wanneer en voor zover de in aanmerking komende leningen uit middelen van de CFC worden gefinancierd, en
- —
onder bepaalde omstandigheden kan vrijstelling worden verleend over het saldo van belastbare passieve financiële winsten, vrijstelling van ‘overeenkomende rente’ genoemd.
Het litigieuze besluit
11
In haar litigieuze besluit, dat is vastgesteld na de formele onderzoeksprocedure op grond van artikel 108, lid 2, VWEU, heeft de Europese Commissie geoordeeld dat de regeling die voortvloeit uit de betrokken vrijstellingen (hierna: ‘betwiste regeling’) staatssteun vormde in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, voor zover deze van toepassing was op passieve financiële winsten die voortvloeien uit in aanmerking komende leningen die onder section 371EB van hoofdstuk 5 van deel 9 A TIOPA (hierna: ‘hoofdstuk 5’) vielen. Meer in het bijzonder heeft de Commissie geoordeeld dat de betrokken vrijstellingen een steunregeling vormden in de zin van artikel 1, onder d), van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 [VWEU] (PB 2015, L 248, blz. 9), dat deze regeling onverenigbaar met de interne markt was en dat deze onrechtmatig, in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU, ten uitvoer was gelegd door het Verenigd Koninkrijk (artikel 1 van het litigieuze besluit).
12
De Commissie was evenwel van mening dat de bestreden regeling geen steun vormde wanneer zij van toepassing was op passieve financiële winsten uit in aanmerking komende leningen die voldeden aan het criterium van section 371EC van hoofdstuk 5, dat is gebaseerd op met het Verenigd Koninkrijk verbonden kapitaal (hierna: ‘criterium van met het Verenigd Koninkrijk verbonden kapitaal’), en die niet voldeden aan het criterium van section 371EB van dat hoofdstuk, dat was gebaseerd op het feit dat de relevante sleutelfuncties in het Verenigd Koninkrijk werden uitgeoefend (hierna: ‘criterium van de sleutelfuncties in het Verenigd Koninkrijk’).
13
Om tot de in de punten 10 en 11 van het onderhavige arrest uiteengezette conclusies te komen heeft de Commissie de voorwaarden geanalyseerd waaronder de betrokken vrijstellingen worden gekwalificeerd als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.
14
Na te hebben vastgesteld dat de betrokken vrijstellingen maatregelen waren die aan het Verenigd Koninkrijk konden worden toegerekend en met staatsmiddelen waren bekostigd, dat zij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig konden beïnvloeden en de mededinging vervalsten of dreigden te vervalsen, heeft de Commissie zich geconcentreerd op het bestaan van een selectief voordeel.
15
De Commissie heeft ook vastgesteld dat de betrokken vrijstellingen een economisch voordeel opleverden omdat ze aan een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde onderneming die zeggenschap uitoefent over een CFC, waarvoor anders krachtens hoofdstuk 5 een CFC-heffing zou zijn toegepast, de mogelijkheid boden om op grond van hoofdstuk 9 te verzoeken om deze heffing toe te passen op slechts 25 % van de passieve financiële winsten van die CFC voor zover die voortvloeiden uit in aanmerking komende leningen, zodat 75 % van die winsten van die heffing waren vrijgesteld. Onder bepaalde voorwaarden kon die heffing tegen een nog lager percentage worden toegepast, zodat tot 100 % van de betreffende winsten van de CFC kon worden vrijgesteld.
16
Wat de selectiviteit van de betrokken vrijstellingen betreft, heeft de Commissie vastgesteld dat de CFC-regels in deel 9 A TIOPA het referentiestelsel vormden en dat de vrijstellingen een afwijking van dit stelsel waren.
17
In deze context heeft de Commissie gesteld dat de situatie van een belastbare entiteit die de zeggenschap had over een CFC met passieve financiële winsten uit in aanmerking komende leningen vergelijkbaar was met een belastbare entiteit die de zeggenschap had over een CFC met andere passieve financiële winsten, in het bijzonder in het kader van leningen van deze CFC aan in het Verenigd Koninkrijk gevestigde, gelieerde vennootschappen, upstream loans genoemd, en van leningen van deze CFC aan derden, die het Verenigd Koninkrijk als money box loans (fictieve leningen) aanduidt.
18
De Commissie heeft eraan herinnerd dat een maatregel die afwijkt van het referentiestelsel niettemin kon worden gerechtvaardigd door de aard of de opzet van dat stelsel en dat het aan de betrokken lidstaat stond om het bestaan van die rechtvaardiging aan te tonen. Het Verenigd Koninkrijk had ten eerste aangegeven dat de betrokken vrijstellingen tot doel hadden ervoor te zorgen dat het stelsel beheersbaar en uitvoerbaar is. Ten tweede waarborgen zij de vrijheid van vestiging binnen de Europese Unie.
19
De Commissie heeft in dit verband aanvaard dat de betwiste regeling, voor zover zij op grond van het criterium van met het Verenigd Koninkrijk verbonden kapitaal werd toegepast op situaties binnen de werkingssfeer van hoofdstuk 5, kon worden geacht op de administratieve uitvoerbaarheid van de CFC-regels te zijn gericht.
20
Daarnaast sloot de Commissie uit dat deze regeling, voor zover zij van toepassing was op situaties die voldoen aan het criterium van de sleutelfuncties in het Verenigd Koninkrijk, gerechtvaardigd kon zijn door de noodzaak om te beschikken over uitvoerbare en beheersbare regels ter voorkoming van belastingontwijking of door de noodzaak om de in de Verdragen verankerde vrijheden te eerbiedigen.
21
Voorts heeft zij vastgesteld dat de betwiste regeling inmiddels verenigbaar was met de staatssteunregels als gevolg van de wijzigingen die in de CFC-regels waren aangebracht in het kader van de omzetting van richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt (PB 2016, L 193, blz. 1), en die op 1 januari 2019 in werking zijn getreden, waardoor het niet langer mogelijk was te verzoeken om de betrokken vrijstellingen voor winsten die voldeden aan het criterium van de sleutelfuncties in het Verenigd Koninkrijk.
22
Wat de verenigbaarheid van de betwiste regeling met de interne markt betreft, heeft de Commissie in wezen uiteengezet dat de krachtens die regeling verleende steun de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën niet vergemakkelijkte en derhalve niet onder artikel 107, lid 3, onder c), VWEU viel.
23
Tot slot heeft de Commissie gelast dat de in het kader van de betwiste regeling verleende steun van de begunstigden moest worden teruggevorderd, aangezien er geen sprake was van schending van de fundamentele beginselen van het Unierecht.
Beroepen bij het Gerecht en bestreden arrest
24
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 juni 2019, heeft het Verenigd Koninkrijk in zaak T-363/19 beroep ingesteld tot nietigverklaring van het litigieuze besluit.
25
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 juli 2019, heeft ITV het beroep in zaak T-456/19 tot nietigverklaring van dit besluit ingesteld.
26
Bij beslissing van 29 januari 2020 is het Verenigd Koninkrijk toegelaten tot interventie in zaak T-456/19 aan de zijde van ITV.
27
Bij beschikking van 24 november 2020, ITV/Commissie (T-456/19, EU:T:2020:640), heeft het Gerecht het verzoek van LSEGH om toelating tot interventie in zaak T-456/19 aan de zijde van ITV ingewilligd.
28
Bij beslissing van 21 juli 2021 zijn de zaken T-363/19 en T-456/19 gevoegd voor de mondelinge behandeling.
29
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht, na de zaken T-363/19 en T-456/19 te hebben gevoegd, de beroepen verworpen.
30
Daartoe heeft het Gerecht met name de voorwaarde inzake het bestaan van een selectief voordeel onderzocht door de analyse in drie stappen toe te passen die vereist is overeenkomstig het in punt 61 van het bestreden arrest aangehaalde arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a. (C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punten 57 en 58). Die analyse bestaat erin eerst het referentiestelsel te bepalen, vervolgens na te gaan of de betwiste regeling van dat stelsel afwijkt, gelet op het door deze regeling nagestreefde doel, en ten slotte vast te stellen of de betrokken lidstaat heeft aangetoond dat het door deze regeling ingevoerde onderscheid gerechtvaardigd was op grond dat het voortvloeide uit de aard of de opzet van het stelsel waarvan die regeling een onderdeel vormde. Aan de hand van deze drie stappen heeft het Gerecht in de punten 63 tot en met 203 van het bestreden arrest de vaststellingen in het litigieuze besluit met betrekking tot deze voorwaarde bevestigd.
31
In het bijzonder heeft het Gerecht in het kader van de in het voorafgaande punt van het onderhavige arrest bedoelde eerste stap de middelen afgewezen waarmee het Verenigd Koninkrijk en ITV betoogden dat de Commissie een beoordelingsfout had gemaakt door te concluderen dat het referentiestelsel uitsluitend bestond uit de CFC-regels en niet gevormd werd door het algemene stelsel van vennootschapsbelasting in het Verenigd Koninkrijk (hierna: ‘ASVB’).
32
In dit verband heeft het Gerecht in de eerste plaats opgemerkt dat het ASVB gegrond was op het territorialiteitsbeginsel, krachtens hetwelk uitsluitend in het Verenigd Koninkrijk behaalde winsten worden belast. Voorts heeft het opgemerkt dat de CFC-regels ertoe strekten dat winsten van een CFC die op grond van dat beginsel normaliter niet in het Verenigd Koninkrijk zouden worden belast, niettemin aldaar worden belast wanneer zij worden geacht kunstmatig buiten het Verenigd Koninkrijk te zijn verlegd. Het Gerecht heeft daaruit afgeleid dat de CFC-regels kunnen worden gescheiden van het ASVB (punten 77, 78 en 80–83 van het bestreden arrest).
33
In de tweede plaats heeft het Gerecht geoordeeld dat de CFC-regels kunnen worden beschouwd als een volledig corpus van regels dat losstaat van het ASVB, met name wat betreft de belastinggrondslag, de belastingplichtigen, het belastbare feit en het belastingtarief. Het heeft ook benadrukt dat deze regels voorzagen in een mechanisme ter voorkoming van dubbele belasting, dat niet relevant is voor de berekening van de belasting op basis van het ASVB (punten 85–90 van het bestreden arrest).
34
In het kader van de in punt 30 van het onderhavige arrest bedoelde tweede stap heeft het Gerecht in de eerste plaats de argumenten afgewezen waarmee het Verenigd Koninkrijk en ITV betoogden dat de belastingdienst van het Verenigd Koninkrijk geen voordeel kon verlenen door de toepassing van hoofdstuk 9, aangezien de bepalingen van dit hoofdstuk niet los van die van hoofdstuk 3 van deel 9 A TIOPA (hierna: ‘hoofdstuk 3’) en van hoofdstuk 5 konden worden beschouwd.
35
Daartoe was het Gerecht in wezen van oordeel dat in de regels van deel 9 A TIOPA criteria waren neergelegd om vast te stellen in welke situaties er sprake is van kunstmatige verlegging van winst, zoals met name in de situaties die vallen onder hoofdstuk 5. Dat betekende volgens het Gerecht dat, wanneer is voldaan aan een van de in deze regels neergelegde criteria, de door de betreffende CFC's behaalde winsten in het VK worden belast door middel van een CFC-heffing. Het heeft daaruit afgeleid dat het feit dat hoofdstuk 9 voorziet in vrijstellingen van deze heffing voor winsten die op grond van bovengenoemde criteria anders het voorwerp van deze heffing zouden zijn geweest, een voordeel vormde (punten 96 en 100–108 van het bestreden arrest).
36
In de tweede plaats heeft het Gerecht de argumenten onderzocht waarmee het Verenigd Koninkrijk en ITV, ondersteund door LSEGH, betoogden dat de Commissie ten onrechte had vastgesteld dat het doel van de CFC-regels beperkt bleef tot het belasten van kunstmatig verlegde winsten, terwijl deze regels in werkelijkheid waren bedoeld ter bescherming van de grondslag van de vennootschapsbelasting in het Verenigd Koninkrijk.
37
In dit verband heeft het Gerecht geoordeeld dat de bescherming van de grondslag van de vennootschapsbelasting in het Verenigd Koninkrijk een brede doelstelling was waarvan het specifiekere doel om kunstmatig buiten het Verenigd Koninkrijk verlegde winsten te belasten, deel uitmaakte. Het heeft benadrukt dat weliswaar verschillende maatregelen waren getroffen om deze belastinggrondslag te beschermen, maar dat uit het dossier bleek dat het specifieke doel van het relevante referentiestelsel, te weten de CFC-regels, erin bestond bij te dragen tot die bescherming door de kunstmatig buiten het Verenigd Koninkrijk verlegde winsten van CFC's te belasten (punten 109 en 114–120 van het bestreden arrest).
38
In de derde plaats heeft het Gerecht de argumenten onderzocht waarmee het Verenigd Koninkrijk en ITV, ondersteund door LSEGH, betoogden dat in wezen de betwiste regeling a priori niet selectief was, omdat de CFC-regels uitsluitend bij een verhoogd risico op misbruik of kunstmatige verlegging van winsten uit het Verenigd Koninkrijk een fiscale verplichting beoogden op te leggen.
39
Daartoe heeft het Gerecht met name opgemerkt dat de betrokken vrijstellingen van toepassing waren op de passieve financiële winsten van CFC's uit door hen verstrekte leningen, waarvoor was voldaan aan het criterium van de sleutelfuncties in het Verenigd Koninkrijk of aan het criterium van met het Verenigd Koninkrijk verbonden kapitaal (punt 131 van het bestreden arrest).
40
Na zijn onderzoek van de selectiviteit a priori is het Gerecht tot de slotsom gekomen dat de betrokken vrijstellingen, voor zover zij enkel van toepassing waren op de passieve financiële winsten van CFC's uit de in aanmerking komende leningen, met uitsluiting van winsten van met het Verenigd Koninkrijk verbonden ondernemingen en derde ondernemingen, leidden tot een verschillende behandeling van vergelijkbare situaties, zodat de Commissie geen beoordelingsfout had gemaakt door te concluderen dat er in casu sprake was van een voordeel en dat dit voordeel a priori selectief was (punten 167–182 van het bestreden arrest).
41
In het kader van de in punt 30 van het onderhavige arrest bedoelde derde stap heeft het Gerecht de argumenten afgewezen waarmee het Verenigd Koninkrijk en ITV betoogden dat de betrokken vrijstellingen gerechtvaardigd waren om redenen die verband hielden met, ten eerste, de administratieve uitvoerbaarheid en, ten tweede, de eerbiediging van de vrijheid van vestiging.
42
Wat in het bijzonder deze vrijheid betreft, heeft het Gerecht in herinnering gebracht dat het Hof in de punten 72 en 73 van het arrest van 12 september 2006, Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas (C-196/04, EU:C:2006:544), voor recht heeft verklaard dat de toentertijd geldende CFC-regels, voor zover op grond daarvan slechts volstrekt kunstmatige constructies werden belast, verenigbaar waren met de Verdragsbepalingen waarin de vrijheid van vestiging wordt gewaarborgd. Het Gerecht heeft daaruit afgeleid dat de CFC-heffing niet als een belemmering van de vrijheid van vestiging kon worden beschouwd en dat bijgevolg de betrokken vrijstellingen niet konden worden gerechtvaardigd door de noodzaak om de eerbiediging van die vrijheid te verzekeren, aangezien deze heffing zag op winsten die volgens het criterium van de sleutelfuncties in het Verenigd Koninkrijk moesten worden geacht kunstmatig te zijn verlegd (punten 200 en 201 van het bestreden arrest).
43
Gelet op een en ander heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie geen beoordelingsfouten had gemaakt door vast te stellen dat de betrokken vrijstellingen de begunstigden ervan een selectief voordeel verleenden.
Procedure bij het Hof en conclusies van partijen in de hogere voorzieningen
44
Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op respectievelijk 16, 17 en 25 augustus 2022, hebben het Verenigd Koninkrijk, ITV en LSEGH de onderhavige hogere voorzieningen ingesteld, die zijn ingeschreven onder respectievelijk de nummers C-555/22 P, C-556/22 P en C-564/22 P.
45
Bij beslissing van de president van het Hof van 6 oktober 2022 zijn de zaken C-555/22 P, C-556/22 P en C-564/22 P gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsook het arrest.
46
Het Verenigd Koninkrijk verzoekt het Hof:
- —
het bestreden arrest te vernietigen en zijn vorderingen voor het Gerecht toe te wijzen;
- —
subsidiair, het bestreden arrest in zijn geheel te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor afdoening, en
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten van deze hogere voorziening en van de procedure bij het Gerecht.
47
ITV verzoekt het Hof:
- —
het bestreden arrest te vernietigen voor zover het beroep is verworpen en zij in de kosten is verwezen;
- —
het litigieuze besluit nietig te verklaren, en
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten van deze hogere voorziening en van de procedure bij het Gerecht.
48
LSEGH verzoekt het Hof:
- —
het bestreden arrest te vernietigen;
- —
de zaak zelf af te doen en de litigieuze beslissing nietig te verklaren of, subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor afdoening overeenkomstig het arrest van het Hof, en
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten van deze procedure en die van de procedure voor het Gerecht, met inbegrip van de kosten van de interveniërende partijen.
49
De Commissie verzoekt het Hof:
- —
de hogere voorzieningen af te wijzen en
- —
het Verenigd Koninkrijk, ITV en LSEGH te verwijzen in de kosten.
Hogere voorzieningen
50
Het Verenigd Koninkrijk voert ter ondersteuning van zijn hogere voorziening vijf middelen aan: ten eerste, onjuiste rechtsopvatting, alsook verdraaiing en onjuiste kwalificatie van de feiten met betrekking tot de bepaling van het referentiestelsel; ten tweede, onjuiste rechtsopvatting, alsook verdraaiing en onjuiste kwalificatie van de feiten met betrekking tot het bestaan van een voordeel; ten derde, onjuiste rechtsopvatting, verdraaiing en onjuiste kwalificatie van de feiten, en niet-nakoming van de motiveringsplicht met betrekking tot selectiviteit; ten vierde, onjuiste rechtsopvatting, verdraaiing van de feiten en niet-nakoming van de motiveringsplicht met betrekking tot de administratieve uitvoerbaarheid, en ten vijfde, onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de vrijheid van vestiging.
51
ITV voert vier middelen aan: ten eerste, onjuiste bepaling van het referentiestelsel; ten tweede, onjuiste vaststelling van een selectief voordeel; ten derde, onjuiste behandeling van de rechtvaardiging van de betrokken vrijstellingen, en ten vierde, onjuiste toepassing van het arrest van 12 september 2006, Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas (C-196/04, EU:C:2006:544).
52
LSEGH voert vijf middelen aan: ten eerste, onjuiste rechtsopvatting inzake de bepaling van het referentiestelsel; ten tweede, onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de vaststelling van het doel van dat stelsel; ten derde, onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het bestaan van ongelijke behandeling van marktdeelnemers; ten vierde, schending van de artikelen 263 en 296 VWEU doordat het Gerecht niet is ingegaan op bepaalde middelen en zijn eigen motivering in de plaats heeft gesteld van die van de Commissie in het litigieuze besluit, en ten vijfde, onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de rechtvaardiging van de betrokken vrijstellingen.
53
Zoals de advocaat-generaal in de punten 41 tot en met 45 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, hebben de betwistingen van verzoekers — hoewel zij niet allen hetzelfde aantal middelen aanvoeren en elke verzoeker binnen die middelen meer of minder gewicht kan hebben toegekend aan bepaalde argumenten of specifieke argumenten heeft aangevoerd — in wezen betrekking op vier kwesties, te weten, ten eerste, de bepaling van het referentiestelsel; ten tweede, het bestaan van een selectief voordeel; ten derde, de rechtvaardiging van de betwiste regeling door de noodzaak om de administratieve uitvoerbaarheid van de CFC-regels mogelijk te maken, en ten vierde, de rechtvaardiging van die regeling door de noodzaak om de vrijheid van vestiging te eerbiedigen.
54
Daarnaast heeft de kern van de hogere voorzieningen betrekking op de betwisting van de afbakening van het referentiestelsel, met dien verstande dat de argumenten van rekwiranten betreffende de noodzaak om de hoofdstukken 5 en 9 gezamenlijk te lezen, voor zover zij de op risico gebaseerde benadering van het Verenigd Koninkrijk weergeven, ook relevant zijn voor de beoordeling van die betwisting, zelfs wanneer zij zijn geformuleerd of nader zijn uitgewerkt in het kader van de betwisting van het bestaan van een selectief voordeel of van de rechtvaardiging van de betrokken vrijstellingen door de noodzaak om de vrijheid van vestiging te eerbiedigen.
Betwisting van de bepaling van het referentiestelsel
Ontvankelijkheid
55
De Commissie stelt dat de beoordeling van het nationale recht een feitenkwestie is die tot de uitsluitende bevoegdheid van het Gerecht behoort, behalve wanneer de uitlegging van dat recht op een onjuiste opvatting van bewijzen berust. Zij erkent dat de juiste bepaling van het referentiestelsel, wat de eerste stap van de analyse van de selectiviteit van een nationale belastingmaatregel is, volgens de lessen die met name uit het arrest van 8 november 2022, Fiat Chrysler Finance Europe/Commissie (C-885/19 P en C-898/19 P, EU:C:2022:859), kunnen worden getrokken een rechtsvraag is, maar betoogt dat de door het Hof vastgestelde onjuiste opvatting in dat arrest geen betrekking had op de uitlegging van het nationale recht, maar op de vraag of het Gerecht bij de bepaling van dat stelsel rekening had gehouden met de passende gegevens.
56
In de onderhavige zaken stellen rekwiranten daarentegen niet dat het Gerecht zich op onjuiste gegevens heeft gebaseerd bij de beoordeling of de Commissie het referentiestelsel correct had afgebakend. Zij betwisten enkel de door het Gerecht gegeven uitlegging van het nationale recht, terwijl zij, om te bewerkstelligen dat hun betoog ontvankelijk wordt verklaard, moeten aantonen dat dit recht is verdraaid, in die zin dat het is uitgelegd op een wijze die kennelijk in strijd is met de inhoud van de relevante bepalingen of aan deze bepalingen een draagwijdte wordt toegekend die zij duidelijk niet hebben.
57
In dit verband zij eraan herinnerd dat de bevoegdheid van het Hof om uitspraak te doen op een hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht is vastgesteld in artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU. Volgens deze bepaling moet de hogere voorziening beperkt blijven tot rechtsvragen en wordt deze ingesteld ‘op de wijze en binnen de grenzen die in het Statuut [van het Hof van Justitie van de Europese Unie] worden bepaald’. In een opsomming van middelen die in dit kader kunnen worden aangevoerd, vermeldt artikel 58, eerste alinea, van dit Statuut dat de hogere voorziening gebaseerd kan zijn op schending van het recht van de Unie door het Gerecht.
58
Het Hof is in hogere voorziening met betrekking tot het onderzoek van de vaststellingen van het Gerecht betreffende de nationale wetgeving, die op het gebied van staatssteun feitelijke beoordelingen vormen, in beginsel enkel bevoegd om te onderzoeken of die nationale wetgeving onjuist is opgevat. Wel moet het Hof kunnen nagaan of dergelijke beoordelingen zelf geen schending van het Unierecht vormen door het Gerecht (arrest van 5 december 2023, Luxemburg e.a./Commissie, C-451/21 P en C-454/21 P, EU:C:2023:948, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59
De vraag of het Gerecht het relevante referentiestelsel correct heeft afgebakend en, bij uitbreiding, de bepalingen die dit stelsel vormen correct heeft uitgelegd, is echter een rechtsvraag die door het Hof kan worden getoetst in het stadium van de hogere voorziening. De argumenten die ertoe strekken de keuze van het referentiestelsel of de betekenis ervan in de eerste stap van de analyse van het bestaan van een selectief voordeel ter discussie te stellen, zijn ontvankelijk aangezien deze analyse voortvloeit uit een juridische kwalificatie van het nationale recht op basis van een Unierechtelijke bepaling (arrest van 5 december 2023, Luxemburg e.a./Commissie, C-451/21 P en C-454/21 P, EU:C:2023:948, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60
Indien wordt aangenomen dat het Hof niet kan vaststellen of het Gerecht zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting de afbakening van het relevante referentiestelsel en de uitlegging en de toepassing ervan als doorslaggevend criterium voor het onderzoek van het bestaan van een selectief voordeel heeft overgenomen, zou dat erop neerkomen dat wordt aanvaard dat het mogelijk is dat het Gerecht in voorkomend geval een bepaling van primair Unierecht, te weten artikel 107, lid 1, VWEU, heeft geschonden, zonder dat tegen deze schending kan worden opgekomen in het kader van een hogere voorziening, hetgeen in strijd is met artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, zoals in punt 57 van het onderhavige arrest is opgemerkt (arrest van 5 december 2023, Luxemburg e.a./Commissie, C-451/21 P en C-454/21 P, EU:C:2023:948, punt 79).
61
Bijgevolg moet worden geoordeeld dat rekwiranten ontvankelijk zijn in hun verzoek aan het Hof om na te gaan of het Gerecht, in het kader van de analyse betreffende het bestaan van een selectief voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, terecht de vaststelling van de Commissie heeft bevestigd dat het referentiestelsel beperkt is tot de regels die voor CFC's gelden.
Ten gronde
— Argumenten van partijen
62
Rekwiranten betogen in wezen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, het nationale recht onjuist heeft opgevat en het nationale recht onjuist heeft gekwalificeerd door — net als de Commissie in het litigieuze besluit — te oordelen dat de in deel 9 A TIOPA neergelegde CFC-regels, en niet het ASVB, het referentiestelsel vormden voor de bepaling of de betrokken vrijstellingen een selectief voordeel opleverden.
63
In dit verband betogen rekwiranten in de eerste plaats dat het Gerecht ten onrechte heeft aangenomen dat het ‘normaal’ was dat een onderneming die onder het ASVB valt, wordt belast over de behaalde winsten van een CFC uit activiteiten of activa in het Verenigd Koninkrijk. Volgens hen is dit stelsel, ten eerste, hoofdzakelijk, maar niet louter, territoriaal, in die zin dat — afgezien van enkele vrijstellingen, die met name betrekking hebben op dividenden die afkomstig zijn van buitenlandse dochtermaatschappijen — belasting wordt geheven over de winst die de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde belastingplichtigen wereldwijd hebben behaald. Ten tweede is dit stelsel gebaseerd op het beginsel dat ondernemingen afzonderlijk worden belast, enkel op basis van hun eigen winst, en niet op het beginsel van groepsinkomen. Een benadering waarbij de op CFC's toepasselijke regels als een ‘normaal’ belastingstelsel zouden worden gekwalificeerd, zou er noodzakelijkerwijs niet in slagen die regels in de relevante context te plaatsen, als een strikt afgebakende uitzondering op het algemene beginsel van een hoofdzakelijk territoriale belastingheffing.
64
Meer in het bijzonder zet ITV met name uiteen dat de betrokken vrijstellingen juist wegens de uitzonderlijke aard van de extraterritoriale belastingheffing zeer ruim zijn geformuleerd. Deze hebben namelijk tot doel de belasting van de door CFC's buiten het Verenigd Koninkrijk gegenereerde inkomsten in overeenstemming te brengen met de hoofdzakelijk territoriale aard van het ASVB. De wetgever van het VK heeft aan de CFC-heffing een potentieel ruime reikwijdte toegekend, maar heeft ook voorzien in vrijstellingen die dienen als ‘achterdeurtjes’, waardoor winsten van CFC's die in werkelijkheid de belastinggrondslag in het Verenigd Koninkrijk niet aantasten of geen volledig kunstmatig verlegde winsten vormen, niet aan deze heffing kunnen worden onderworpen.
65
LSEGH wijst erop dat de bepaling van het referentiestelsel volgens haar moet plaatsvinden na een objectief onderzoek van de inhoud, de onderlinge samenhang en de concrete effecten van de krachtens het nationale recht van die betrokken lidstaat toepasselijke voorschriften. Volgens haar moeten de CFC-regels betreffende passieve financiële winsten dus worden uitgelegd in samenhang met, met name, de regels inzake dividenden die in het Verenigd Koninkrijk gevestigde ondernemingen van hun buitenlandse dochtermaatschappijen ontvangen.
66
In de tweede plaats betogen rekwiranten dat de CFC-regels, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, niet los kunnen worden gezien van het ASVB, maar volgens de door het Verenigd Koninkrijk en ITV gebruikte formulering een uitzondering vormen op het territorialiteitsbeginsel dat het ASVB grotendeels kenmerkt, of, volgens de door LSEGH gebruikte formulering, een onlosmakelijk met het ASVB verbonden corrigerende maatregel is, die ertoe strekt de grondslag van de vennootschapsbelasting in het Verenigd Koninkrijk te beschermen tegen misbruik waarbij CFC's betrokken zijn.
67
Tot staving van hun betwisting van de door het Gerecht erkende scheidbaarheid van de CFC-regels betwisten het Verenigd Koninkrijk en, zij het minder gedetailleerd, ITV allereerst de vaststellingen in het bestreden arrest met betrekking tot de belastinggrondslag, de belastingplichtige, het belastbare feit en het belastingtarief.
68
Vervolgens betogen het Verenigd Koninkrijk en ITV dat het bestaan van regels ter voorkoming van internationale dubbele belasting geen specifiek kenmerk van de CFC-regels is, zoals het Gerecht heeft geoordeeld, maar een centraal kenmerk van het ASVB, zoals blijkt uit deel 2 TIOPA.
69
Ten slotte zet het Verenigd Koninkrijk uiteen dat deel 9 A TIOPA weliswaar specifieke bepalingen bevat voor de berekening van de CFC-heffing, maar dat deze regels in wezen in veel opzichten identiek zijn aan die van het ASVB.
70
In de derde plaats zijn rekwiranten van mening dat het Gerecht ten onrechte heeft vastgesteld dat hoofdstuk 9 voorziet in vrijstellingen van de CFC-heffing voor passieve financiële winsten van CFC's, die anders belastbaar zouden zijn op grond van hoofdstuk 5. Het Gerecht heeft de rol van het criterium van sleutelfuncties in het Verenigd Koninkrijk overschat door te oordelen dat alle passieve financiële winsten van een CFC die aan dat criterium voldoen, automatisch moeten worden gekwalificeerd als kunstmatig verlegd uit het Verenigd Koninkrijk en bijgevolg krachtens hoofdstuk 5 aan de CFC-heffing moeten worden onderworpen. Bepaalde soorten constructies, te weten in aanmerking komende leningen, houden geen hoog risico op kunstmatige verlegging van winsten in, ongeacht of sleutelfuncties in het Verenigd Koninkrijk worden uitgevoerd. Andere soorten constructies, te weten constructies die niet als in aanmerking komende leningen kunnen worden beschouwd, houden wel een dergelijk risico in, ook hier ongeacht of sleutelfuncties in het Verenigd Koninkrijk worden uitgevoerd.
71
In dat verband benadrukken rekwiranten dat hoofdstuk 5 respectievelijk hoofdstuk 9 geen regels en uitzonderingen op die regels bevatten, in die zin dat hoofdstuk 9 leidt tot een vermindering van de anders op grond van hoofdstuk 5 verschuldigde belasting. Deze twee hoofdstukken vullen elkaar aan en vormen een uniform en samenhangend geheel van regels voor de belasting van passieve financiële winsten van CFC's. Als geheel genomen bepalen deze hoofdstukken dus de werkingssfeer van de CFC-heffing, rekening houdend met de beoordeling van het risico voor de belastinggrondslag in het Verenigd Koninkrijk dat voortvloeit uit de herkomst en het gebruik van het kapitaal waarmee die passieve financiële winsten zijn gegenereerd.
72
In dit verband beroepen rekwiranten zich met name op section 371CB, leden 1 en 8, van hoofdstuk 3. ITV en LSEGH verwijzen ook naar section 371BB van hoofdstuk 2 van deel 9 A TIOPA (hierna: ‘hoofdstuk 2’).
73
In het bijzonder impliceert het feit dat section 371EA, lid 2, van hoofdstuk 5 naar section 371CB, lid 8, verwijst, volgens het Verenigd Koninkrijk en ITV met name dat, wanneer een CFC passieve financiële winsten genereert, eerst hoofdstuk 9 in aanmerking moet worden genomen, en dat enkel een passieve financiële winst die niet onder dat hoofdstuk valt, vervolgens op grond van hoofdstuk 5 moet worden onderzocht.
74
Het Verenigd Koninkrijk en, in wezen, ITV en LSEGH voegen daaraan toe dat de door de Commissie aangevoerde section 371IA van hoofdstuk 9 niet afdoet aan het feit dat in de eerste plaats dat hoofdstuk in aanmerking moet worden genomen.
75
Evenzo voeren rekwiranten argumenten aan waarmee zij het Gerecht in wezen verwijten geen rekening te hebben gehouden met het feit dat de CFC-regels in hun geheel en in het licht van hun doelstelling waren opgesteld volgens een benadering die is gebaseerd op de risicobeoordeling die de winsten van CFC's meebrengen voor de vennootschapsbelasting in het Verenigd Koninkrijk.
76
Het Verenigd Koninkrijk betoogt dat de CFC-regels tot doel hebben zowel uitholling van de grondslag — die voortvloeit uit het feit dat in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschappen die deel uitmaken van een groep de rente die zij aan niet in die staat gevestigde vennootschappen van dezelfde groep betalen, van hun winst kunnen aftrekken — als de winstverschuiving buiten die staat in de vorm van een kunstmatige verlegging te voorkomen.
77
ITV en, in wezen, LSEGH voeren aan dat de bepalingen van hoofdstuk 9 hun eigen beoordeling bevatten van het aan de in aanmerking komende leningen verbonden risico, die niet afhangt van het in hoofdstuk 5 bepaalde criterium van de sleutelfuncties in het Verenigd Koninkrijk.
78
ITV voegt daar in wezen aan toe dat deze bepalingen van hoofdstuk 9 noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat op grond van de CFC-regels alleen volstrekt kunstmatige constructies kunnen worden belast, overeenkomstig de lessen die kunnen worden getrokken uit het arrest van 12 september 2006, Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas (C-196/04, EU:C:2006:544).
79
De Commissie stelt in de eerste plaats dat het ASVB tot doel heeft in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschappen en niet-ingezeten vennootschappen met een vaste inrichting in die staat te belasten over hun winst afkomstig van in die staat gelegen activa of activiteiten. Wegens de grotendeels territoriale aard van dit stelsel is de buiten het Verenigd Koninkrijk behaalde winst in beginsel niet aan vennootschapsbelasting onderworpen. Aangezien vennootschappen van het Verenigd Koninkrijk er aldus toe kunnen worden aangezet om CFC's op te richten in landen met een gunstiger belastingregeling en de winsten afkomstig van in het Verenigd Koninkrijk gelegen activa of activiteiten kunstmatig te verleggen naar deze CFC's, heeft het Verenigd Koninkrijk specifieke regels vastgesteld om te voorkomen dat de grondslag van de vennootschapsbelasting via CFC's wordt uitgehold. Aan de hand van de CFC-regels kan op basis van door het Verenigd Koninkrijk gekozen criteria worden vastgesteld of er sprake is van een dergelijke verlegging, die voortvloeit uit het feit dat de door middel van een CFC behaalde winst afkomstig is van in het Verenigd Koninkrijk gelegen activa of activiteiten, zoals deze staat tijdens de administratieve procedure heeft bevestigd. Door de CFC-heffing over deze winsten kan het fiscale voordeel als gevolg van deze verlegging worden opgeheven.
80
In deze context benadrukt de Commissie dat het Gerecht niet heeft geoordeeld dat het ‘normaal’ is om alle winsten van CFC's te belasten, maar heeft opgemerkt dat de winsten van CFC's aan een CFC-heffing worden onderworpen, ofschoon zij zijn gegenereerd door een niet in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap, wanneer zij het resultaat zijn van een kunstmatige verlegging. De CFC-regels maken het ook mogelijk om winsten uit activa en activiteiten in het Verenigd Koninkrijk in de belastinggrondslag van die staat op te nemen die anders niet zouden worden opgenomen. De Commissie leidt hieruit af dat de CFC-heffing slechts van toepassing is in uitzonderlijke omstandigheden, namelijk wanneer er een voldoende groot risico op kunstmatige verlegging bestaat. Dat is het geval bij winsten die voldoen aan de criteria van hoofdstuk 5.
81
In de tweede plaats voert de Commissie aan dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de CFC-regels los konden worden gezien van het ASVB omdat zij, ten eerste, op een eigen logica berustten ten opzichte van het ASVB, en ten tweede, een aanvulling vormden op of een uitbreiding vormden van het ASVB, waarop zij geen uitzondering vormen, maar waarvan zij een verlengstuk zijn.
82
In dit verband betoogt de Commissie om te beginnen dat de scheidbaarheid van de CFC-regels niet alleen voortvloeit uit de bepalingen ervan betreffende de belastinggrondslag, de belastingplichtige, het belastbare feit en het belastingtarief, maar ook uit het feit dat deze regels het mogelijk maken rekening te houden met eventuele problemen van dubbele belasting die in het kader van het ASVB niet relevant zijn.
83
Vervolgens benadrukt de Commissie dat aan deze scheidbaarheid niet wordt afgedaan door het feit dat in de CFC-regels wordt verwezen naar bepalingen van het ASVB. Het is immers onrealistisch te verwachten dat deze regels volledig autonoom zijn.
84
Ten slotte wordt aan deze scheidbaarheid evenmin afgedaan door het vermeende verband tussen de CFC-regels en de regels op grond waarvan, ten eerste, de door CFC's aan in het Verenigd Koninkrijk gevestigde moedermaatschappijen uitgekeerde dividenden niet worden belast en, ten tweede, deze moedermaatschappijen bepaalde rente kunnen aftrekken.
85
In de derde plaats betoogt de Commissie dat de hoofdstukken 5 en 9 niet in onderlinge samenhang moeten worden gelezen. Volgens haar bevat hoofdstuk 5 algemene regels, in het bijzonder de criteria van de sleutelfuncties in het Verenigd Koninkrijk en van het met het Verenigd Koninkrijk verbonden kapitaal, aan de hand waarvan kan worden vastgesteld in welke situaties de autoriteiten van deze staat, bij de uitoefening van hun beoordelingsbevoegdheid, veronderstellen dat er een voldoende groot risico bestaat dat de door een CFC gegenereerde passieve financiële winsten kunstmatig buiten het Verenigd Koninkrijk verlegde winsten vormen en dus aan een CFC-heffing moeten worden onderworpen. Hoofdstuk 9 voert door middel van de betrokken vrijstellingen een gehele of gedeeltelijke afwijking van deze heffing in voor de passieve financiële winsten die de CFC's behalen door bepaalde soorten leningen te verstrekken, hoewel deze winsten normaliter onder hoofdstuk 5 vallen.
86
In deze context baseert de Commissie zich op section 371IA, lid 1, van hoofdstuk 9, waaruit blijkt dat de winsten waarop de betrokken vrijstellingen betrekking hebben, normaal gesproken onderworpen zouden zijn geweest aan een CFC-heffing op grond van hoofdstuk 5 en een subcategorie van de onder dat hoofdstuk vallende winsten zouden vormen. De leden 2 en 3 van deze section bevestigen deze stelling. Er is daarentegen geen enkele bepaling in deel 9 A TIOPA die de bewering van het Verenigd Koninkrijk ondersteunt dat passieve financiële winsten in de eerste plaats aan de criteria van hoofdstuk 9 moeten worden getoetst. In het bijzonder ondersteunt section 371CB, lid 8, van hoofdstuk 3, deze bewering niet. Hoe dan ook blijft de uitlegging dat hoofdstuk 5 vóór hoofdstuk 9 moet worden toegepast, binnen de grenzen van een redelijke beoordeling van de relevante bepalingen. Rekwiranten hebben dus niet aangetoond dat het Gerecht de nationale wetgeving heeft verdraaid.
87
Wat betreft de toepassing van de CFC-heffing op enkel de financiële winsten die een voldoende groot risico op kunstmatige verlegging vormen, heeft de Commissie aangevoerd dat de wetgever van het VK de CFC-regels heeft opgesteld op basis van de fundamentele premisse dat zij de winsten dekken die voortvloeien uit de activa en risico's die in het Verenigd Koninkrijk worden beheerd en gecontroleerd. Deze regels hebben dus een ruime werkingssfeer en kunnen betrekking hebben op situaties waarin het waarschijnlijk is dat de CFC om zuiver commerciële redenen is opgericht en het risico van kunstmatige verlegging van winsten van het Verenigd Koninkrijk gering is. Om met deze situaties rekening te houden, hebben de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk evenwel in hoofdstuk 3 criteria opgenomen om te bepalen of de door de CFC's behaalde winsten moeten worden onderzocht in het licht van de volgende hoofdstukken en de in overweging 19 van het litigieuze besluit genoemde vrijstellingen.
88
Indien de passieve financiële winsten van een CFC niet van dit onderzoek zijn vrijgesteld en niet onder deze vrijstellingen vallen, hoewel zij voldoen aan een van de criteria van hoofdstuk 5, zou hieruit volgen dat deze winsten volgens het door het Verenigd Koninkrijk zelf opgezette systeem moet worden geacht een voldoende hoog risico op kunstmatige verlegging in te houden om een CFC-heffing op te leggen. Op grond van dit hoofdstuk mogen alleen de verlegde winsten worden belast, zonder dat een verdere aanpassing op grond van hoofdstuk 9 vereist is om te voorkomen dat winsten worden belast die niet zijn verlegd.
89
Voorts erkent de Commissie dat de belastinggrondslag in het Verenigd Koninkrijk ook op een andere manier kan worden uitgehold dan door kunstmatige verlegging, met name door renteaftrek, maar stelt zij dat de bestrijding van de andere risico's van uitholling van deze grondslag niet onder de doelstelling van de CFC-regels valt en dat daartoe specifieke maatregelen kunnen worden of zijn vastgesteld.
— Beoordeling door het Hof
90
Er zij aan herinnerd dat maatregelen van de lidstaten op gebieden die niet zijn geharmoniseerd in het Unierecht, volgens vaste rechtspraak niet uitgesloten zijn van de werkingssfeer van de bepalingen van het VWEU die betrekking hebben op het toezicht op staatssteun. De lidstaten dienen zich dus te onthouden van de vaststelling van enige belastingmaatregel die met de interne markt onverenigbare staatssteun kan vormen (arrest van 8 november 2022, Fiat Chrysler Finance Europe/Commissie, C-885/19 P en C-898/19 P, EU:C:2022:859, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
91
In dat verband volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat een nationale maatregel slechts kan worden gekwalificeerd als ‘staatssteun’ in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU indien is voldaan aan alle hiernavolgende voorwaarden. Ten eerste moet het gaan om een maatregel van de staat of om een maatregel die met staatsmiddelen is bekostigd. Ten tweede moet deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Ten derde moet de maatregel de begunstigde een selectief voordeel verlenen. Ten vierde moet hij de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen (arrest van 8 november 2022, Fiat Chrysler Finance Europe/Commissie, C-885/19 P en C-898/19 P, EU:C:2022:859, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
92
Wat betreft de voorwaarde dat een selectief voordeel wordt verschaft, zij opgemerkt dat die voorwaarde vereist dat er wordt nagegaan of de betreffende nationale maatregel binnen het kader van een bepaalde juridische regeling ‘bepaalde ondernemingen of bepaalde producties’ kan begunstigen ten opzichte van andere ondernemingen of productietakken die zich uit het oogpunt van de met die regeling nagestreefde doelstelling in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden, waardoor zij een verschillende behandeling ondergaan die in wezen als discriminerend kan worden aangemerkt (arrest van 8 november 2022, Fiat Chrysler Finance Europe/Commissie, C-885/19 P en C-898/19 P, EU:C:2022:859, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
93
In dit verband dient te worden opgemerkt dat de Commissie, om een nationale belastingmaatregel als ‘selectief’ te kunnen kwalificeren, eerst moet vaststellen wat het referentiestelsel is — dat wil zeggen wat de ‘normale’ belastingregeling in de betrokken lidstaat is — en vervolgens moet aantonen dat de betreffende belastingmaatregel afwijkt van dit referentiestelsel doordat daarmee een verschil in behandeling wordt ingevoerd tussen marktdeelnemers die zich uit het oogpunt van de met dit referentiestelsel nagestreefde doelstelling in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden. Het begrip ‘staatssteun’ ziet evenwel niet op maatregelen die a priori selectief zijn omdat zij een verschil in behandeling invoeren tussen ondernemingen die zich bevinden in een feitelijke en juridische situatie die vergelijkbaar is uit het oogpunt van het doel van de betreffende juridische regeling, wanneer de betrokken lidstaat, in een derde fase, kan aantonen dat die verschillende behandeling gerechtvaardigd is omdat zij voortvloeit uit de aard of de opzet van het stelsel waarvan die maatregelen deel uitmaken (arrest van 8 november 2022, Fiat Chrysler Finance Europe/Commissie, C-885/19 P en C-898/19 P, EU:C:2022:859, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
94
In deze context zij eraan herinnerd dat de vaststelling van het referentiestelsel van groot belang is bij belastingmaatregelen, daar het bestaan van een economisch voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU slechts ten opzichte van een ‘normale’ belasting kan worden vastgesteld. De afbakening van de groep ondernemingen die zich in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden, is dus afhankelijk van de voorafgaande vaststelling van de rechtsregeling waarvan de doelstelling het oogpunt vormt van waaruit in voorkomend geval moet worden onderzocht in hoeverre de feitelijke en juridische situatie van de door de betrokken maatregel begunstigde ondernemingen vergelijkbaar is met die waarin de niet-begunstigde ondernemingen verkeren (arrest van 8 november 2022, Fiat Chrysler Finance Europe/Commissie, C-885/19 P en C-898/19 P, EU:C:2022:859, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
95
De vaststelling van het referentiestelsel, die moet plaatsvinden na een contradictoir debat met de betrokken lidstaat, moet voortvloeien uit een objectief onderzoek van de inhoud, de onderlinge samenhang en de concrete effecten van de krachtens het nationale recht van die staat toepasselijke normen. De selectiviteit van een fiscale maatregel kan niet worden vastgesteld aan de hand van een referentiestelsel dat bestaat uit enkele bepalingen uit het nationale recht van de betrokken lidstaat die kunstmatig uit een ruimer rechtskader zijn gelicht. Hieruit volgt dat, wanneer de fiscale maatregel in kwestie niet kan worden losgemaakt van het belastingstelsel van de betrokken lidstaat als geheel, dat stelsel als referentiestelsel moet worden genomen. Indien daarentegen blijkt dat een dergelijke maatregel duidelijk los te maken is van dit stelsel als geheel, kan niet worden uitgesloten dat het relevante referentiestelsel beperkter is dan dit stelsel, of dat de maatregel zelf dat stelsel vormt als deze een regel met een op zichzelf staande juridische logica vormt en het niet mogelijk is een coherent geheel van regels daarbuiten te identificeren (arrest van 6 oktober 2021, World Duty Free Group en Spanje/Commissie, C-51/19 P en C-64/19 P, EU:C:2021:793, punten 62 en 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
96
Er dient eveneens te worden opgemerkt dat het de betrokken lidstaat is die, buiten de gebieden waarop het belastingrecht van de Unie is geharmoniseerd, door de uitoefening van zijn exclusieve bevoegdheden op het gebied van directe belastingen en met inachtneming van zijn fiscale autonomie, de wezenlijke kenmerken vaststelt van de belasting, die in beginsel het referentiestelsel of de ‘normale’ belastingregeling bepalen op basis waarvan de selectiviteitsvoorwaarde moet worden onderzocht. Dat geldt met name voor de vaststelling van de belastinggrondslag, het belastbare feit en de eventuele vrijstellingen van deze belasting (arrest van 5 december 2023, Luxemburg e.a./Commissie, C-451/21 P en C-454/21 P, EU:C:2023:948, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
97
Hieruit volgt dat de Commissie bij de bepaling van het referentiestelsel voor de toepassing van artikel 107, lid 1, VWEU op belastingmaatregelen in beginsel verplicht is de uitlegging van de relevante bepalingen van nationaal recht te aanvaarden die de betrokken lidstaat in het kader van het in punt 95 van het onderhavige arrest bedoelde contradictoire debat heeft gegeven, voor zover deze uitlegging verenigbaar is met de bewoordingen van deze bepalingen (arrest van 5 december 2023, Luxemburg e.a./Commissie, C-451/21 P en C-454/21 P, EU:C:2023:948, punt 120).
98
De Commissie kan slechts van deze uitlegging afwijken indien zij kan aantonen dat in de rechtspraak of de administratieve praktijk van deze lidstaat een andere uitlegging overheerst, en zij zich dienaangaande baseert op betrouwbare en onderling overeenstemmende elementen waarover een contradictoir debat heeft plaatsgevonden (arrest van 5 december 2023, Luxemburg e.a./Commissie, C-451/21 P en C-454/21 P, EU:C:2023:948, punt 121).
99
Overeenkomstig artikel 4, lid 3, VEU rust op deze lidstaat een verplichting tot loyale samenwerking gedurende de gehele procedure voor het onderzoek van een maatregel in het kader van het Unierecht inzake staatssteun. Deze verplichting impliceert met name dat die lidstaat de Commissie te goeder trouw alle door haar gevraagde relevante informatie verstrekt over de uit de nationale rechtspraak of de administratieve praktijk voortvloeiende uitlegging van de relevante bepalingen van nationaal recht om het referentiestelsel te kunnen bepalen (arrest van 5 december 2023, Luxemburg e.a./Commissie, C-451/21 P en C-454/21 P, EU:C:2023:948, punt 122).
100
In het licht van deze beginselen moet worden nagegaan of rekwiranten hebben aangetoond dat het Gerecht ten onrechte heeft bevestigd dat het referentiestelsel in casu beperkt was tot de voor CFC's geldende regels, zoals de Commissie in het litigieuze besluit heeft vastgesteld.
101
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Gerecht in punt 80 van het bestreden arrest met betrekking tot de logica die ten grondslag ligt aan de CFC-regels heeft opgemerkt dat het ASVB gegrond is op het territorialiteitsbeginsel, ‘krachtens hetwelk uitsluitend in het Verenigd Koninkrijk behaalde winsten worden belast, namelijk de winsten van ondernemingen die daar zijn gevestigd of de winsten van buitenlandse ondernemingen uit hun activiteiten in het Verenigd Koninkrijk die zij door middel van een vaste inrichting in die staat hebben behaald’.
102
In punt 81 van het bestreden arrest heeft het Gerecht onderstreept dat ‘overeenkomstig de CFC-regels […] bepaalde door CFC's behaalde winsten die volgens het territorialiteitsbeginsel normaal niet in het Verenigd Koninkrijk [werden] belast, wel aldaar [konden] worden belast wanneer zij [werden] geacht kunstmatig buiten het Verenigd Koninkrijk te zijn verlegd’. In punt 82 van dat arrest is het Gerecht bijgevolg tot de slotsom gekomen dat de CFC-regels dus ‘[berustten] […] op een eigen logica ten opzichte van die van het [ASVB]’ en heeft het verduidelijkt dat ‘[h]et […] juist [is] dat deze logica een aanvulling of […] een uitbreiding [vormde] op het algemene, op het territorialiteitsbeginsel gestoelde [ASVB], maar [dat] zij […] er los van [stond]’.
103
In punt 83 van het bestreden arrest heeft het Gerecht om te beginnen toegevoegd dat de CFC-regels ‘geen uitzondering [vormden] op het algemene belastingstelsel; zij [konden] namelijk eerder als verlengstuk ervan worden beschouwd’, vervolgens dat deze regels ‘bedoeld [waren] om de winsten te belasten die kunstmatig buiten het Verenigd Koninkrijk [waren] verlegd en zo kunstmatig [hadden] geleid tot hogere winsten voor de CFC, die vervolgens dividenden [uitkeerde] die niet in het Verenigd Koninkrijk belast [werden]’ en tot slot dat ‘de logica van [die] regels […] gekoppeld [was] aan de verlegging van winsten naar CFC's, zodat die winsten in de praktijk buiten het Verenigd Koninkrijk worden behaald’. Het heeft geoordeeld dat het dus ging om ‘een andere logica dan die welke aan de basis ligt van het [ASVB], die [berustte] op in [het Verenigd Koninkrijk] behaalde winsten’.
104
In dit verband moet worden opgemerkt dat een element dat als ‘uitbreiding’, ‘aanvulling’ of ‘verlengstuk’ van een hoofdbestanddeel wordt gekwalificeerd, moeilijk kan worden geacht duidelijk van dat hoofdbestanddeel los te kunnen worden gezien of een opzichzelfstaande juridische logica in de zin van de in punt 95 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak te vormen.
105
Wegens de nauwe band die normaliter bestaat tussen deze twee elementen komt het feit dat zij los van elkaar worden gezien, er in beginsel namelijk op neer dat sommige bepalingen van het nationale recht van de betrokken lidstaat kunstmatig buiten het ruimere rechtskader vallen waarvan zij deel uitmaken, hetgeen in strijd is met de in punt 95 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte beginselen.
106
In casu staat vast dat het ASVB grotendeels territoriaal is, in die zin dat het, op enkele uitzonderingen na, bepaalt dat de wereldwijde winst van in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschappen of de winsten van buitenlandse vennootschappen afkomstig uit activiteiten die ze in het Verenigd Koninkrijk via een vaste vestiging in die staat behalen, belast worden. Tenzij aangevuld door andere regels, staat het ASVB dus niet toe dat winsten van CFC's van vennootschappen van het Verenigd Konikrijk worden belast, ondanks het door het Gerecht benadrukte feit dat die vennootschappen dividenden van hun CFC's ontvangen die in het Verenigd Koninkrijk niet belastbaar zijn op grond van bepalingen die binnen de werkingssfeer van het ASVB vallen.
107
Volgens rekwiranten vormen de CFC-regels in wezen een uitzondering op het territorialiteitsbeginsel, waarop het ASVB hoofdzakelijk berust, en zijn zij bedoeld om het ASVB aan te vullen met de CFC-heffing waaraan ondernemingen van het Verenigd Koninkrijk die CFC's controleren onderworpen zijn, op dezelfde wijze als wanneer zij door deze ondernemingen van het Verenigd Koninkrijk zouden zijn behaald, wanneer er een voldoende groot risico bestaat dat deze winsten voortvloeien uit constructies die leiden tot kunstmatige verlegging van winsten of uitholling van de grondslag van de vennootschapsbelasting in het Verenigd Koninkrijk. De betrokken vrijstellingen maken het daarentegen mogelijk dat de betrokken winsten, indien er geen sprake is van een voldoende groot risico, niet met een CFC-heffing worden belast, net zoals zij niet op grond van het ASVB worden belast, of dat deze heffing slechts op een deel van deze winst wordt toegepast, volgens een forfaitaire raming van de gevolgen van deze constructies voor de belastinggrondslag.
108
Indien deze uitlegging van de CFC-regels en van hun samenhang met het ASVB wordt gevolgd, moeten deze regels worden geacht dezelfde logica te volgen als het ASVB. Op grond van die uitlegging vormen zij namelijk een uitzondering op het territorialiteitsbeginsel, dat het ASVB grotendeels kenmerkt, om te voorkomen dat winsten die krachtens dit stelsel zouden worden belast indien er geen sprake is van verlegging of uitholling van de belastinggrondslag, aan de belastingdienst van het Verenigd Koninkrijk ontsnappen. Daarnaast hebben de betrokken vrijstellingen deel aan het grotendeels territoriale karakter van het ASVB in die zin dat de CFC-heffing niet of niet volledig wordt toegepast wanneer het risico van kunstmatige verlegging of uitholling van de belastinggrondslag voor de vennootschappen van het Verenigd Konikrijk niet groot genoeg is. Met andere woorden, volgens de uitlegging van rekwiranten kunnen het ASVB en de CFC-regels niet van elkaar worden losgemaakt in de zin van de in punt 95 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.
109
Er moet dus worden vastgesteld welke uitlegging van het nationale recht moet worden gevolgd: de uitlegging die aan het litigieuze besluit ten grondslag ligt, de uitlegging die door het Gerecht in het bestreden arrest is bevestigd, of de uitlegging die door de betrokken lidstaat wordt verdedigd.
110
In deze context moet worden opgemerkt dat uit de beginselen die zijn neergelegd in de in de punten 97 tot en met 99 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak volgt dat de uitlegging van de Commissie, wanneer zij met betrekking tot een steunregeling niet beschikt over rechtspraak of een administratieve praktijk van de betrokken lidstaat die haar eigen uitlegging van het nationale recht ondersteunt, en deze lidstaat haar tijdens de administratieve procedure heeft bevestigd dat dergelijke rechtspraak of een dergelijke praktijk niet bestaat, slechts voorrang kan krijgen op de door die lidstaat verdedigde uitlegging indien de Commissie kan aantonen dat de uitlegging van de lidstaat onverenigbaar is met de bewoordingen van de relevante bepalingen.
111
Wat het debat tussen de Commissie en het Verenigd Koninkrijk over de juiste uitlegging van de CFC-regels betreft, in het bijzonder wat de wisselwerking tussen hoofdstuk 5 en hoofdstuk 9 betreft, volgt uit hetgeen in punt 110 van het onderhavige arrest is gezegd, dat moet worden onderzocht of de uitlegging van het Verenigd Koninkrijk, die deze regels heeft vastgesteld, verenigbaar is met de bewoordingen van de relevante bepalingen ervan.
112
Zoals blijkt uit overweging 72 van het litigieuze besluit, had het Verenigd Koninkrijk aangevoerd dat de hoofdstukken 5 en 9 een aanpak weerspiegelden die was gebaseerd op de risico's en de impact van de verschillende regelingen op de belastinggrondslag in het VK. Evenzo heeft het Verenigd Koninkrijk de Commissie voor het Gerecht duidelijk verweten dat zij deze hoofdstukken, op basis waarvan constructies kunnen worden geïdentificeerd die een voldoende hoog risico van misbruik of kunstmatige verlegging inhouden, niet in hun onderlinge samenhang heeft gelezen.
113
In deze context wordt in hoofdstuk 2, section 371BB, lid 1, in de eerste plaats aangegeven welke stappen moeten worden gevolgd om overeenkomstig hoofdstuk 3 te bepalen of en, zo ja, welke van de hoofdstukken 4 tot en met 8 van deel 9 A TIOPA van toepassing zijn op de winsten van een CFC (stap 1), en in welke mate deze winsten onder een van die hoofdstukken vallen (stap 2). Vervolgens wordt in lid 2 bepaald dat lid 1 van toepassing is ‘onder voorbehoud’ van met name hoofdstuk 9.
114
Niets in deze punten, in hun onderlinge samenhang beschouwd, verzet zich tegen de door het Verenigd Koninkrijk verdedigde uitlegging van de CFC-regels volgens welke de hoofdstukken 5 en 9 elkaar aanvullen en samen de werkingssfeer van de CFC-heffing afbakenen, rekening houdend met de beoordeling van het risico dat passieve financiële winsten voortvloeien uit constructies die leiden tot kunstmatige verlegging van winsten of uitholling van de grondslag van de vennootschapsbelasting in het Verenigd Koninkrijk. Wanneer winsten aan de voorwaarden van hoofdstuk 9 voldoen, is het bijgevolg niet nodig om ze in het licht van de andere hoofdstukken van deel 9 A TIOPA te beoordelen. Wanneer hoofdstuk 9 van toepassing is, hoeft dus niet te worden nagegaan of de betrokken winsten voldoen aan een van de criteria van hoofdstuk 5, aangezien deze winsten, ongeacht of dat het geval is, op verzoek kunnen worden vrijgesteld volgens de regels van hoofdstuk 9.
115
In de tweede plaats wordt in hoofdstuk 3, section 371CB (waarin wordt beschreven hoe moet worden nagegaan of hoofdstuk 5 van toepassing is), lid 8, gepreciseerd dat ‘[i]n het geval van een belastingplichtige onderneming die een verzoek op grond van hoofdstuk 9 indient, […] de verwijzingen in de onderhavige section en hoofdstuk 5 naar de passieve financiële winsten van een CFC betrekking [hebben] op deze winsten, ook met uitsluiting van de winsten uit in aanmerking komende leningen (zoals gedefinieerd in hoofdstuk 9)’.
116
Zoals ter terechtzitting is bevestigd, is de aanwezigheid van het bijwoord ‘ook’ in section 371CB, lid 8, van hoofdstuk 3 toe te schrijven aan het feit dat de leden 2 tot en met 7 van deze section regels bevatten op grond waarvan bepaalde andere voordelen kunnen worden uitgesloten van de werkingssfeer van die section en van hoofdstuk 5.
117
Section 371CB verzet zich dus niet tegen de door het Verenigd Koninkrijk verdedigde uitlegging dat de leden 1 en 8 in wezen willen zeggen dat hoofdstuk 9 kan worden toegepast zonder hoofdstuk 5 in aanmerking te nemen.
118
In de derde plaats bepaalt section 371EA, lid 1, van hoofdstuk 5 dat de onder hoofdstuk 5 vallende winsten van een CFC voor de toepassing van stap 2 van section 371BB, lid 1, van hoofdstuk 2 haar passieve financiële winsten zijn voor zover zij aan de criteria van dat hoofdstuk voldoen. Section 371EA, lid 2, preciseert dat ‘[v]erwijzingen […] naar passieve financiële winsten moeten worden gelezen overeenkomstig section 371CB, lid 2, en, voor zover van toepassing, section 371CB, lid 8’.
119
Aangezien section 371EA verwijst naar section 371CB, lid 8, van hoofdstuk 3, kan die section, die volgens zijn opschrift de ‘basisregel’ bevat van hoofdstuk 5 (dat betrekking heeft op de passieve financiële winsten van CFC's), zo worden gelezen dat de toepassing van de in dat hoofdstuk vastgestelde criteria afhankelijk is van de voorwaarde dat de te onderzoeken passieve financiële winsten niet onder hoofdstuk 9 vallen, zodat de bewoordingen van die section verenigbaar zijn met de door het Verenigd Koninkrijk verdedigde uitlegging.
120
In de vierde plaats bepaalt section 371IA van hoofdstuk 9 in lid 1, onder a), dat dat hoofdstuk van toepassing is indien, ‘met uitzondering van dit hoofdstuk 5 […] van toepassing is’ op de winsten van een CFC. Lid 2 van die section voegt daaraan toe dat ‘een belastingplichtige vennootschap […] voor het boekjaar [kan] verzoeken […] om toepassing van stap 2 van section 371BB, lid 1 (voorwaarden voor de toepassing van de CFC-heffing), […] onder voorbehoud van dit hoofdstuk’. Lid 3 van die section verduidelijkt dat, indien deze vennootschap een verzoek indient, ‘de winsten uit in aanmerking komende leningen [moeten] voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van de CFC-heffing voor zover (en alleen voor zover) de winsten uit hoofde van dit hoofdstuk niet zijn vrijgesteld’.
121
Volgens de Commissie toont deze section aan dat met de passieve financiële winsten in hoofdstuk 9 die winsten worden bedoeld waarover overeenkomstig hoofdstuk 5 een CFC-heffing moet worden geheven indien er geen sprake is van de in hoofdstuk 9 bedoelde vrijstelling.
122
Er zij op gewezen dat deze uitlegging inhoudt dat hoofdstuk 9 voorziet in een vrijstelling van de belasting die in voorkomend geval verschuldigd is uit hoofde van hoofdstuk 5, wat volgens section 371IA, lid 3, van hoofdstuk 9 kan leiden tot de belasting van passieve financiële winsten die niet of niet volledig onder hoofdstuk 9 vallen. De toepassing van de betrokken vrijstellingen op passieve financiële winsten die, naast aan de voorwaarden van hoofdstuk 9, mogelijk aan een van de criteria van hoofdstuk 5 voldoen, is echter niet in strijd met de door het Verenigd Koninkrijk gegeven uitlegging, zoals samengevat in punt 114 van dit arrest. Wanneer en voor zover de passieve financiële winsten van een CFC voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk 9, kunnen zij namelijk geheel of gedeeltelijk van de CFC-heffing worden vrijgesteld, ook al voldoen zij aan een van de criteria van hoofdstuk 5, en wel op grond van het feit dat — volgens de beoordeling van de wetgever van het VK — indien aan deze voorwaarden is voldaan, kan worden uitgesloten dat er een voldoende groot risico bestaat dat deze winsten voortvloeien uit constructies die leiden tot kunstmatige verlegging van winsten of uitholling van de grondslag van de vennootschapsbelasting in het Verenigd Koninkrijk.
123
Bijgevolg kan op basis van de door de Commissie aangevoerde bepalingen van section 371IA van hoofdstuk 9 evenmin worden geoordeeld dat de door het Verenigd Koninkrijk gegeven uitlegging van de CFC-regels niet verenigbaar is met de bewoordingen van die regels.
124
Bovendien betoogt ITV in wezen dat bij de uitlegging van de CFC-regels rekening moet worden gehouden met de lessen die kunnen worden getrokken uit het arrest van 12 september 2006, Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas (C-196/04, EU:C:2006:544).
125
Uit het dictum van dat arrest volgt dat de artikelen 49 en 54 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de opneming in de belastinggrondslag van een in een lidstaat gevestigde, binnenlandse vennootschap van door een CFC in een andere lidstaat gemaakte winst wanneer deze winst daar lager wordt belast dan in eerstgenoemde lidstaat, tenzij dat enkel gebeurt in geval van een volstrekt kunstmatige constructie, opgezet om de normaliter verschuldigde nationale belasting te ontwijken. Bijgevolg moet een dergelijke belastingmaatregel buiten toepassing worden gelaten wanneer uit objectieve en door derden controleerbare elementen blijkt dat de betrokken CFC ondanks het bestaan van fiscale beweegredenen daadwerkelijk in de lidstaat van ontvangst is gevestigd en er daadwerkelijk economische activiteiten uitoefent.
126
De door rekwiranten aangevoerde uitlegging van de CFC-regels in deel 9 A TIOPA weerspiegelt deze beginselen, aangezien dat deel met de hoofdstukken 5 en 9 de winsten beoogt te belasten die voortvloeien uit misbruik, zoals volstrekt kunstmatige constructies, door belastingplichtigen de mogelijkheid te bieden een verzoek in te dienen om deze heffing te vermijden of te verlagen wanneer is voldaan aan bepaalde voorwaarden die volgens de nationale wetgever het risico op dergelijke constructies tenietdoen of verminderen.
127
Hieruit volgt dat de CFC-regels, in hun geheel beschouwd en in het bijzonder, wat betreft de passieve financiële winsten, de regels in de hoofdstukken 5 en 9, het ASVB aanvullen en daarbij dezelfde logica volgen, die grotendeels is gebaseerd op het territorialiteitsbeginsel, zoals de advocaat-generaal in de punten 87 tot en met 90 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt. De CFC-heffing wordt namelijk niet of slechts gedeeltelijk toegepast op passieve financiële winsten van CFC's, zoals die uit in aanmerking komende leningen, die onvoldoende territoriaal verbonden zijn met het Verenigd Koninkrijk en dus geen kunstmatig verlegde winst vormen of de grondslag van de vennootschapsbelasting van het Verenigd Koninkrijk uithollen.
128
Aan die vaststelling kan niet worden afgedaan door de overwegingen in de punten 85 en 90 van het bestreden arrest. Om tot het oordeel te komen dat de CFC-regels een volledig corpus vormden dat losstaat van het ASVB, heeft het Gerecht om te beginnen gewezen op de verschillen tussen het ASVB en deze regels met betrekking tot de belastinggrondslag, de belastingplichtige, het belastbare feit en het belastingtarief, vervolgens op de aanwezigheid in deel 9 A TIOPA van specifieke bepalingen betreffende de CFC-heffing, en ten slotte op het bestaan — in dat deel — van een mechanisme ter voorkoming van dubbele belasting.
129
Wat in dit verband ten eerste de belastinggrondslag betreft, tracht het Gerecht, zoals het Verenigd Koninkrijk benadrukt, ten onrechte een onderscheid te maken tussen winsten die in het Verenigd Koninkrijk zijn behaald en winsten die kunstmatig uit het Verenigd Koninkrijk zijn verlegd, om deze als verschillende belastinggrondslagen te behandelen. In beide gevallen komt de heffing namelijk overeen met de gerealiseerde winst.
130
Wat ten tweede de belastingplichtigen betreft, moet worden opgemerkt dat de CFC-heffing wordt geheven van de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde moedermaatschappijen, dat wil zeggen vennootschappen die eveneens in het Verenigd Koninkrijk aan vennootschapsbelasting zijn onderworpen. Het is juist dat het om een subgroep van in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschappen gaat, aangezien niet al deze vennootschappen noodzakelijkerwijs zeggenschap uitoefenen over CFC's waarvan de winst aanleiding geeft tot een CFC-heffing. Dat neemt niet weg dat binnen deze subgroep dezelfde vennootschappen zowel aan de vennootschapsbelasting als aan de CFC-heffing onderworpen zijn. Het Gerecht heeft dus ten onrechte geoordeeld dat er een relevant onderscheid bestond tussen de aan de CFC-heffing onderworpen belastingplichtigen en de belastingplichtigen onderworpen aan de uit het ASVB voortvloeiende belasting.
131
Ten derde, wat het belastbare feit betreft, was het Gerecht van oordeel dat een CFC-heffing wordt toegepast wanneer de CFC's buiten het Verenigd Koninkrijk winsten behalen via zuiver kunstmatige constructies of verleggingen van middelen of winsten die in het Verenigd Koninkrijk belast hadden moeten worden. Het heeft hieruit afgeleid dat het belastbare feit niet overeenkwam met het genereren van winst in het Verenigd Koninkrijk die belastbaar is krachtens het ASVB. Aldus heeft het Gerecht het begrip ‘belastbaar feit’ verkeerd uitgelegd, aangezien in beide gevallen het generen van winst door een persoon de gebeurtenis is die rechtvaardigt dat belasting wordt geheven bij deze persoon.
132
Ten vierde, wat de belastinggrondslag van de CFC-heffing betreft, deze is hetzelfde voor de belasting waarin het ASVB voorziet, zoals het Gerecht heeft erkend. Het Gerecht heeft daaraan toegevoegd dat er met betrekking tot de CFC-heffing een specifiek berekeningsmechanisme bestaat dat kan impliceren dat het gemiddelde wordt genomen van verschillende belastinggrondslagen die van toepassing zijn op de winsten van de in het Verenigd Koninkrijk belastingplichtige onderneming. Zoals het Verenigd Koninkrijk betoogt, zonder door de Commissie te worden weersproken, bestaat voor in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschappen de mogelijkheid een gemiddelde van verschillende tarieven te hanteren, zowel voor de CFC-heffing als voor de vennootschapsbelasting. Section 8, lid 5, van de Corporation Tax Act 2009 (wet van 2009 inzake de vennootschapsbelasting) voorziet namelijk in een mechanisme dat soortgelijk is aan het mechanisme dat voortvloeit uit section 371BC van hoofdstuk 2, waarnaar het Gerecht in punt 88 van het bestreden arrest verwijst.
133
Ten vijfde staat weliswaar vast dat deel 9 A TIOPA specifieke bepalingen bevat voor de berekening van de CFC-heffing, maar deze regels zijn in veel opzichten identiek aan die van het ASVB, zoals het Verenigd Koninkrijk betoogt en de Commissie erkent.
134
Wat ten zesde de dubbele belasting betreft, voeren het Verenigd Koninkrijk en ITV terecht aan dat deel 2 TIOPA aan deze problematiek is gewijd, zodat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat het bestaan van een mechanisme ter voorkoming van dubbele belasting een specifiek kenmerk van de CFC-regels was.
135
Uit al deze overwegingen volgt dat de CFC-regels een integraal onderdeel zijn van het ASVB en dat zij een aanvulling daarop vormen met dezelfde logica als het ASVB, namelijk dat winsten die voldoende territoriaal verbonden zijn met het Verenigd Koninkrijk daar aan de belasting worden onderworpen. Zoals rekwiranten met hun eerste in punt 53 van het onderhavige arrest bedoelde betwisting betogen, heeft het Gerecht dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te bevestigen dat het referentiestelsel voor de toetsing van de selectiviteit van de betrokken vrijstellingen aan artikel 107, lid 1, VWEU uitsluitend bestond uit de CFC-regels die in deel 9 A TIOPA waren opgenomen, zoals de Commissie in het litigieuze besluit had vastgesteld.
Conclusie inzake de hogere voorzieningen
136
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de vaststelling van het referentiestelsel het vertrekpunt is van het vergelijkende onderzoek dat moet worden uitgevoerd voor de beoordeling van de selectiviteit. Een fout in deze vaststelling tast noodzakelijkerwijs de geldigheid van het gehele onderzoek van de selectiviteitsvoorwaarde aan (arrest van 8 november 2022, Fiat Chrysler Finance Europe/Commissie, C-885/19 P en C-898/19 P, EU:C:2022:859, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
137
Bijgevolg volstaat de in het punt 135 van het onderhavige arrest vastgestelde onjuiste rechtsopvatting om het bestreden arrest in zijn geheel te vernietigen, zonder dat de andere in het punt 53 van het onderhavige arrest genoemde betwistingen hoeven te worden onderzocht.
Beroepen bij het Gerecht
138
Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, tweede volzin, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof, in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht, de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
139
Dit is in casu het geval, aangezien de middelen van de beroepen tot nietigverklaring van het litigieuze besluit op tegenspraak zijn behandeld voor het Gerecht en het onderzoek van deze middelen geen verdere maatregelen tot organisatie van de procesgang of instructiemaatregelen vergt.
140
In dit verband volstaat het op te merken dat het litigieuze besluit om de in de punten 90 tot en met 135 van het onderhavige arrest genoemde redenen nietig moet worden verklaard voor zover de Commissie het recht verkeerd heeft toegepast door het bestaan van een selectief voordeel vast te stellen aan de hand van een referentiestelsel dat beperkt is tot de CFC-regels die zijn opgenomen in deel 9 A TIOPA, terwijl deze regels niet los kunnen worden gezien van het ASVB.
141
Zoals volgt uit de in punt 136 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, zorgt een dergelijke fout in de vaststelling van de krachtens het relevante nationale recht daadwerkelijk toepasselijke regels en dus bij de vaststelling van de ‘normale’ belasting aan de hand waarvan de betrokken vrijstellingen moesten worden beoordeeld, noodzakelijkerwijs voor de aantasting van de gehele redenering inzake het bestaan van een selectief voordeel.
Kosten
142
Volgens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de proceskosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof de zaak zelf afdoet.
143
Artikel 138, lid 1, en artikel 140, lid 1, van dat Reglement, dat ingevolge artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, bepalen dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen, voor zover dit is gevorderd, en dat de lidstaten en de instellingen die in het geding zijn geïntervenieerd, hun eigen kosten dragen.
144
Aangezien het Verenigd Koninkrijk, ITV en LSEGH in deze zaak in het gelijk zijn gesteld met betrekking tot de hogere voorzieningen in de zaken C-555/22 P, C-556/22 P en C-564/22 P, moet de Commissie overeenkomstig hun conclusies worden verwezen in haar eigen kosten en in die van rekwiranten.
145
Aangezien de beroepen bij het Gerecht gegrond zijn verklaard, wordt de Commissie verwezen in haar eigen kosten, in die van het Verenigd Koninkrijk in zaak T-363/19 en in die van ITV en LSEGH in zaak T-456/19.
146
Het Verenigd Koninkrijk draagt zijn eigen kosten in zaak T-456/19.
Het Hof (Tweede kamer), rechtdoende, verklaart:
- 1)
Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 8 juni 2022, Verenigd Koninkrijk en ITV/Commissie (T-363/19 en T-456/19, EU:T:2022:349), wordt vernietigd.
- 2)
Besluit (EU) 2019/1352 van de Commissie van 2 april 2019 betreffende steunmaatregel SA.44896 van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot een CFC-vrijstelling inzake groepsfinanciering wordt nietig verklaard.
- 3)
De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten van de hogere voorzieningen in de zaken C-555/22 P, C-556/22 P en C-564/22 P.
- 4)
De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten in zaak T-363/19.
- 5)
De Europese Commissie draagt, naast haar eigen kosten, die van ITV plc, LSEGH (Luxembourg) Ltd en van London Stock Exchange Group Holdings (Italy) Ltd in zaak T-456/19.
- 6)
Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland draagt zijn eigen kosten in zaak T-456/19.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 19‑09‑2024
Conclusie 11‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Hogere voorziening — Staatssteun — Belastingafspraken — Steunregeling die door het Verenigd Koninkrijk ten behoeve van bepaalde multinationale groepen ten uitvoer is gelegd — Belastingregeling voor de financiering van groepen, die onder zeggenschap staande buitenlandse ondernemingen (CFC's) betreft — Vrijstellingen — Sleutelfuncties — Kunstmatige verlegging van winst — Uitholling van de belastinggrondslag — Besluit waarbij de steunregeling onverenigbaar met de interne markt en onrechtmatig wordt verklaard en de terugvordering van de reeds betaalde steun wordt gelast — Referentiestelsel — Toepasselijk nationaal recht — ‘Normale’ belastingheffing
L. Medina
Partij(en)
Gevoegde zaken C-555/22 P, C-556/22 P en C-564/22 P1.
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
tegen
Europese Commissie (C-555/22 P),
ITV plc
tegen
Europese Commissie (C-556/22 P),
en
LSEGH (Luxembourg) Ltd,
London Stock Exchange Group Holdings (Italy) Ltd
tegen
Europese Commissie (C-564/22 P)
1.
Met hun respectieve hogere voorzieningen verzoeken het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (C-555/22 P), ITV plc (C-556/22 P), en LSEGH (Luxembourg) Ltd en London Stock Exchange Group Holdings (Italy) Ltd (hierna gezamenlijk: ‘LSEGH’) (C-564/22 P) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van 8 juni 2022, Verenigd Koninkrijk en ITV/Commissie (T-363/19 en T-456/19, EU:T:2022:349) (hierna: ‘bestreden arrest’). Bij dat arrest zijn de beroepen van het Verenigd Koninkrijk en ITV tot nietigverklaring van besluit (EU) 2019/1352 van de Commissie2. verworpen.
2.
In het Verenigd Koninkrijk (hierna: ‘VK’) zijn in deel 9A van de Taxation (International and Other Provisions) Act 2010 [belastingwet van 2010 (internationale en andere bepalingen)] (hierna: ‘TIOPA’)3. belastingregels opgenomen voor zogenoemde controlled foreign companies (CFC's, onder zeggenschap staande buitenlandse ondernemingen). De TIOPA bevat regels betreffende de internationale aspecten van het stelsel van directe belasting van het VK, waaronder voorkoming van dubbele belastingheffing en diverse bepalingen tegen belastingontwijking.
I. Voorgeschiedenis van het geding
3.
De voorgeschiedenis van het geding is uiteengezet in de punten 1 tot en met 28 van het bestreden arrest en kan ten behoeve van deze conclusie als volgt worden samengevat.
A. Litigieus besluit
4.
De Europese Commissie heeft het litigieuze besluit vastgesteld nadat een krachtens artikel 108, lid 2, VWEU ingeleide formele onderzoeksprocedure was doorlopen. Zij heeft in dit besluit vastgesteld dat de vrijstellingsregeling inzake groepsfinanciering op grond van de in hoofdstuk 9 van deel 9A TIOPA opgenomen vrijstellingen (hierna: ‘hoofdstuk 9’), staatssteun vormde in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Die regeling gold namelijk voor passieve financiële winsten uit in aanmerking komende leenverhoudingen die onder deel 9A, hoofdstuk 5, section 371EB, vielen (hierna: ‘hoofdstuk 5’, ‘betwiste regeling’ of ‘betrokken vrijstellingen’). De betrokken vrijstellingen vormden volgens de Commissie een ‘steunregeling’ die onverenigbaar was met de interne markt en die het VK onrechtmatig, in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU, ten uitvoer had gelegd.
5.
De Commissie heeft evenwel besloten dat de betwiste regeling geen staatssteun vormde voor zover zij werd toegepast op passieve financiële winsten uit in aanmerking komende leenverhoudingen die onder hoofdstuk 5, section 371EC (kapitaalinvesteringen uit het VK; hierna: ‘criterium van met het VK verbonden kapitaal’), vielen en niet — op basis van het feit dat de sleutelfuncties4. in het VK werden uitgevoerd (hierna: ‘criterium van sleutelfuncties in het VK’) — onder section 371EB (Activiteiten in het VK) van dat hoofdstuk.
6.
De Commissie heeft zich in het litigieuze besluit geconcentreerd op het bestaan van een selectief voordeel. Zij heeft aldus vastgesteld dat een in het VK gevestigde onderneming — die anders (op grond van hoofdstuk 5) aan een CFC-heffing zou zijn onderworpen — in het kader van de betrokken vrijstellingen (op grond van hoofdstuk 9) een verzoek kon doen tot toepassing van deze CFC-heffing op slechts 25 % van de passieve financiële winsten van een CFC uit in aanmerking komende leenverhoudingen, hetgeen betekende dat 75 % van die winst van deze heffing werd vrijgesteld. Onder bepaalde voorwaarden kon deze onderneming tegen een nog lager percentage worden belast, zodat de vrijstelling kon oplopen tot 100 % van de desbetreffende winsten van de CFC.
7.
Wat de selectiviteit van de betrokken vrijstellingen betreft, heeft de Commissie vastgesteld dat de CFC-regels het referentiestelsel vormden en dat de vrijstellingen van dit stelsel afweken.
8.
De Commissie heeft in dit verband vastgesteld dat de situatie van een belastbare entiteit die de zeggenschap had over een CFC met passieve financiële winsten uit een in aanmerking komende leenverhouding vergelijkbaar was met de situatie van een belastbare entiteit die de zeggenschap had over een CFC met andere passieve financiële winsten, in het bijzonder in het kader van leningen die door CFC's werden verstrekt aan in het VK gevestigde gelieerde ondernemingen, ‘upstream loans’ genoemd, en leningen van CFC's aan derden, die het VK als ‘money box loans’ (fictieve leningen) aanduidt.
9.
De Commissie heeft eraan herinnerd dat een maatregel die afwijkt van het referentiestelsel niettemin kan worden gerechtvaardigd door de aard of de opzet van dat stelsel en dat het aan de lidstaat5. staat om het bestaan van die rechtvaardiging aan te tonen. Het VK heeft ten eerste betoogd dat de betrokken vrijstellingen de beheersbaarheid en uitvoerbaarheid van het systeem beoogden te waarborgen. Ten tweede verzekerden de vrijstellingen de uitoefening van de vrijheid van vestiging binnen de Unie.
10.
De Commissie heeft in dit verband aanvaard dat de betwiste regeling, voor zover zij op grond van het criterium van met het VK verbonden kapitaal werd toegepast op situaties binnen de werkingssfeer van hoofdstuk 5, kon worden geacht erop te zijn gericht de ‘administratieve uitvoerbaarheid’ van de CFC-regels te waarborgen. De betwiste regeling verzekerde dat met een CFC-heffing uitsluitend de winsten uit activa in het VK werden belast waarvan redelijkerwijs kon worden aangenomen dat zij kunstmatig buiten het VK werden verlegd, zonder dat ondernemingen en de belastingautoriteiten werden verplicht om, gelet op de fungibele aard van het kapitaal, buitensporig zware inspanningen te verrichten om de middelen te lokaliseren.
11.
De Commissie heeft daarentegen opgemerkt dat de betwiste regeling op het eerste gezicht een selectief voordeel had verschaft aan in het VK belastingplichtige ondernemingen met zeggenschap over een CFC die passieve financiële winsten behaalde uit in aanmerking komende leenverhoudingen in situaties waarin aan het criterium van sleutelfuncties in het VK was voldaan. De Commissie is tot de vaststelling gekomen dat een dergelijk prima facie selectief voordeel niet kon worden gerechtvaardigd door de noodzaak om te beschikken over uitvoerbare en beheersbare regels ter voorkoming van belastingontwijking, noch door de noodzaak om de vrijheden van de Verdragen te eerbiedigen.
12.
Voorts heeft zij erop gewezen dat, nadat de CFC-regels in het kader van de omzetting van richtlijn (EU) 2016/11646. in die zin waren gewijzigd dat de betrokken vrijstellingen voor de in het vorige punt bedoelde winsten niet langer konden worden aangevraagd, de betwiste regeling met ingang van 1 januari 2019 in overeenstemming was met de staatssteunregels.
13.
Wat de verenigbaarheid van de betwiste regeling met de interne markt betreft, heeft de Commissie in wezen aangegeven dat de in het kader van die regeling verleende steun niet de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën vergemakkelijkte, zodat hij niet onder artikel 107, lid 3, onder c), VWEU viel.
14.
Ten slotte heeft de Commissie gelast dat de uit hoofde van de betwiste regeling verleende steun van de begunstigden werd teruggevorderd.
II. Bestreden arrest
15.
Het Gerecht heeft de respectieve beroepen van de regering van het VK en ITV verworpen. Het was met name van oordeel dat was voldaan aan de voorwaarde inzake het bestaan van een selectief voordeel. Het heeft in dit kader de klassieke analyse uitgevoerd, die drie stappen kent: (i) bepalen van het referentiestelsel; (ii) nagaan of de betwiste regeling, gelet op het doel van het referentiestelsel, van dat stelsel afwijkt, en (iii) vaststellen of de lidstaat heeft aangetoond dat de door de steunregeling ingevoerde differentiatie gerechtvaardigd is aangezien zij voortvloeit uit de aard of de algemene opzet van het stelsel waarvan die regeling een onderdeel vormt.
A. Stap 1: referentiestelsel
16.
Het Gerecht heeft de middelen afgewezen waarmee het VK en ITV stelden dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt door vast te stellen dat het referentiestelsel uitsluitend bestond uit de ‘CFC-regels’ en niet uit het algemene vennootschapsbelastingstelsel van het VK (hierna: ‘algemeen VB-stelsel’).
17.
In dit verband heeft het Gerecht in de eerste plaats opgemerkt dat het algemene VB-stelsel gegrond is op het territorialiteitsbeginsel, krachtens hetwelk uitsluitend in het VK behaalde winsten worden belast. Vervolgens heeft het uiteengezet dat de CFC-regels bedoeld waren om ervoor te zorgen dat door een CFC behaalde winsten — die volgens dat beginsel normaal niet in het VK zouden worden belast — tóch aldaar worden belast (wanneer zij werden geacht kunstmatig buiten het VK te zijn verlegd en zo kunstmatig te hebben geleid tot hogere winsten voor de CFC, die vervolgens dividenden heeft uitgekeerd die in het VK niet worden belast). Het Gerecht heeft daaruit afgeleid dat de CFC-regels geen uitzondering vormden op het algemene VB-stelsel, maar een verlengstuk daarvan waren, of een uitbreiding met een andere logica, die losstond van de logica van dat stelsel.7.
18.
In de tweede plaats heeft het Gerecht onderzocht of de CFC-regels konden worden beschouwd als een volledig corpus van regels dat losstaat van het algemene VB-stelsel, met name wat betreft elementen als heffingsgrondslag, belastingplichtigen, belastbare feiten en belastingpercentages.
19.
Wat de heffingsgrondslag betreft, heeft het Gerecht in wezen opgemerkt dat de CFC-regels bedoeld zijn om boekhoudkundige winsten te belasten die buiten het VK door CFC's zijn behaald en kunstmatig buiten het VK zijn verlegd. Daarentegen wordt de vennootschapsbelasting in het VK geheven over winsten die in die staat door daar gevestigde ondernemingen zijn behaald.8.
20.
Wat de belastingplichtige betreft, heeft het Gerecht in wezen geoordeeld dat belastingplichtigen voor wie de CFC-regels gelden, verschillen van belastingplichtigen binnen het algemeen VB-stelsel, vanwege de bijzonderheid dat de CFC-regels van toepassing zijn wanneer in het VK gevestigde ondernemingen bepaalde belangen hebben in dochterondernemingen die buiten het VK zijn gevestigd.9.
21.
Wat het belastbare feit betreft, heeft het Gerecht geoordeeld dat de bepalende factor voor het opleggen van de CFC-heffing de kunstmatige verlegging van winsten buiten het VK is, terwijl binnen het algemene VB-stelsel belasting moet worden betaald over winst die in het VK is behaald.10.
22.
Wat het belastingtarief betreft, heeft het Gerecht weliswaar erkend dat de CFC-regels niet voorzagen in een specifiek tarief voor CFC-winsten maar verwezen naar het door het algemene VB-stelsel bepaalde tarief, doch was het van oordeel dat de CFC-heffing in haar geheel het resultaat is van een specifiek berekeningsmechanisme waarbij in voorkomend geval het gemiddelde wordt berekend van meerdere belastingtarieven die van toepassing zijn op winsten van de in het VK belastingplichtige verbonden vennootschap.11.
23.
Voorts heeft het Gerecht erop gewezen dat de CFC-regels specifieke bepalingen bevatten voor de berekening van de CFC-heffing, de organisatie en de inning daarvan en, meer in het bijzonder, de verhouding tussen enerzijds die heffing en anderzijds de belastingen die de in het VK gevestigde onderneming en de CFC in haar land van vestiging moet betalen, respectievelijk heeft betaald. Bovendien heeft het Gerecht benadrukt dat er, bij de berekening van het bedrag van de belasting die de ingezeten onderneming moest betalen op grond van de door haar CFC behaalde winsten, was voorzien in aftrek van de eventuele belastingen die in de staat van vestiging van de CFC waren betaald.12.
B. Stap 2: bestaan van een voordeel en prima-facieselectiviteit van de betwiste regeling
24.
In de eerste plaats was het Gerecht in wezen van oordeel dat in de regels van deel 9A TIOPA criteria waren neergelegd om vast te stellen in welke situaties er sprake is van kunstmatige verlegging van winst, zoals onder meer in de situaties die vallen onder hoofdstuk 5 daarvan. Dit betekende volgens het Gerecht dat, wanneer was voldaan aan een van de in deze regels neergelegde criteria, de door de betreffende CFC's behaalde winsten in het VK werden belast door middel van een CFC-heffing. Het Gerecht heeft hieruit afgeleid dat de in hoofdstuk 9 opgenomen vrijstellingen van deze heffing voor winsten die er anders op grond van voornoemde criteria aan onderworpen zouden zijn geweest, een voordeel vormden, en geen aanpassing van de belasting op winsten van CFC's of een afbakening van de belastbaarheid van die winsten.
25.
In de tweede plaats heeft het Gerecht in wezen geoordeeld dat de CFC-regels tot doel hadden de grondslag van de Britse vennootschapsbelasting te beschermen door belasting te heffen over winst uit activiteiten en activa in het VK die kunstmatig naar CFC's was verlegd.
26.
In de derde plaats heeft het Gerecht in wezen geoordeeld dat de vrijstellingsregeling inzake groepsfinanciering in het licht van de doelstelling van het referentiestelsel prima facie selectief was.
C. Stap 3: bestaan van rechtvaardigingen voor de betrokken vrijstellingen
27.
De argumenten van het VK en ITV dat de betrokken vrijstellingen gerechtvaardigd waren, zijn door het Gerecht afgewezen.
28.
Wat de eerste rechtvaardiging betreft, heeft het Gerecht om te beginnen vastgesteld dat uit de antwoorden op de raadpleging die door de autoriteiten van het VK voorafgaand aan de vaststelling van de CFC-regels was gehouden weliswaar blijkt dat met name het voorstel voor een gedeeltelijke vrijstelling van 75 % door een meerderheid werd gesteund omdat het eenvoudig en gemakkelijk toepasbaar was, maar dat het VK, in plaats van bewijsmateriaal aan te dragen waarmee kon worden bepaald wat de administratieve kosten zijn voor de identificatie en lokalisatie van sleutelfuncties in het kader van intragroepsleningen, slechts algemene stellingen naar voren heeft gebracht. Het Gerecht heeft er ook op gewezen dat, in het kader van de vraag hoe moeilijk het was om voor intragroepsleningen met passieve financiële winsten de sleutelfuncties te identificeren en lokaliseren, niet is aangetoond dat het percentage van 75 % vrijstelling nodig of passend was.
29.
Wat de tweede rechtvaardigingsgrond betreft, heeft het Gerecht uit het arrest Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas13. afgeleid dat de CFC-heffing geen belemmering vormde van de vrijheid van vestiging, aangezien deze heffing van toepassing was op winsten die, gelet op het criterium van sleutelfuncties in het VK, moesten worden geacht kunstmatig te zijn verlegd. Het Gerecht heeft derhalve geoordeeld dat het waarborgen van de vrijheid van vestiging geen rechtvaardiging vormde voor de betrokken vrijstellingen.
III. Beoordeling van de hogere voorzieningen
A. Ontvankelijkheid
30.
De Commissie stelt dat het nationale recht een feitenkwestie is die tot de uitsluitende bevoegdheid van het Gerecht behoort, behalve wanneer de uitlegging van dat recht op een onjuiste opvatting van bewijzen berust. Zij erkent dat ingevolge het arrest Fiat14. de juiste bepaling van het referentiestelsel een rechtsvraag is, maar betoogt dat in dat arrest de door het Hof vastgestelde onjuiste opvatting betrekking had op de vraag of het Gerecht bij die bepaling rekening had gehouden met passende elementen, en niet op de uitlegging van het nationale recht. In de onderhavige zaken stellen rekwiranten daarentegen niet dat het Gerecht zich op onjuiste elementen heeft gebaseerd bij de beoordeling of de Commissie het referentiekader correct heeft afgebakend.
31.
Het VK, ITV en LSEGH betwisten deze argumenten en betogen dat de hogere voorzieningen ontvankelijk zijn.
32.
In de eerste plaats herinner ik eraan dat het Hof, volgens het arrest Fiat (punt 82), ‘in hogere voorziening met betrekking tot het onderzoek van de vaststellingen van het Gerecht betreffende de nationale wetgeving, welke op het gebied van staatssteun feitelijke beoordelingen vormen, enkel bevoegd [is] om te onderzoeken of die nationale wetgeving onjuist is opgevat’.
33.
Dit neemt echter niet weg dat het Hof moet kunnen nagaan of bovenbedoelde beoordeling op zichzelf geen onjuiste opvatting van het Unierecht vormt.15.
34.
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt immers dat ‘[d]e vraag of het Gerecht het relevante referentiekader correct heeft afgebakend […] een rechtsvraag [is] die door het Hof kan worden getoetst in het stadium van de hogere voorziening. De argumenten die ertoe strekken de keuze van het referentiekader […] in de eerste fase van de analyse van het bestaan van een selectief voordeel ter discussie te stellen, zijn immers ontvankelijk aangezien deze analyse voortvloeit uit een juridische kwalificatie van het nationale recht op basis van een Unierechtelijke bepaling’.16.
35.
In deze rechtspraak is namelijk uiteengezet dat, ‘[z]ou worden aangenomen dat het Hof niet kan vaststellen of het Gerecht zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting de afbakening van het relevante referentiekader en de uitlegging en de toepassing ervan als doorslaggevend criterium voor het onderzoek van het bestaan van een selectief voordeel heeft overgenomen, […] dit erop [zou] neerkomen dat wordt aanvaard dat het mogelijk is dat het Gerecht in voorkomend geval een bepaling van primair Unierecht, te weten artikel 107, lid 1, VWEU, heeft geschonden, zonder dat tegen deze schending kan worden opgekomen in het kader van een hogere voorziening, hetgeen in strijd is met artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU’.17.
36.
Bovendien is het Hof, wanneer het Gerecht feiten heeft vastgesteld of deze heeft beoordeeld, krachtens artikel 256 VWEU bevoegd om toezicht uit te oefenen op de wijze waarop die feiten juridisch zijn gekwalificeerd, welke bevoegdheid zich zou uitstrekken tot de beoordeling van de inhoud van nationale wetgeving wanneer er sprake is van een onjuiste opvatting daarvan. Het Hof moet kunnen toetsen of het Gerecht ‘tot vaststellingen is gekomen die duidelijk in strijd zijn met de inhoud van de betrokken bepalingen van [nationaal] recht’ of aan deze bepalingen een betekenis heeft toegekend die zij kennelijk niet hebben.18. Bijgevolg zijn de afbakening van het referentiestelsel en, bij uitbreiding, de vraag of het Gerecht de nationale wetgeving onjuist heeft opgevat, rechtsvragen die door het Hof kunnen worden getoetst in het stadium van de hogere voorziening.19.
37.
De onderhavige hogere voorzieningen zijn dan ook ontvankelijk.
B. Ten gronde
38.
Het VK voert ter ondersteuning van zijn hogere voorziening (zaak C-555/22 P) vijf middelen aan: (i) onjuiste rechtsopvatting, onjuiste opvatting en kwalificatie van de feiten met betrekking tot de bepaling van het referentiestelsel; (ii) onjuiste rechtsopvatting, onjuiste opvatting en kwalificatie van de feiten met betrekking tot het bestaan van een voordeel; (iii) onjuiste rechtsopvatting, onjuiste opvatting en kwalificatie van de feiten en schending van de motiveringsplicht met betrekking tot selectiviteit; (iv) onjuiste rechtsopvatting, onjuiste opvatting en kwalificatie van de feiten met betrekking tot administratieve uitvoerbaarheid, en (v) onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de vrijheid van vestiging.
39.
Voorts voert ITV in hogere voorziening (zaak C-556/22 P) vier middelen aan: (i) onjuiste bepaling van het referentiestelsel; (ii) onjuiste vaststelling van een selectief voordeel; (iii) onjuiste behandeling van de rechtvaardiging voor de betrokken vrijstellingen, en (iv) onjuiste toepassing van het arrest Cadbury.
40.
Ten slotte voert LSEGH in hogere voorziening (zaak C-564/22 P) vijf middelen aan: (i) onjuiste rechtsopvatting inzake de bepaling van het referentiestelsel; (ii) onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de vaststelling van het doel van dat stelsel; (iii) onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het bestaan van ongelijke behandeling van marktdeelnemers; (iv) schending van de artikelen 263 en 296 VWEU doordat het Gerecht niet is ingegaan op bepaalde middelen en zijn eigen motivering in de plaats heeft gesteld van die van de Commissie in het litigieuze besluit, en (v) onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de rechtvaardiging van de betrokken vrijstellingen.
41.
Rekwiranten voeren niet allemaal hetzelfde aantal middelen aan en elke rekwirant kan binnen die middelen meer of minder gewicht hebben toegekend aan bepaalde argumenten, of specifieke argumenten hebben aangevoerd, maar hun argumenten zijn niettemin gebaseerd op vier elementen: (i) de bepaling van het referentiestelsel; (ii) het bestaan van een selectief voordeel; (iii) de rechtvaardiging voor de betwiste regeling als noodzakelijk om de CFC-regels administratief uitvoerbaar te maken, en (iv) de rechtvaardiging voor die regeling in verband met de eerbiediging van de vrijheid van vestiging.
42.
Opgemerkt zij dat de hogere voorzieningen hoofdzakelijk betrekking hebben op het eerste element, het referentiestelsel.
43.
Daarom zal ik de verschillende argumenten van rekwiranten samen behandelen in het licht van deze vier elementen (die onder de drie opeenvolgende stappen van de analyse van het Gerecht vallen, waarbij de laatste twee elementen stap 3 van de analyse vormen).
44.
De argumenten van rekwiranten dat de hoofdstukken 5 en 9 in onderlinge samenhang moeten worden gelezen, aangezien deze de risicogebaseerde benadering van het VK weergeven, zijn niet alleen relevant voor de beoordeling van het bestaan en de rechtvaardiging van een selectief voordeel, maar ook voor de afbakening van het juiste referentiestelsel zelf.
45.
Voorts zal ik mij reeds in het onderdeel van mijn conclusie betreffende het referentiestelsel buigen over een aantal argumenten van rekwiranten inzake het derde en het vierde element, die eigenlijk stap 3 van de analyse betreffen.20. Dit is in zoverre gerechtvaardigd dat er een nauw verband bestaat tussen, enerzijds, de argumenten inzake de bepaling van het toepasselijke referentiestelsel, en, anderzijds, de argumenten waarmee wordt getracht een gecombineerde lezing van de hoofdstukken 5 en 9 te rechtvaardigen en volgens welke de betrokken vrijstellingen moeten worden beschouwd als vergelijkbaar met de filters van deel 9A, hoofdstuk 3, TIOPA (hierna: ‘hoofdstuk 3’) en met ‘vrijstellingen op entiteitsniveau’.
1. Eerste middel van de hogere voorzieningen van het VK en ITV en eerste en tweede middel van de hogere voorziening van LSEGH — stap 1 (bepaling van het referentiestelsel)
a) Argumenten van partijen
46.
Het VK stelt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en/of het Unierecht heeft geschonden aangezien het de onderliggende feiten onjuist heeft opgevat en deze juridisch onjuist heeft gekwalificeerd door te oordelen dat de Britse CFC-regels als referentiestelsel moesten worden beschouwd.
47.
ITV voert aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en/of een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat de Commissie geen fout heeft gemaakt bij haar keuze van het referentiestelsel voor de analyse van de vraag of inbreuk is gemaakt op de bepalingen inzake staatssteunmaatregelen van de artikelen 107 en 108 VWEU.
48.
LSEGH betoogt ten eerste dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het nationale recht onjuist op te vatten en bewijselementen buiten beschouwing te laten in de zin dat het de Britse CFC-regels in deel 9A TIOPA als referentiestelsel heeft aangemerkt in plaats van het algemene VB-stelsel, waarvan deze regels een onlosmakelijk onderdeel zijn. Ten tweede heeft het Gerecht, zelfs indien de Britse CFC-regels het referentiestelsel zouden vormen, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de vaststelling van het doel van het referentiestelsel en heeft het daardoor de bepalingen van hoofdstuk 5 ten onrechte aangemerkt als bepalend voor de ‘normale’ belasting van passieve financiële winsten, zodat de vrijstellingsregeling inzake groepsfinanciering in hoofdstuk 9 een ‘voordeel’ opleverde.
49.
De Commissie betwist de argumenten van rekwiranten en stelt in wezen dat het Gerecht niet heeft geoordeeld dat het ‘normaal’ was om alle winsten van CFC's te belasten, maar heeft vastgesteld dat hun winsten onderworpen waren aan een CFC-heffing, hoewel deze winsten, wanneer zij het resultaat waren van een kunstmatige verlegging, door een niet-Britse vennootschap waren behaald. De CFC-regels maken het dus mogelijk om winsten uit activa en activiteiten in het VK in de Britse belastinggrondslag op te nemen die het land anders zou mislopen. De Commissie betoogt in wezen dat in het geval van winsten die onder de ‘vrijstellingen op entiteitsniveau’ vallen, geen grote verleggingsrisico's kunnen bestaan, terwijl die er wel kunnen zijn met betrekking tot winsten die onder de betrokken vrijstellingen vallen, die aan de criteria van hoofdstuk 5 voldoen.
b) Beoordeling
1) Inleiding
50.
Aangaande het referentiekader betogen rekwiranten in wezen dat de Commissie, die de CFC-regels als een ‘normaal’ belastingstelsel heeft gekwalificeerd, deze regels niet in de juiste context heeft geplaatst, waarbinnen zij een strikt afgebakende uitzondering op, en een onderdeel van, het algemene VB-stelsel vormen. Laatstgenoemd stelsel is grotendeels territoriaal en voorziet in beginsel alleen in belastingheffing over de winsten die in het VK gevestigde vennootschappen zelf hebben behaald. De CFC-regels kunnen niet los worden gezien van het algemene VB-stelsel: zij vormen een corrigerende maatregel die onlosmakelijk verbonden is met dat stelsel en die bedoeld is om de grondslag van de vennootschapsbelasting in het VK te beschermen tegen misbruik rond CFC's. Volgens rekwiranten zijn de betrokken vrijstellingen zeer ruim geformuleerd, zodat wordt gewaarborgd dat de passieve financiële winsten van CFC's niet (volledig) aan de CFC-heffing zijn onderworpen wanneer het risico voor de Britse belastinggrondslag gering is en de uitzondering op het territorialiteitsbeginsel in die heffing derhalve niet gerechtvaardigd is. Deze vrijstellingen zijn vergelijkbaar met de vrijstellingen op entiteitsniveau en met de filters van hoofdstuk 3. Volgens rekwiranten moet ook rekening worden gehouden met het feit dat hoofdstuk 4, dat betrekking heeft op de toepassing van de CFC-heffing op de commerciële financiële winsten van CFC's, in vrijstellingen voorziet, terwijl hoofdstuk 5 zelf niet in vrijstellingen voorziet.
51.
Zoals ik in punt 45 van deze conclusie heb opgemerkt, hangen deze argumenten nauw samen met de argumenten van rekwiranten dat ten onrechte wordt aangenomen dat hoofdstuk 5 criteria bevat om te bepalen welke passieve financiële winsten van CFC's als kunstmatig verlegd moeten worden aangemerkt, terwijl in hoofdstuk 9 vrijstellingen zijn vastgelegd voor bepaalde winsten die anders op grond van hoofdstuk 5 aan een CFC-heffing zouden zijn onderworpen. Rekwiranten betogen dat deze twee hoofdstukken elkaar aanvullen en een uniform en samenhangend geheel van regels vormen voor de belastingheffing op de passieve financiële winsten van CFC's. Als geheel genomen bepalen voornoemde hoofdstukken dus de reikwijdte van de CFC-heffing, waarbij rekening wordt gehouden met de beoordeling van het risico voor de belastinggrondslag in het VK dat voortvloeit uit de herkomst en het gebruik van het kapitaal waarmee die passieve financiële winsten zijn gegenereerd.
52.
Voorts betogen rekwiranten dat de CFC-regels moeten worden gelezen in samenhang met de bepalingen van het algemene VB-stelsel, volgens welke, ten eerste, de dividenden die CFC's uitkeren aan in het VK gevestigde moedermaatschappijen niet belastbaar zijn en, ten tweede, die maatschappijen de rente op hun leningen kunnen aftrekken, zelfs wanneer de aldus geleende middelen worden gebruikt om een CFC te financieren.
2) Rechtspraak met betrekking tot de bepaling van het referentiestelsel
53.
Het Hof heeft geoordeeld dat ‘de vaststelling van het referentiekader van groot belang is bij belastingmaatregelen, daar het bestaan van een economisch voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU slechts ten opzichte van een ‘normale’ belasting kan worden vastgesteld’.21.
54.
Bovendien is het ‘van belang dat de gewone fiscale regeling of het toepasselijke referentiestelsel in de betreffende lidstaat op correcte wijze wordt geïdentificeerd in het besluit van de Commissie en wordt onderzocht door de rechter bij wie een bezwaar tegen die identificatie aanhangig wordt gemaakt. De vaststelling van het referentiestelsel is het vertrekpunt van het vergelijkende onderzoek dat moet worden uitgevoerd voor de beoordeling van de selectiviteit. Een fout in deze vaststelling tast noodzakelijkerwijs de geldigheid van het gehele onderzoek van de selectiviteitsvoorwaarde aan’.22.
55.
Tevens zij eraan herinnerd dat, volgens het arrest World Duty Free23., ‘de vaststelling van het referentiekader, die moet plaatsvinden na een contradictoir debat met de betrokken lidstaat, moet voortvloeien uit een objectief onderzoek van de inhoud, de onderlinge samenhang en de concrete effecten van de krachtens het nationale recht van die staat toepasselijke normen. De selectiviteit van een fiscale maatregel kan niet worden vastgesteld aan de hand van een referentiekader dat bestaat uit enkele bepalingen uit het nationale recht van de betrokken lidstaat die kunstmatig uit een ruimer rechtskader zijn gelicht’ (cursivering van mij).
56.
Hieruit volgt dat ‘wanneer de fiscale maatregel in kwestie niet kan worden losgemaakt van het belastingstelsel van de betrokken lidstaat als geheel, dat stelsel als referentiestelsel moet worden genomen. Indien daarentegen blijkt dat een dergelijke maatregel duidelijk los te maken is van het [VB-]stelsel als geheel, kan niet worden uitgesloten dat het referentiekader waarmee rekening moet worden gehouden, beperkter is dan dat [VB-]stelsel, of dat de maatregel zelf dat kader vormt als deze een regel met een opzichzelfstaande juridische logica vormt en het niet mogelijk is een coherent geheel van regels daarbuiten te identificeren.’24.
57.
Hieruit volgt dat het Hof — alvorens de aard van de betrokken maatregel te beoordelen en na te gaan of deze tot een selectief voordeel leidt — moet verifiëren of het referentiestelsel correct is afgebakend. Hiertoe dient het Hof eerst vast te stellen welke toets moet worden toegepast om te bepalen welke uitlegging van het nationale recht prevaleert: die van de Commissie of die van de lidstaat. Vervolgens moet het Hof nagaan of deze prevalerende uitlegging kan worden weerlegd.
3) Toets voor de afbakening van het referentiestelsel
58.
Het arrest Fiat (punt 73)25. maakt duidelijk dat ‘het de betrokken lidstaat [is] die, buiten de gebieden waarop het belastingrecht van de Unie is geharmoniseerd, door de uitoefening van zijn exclusieve bevoegdheden op het gebied van rechtstreekse belastingheffing en met inachtneming van zijn fiscale autonomie, de wezenlijke kenmerken vaststelt van de belasting, die in beginsel het referentiestelsel of de ‘normale’ belastingregeling bepalen op basis waarvan de selectiviteitsvoorwaarde moet worden onderzocht. Dit geldt met name voor de vaststelling van de belastinggrondslag en het belastbare feit’ (cursivering van mij).
59.
Bovendien verwijst het Hof in zijn rechtspraak in dit verband naar het fiscale legaliteitsbeginsel, dat als algemeen rechtsbeginsel deel uitmaakt van de rechtsorde van de Unie en vereist dat iedere verplichting tot het betalen van belasting alsmede alle wezenlijke elementen die de inhoudelijke kenmerken daarvan definiëren bij wet moeten worden vastgesteld, aangezien de belastingplichtige in staat moet zijn het bedrag van de verschuldigde belasting te voorzien en te berekenen en het tijdstip te bepalen waarop de belasting moet worden betaald.26.
60.
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dus dat de Commissie bij de bepaling van het referentiekader voor de toepassing van artikel 107, lid 1, VWEU op belastingmaatregelen in beginsel verplicht is de uitlegging van de relevante bepalingen van nationaal recht te aanvaarden die de betrokken lidstaat in het kader van een contradictoir debat tussen die lidstaat en de Commissie heeft gegeven, voor zover deze uitlegging verenigbaar is met de bewoordingen van deze bepalingen.27.
61.
In lijn daarmee wil ik erop wijzen dat zowel in het arrest Fiat (punt 96)28. als in het arrest Engie (punt 44) duidelijk is aangegeven dat de analyse van de Commissie gebaseerd moet zijn op fiscale beginselen die uitdrukkelijk in het nationale recht zijn opgenomen.29.
62.
Hieruit volgt dat het referentiestelsel moet worden vastgesteld op basis van het nationale recht zoals dat is uitgelegd door de lidstaat, die het recht heeft de doelstellingen en de bestanddelen van de betrokken belastingregeling te omschrijven en de praktische uitvoering van die regeling te bepalen.
63.
De uitlegging die door de lidstaat wordt gegeven geldt echter niet absoluut. De Commissie kan van deze uitlegging afwijken, mits is voldaan aan de voorwaarden die in de rechtspraak van het Hof zijn neergelegd. Dit kan met name het geval zijn wanneer de Commissie weet aan te tonen dat in de rechtspraak of de administratieve praktijk van deze lidstaat een andere uitlegging overheerst, waarbij zij zich dient te baseren op betrouwbare en onderling overeenstemmende elementen die tijdens de administratieve procedure in het kader van het contradictoire debat zijn overgelegd.30.
64.
In een situatie als de onderhavige, waarin de lidstaat geen dergelijke rechtspraak of administratieve praktijk kent, kan uit de hierboven besproken voorwaarden worden afgeleid dat de uitlegging van de Commissie slechts voorrang heeft boven die van de lidstaat wanneer de Commissie kan aantonen dat laatstgenoemde uitlegging kennelijk onverenigbaar is met de bewoordingen en de doelstellingen van de betrokken nationale bepalingen.
65.
Bovendien houdt de benadering van het Hof in dat de Commissie het bewijs moet leveren dat de uitlegging van de lidstaat kennelijk onjuist is en onverenigbaar met de bewoordingen en de doelstellingen van de nationale bepalingen.
66.
In mijn analyse zal ik ingaan op de kernvraag van de onderhavige hogere voorzieningen: zijn de CFC-regels in casu het juiste referentiestelsel? Voor de beantwoording van deze vraag maak ik gebruik van een tweestappentoets die mijns inziens kan worden afgeleid uit de hierboven aangehaalde rechtspraak van het Hof.31. Om te beginnen zal ik trachten vast te stellen of aan het bestaan van de CFC-regels een opzichzelfstaande juridische logica32. ten grondslag ligt, dan wel of deze regels als een integrerend onderdeel van het algemene VB-stelsel moeten worden beschouwd. Vervolgens zal ik het nationale recht onderzoeken teneinde de vraag te beantwoorden of de uitlegging van de CFC-regels die door het VK is gegeven in overeenstemming is met de bewoordingen en de doelstellingen van dat nationale recht, dan wel of de Commissie erin is geslaagd aan te tonen dat de uitlegging van het VK kennelijk onverenigbaar is met die bewoordingen en doelstellingen.33.
i) Deel 1: hebben de CFC-regels een eigen bestaansreden?
67.
In punt 82 van het bestreden arrest heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat de CFC-regeling een uitbreiding vormt op het algemene VB-stelsel.
68.
Het heeft echter ook geoordeeld dat ‘[d]e CFC-regels berusten […] op een eigen logica ten opzichte van die van het algemene belastingstelsel van het [VK]. Het is juist dat deze logica een aanvulling of, zoals de Commissie in overweging 105 van het [litigieuze] besluit aangeeft, een uitbreiding vormt op het algemene, op het territorialiteitsbeginsel gestoelde belastingstelsel, maar zij staat er los van.’
69.
Van meet af aan moet worden opgemerkt dat een uitbreiding in beginsel niet kan worden losgemaakt van het hoofdelement: zij is per definitie bedoeld om daaruit voort te komen en derhalve dezelfde logica te volgen. Daarom moet worden onderzocht of er in casu sprake is van een onderscheidend kenmerk dat een afwijking van de algemene opvatting rechtvaardigt, en dat het Gerecht de mogelijkheid zou bieden om te oordelen dat de CFC-regeling weliswaar een uitbreiding vormt op het algemene VB-stelsel, maar op een eigen logica berust.
70.
Ik zal dan ook nagaan of de CFC-regels een ander, eigen doel en eigen bestanddelen hebben alsook over andere instrumenten beschikken om dat doel te bereiken, teneinde vast te stellen of deze kenmerken verschillen van die van het algemene VB-stelsel.
— a) Doel van het algemene VB-stelsel en van de CFC-regels
71.
In dit onderdeel zal ik het doel van het algemene VB-stelsel en dat van de CFC-regels analyseren, evenals de vraag of de CFC-regels bijdragen tot de verwezenlijking van het doel van het algemene VB-stelsel.
72.
Uit de opmerkingen van het VK blijkt dat het algemene VB-stelsel en de CFC-regels tot doel hebben de grondslag van de Britse vennootschapsbelasting te beschermen tegen grondslaguitholling en winstverschuiving (Base Erosion and Profit Shifting; hierna ook: ‘BEPS’). In het BEPS-project van de OESO en de G20 staat immers ondubbelzinnig dat de CFC-regels tot doel hebben zowel grondslaguitholling als winstverschuiving te voorkomen.34. Het Gerecht is dus ten onrechte tot de slotsom gekomen dat het tegengaan van winstverschuiving, in de vorm van kunstmatige verlegging van winsten uit het VK, het enige doel van de CFC-regels kon zijn.35.
73.
Zoals rekwiranten hebben opgemerkt, heeft het VK, om aan het arrest Cadbury te voldoen, de CFC-heffing uitsluitend willen opleggen aan ‘volstrekt kunstmatige constructies’ die bedoeld zijn om winsten te verleggen. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat de oude Britse CFC-regeling inbreuk maakte op de vrijheid van vestiging. Uit hetzelfde arrest volgt dat een dergelijke inbreuk slechts gerechtvaardigd kan zijn wanneer zij tot doel heeft ‘volstrekt kunstmatige’ constructies te verhinderen, dat wil zeggen constructies die ‘bedoeld zijn om de belasting te ontwijken die normaal verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied’ (punt 55 van dat arrest).
74.
Het VK licht toe dat de nationale wetgever om die reden de CFC-heffing heeft willen beperken tot situaties waarin ofwel (i) een CFC geen echte economische aanwezigheid heeft in het gebied overzee en daarom niet voldoet aan het ‘bedrijfspandcriterium’, of (ii) een voldoende gekalibreerde risicobeoordeling is uitgevoerd, zodat de CFC-heffing gericht kan worden toegepast op het deel van de winsten van een CFC dat de Britse belastingregeling ondermijnt.
75.
Ter terechtzitting hebben rekwiranten bevestigd dat het doel van de CFC-regels tweeledig is: het tegengaan van zowel grondslaguitholling als winstverschuiving. Het VK heeft met name gewezen op hoofdstuk 7 van deel 9A TIOPA en op het vierde scenario van hoofdstuk 5 daarvan, inzake financiële leasing via een offshore-entiteit, die bevestigen dat de CFC-regels niet alleen gericht zijn tegen winstverschuiving maar ook tegen grondslaguitholling. De Commissie heeft slechts benadrukt dat er een duidelijk verschil bestaat tussen grondslaguitholling en winstverschuiving en dat volgens haar het enige hoofddoel van de CFC-regels erin bestond winstverschuiving, dat wil zeggen kunstmatige winstverlegging, te bestrijden. Het betoog van de Commissie overtuigt mij niet; het volstaat in elk geval niet om de door de lidstaat gegeven uitlegging van het doel van zijn nationale recht terzijde te schuiven.
76.
Hieruit volgt dat de CFC-regels en het algemene VB-stelsel hetzelfde doel nastreven: het belasten van ondernemingswinsten die binnen de grondslag van de Britse vennootschapsbelasting vallen, of zouden zijn gevallen als er geen sprake was geweest van grondslaguitholling en winstverschuiving. Zoals ITV terecht opmerkt, volgt het pakket maatregelen en vrijstellingen in de TIOPA immers een holistische benadering, aangezien deze maatregelen gezamenlijk gericht zijn op het risico dat kunstmatige constructies worden opgezet, die wezenlijke gevolgen hebben voor de integriteit van het algemene VB-stelsel. De manier waarop dat risico wordt aangepakt, hangt af van de feitelijke omstandigheden die zich in de praktijk waarschijnlijk zullen voordoen. Deel 9A TIOPA maakt derhalve gebruik van diverse wetgevingstechnieken om, enerzijds, uitsluitend ‘volstrekt kunstmatige’ constructies aan te pakken en, anderzijds, bij te dragen tot het behoud van de grondslag van de vennootschapsbelasting.
77.
Ik ben in dit verband van mening dat met name hoofdstuk 9 een passende wetgevingsmaatregel lijkt te zijn om bij te dragen aan de verwezenlijking van het doel van het algemene VB-stelsel op een wijze die in overeenstemming is met het arrest Cadbury. Op grond van dit hoofdstuk heeft een onderneming de keuze om ofwel aan te tonen dat de leningen zijn verstrekt om commerciële activiteiten van andere ondernemingen van een multinationale groep in het kader van in aanmerking komende leenverhoudingen te financieren of dat er geen winsten zijn verlegd, ofwel, in het tegenovergestelde geval, de CFC-heffing te aanvaarden, die is gebaseerd op een gemotiveerde schatting van het verwachte niveau van overkapitalisatie.
78.
Uit het voorgaande volgt dat de CFC-regels daadwerkelijk bijdragen tot het doel dat met het algemene VB-stelsel wordt nagestreefd.
— b) Territoriaal karakter van het algemene VB-stelsel en de CFC-regels
79.
Zoals ITV aangeeft, dient de CFC-regeling om de integriteit van het algemene VB-stelsel te behouden door de Britse heffing toe te passen op winsten die weliswaar in het buitenland zijn behaald, maar kunstmatig uit het VK zijn verlegd en derhalve moeten worden behandeld alsof zij in het VK waren behaald. Zonder de toepassing van de CFC-regels zou het territoriale Britse belastingstelsel waarschijnlijk middels agressieve belastingontwijking worden omzeild.
80.
Blijkens het bestreden arrest en de opmerkingen van partijen is onbetwist dat het algemene VB-stelsel — afgezien van de CFC-regels — er in de onderzochte periode in voorzag dat de Britse vennootschapsbelasting alleen werd geheven over winsten van in het VK gevestigde ondernemingen. Deze belasting was ook van toepassing op buitenlandse ondernemingen die via een vaste inrichting actief waren in het VK of winst maakten op grond in het VK.
81.
Rekwiranten zetten uiteen dat het algemene VB-stelsel ‘grotendeels gebaseerd is op het territorialiteitsbeginsel’. Deze benadering houdt in dat niet-Britse multinationale groepen normaliter aan geen enkele Britse belastingregel zijn onderworpen, maar wél aan de CFC-regels. Afgezien van deze uitzondering belast het VK andere in het buitenland behaalde winsten dus niet. De CFC-regels vormen zodoende een uitzondering op het territorialiteitsbeginsel en een uitsluiting van deze uitzondering (zoals die van hoofdstuk 9) mag niet als een afwijking van de regels worden beschouwd. Uit de voorgaande analyse blijkt dat er volstrekt kunstmatige constructies bestaan om winsten te verleggen en de belastinggrondslag uit te hollen. Het VK geeft in dit verband aan dat de territoriale reikwijdte van het stelsel is aangepast zodat het nu grotendeels territoriaal is, en dat een uitzondering op het louter territoriale beginsel aan het stelsel is toegevoegd. Die uitzondering is gericht tegen deze volstrekt kunstmatige constructies en brengt de winsten daaruit terug naar het VK, ‘waar zij (notioneel) thuishoren’.
82.
In punt 83 van het bestreden arrest heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat de CFC-regels geen uitzondering vormden op het algemene VB-stelsel. De CFC-regels leggen Britse vennootschappen een met de Britse vennootschapsbelasting gelijkwaardige heffing op in verband met opbrengsten die niet in het VK gevestigde dochterondernemingen (CFC's) buiten het VK genereren en die in de financiële verslaggeving van de CFC's zijn opgenomen. Zoals ik hierboven heb uiteengezet, bestaat het doel van een dergelijke uitzondering in het tegengaan van volstrekt kunstmatige constructies. Deze uitzondering maakt duidelijk waarom het stelsel van vennootschapsbelasting als zodanig grotendeels op het territorialiteitsbeginsel berust.
83.
Er zij echter op gewezen dat de belasting uiteindelijk verschuldigd is door een in het VK gevestigde vennootschap, die verantwoordelijk is voor de afdracht van de belasting over de winst van een andere vennootschapsrechtelijke entiteit, die buiten het VK is gevestigd.
84.
Hieruit volgt dat het Gerecht de grotendeels territoriale aard van het algemene VB-stelsel verkeerd heeft begrepen en heeft aangenomen dat uitsluitend belasting wordt geheven over winsten die in het VK zijn behaald (zie punt 116 van het bestreden arrest). Dit is een onjuiste kwalificatie van het onderliggende territoriale karakter van het stelsel.
85.
Zo is het Gerecht vanwege deze onjuiste opvatting tot de aanname gekomen dat opbrengsten die een CFC uit activiteiten in het VK genereert, per definitie kunstmatig zijn verlegd. Dit is een onjuiste vaststelling op basis van een onjuiste premisse.36.
86.
De keuze voor de grotendeels territoriale benadering van de belastingheffing en de betrokken uitzonderingen daarbinnen is immers juist gemaakt vanwege de specifieke aard van de door de Britse wetgever onderkende risico's voor de belastinggrondslag.
87.
Zoals ITV aan de hand van een metafoor terecht opmerkt, gooit deel 9A TIOPA het net breed uit, maar gaat het daarbij om een grofmazig net, waarmee alleen de gewenste vissen (van een bepaalde grootte) worden gevangen. De mazen in een visnet kunnen echter geen ‘afzonderlijk instrument’ worden genoemd. Zij maken integendeel deel uit van het net zelf, waarin zij bewust en weloverwogen zijn aangebracht.
88.
Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat het grotendeels territoriale karakter van de Britse vennootschapsbelasting inhoudt dat het Britse belastingregime erop is gericht om buitenlandse winsten die zijn behaald door buitenlandse vennootschappen uitsluitend te ‘vangen’ wanneer ofwel (i) deze winsten kunstmatig uit de zeggenschap van het Britse moederbedrijf van de groep zijn verlegd, of (ii) de constructies het algemene VB-stelsel ondermijnen door er misbruik van te maken. Anders is er geen territoriaal aanknopingspunt voor belastingheffing over buitenlandse winsten.
89.
De Commissie stelt enkel dat het VK niet in staat is om enig onderdeel van het bestreden arrest aan te wijzen dat afhangt van de bevinding van het Gerecht dat het Britse vennootschapsbelastingstelsel volledig in plaats van grotendeels territoriaal is. Volgens haar moet het betoog van het VK niet ter zake dienend worden verklaard. De argumenten van deze instelling volstaan mijns inziens niet om aan te tonen dat de uitlegging van het VK kennelijk onverenigbaar is met de bewoordingen en de doelstellingen van zijn nationale recht.
90.
Hieruit volgt dat het doel van de CFC-regels en de instrumenten waarin zij voorzien de voornaamste reden zijn waarom het algemene VB-stelsel in zijn geheel wordt geacht een grotendeels territoriaal karakter te hebben.
— c) Rechtspraak van het Hof in de zaak Andres
91.
Zoals advocaat-generaal Wahl in de zaak Andres37. heeft benadrukt, kan uit de rechtspraak worden afgeleid dat het Hof in zaken als de onderhavige een benadering volgt waarmee wordt getracht het gehele corpus van regels vast te stellen dat van invloed is op de belastingdruk op ondernemingen. Een dergelijke benadering zorgt ervoor dat de selectiviteit van belastingmaatregelen wordt getoetst aan een referentiestelsel dat alle toepasselijke bepalingen omvat en niet aan bepalingen die kunstmatig uit een ruimer rechtskader zijn gelicht.
92.
Uit het arrest van het Hof in dezelfde zaak volgt dat het referentiestelsel geen regel kan zijn die een uitzondering vormt op de algemene regel indien na een beoordeling van de volledige inhoud van alle bepalingen kan worden geconcludeerd dat de betrokken belastingmaatregel ertoe strekt een onder de algemene regel vallende situatie te regelen. Het Hof heeft geoordeeld dat ‘de selectiviteit van een belastingmaatregel niet juist kan worden beoordeeld aan de hand van een referentiekader dat bestaat uit enkele bepalingen die kunstmatig uit een ruimer rechtskader zijn gelicht’.38.
93.
Het Gerecht is in casu tot de slotsom gekomen dat het referentiestelsel gelijkstond met de CFC-regels, die, zoals ik hierboven heb aangetoond, een uitzondering zijn op de territoriale belastingheffing voor zover zij de CFC-heffing opleggen over winsten die op grond van het algemene VB-stelsel niet belastbaar zouden zijn.
94.
Regels die een dergelijke uitzondering introduceren, kunnen mijns inziens, gelet op de aangehaalde rechtspraak in de zaak Andres, niet het juiste referentiestelsel vormen.
95.
Bovendien kan niet worden aangenomen dat de CFC-regels kunnen worden gescheiden van het algemene VB-stelsel, aangezien dit zou betekenen dat te veel belang wordt gehecht aan de door de betrokken staat gebruikte regelgevingstechniek en bijgevolg de belastingdruk die op de in het VK gevestigde entiteit rust kunstmatig wordt opgesplitst. Dit heeft het Gerecht in het bestreden arrest juist gedaan, terwijl een dergelijke handelwijze in strijd is met de rechtspraak van het Hof.39.
— d) Belangrijkste elementen van een fiscaal referentiestelsel
96.
Mijn conclusies over het referentiestelsel die hierboven zijn uiteengezet worden niet weerlegd door de vermeende verschillen met betrekking tot de belangrijkste elementen van de regels inzake vennootschapsbelasting in het VK die het Gerecht in de punten 85 tot en met 88 van het bestreden arrest aan de orde heeft gesteld.
97.
Wat in de eerste plaats punt 85 van het bestreden arrest (belastinggrondslag) betreft, tracht het Gerecht, zoals het VK benadrukt, ten onrechte een onderscheid te maken tussen winsten die in het VK zijn behaald en winsten die kunstmatig uit het VK zijn verlegd — om deze als verschillende belastinggrondslagen te behandelen. Dit is in deze context een onjuiste opvatting van het begrip ‘belastinggrondslag’. De verklarende woordenlijst van de OESO40. omschrijft de begrippen ‘tax base’ en ‘taxable base’ (belastinggrondslag) als ‘the thing or amount on which the tax rate is applied, e.g. corporate income, personal income, real property’ (de zaak of het bedrag waarop het belastingtarief wordt toegepast, bv. inkomsten van ondernemingen, persoonlijk inkomen, onroerend goed). Met andere woorden, dit begrip verwijst naar de zaak of het bedrag waarover belasting wordt geheven, ongeacht of het gaat om ‘winst’, ‘verkopen’ (in het geval van een algemene omzetbelasting), ‘toegevoegde waarde’ (in het geval van belasting over de toegevoegde waarde) of ‘vermogensbestanddelen’ (in het geval van vermogensbelasting en erfbelasting). Anders dan het Gerecht heeft gesuggereerd, worden de Britse CFC-heffing en de algemene VB-heffing toegepast op dezelfde belastinggrondslag: ondernemingswinsten.
98.
Het Gerecht heeft de redenering gevolgd dat de CFC-wetgeving een losstaand corpus van regels vormt indien zij een andere heffingsgrondslag heeft, en heeft die losstaande heffingsgrondslag vervolgens gedefinieerd als de ondernemingswinsten van een CFC die op grond van de CFC-regels belastbaar zijn. Hiermee is het voorbijgegaan aan het feit dat de algemene VB-heffing en de CFC-heffing beide van toepassing zijn op dezelfde soort belastinggrondslag, namelijk belastbare ondernemingswinsten, en dat die winsten worden berekend volgens regels die zowel voor CFC's als voor in het VK gevestigde vennootschappen gelden.
99.
Wat in de tweede plaats punt 86 van het bestreden arrest (belastingplichtige) betreft, wil ik opmerken dat de CFC-heffing wordt toegerekend aan in het VK gevestigde moedermaatschappijen, dat wil zeggen vennootschappen die in het VK aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen. Zoals de Commissie betoogt, is dit een subgroep van in het VK gevestigde vennootschappen, aangezien niet al deze vennootschappen noodzakelijkerwijs CFC's hebben waarvan de winsten belastbaar zijn met een CFC-heffing. Dit neemt echter niet weg dat binnen die subgroep dezelfde vennootschappen zowel vennootschapsbelasting als de CFC-heffing verschuldigd zijn. De belastingplichtige is in beide situaties dezelfde: krachtens het algemene VB-stelsel wordt belasting opgelegd aan in het VK gevestigde vennootschappen en krachtens de CFC-regels wordt ook belasting opgelegd aan in het VK gevestigde vennootschappen waaraan de winsten van hun CFC's worden toegerekend.
100.
In de argumenten van de Commissie wordt dan ook de kern van de onjuiste analyse van het Gerecht herhaald. De Commissie baseert zich op de redenering van het Gerecht dat vennootschappen die belasting verschuldigd zijn over de winsten van CFC's, in beginsel verschillen van vennootschappen die dat niet zijn. Hiermee wordt slechts vastgesteld dat een regeling die op de winsten van CFC's is gericht, de winsten van CFC's belast. Deze redenering gaat voorbij aan het essentiële punt dat de in het VK gevestigde vennootschap (zowel in het kader van het algemene VB-stelsel als in dat van de CFC-regels) de ‘belastingplichtige’ blijft, dat wil zeggen de vennootschap die de belasting verschuldigd is.
101.
In de derde plaats heeft het Gerecht in punt 87 van het bestreden arrest (belastbaar feit) vastgesteld dat een CFC-heffing op grond van de CFC-regels, die wordt opgelegd wanneer de CFC's buiten het VK winsten behalen die worden beschouwd als het resultaat van kunstmatige constructies of verleggingen van middelen of winsten die in het VK moesten worden belast, en (in het geval van vennootschapsbelasting in het VK), de in die staat behaalde winst, verschillende belastbare feiten zijn. Dit is een onjuiste opvatting van het begrip ‘belastbaar feit’. Zoals het VK opmerkt, is het maken van winst zowel krachtens het algemene VB-stelsel als krachtens de CFC-regels de doorslaggevende gebeurtenis voor het ontstaan van de belastingplicht van een persoon. De Commissie heeft niet gereageerd op dit punt.
102.
Het maakt geen verschil of deze winsten zijn behaald door een in het VK gevestigde moedermaatschappij of door de CFC: voor de bepaling van het ontstaan van winsten gelden dezelfde regels (bijvoorbeeld op basis van de winsten die in de financiële verslaggeving zijn erkend). Winsten ontstaan niet louter door het opzetten van kunstmatige constructies of door het verleggen van middelen of winsten uit het VK. Zoals het VK benadrukt, ontstaan winsten zowel volgens het algemene VB-stelsel als volgens de CFC-regels wanneer zij worden behaald en voor belastingdoeleinden worden erkend; voor het bepalen wanneer winst is gemaakt gelden identieke regels.
103.
Ten slotte wordt in punt 88 van het bestreden arrest (belastingtarief) opgemerkt dat het belastingtarief voor de CFC-heffing hetzelfde is als het tarief van het algemene VB-stelsel. Dit had het Gerecht tot de vaststelling moeten brengen dat de CFC-regels en het algemene VB-stelsel ten minste één overeenkomstig element hebben. In plaats daarvan verwijst punt 88 vervolgens naar een situatie waarin er ‘meerdere belastingtarieven van toepassing zijn’ en het gemiddelde van deze tarieven wordt toegepast op de winst van een CFC.41. In hetzelfde punt komt het Gerecht tot de slotsom dat de CFC-heffing het resultaat is van een specifieke berekening waarbij het gemiddelde van meerdere belastingtarieven wordt berekend.
104.
Zoals het VK terecht aanvoert, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste opvatting door vast te stellen dat er voor de CFC-heffing een specifieke berekening bestaat die wezenlijk verschilt van de benadering in section 8, lid 5, van de Corporation Tax Act 2009 (wet van 2009 inzake de vennootschapsbelasting; hierna: ‘VB-wet 2009’). Section 371BC en section 8, lid 5, zijn namelijk aldus opgezet dat zij voor elke afzonderlijke verslagperiode tot een vergelijkbaar belastingbedrag leiden, maar zij komen langs enigszins verschillende wegen tot dit belastingbedrag.
105.
De belangrijkste elementen van het betrokken belastingstelsel (belastinggrondslag, belastingplichtige, belastbaar feit en belastingtarief) bevestigen dus dat het algemene VB-stelsel en de CFC-regels samen een coherent geheel van regels vormen42., zodat het juiste referentiestelsel het algemene VB-stelsel is en niet de CFC-regels.
— e) Structuur van de nationale wetgeving en wetgevingstechniek: hangen het algemene VB-stelsel en de CFC-regels met elkaar samen?
106.
Rekwiranten betogen dat de CFC-regels, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, niet kunnen worden losgemaakt van het algemene stelsel, aangezien zij volgens de bewoordingen van de schriftelijke opmerkingen van het VK en ITV een uitzondering vormen op het territorialiteitsbeginsel dat dit systeem grotendeels kenmerkt, of, volgens de bewoordingen van LSEGH, een maatregel die onlosmakelijk verbonden is met dat stelsel en waarmee wordt beoogd de grondslag van de Britse vennootschapsbelasting te beschermen tegen misbruik rond CFC's.
107.
Zoals het VK terecht aanvoert, heeft het Gerecht bij het bepalen van het referentiestelsel geen rekening gehouden met de mate waarin de CFC-regels op de ruimere algemene VB-wetgeving steunen en daar deel van uitmaken.
108.
In de eerste plaats bepaalt section 371AA, lid 12, van deel 9A TIOPA, duidelijk dat de CFC-wetgeving onderdeel uitmaakt van de VB-wetgeving.
109.
De door de wetgever gebruikte wetgevingstechniek bevestigt dat het de bedoeling was om de CFC-regels en het algemene VB-stelsel samen te gebruiken. In deel 9A wordt namelijk veelvuldig verwezen naar de VB-wet 2009 en de bepalingen van 2010.43. In de CFC-wetgeving van 2013 staan meer dan 80 verwijzingen naar de VB-bepalingen.44. Ook de definitie van ‘in aanmerking komende leenverhoudingen’ is gebaseerd op de definitie van ‘leenverhoudingen’ in section 302, lid 1, VB-wet 2009.45.
110.
Hieruit volgt dat deel 9A TIOPA ook structureel deel uitmaakt van de Britse VB-wetgeving en op zichzelf geen autonoom referentiestelsel kan vormen. In punt 68 van het bestreden arrest staat terecht dat ‘[i]ndien de betrokken belastingmaatregel niet kan worden losgekoppeld van het belastingstelsel van de betrokken lidstaat als geheel, […] dat stelsel als referentiestelsel [moet] worden genomen’ — en deel 9A kan inderdaad niet worden losgekoppeld van het algemene VB-stelsel.
111.
Ook de structuur van de nationale wetgeving en de wetgevingstechniek bevestigen dus dat het algemene VB-stelsel en de CFC-regels met elkaar samenhangen en dat deze regels niet van dat stelsel kunnen worden losgemaakt.
— f) Conclusie met betrekking tot deel 1
112.
In de rechtsleer wordt bevestigd dat ‘het standpunt dat er geen verschil is tussen de CFC-regels en andere bepalingen van het Britse vennootschapsbelastingstelsel waarin wordt afgebakend wat onder het net van de Britse vennootschapsbelasting valt, behoorlijk overtuigend lijkt. De CFC-regeling mag dan wel een volledig corpus van regels zijn dat zich onderscheidt van het algemene Britse VB-stelsel, deel 9A [TIOPA] vormt niettemin duidelijk een noodzakelijke aanvulling op de, in beginsel, territoriale benadering van de [VB-wet]. De CFC-regeling kan dus slechts volledig worden begrepen wanneer het vennootschapsbelastingstelsel van het VK als geheel in aanmerking wordt genomen, en niet wanneer zij op zichzelf wordt beschouwd’.46.
113.
De CFC-regels moeten volgens mij worden beschouwd als een verlengstuk van het algemene VB-stelsel. Bijgevolg is het onjuist en kunstmatig om vast te stellen dat een dergelijk verlengstuk kan worden gescheiden van dat stelsel, en zou dit in strijd zijn met het arrest World Duty Free (zie punt 55 van deze conclusie).
114.
Het Gerecht heeft dus blijk gegeven van een onjuiste opvatting door in strijd met de in punt 68 van het bestreden arrest correct geformuleerde beginselen een bepaald geheel van regels (de CFC-regels) buiten zijn ruimere rechtskader (het algemene VB-stelsel) te plaatsen.
115.
Dit betekent dat de CFC-regels in beginsel moeten worden aangemerkt als een onderdeel van het algemene VB-stelsel en dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door anders te oordelen. Bovendien heeft de Commissie niet aangetoond dat die door de lidstaat gegeven kwalificatie kennelijk onverenigbaar is met het doel (de concrete effecten), de bestanddelen (de inhoud) en de onderlinge samenhang van de CFC-regels en het algemene VB-stelsel.47. Thans ga ik over tot de volgende stap van mijn analyse, waarbij ik de inhoud van de specifieke bepalingen van de betrokken nationale regeling in detail zal analyseren. In dat kader moet worden nagegaan of de uitlegging die door de betrokken lidstaat is gegeven aan de bewoordingen van de afzonderlijke toepasselijke bepalingen van het nationale recht kennelijk onverenigbaar is met die bepalingen.48.
ii) Deel 2: uitlegging van de CFC-regels
116.
Zoals ik in punt 60 van deze conclusie heb uiteengezet, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat het referentiestelsel voor de beoordeling van de selectiviteit van de betrokken maatregel in beginsel wordt bepaald door de uitlegging die de lidstaat aan zijn eigen nationale recht geeft.
117.
Aangezien het Gerecht in plaats daarvan de uitlegging heeft bevestigd die de Commissie in het litigieuze besluit aan het nationale recht heeft gegeven, moet worden nagegaan of de uitlegging die de lidstaat aan de relevante nationale bepalingen heeft gegeven, zoals die is bepleit in de hogere voorziening van het VK en ondersteund in het betoog van ITV en LSEGH, inderdaad onverenigbaar is met de bewoordingen van die bepalingen.
— a) Hoofdstuk 2, ‘De CFC-heffing’: bewoordingen van section 371BB
118.
Section 371BB van deel 9A, hoofdstuk 2, TIOPA bevat de basisregel om te bepalen welke winsten de voorwaarden vervullen om aan de CFC-heffing te worden onderworpen.
119.
Section 371BB beschrijft allereerst, in subsection 1, welke stappen moeten worden gevolgd om te bepalen of een van de hoofdstukken 4 tot en met 8 van toepassing is op de winsten van een CFC, en zo ja, welk hoofdstuk dat is (stap 1 van section 371BB).
120.
Vervolgens wordt uiteengezet in hoeverre winsten onder een van deze hoofdstukken vallen (stap 2 van section 371BB) en wordt, in subsection 2, bepaald dat subsection 1 van toepassing is ‘behoudens het bepaalde’ in met name hoofdstuk 9.
121.
De stelling van het VK dat de verwijzing naar hoofdstuk 9 in subsection 2 een toelichtende en geen operationele bepaling vormt, is niet in tegenspraak met de bewoordingen van subsection 2. Deze bepaling vestigt immers slechts de aandacht van de belastingplichtige op het feit dat hoofdstuk 9 van invloed kan zijn op de werking van subsection 1. Zij volstaat op zichzelf genomen niet om passieve financiële winsten via stap 2 aan de heffing te kunnen onderwerpen.
122.
De onderafdelingen 1 en 2 lijken, in hun onderlinge samenhang gelezen, niet onverenigbaar te zijn met de uitlegging van het VK inzake de werking van hoofdstuk 9 binnen het CFC-stelsel: het VK betoogt dat winsten die aan de criteria van hoofdstuk 9 voldoen, niet worden onderzocht in het kader van de andere hoofdstukken van deel 9A TIOPA. Zodra hoofdstuk 9 van toepassing is, hoeft derhalve niet te worden nagegaan of winsten ook onder een van de criteria van hoofdstuk 5 vallen, aangezien zij hoe dan ook volgens de regels van hoofdstuk 9 worden belast.
123.
Wanneer section 371BB wordt gelezen in de context van deel 9A TIOPA, is de uitlegging van ITV en LSEGH aannemelijk en niet in tegenspraak met de feitelijke tekst van deel 9A TIOPA. Deze partijen voeren namelijk aan dat hoofdstuk 9 op verzoek van de betrokken belastingplichtige vennootschap kan worden toegepast zonder dat eerst hoofdstuk 5 in aanmerking wordt genomen en dus zonder dat hoeft te worden vastgesteld of de passieve financiële winsten van de CFC uit in aanmerking komende leenverhoudingen (die dus onder hoofdstuk 9 vallen), voldoen aan de criteria van hoofdstuk 5.
124.
Bovendien wordt een dergelijke lezing gestaafd door het HMRC-handboek49., waarin het volgende voorbeeld te vinden is met betrekking tot section 371BB: ‘Een CFC heeft in een bepaalde verslagperiode de volgende [passieve financiële winsten] behaald[:] 10 miljoen GBP uit lening A, een in aanmerking komende leenverhouding[;] 20 miljoen GBP uit lening B, een in aanmerking komende leenverhouding[, en] 15 miljoen GBP aan niet-vrijgestelde uitkeringen. Er is een verzoek ingediend om toepassing van hoofdstuk 9, waarin is gepreciseerd dat section 371IB (de volledige vrijstelling) dient te gelden voor de winsten uit lening A, zodat 90 % van de [passieve financiële winsten] uit deze lening wordt vrijgesteld. Op lening B is section 371ID (75 % vrijstelling) van toepassing. Het verzoek heeft tot resultaat dat, op grond van hoofdstuk 9, winsten ter hoogte van 6 miljoen GBP de voorwaarden voor toepassing van de CFC-heffing vervullen (1 miljoen GBP uit lening A en 5 miljoen GBP uit lening B); de overige winsten ter hoogte van 15 miljoen GBP vervullen die voorwaarden niet op grond van hoofdstuk 9, aangezien de niet-vrijgestelde uitkeringen niet onder section 302, lid 1, VB-wet 2009 vallen. De niet-vrijgestelde uitkeringen ter hoogte van 15 miljoen GBP vervullen de voorwaarden voor toepassing van de CFC-heffing in plaats daarvan via hoofdstuk 5 (waarbij in dit voorbeeld wordt aangenomen dat deze winsten onder hoofdstuk 5 vallen)’ (cursivering van mij).
125.
Mijns inziens ondersteunen de bepalingen van section 371BB het standpunt van het VK dat, wanneer een van de drie vrijstellingsregelingen inzake groepsfinanciering (voorwaarden van hoofdstuk 9) van toepassing is, hoofdstuk 5 volledig buiten beschouwing kan blijven. Hoofdstuk 3 (section 371CB, leden 1 en 850.) geeft duidelijk aan dat hoofdstuk 9 kan worden toegepast zonder dat hoofdstuk 5 in aanmerking wordt genomen.51.
126.
De Commissie houdt in wezen staande dat het Gerecht terecht tot de slotsom is gekomen dat passieve financiële winsten die op grond van hoofdstuk 5 (gelet op het criterium van sleutelfuncties in het VK of het criterium van met het VK verbonden kapitaal) de voorwaarden voor toepassing van de CFC-heffing vervullen, winsten vormen die kunstmatig uit het VK zijn verlegd in de zin van de CFC-regeling, en dat hoofdstuk 9 fungeert als een (gedeeltelijke) vrijstelling voor passieve financiële winsten uit in aanmerking komende leenverhoudingen die anders op grond van hoofdstuk 5 de voorwaarden voor toepassing van de CFC-heffing zouden hebben vervuld. Geen van de argumenten van de Commissie toont aan dat de uitlegging die het VK geeft van de bepalingen van section 371BB kennelijk onjuist is.
— b) Hoofdstuk 3, ‘Voorwaarden voor toepassing van de CFC-heffing’: bewoordingen van section 371CB
127.
In section 371CB van hoofdstuk 3 worden de omstandigheden beschreven waaronder hoofdstuk 5 wordt toegepast. In deze section is bepaald dat hoofdstuk 5 — behoudens bepaalde welomschreven uitzonderingen — van toepassing is op passieve financiële winsten van een CFC die in een bepaalde verslagperiode zijn gegenereerd. Section 371CB, lid 8, bepaalt dat ‘in het geval van een belastingplichtige vennootschap die een verzoek uit hoofde van hoofdstuk 9 indient, verwijzingen naar de [passieve financiële winsten] van de CFC in deze section en in hoofdstuk 5 aldus moeten worden gelezen dat ook de winsten van de CFC uit in aanmerking komende leenverhoudingen (zoals gedefinieerd in hoofdstuk 9) buiten beschouwing blijven’ (cursivering van mij).
128.
De lezing van deze bepaling strookt met de uitlegging van het VK, aangezien de wetgeving in section 371CB, leden 2, 3, en 4, en in hoofdstuk 5, vrijstellingen definieert. Vervolgens maakt de aanwezigheid van het bijwoord ‘ook’’ in section 371CB, lid 8, de uitlegging mogelijk dat de vrijstellingen van hoofdstuk 9 een aanvulling zijn op andere vrijstellingen in section 371CB en in hoofdstuk 5.
129.
Het lijkt dan ook aannemelijk dat section 371CB, leden 1 en 8, aldus kan worden uitgelegd dat hoofdstuk 9 kan worden toegepast zonder dat hoofdstuk 5 in aanmerking wordt genomen.52. Rekwiranten betogen dat section 371CB, lid 8, een centrale operationele bepaling is, volgens welke hoofdstuk 9 op verzoek van toepassing is in plaats van hoofdstuk 5, en dat de hoofdstukken 3 en 9, in hun onderlinge samenhang gelezen, een alternatieve berekeningsmethode bieden voor het bedrag aan passieve financiële winsten waarover, voor zover het om in aanmerking komende leenverhoudingen gaat, belasting verschuldigd is. Indien er sprake is van passieve financiële winsten, wordt eerst naar hoofdstuk 9 gekeken, en pas daarna worden eventuele resterende passieve financiële winsten die geen winsten uit in aanmerking komende leenverhoudingen zijn, in het kader van hoofdstuk 5 beoordeeld. Deze uitlegging lijkt mij in overeenstemming te zijn met de bewoordingen van de betrokken bepalingen.
130.
Voorts heeft ITV erop gewezen dat hoofdstuk 9 dient om vooraf de aard en de omvang af te bakenen van de relevante winsten die onder de voorwaarden van hoofdstuk 5 vallen. Bijgevolg kan worden betoogd dat hoofdstuk 9 niet in de plaats komt van de bepalingen die anders van toepassing zouden zijn.
131.
De Commissie erkent dat de hoofdstukken 5 en 9 alternatieve methoden vormen om de belastbare winst te bepalen. Zij benadrukt evenwel dat hieruit niet volgt dat deze hoofdstukken zelf alternatieven vormen voor de vaststelling van de passieve financiële winsten die aan de heffing worden onderworpen. Een dergelijke lezing toont echter niet aan dat de uitlegging van de lidstaat kennelijk onverenigbaar is met de feitelijke bewoordingen van de nationale bepalingen.
— c) Hoofdstuk 5, ‘Voorwaarden voor toepassing van de CFC-heffing: [passieve financiële winsten]’: bewoordingen van section 371EA
132.
Section 371EA, lid 1, van hoofdstuk 5 bepaalt dat voor stap 2 van section 371BB, lid 1, de winsten van een CFC die onder dat hoofdstuk vallen, haar passieve financiële winsten zijn, voor zover die aan de criteria van dat hoofdstuk voldoen. In section 371EA, lid 2, is aangegeven dat ‘verwijzingen naar passieve financiële winsten van de CFC moeten worden gelezen overeenkomstig [section] 371CB, lid 2, en, voor zover van toepassing, [section] 371CB, lid 8’.
133.
Zoals het VK en ITV benadrukken en zoals ik reeds heb uiteengezet, betekent het feit dat section 371EA, lid 2, van hoofdstuk 5 verwijst naar section 371CB, lid 8, van hoofdstuk 3, dat, indien er sprake is van passieve financiële winsten, eerst naar hoofdstuk 9 moet worden gekeken en pas daarna eventuele resterende passieve financiële winsten die geen winsten uit in aanmerking komende leenverhoudingen zijn, in het kader van hoofdstuk 5 worden beoordeeld. Mijns inziens is een dergelijke uitlegging coherent en aannemelijk.
134.
Hoofdstuk 5 (section 371EA, lid 2) bepaalt dat verwijzingen naar passieve financiële winsten moeten worden gelezen overeenkomstig section 371CB, leden 2 en 8. Section 371CB, lid 8, bepaalt vervolgens dat een verwijzing naar passieve financiële winsten in hoofdstuk 5 aldus moet worden gelezen dat winsten uit in aanmerking komende leenverhoudingen waarvoor krachtens hoofdstuk 9 een verzoek is ingediend, buiten beschouwing blijven (zoals ik in het vorige punt heb uiteengezet).
135.
Mijns inziens wordt in section 371EA, door de verwijzing naar section 371CB, lid 8, — die volgens het opschrift ervan de ‘basisregel’ van hoofdstuk 5 bevat en gewijd is aan passieve financiële winsten van CFC's —, de toepassing van de criteria van dat hoofdstuk afhankelijk gesteld van het feit dat de betrokken passieve financiële winsten niet onder hoofdstuk 9 vallen.
136.
Deze beoordeling maakt de door het VK voorgestane uitlegging dus niet onverenigbaar met de bewoordingen van de nationale bepalingen.
137.
De Commissie geeft een onjuiste uitlegging aan de bepalingen van section 371EA, lid 2, die, zoals uit mijn analyse in deze conclusie blijkt, aangeven dat verwijzingen naar passieve financiële winsten in hoofdstuk 5 moeten worden gelezen met inachtneming van de bepalingen van section 371CB, lid 8, voor zover die section van toepassing is.
138.
De Commissie betoogt in haar repliek dat uit section 371IA, lid 1, volgt dat hoofdstuk 9 van toepassing is op passieve financiële winsten uit in aanmerking komende leenverhoudingen die anders op grond van hoofdstuk 5 onderworpen zouden zijn geweest aan een heffing. Anders dan de Commissie betoogt, kunnen de bewoordingen van section 371EA niet ondubbelzinnig aldus worden uitgelegd dat dezelfde winst tegelijkertijd zowel onder hoofdstuk 5 als onder hoofdstuk 9 kan vallen.
139.
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat niets in de bewoordingen en de context van section 371EA erop wijst dat de lidstaat een kennelijk onverenigbare uitlegging van de betrokken bepaling heeft gegeven die zou aantonen dat de door de Commissie voorgestelde uitlegging ondubbelzinnig voortvloeit uit de bewoordingen van de desbetreffende bepaling.
— d) Hoofdstuk 9, ‘Vrijstellingen voor winsten uit in aanmerking komende leenverhoudingen’: bewoordingen van section 371IA
140.
De bewoordingen van section 371IA, leden 1 tot en met 3, van hoofdstuk 9 beschrijven het mechanisme waardoor een vennootschap een verzoek krachtens hoofdstuk 9 kan indienen, en beperken de toepassing van hoofdstuk 9 tot de passieve financiële winsten uit in aanmerking komende leenverhoudingen van die vennootschap.
141.
Ten eerste bepaalt subsection 1 van section 371IA dat ‘dit hoofdstuk van toepassing is indien[:] afgezien van dit hoofdstuk, hoofdstuk 5 ([passieve financiële winsten]) van toepassing zou zijn’ op de winsten van een CFC. In subsection 2 van deze section staat dat ‘[e]en belastingplichtige vennootschap […] een verzoek [kan] indienen om stap 2 van [section] 371BB, lid 1 (voorwaarden voor toepassing van de CFC-heffing), te zetten […] behoudens het in dit hoofdstuk bepaalde’. Ten slotte regelt subsection 3 dat, ‘[i]ndien [deze] vennootschap een verzoek indient […], de winsten van de CFC uit in aanmerking komende leenverhoudingen aan de voorwaarden voor toepassing van de CFC-heffing zijn onderworpen voor zover (en slechts voor zover) zij niet op grond van dit hoofdstuk zijn vrijgesteld’.
142.
Volgens het VK betekent de formulering ‘afgezien van dit hoofdstuk, hoofdstuk 5 ([passieve financiële winsten]) van toepassing zou zijn’ in section 371IA, lid 1, onder a), niet dat deze winsten krachtens hoofdstuk 5 zouden zijn belast wanneer er geen verzoek tot toepassing van hoofdstuk 9 was ingediend. Deze bewoordingen preciseren de verhouding tussen de hoofdstukken 5 en 9.53. Zij bieden geen steun voor het idee dat hoofdstuk 9 een vrijstelling van hoofdstuk 5 vormt. Integendeel, zij brengen tot uitdrukking op welke wijze deze twee hoofdstukken samen moeten worden toegepast. Zij betekenen niet dat over deze passieve financiële winsten, wanneer niet om toepassing van hoofdstuk 9 is verzocht, krachtens hoofdstuk 5 belasting verschuldigd is. Een dergelijke uitlegging lijkt des te aannemelijker gelet op de uitlegging van de andere bepalingen die hierboven in deze conclusie zijn geanalyseerd.
143.
De Commissie betoogt op basis van een uitlegging van section 371IA, leden 1 tot en met 3, TIOPA, dat ‘de passieve financiële winsten waar hoofdstuk 9 betrekking op heeft, […] winsten [zijn] die zonder de vrijstelling van hoofdstuk 9 aan een CFC-heffing onderworpen zouden zijn (op grond van hoofdstuk 5, aangezien dat het hoofdstuk is dat passieve financiële winsten betreft)’.
144.
De Commissie gebruikt dit argument ter staving van haar onjuiste kwalificatie van hoofdstuk 9 als een afwijking die de belastingplichtigen een ‘voordeel’ verschaft ten opzichte van wat volgens haar de ‘normale’ belasting op passieve financiële winsten is, namelijk de regels van hoofdstuk 5.
145.
Zoals LSEGH benadrukt, maakt de Commissie echter een fout met betrekking tot de werking van de betrokken regels. Zoals hierboven is besproken, kan de toepassing van hoofdstuk 9 tot gevolg hebben dat passieve financiële winsten aan een CFC-heffing worden onderworpen, terwijl dit anders, uit hoofde van hoofdstuk 5, niet het geval zou zijn. Bijgevolg kan hoofdstuk 9 niet worden beschouwd als een afwijking van hoofdstuk 5 (zie ook de punten 129 en 130 van deze conclusie). Hoofdstuk 9 zou slechts een afwijking van het referentiestelsel kunnen vormen wanneer de vennootschap belasting zou betalen (of meer belasting zou betalen) als dit hoofdstuk niet bestond.
146.
In dit verband heeft LSEGH praktische voorbeelden gegeven van situaties waarin het voor een belastingplichtige verstandig kan zijn om voor hoofdstuk 9 te kiezen, namelijk wanneer ten minste een deel van de passieve financiële winsten van de betrokken CFC anders niet onder hoofdstuk 5 zou vallen, maar wel de voorwaarden voor toepassing van de CFC-heffing overeenkomstig hoofdstuk 9 zou vervullen. Die voorbeelden tonen aan dat hoofdstuk 9 er in de praktijk niet altijd toe leidt dat de belasting die de CFC anders op grond van hoofdstuk 5 zou moeten betalen, komt te vervallen of lager wordt — en dus niet als ‘afwijking’ kan worden aangemerkt.54.
147.
Bij gebreke van concrete praktijkvoorbeelden waaruit het tegendeel blijkt, is de Commissie er niet in geslaagd aan te tonen dat de bewoordingen van section 371IA, lid 1, — waarin is bepaald dat hoofdstuk 9 van toepassing is indien ‘afgezien van dit hoofdstuk, hoofdstuk 5 ([passieve financiële winsten]) van toepassing zou zijn voor de verslagperiode van een CFC’ — bewijs vormen voor de stelling ‘dat hoofdstuk 9 van toepassing is op passieve financiële winsten uit in aanmerking komende leenverhoudingen die anders op grond van hoofdstuk 5 onderworpen zouden zijn geweest aan een heffing’. Uit de bewoordingen van de bepalingen blijkt veeleer dat het begrip ‘behalve’ de verhouding tussen de twee hoofdstukken beschrijft.
148.
Een dergelijke opvatting wordt voorts bevestigd door het betoog van het VK dat de Commissie in het litigieuze besluit haar beoordeling op een verkeerde bepaling binnen de CFC-regels heeft gebaseerd en zich daarop heeft geconcentreerd. Het VK heeft aangevoerd dat section 371IA, lid 1, onder a), geen operationele bepaling is, maar slechts een van de voorwaarden voor de toepassing van hoofdstuk 9. Zoals uit mijn analyse in deze conclusie blijkt55., bevat section 371CB, lid 8, die wél een operationele bepaling is, de cruciale voorwaarde dat, indien een verzoek wordt ingediend, hoofdstuk 9 van toepassing is in plaats van hoofdstuk 5.
149.
Hieruit volgt dat, bij gebreke van concrete voorbeelden uit de rechtspraak of de administratieve praktijk van de betrokken lidstaat die afwijken van de uitlegging van die staat56., de door de Commissie voorgestane uitlegging niet volstaat om de door rekwiranten gegeven uitlegging en beschrijving van praktijksituaties terzijde te schuiven.
— e) Verhouding tussen de hoofdstukken 5 en 9
150.
Volgens de vaststellingen van de Commissie, die door het Gerecht zijn bevestigd, bevatten de hoofdstukken 5 en 9 respectievelijk voorschriften voor en uitzonderingen op de CFC-regels, in die zin dat de toepassing van hoofdstuk 9 leidt tot een verlaging van de belasting die anders verschuldigd zou zijn uit hoofde van hoofdstuk 5. Evenwel volgt uit de beoordeling die ik hierboven heb gemaakt dat de onderlinge samenhang en de inhoud van de nationale wetgeving het tegengestelde bevestigen: hoofdstuk 5 en hoofdstuk 9 staan op gelijke hoogte en zijn van toepassing op verschillende categorieën passieve financiële winsten.
151.
Uit de bewoordingen van de bepalingen van de TIOPA blijkt dat hoofdstuk 9 geen afwijking van of uitzondering op hoofdstuk 5 is57., maar veeleer een aanvullend en alternatief mechanisme waarmee kan worden beoordeeld of belasting verschuldigd is, wanneer aan bepaalde specifieke voorwaarden is voldaan.
152.
Deze twee hoofdstukken vullen elkaar aan en vormen een samenhangend corpus van regels inzake de belastingheffing over passieve financiële winsten van CFC's. Als geheel genomen bepalen deze hoofdstukken dus de reikwijdte van de CFC-heffing, waarbij rekening wordt gehouden met de beoordeling van het risico voor de belastinggrondslag in het VK dat voortvloeit uit de herkomst en het gebruik van het kapitaal waarmee die passieve financiële winsten zijn gegenereerd. CFC's kunnen een risico vormen voor de grondslag van de vennootschapsbelasting door de grondslag uit te hollen en winst te verschuiven. Daarom bepalen de Britse CFC-regels dat eerst moet worden vastgesteld welke CFC's het grootste risico op grondslaguitholling en winstverschuiving vormen (vandaar dat de CFC-regeling ‘risicogebaseerd’ wordt genoemd) en dat vervolgens het winstbedrag moet worden berekend dat weer binnen het Britse belastingnet moet worden gebracht. Deel 9A TIOPA is erop gericht vast te stellen welke constructies het grootste risico vormen voor de grondslag van de Britse vennootschapsbelasting. De drie vrijstellingsregelingen inzake groepsfinanciering berusten op deze risicogebaseerde benadering. Zoals het VK betoogt, was het standpunt van de Britse wetgever bij het opstellen van de betrokken wetgeving dat de in aanmerking komende leenverhoudingen (dat wil zeggen leningen ter financiering van echte commerciële activiteiten van de groep, waarop de vrijstellingsregelingen inzake groepsfinanciering van toepassing kunnen zijn) een relatief laag risico op kunstmatige verlegging van winsten inhouden, in tegenstelling tot ‘upstream loans’ en ‘moneybox arrangements’, die beide een hoog risico vormen voor de grondslag van de Britse vennootschapsbelasting.
153.
Door deze hoofdstukken los van elkaar te lezen, hebben de Commissie en het Gerecht buitensporig veel waarde gehecht aan de door de Britse wetgever gebruikte regelgevingstechniek, in plaats van de inhoud, onderlinge samenhang en feitelijke effecten van de krachtens het betrokken nationale recht toepasselijke normen objectief te onderzoeken, zoals de rechtspraak vereist.58.
154.
Derhalve kan worden geconcludeerd dat het beoogde effect van de hoofdstukken 5 en 9 samen erin bestaat de risico's van bepaalde welomschreven kunstmatige constructies aan te pakken. Bovendien bieden deze hoofdstukken juridische instrumenten om uitvoering te geven aan het grotendeels territoriale stelsel voor belastingheffing over ondernemingswinsten in omstandigheden waarin het VK het risico heeft onderkend dat bepaalde CFC's en hun in het VK gevestigde moedermaatschappijen volstrekt kunstmatige constructies opzetten.
— f) Sleutelfuncties
155.
Ten slotte zal ik in het kader van de analyse van de inhoud en de concrete gevolgen van de nationale wettelijke regeling ingaan op de betekenis van het begrip ‘sleutelfuncties’. Formeel gezien zouden zij veeleer in de stappen 2 of 3 van de analyse moeten worden behandeld, maar de beoordeling van het referentiestelsel zou onvolledig zijn als niet wordt ingegaan op de bewoordingen en de context van de bepalingen met betrekking tot sleutelfuncties, aangezien dit begrip integrerend deel uitmaakt van het stelsel. Volgens ITV heeft de Commissie, door aan te nemen dat de CFC-regeling een losstaande regeling is en het begrip sleutelfuncties daarbinnen de centrale indicator voor de kunstmatige verlegging van winsten vormt, een abstract begrip ingevoerd in plaats van de betrokken nationale regeling op de juiste wijze toe te passen.
156.
Het vasthouden van de Commissie aan het idee dat de analyse van de sleutelfuncties binnen de CFC-regeling als enige indicator voor kunstmatige verlegging kan worden gebruikt, doet overigens denken aan haar vasthouden aan een onjuiste opvatting van het abstracte begrip ‘prijsstelling at arm's length’ in de zaak die tot het arrest Fiat heeft geleid.59. Het Gerecht heeft (met name in punt 101 van het bestreden arrest) blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door deze onjuiste benadering te bevestigen.60.
157.
Zoals LSEGH uiteenzet, wordt het concept van sleutelfuncties in de CFC-regels van het VK gebruikt als een van de indicatoren om te bepalen welke winsten voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van hoofdstuk 4 (winsten uit activiteiten in het VK) en hoofdstuk 5 (passieve financiële winsten). Section 371EB van hoofdstuk 5 bevat regels voor passieve financiële winsten die samenhangen met sleutelfuncties in het VK. Het is derhalve aannemelijk dat, zoals LSEGH betoogt, het concept van sleutelfuncties niet de belangrijkste maatstaf is, maar enkel een onderdeel vormt van de voorwaarden voor toepassing van deze hoofdstukken 4 en 5, en zelfs in deze hoofdstukken steeds samen met andere concepten (zoals de uitsluitingen van hoofdstuk 4 en de vrijstellingsregelingen inzake groepsfinanciering van hoofdstuk 9) wordt toegepast.
158.
Het lijkt erop dat aan de CFC-regels, anders dan de Commissie stelt, niet de hoofdgedachte ten grondslag ligt dat Britse sleutelfuncties een indicator zijn voor de kunstmatige verlegging van winsten. Zoals ITV betoogt, zou dit een bot instrument zijn, dat wellicht de evenredigheidstoets niet zou doorstaan en niet aan het arrest Cadbury zou voldoen. ITV betoogt voorts dat de TIOPA het criterium van sleutelfuncties in het VK volledig overbodig maakt, aangezien, wat in aanmerking komende leenverhoudingen betreft, de aard en de omvang van het risico voor de integriteit van het algemene VB-stelsel eenvoudigweg kunnen worden beoordeeld door gebruik te maken van hoofdstuk 9. Deze argumenten lijken erop te wijzen dat het criterium van sleutelfuncties in het VK tot de instrumenten van de CFC-regeling behoort, maar — anders dan de Commissie en het Gerecht suggereren — niet het doorslaggevende instrument is.
159.
Bovendien leidt de analyse van sleutelfuncties onvermijdelijk tot een subjectieve beoordeling, en dat is uiterst problematisch wanneer, zoals in casu, de analyse achteraf moest worden verricht. Zoals ITV voor het Gerecht heeft toegelicht, verschilde de benadering van HMRC in de praktijk aanzienlijk van de meeste analyses van belastingplichtigen en hun adviseurs. Dit zou waarschijnlijk tot heel veel rechtszaken leiden, waarin een gedetailleerde analyse van de door de belastingplichtige gezette stappen zou moeten worden verricht om tot een juiste vaststelling van de omvang van de sleutelfuncties in en buiten het VK te komen. ITV heeft in eerste aanleg concrete voorbeelden gegeven: het internationale accountancybedrijf Deloitte LLP heeft een steekproef uitgevoerd onder 25 belastingplichtigen61. die alle deel uitmaakten van een groep met een moedermaatschappij in het VK en hadden gereageerd op informatieverzoeken van HMRC in verband met de onder hoofdstuk 9 vallende financieringsstructuren waarop het litigieuze besluit betrekking had. Deze belastingplichtigen hebben een gedetailleerde analyse van hun sleutelfuncties uitgevoerd. Drie van hen kwamen tot de conclusie dat zij geen sleutelfuncties in het VK hadden, 22 belastingplichtigen meenden dat zij een beperkt percentage aan sleutelfuncties in het VK hadden, maar geen enkele belastingplichtige stelde vast dat 100 % van zijn sleutelfuncties in het VK werd uitgevoerd. Slechts in drie gevallen kwamen de conclusies van HMRC en de belastingplichtige met elkaar overeen. De verschillen in benadering zijn te vinden in het aan het Gerecht overgelegde rapport van Deloitte.62. Deze inconsistenties tonen aan dat onzekerheden en tekortkomingen ontstaan wanneer het criterium van sleutelfuncties in het VK wordt gehanteerd om over het geheel genomen tot een betrouwbare en billijke uitkomst voor belastingbetalers te komen, en ook dat er behoefte is aan een redelijke, duidelijk gedefinieerde toets in de vorm van hoofdstuk 9. Deze subjectiviteit kan alleen maar bevestigen dat een analyse van de sleutelfuncties slechts een van de op grond van de CFC-regels beschikbare instrumenten is, en wijst er bovendien op dat het aannemelijk is dat, zoals het VK stelt, bij een individuele beoordeling van sleutelfuncties zowel voor de overheid als voor de belastingplichtige administratieve moeilijkheden ontstaan.
160.
Ik ben geneigd mij achter het standpunt van ITV te scharen dat de Commissie en het Gerecht de analyse van de sleutelfuncties ten onrechte hebben opgevat als een centraal element van de CFC-regels, zodat hoofdstuk 9 in deze context als een vrijstelling is beschouwd. Ik heb aangetoond dat hoofdstuk 9 veeleer een referentie-instrument is dat overwegend tegen overkapitalisatie beschermt en een maatstaf beoogt te bieden voor de belasting die het VK notioneel is misgelopen. In het bijzonder wordt in dit hoofdstuk geen indicator voor sleutelfuncties in het VK aangewezen om intragroepsfinanciering te beoordelen.
161.
Op basis van het voorgaande blijkt uit de beoordeling van de bewoordingen en de context van de hoofdstukken 4 en 5 met betrekking tot sleutelfuncties dat de Commissie er niet in is geslaagd om aan te tonen dat de door de betrokken lidstaat gegeven uitlegging van de bewoordingen en de context van de regels inzake sleutelfuncties kennelijk onjuist is.
— g) Tussenconclusie
162.
Uit een en ander volgt dat een juiste toepassing van de in de punten 55 en 56 van deze conclusie in herinnering gebrachte beginselen van de rechtspraak bevestigt dat de CFC-regels in casu niet kunnen worden losgemaakt van het algemene VB-stelsel, aangezien zij een integrerend onderdeel van en een aanvulling op dit stelsel vormen. Bijgevolg is het juiste referentiestelsel in casu het algemene VB-stelsel, en niet de CFC-regels.
163.
Uit de in punt 54 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak van het Hof en de voorgaande overwegingen blijkt dat ‘[e]en fout in [de] vaststelling [van het referentiestelsel] noodzakelijkerwijs de geldigheid van het gehele onderzoek van de selectiviteitsvoorwaarde aan[tast]’.
164.
Bijgevolg moet het bestreden arrest in zijn geheel worden vernietigd en moet het litigieuze besluit nietig worden verklaard.
165.
De overige middelen van de hogere voorziening hoeven derhalve niet te worden onderzocht. Ik zal echter volledigheidshalve een korte analyse geven, voor het geval dat het Hof mijn bovenstaande beoordeling niet deelt.
2. Tweede en derde middel van de hogere voorziening van het VK, tweede middel van de hogere voorziening van ITV en derde middel van de hogere voorziening van LSEGH — stap 2 (bestaan van een selectief voordeel)
a) Argumenten van partijen
166.
Het VK en ITV betogen (met hun respectieve tweede middelen) in wezen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Britse CFC-wetgeving een voordeel opleverde. Deze onjuiste rechtsopvatting is het gevolg van onjuiste opvattingen en kwalificaties van de feiten met betrekking tot de rol van sleutelfuncties in de Britse CFC-wetgeving en de verhouding tussen de hoofdstukken 5 en 9.
167.
Met het derde middel van zijn hogere voorziening stelt het VK dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de doelstelling en de selectiviteit van de Britse CFC-wetgeving. Het bestreden arrest bevat herhaalde onjuiste opvattingen en/of kennelijke beoordelingsfouten met betrekking tot de rol van sleutelfuncties in de Britse CFC-wetgeving en de onderlinge samenhang tussen de hoofdstukken 5 en 9 ervan. Ook wordt, in strijd met de motiveringsplicht, geen melding gemaakt van of niet ingegaan op wezenlijke elementen van het betoog van het VK.
168.
Met haar derde middel voert LSEGH aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in verband met de vaststelling van een selectief voordeel. Het Gerecht heeft met name een fout gemaakt door vast te stellen dat marktdeelnemers die op grond van hoofdstuk 9 gebruik konden maken van de vrijstellingsregelingen inzake groepsfinanciering en vennootschappen die dat niet konden, zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevonden.
169.
De Commissie betwist bovenstaande argumenten.
b) Beoordeling
170.
Indien de bevindingen van het Gerecht met betrekking tot stap 1 van de analyse (afbakening van het referentiestelsel) door het Hof worden aanvaard — wat ik onwaarschijnlijk acht — moet vervolgens worden onderzocht of het Gerecht ook stap 2 van de analyse (de vraag of de belastingmaatregel een afwijking van het referentiestelsel is) juist heeft beoordeeld. Daartoe zou moeten worden onderzocht of de betrokken vrijstellingen afwijken van het referentiestelsel, voor zover zij differentiaties introduceren tussen marktdeelnemers die zich, gelet op het door dat stelsel nagestreefde doel, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden.
171.
Ik moet toegeven dat ik deze oefening nogal theoretisch vind, aangezien het voorgaande slechts mogelijk is indien het Hof het oneens is met mijn conclusie met betrekking tot het referentiestelsel en tot de slotsom komt dat deel 9A TIOPA, met uitzondering van hoofdstuk 9 ervan (dat de betrokken vrijstellingen bevat), in casu het referentiestelsel is. Indien wordt aanvaard dat deel 9A TIOPA met inbegrip van hoofdstuk 9 het referentiestelsel vormt, valt moeilijk in te zien hoe kan worden nagegaan of de door de Commissie aangevoerde en in het bestreden arrest bevestigde argumenten kunnen aantonen dat hoofdstuk 9 vrijstellingen creëert die van dit referentiestelsel afwijken, ook al maken zij er deel van uit.
172.
Hoe dit ook zij, zelfs indien wordt uitgegaan van het theoretische scenario dat alle CFC-regels als referentiestelsel worden aangemerkt, neemt dit — zoals ik nader heb uiteengezet in mijn beoordeling van stap 1 van de analyse — niet weg dat de door de betrokken lidstaat gegeven uitlegging van de nationale regeling niet door de Commissie is weerlegd (aangezien zij niet heeft aangetoond dat het VK zijn nationale regeling kennelijk onjuist heeft uitgelegd). In het bijzonder is hoofdstuk 9 geen afwijking van of uitzondering op hoofdstuk 563., maar veeleer een aanvullend en alternatief mechanisme waarmee kan worden beoordeeld of belasting verschuldigd is, wanneer aan bepaalde specifieke voorwaarden is voldaan.
173.
Zoals ik in mijn beoordeling van stap 1 heb uiteengezet, hebben de Commissie en het Gerecht in de eerste plaats ten onrechte geoordeeld dat hoofdstuk 9 voorziet in vrijstellingen van de CFC-heffing voor passieve financiële winsten van CFC's die anders uit hoofde van hoofdstuk 5 belastbaar zouden zijn. Het Gerecht heeft de rol van het criterium van sleutelfuncties in het VK overschat door te oordelen dat alle passieve financiële winsten van een CFC die aan dat criterium voldoen, automatisch moeten worden aangemerkt als kunstmatig verlegd uit het VK en bijgevolg krachtens hoofdstuk 5 aan de CFC-heffing moeten worden onderworpen. Bepaalde soorten constructies, namelijk in aanmerking komende leenverhoudingen, brengen geen hoog risico op kunstmatige verlegging met zich mee, ongeacht of sleutelfuncties in het VK worden uitgevoerd. Andere soorten constructies, namelijk die welke niet als in aanmerking komende leenverhoudingen kunnen worden aangemerkt, brengen wel een dergelijk risico met zich mee, ook hier ongeacht of sleutelfuncties in het VK worden uitgevoerd.
174.
In de tweede plaats blijkt uit mijn analyse van stap 1 ook dat de Commissie en het Gerecht geen rekening hebben gehouden met het feit dat de CFC-regels, als geheel en in het licht van hun doelstelling, zijn opgesteld volgens een benadering die is gebaseerd op een beoordeling van de risico's die de winsten van CFC's opleveren voor het algemene VB-stelsel (waarvan de CFC-regels een integrerend onderdeel vormen). Het doel van die regels is grondslaguitholling en winstverschuiving aan te pakken, terwijl de Commissie en het Gerecht ten onrechte alleen het laatste element hebben aanvaard.
175.
In de derde plaats hebben de Commissie en het Gerecht, zoals uit mijn beoordeling van stap 1 kan worden afgeleid, bij de vergelijking van enerzijds de passieve financiële winsten van CFC's waarop de betrokken vrijstellingen van toepassing waren, en anderzijds de passieve financiële winsten van CFC's die niet voor deze vrijstellingen in aanmerking kwamen, enkel bevestigend geantwoord op de vraag of al deze winsten konden voldoen aan het criterium van sleutelfuncties in het VK, in plaats van rekening te houden met de risiconiveaus van de verschillende winsten voor het algemene VB-stelsel.
176.
Het Gerecht heeft zodoende blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de uitlegging te bevestigen die de Commissie van de onderliggende nationale regeling van de betrokken lidstaat heeft gegeven, en is aldus tot een rechtens onjuiste bevinding gekomen met betrekking tot het bestaan van een voordeel en de rol van sleutelfuncties binnen die nationale regeling. Het Gerecht heeft vergelijkbare fouten gemaakt met betrekking tot het doel van de CFC-regels (en dat van het algemene VB-stelsel).
177.
Indien het Hof het niet eens is met mijn bovenstaande beoordeling en de analyse van het Gerecht met betrekking tot de prima-facieselectiviteit van de betrokken vrijstellingen wordt bevestigd — wat ik onwaarschijnlijk acht — zullen de argumenten van rekwiranten inzake de wijze waarop het Gerecht de rechtvaardigingen voor deze vrijstellingen heeft beoordeeld, moeten worden onderzocht.
3. Vierde middel van de hogere voorziening van het VK, derde middel van de hogere voorziening van ITV en vijfde middel van de hogere voorziening van LSEGH — stap 3a: rechtvaardiging van de betrokken vrijstellingen door de noodzaak om de administratieve uitvoerbaarheid te verzekeren
a) Argumenten van partijen
178.
Het VK stelt met zijn vierde middel dat het Gerecht niet is ingegaan op zijn argument dat het onderscheid in het litigieuze besluit tussen sleutelfuncties in het VK en met het VK verbonden kapitaal irrationeel was, zodat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen. Bovendien heeft het Gerecht de rechtvaardiging van de administratieve uitvoerbaarheid afgewezen om twee redenen die verband houden met het vermeende ontbreken van bewijzen voor het Gerecht. Het VK stelt dat geen van deze redenen gegrond was, aangezien beide een kennelijk onjuiste opvatting van de voor het Gerecht aan de orde zijnde feiten inhouden.
179.
ITV betoogt met haar derde middel dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en/of een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat de vrijstellingen, indien zij een selectief voordeel zouden toekennen (quod non), niet op basis van administratieve uitvoerbaarheid konden worden gerechtvaardigd.
180.
LSEGH voert met haar vijfde middel aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de vrijstelling inzake groepsfinanciering in hoofdstuk 9 niet wordt gerechtvaardigd door de aard of de algemene opzet van het referentiestelsel.
181.
De Commissie betwist deze argumenten.
b) Beoordeling
182.
In het eerste deel van mijn conclusie (referentiestelsel) heb ik aangetoond dat de uitlegging die het VK aan zijn nationale regeling geeft, aannemelijk is gelet op het doel, de inhoud en de concrete gevolgen van die nationale regeling, en dat de uitlegging die de Commissie in het litigieuze besluit aan die nationale regeling heeft gegeven, derhalve onjuist is. De problemen met betrekking tot de uitvoerbaarheid van de analyse van de sleutelfuncties zijn in de punten 157 tot en met 159 en in punt 173 van deze conclusie specifiek aan de orde gekomen.
183.
Derhalve volstaat het erop te wijzen — zoals het Hof dit ook in het arrest Andres heeft gedaan64.— dat het Gerecht het betoog van de verzoekende partijen in eerste aanleg, waarmee zij wilden aantonen dat de betrokken vrijstellingen werden gerechtvaardigd door de noodzaak om voor administratieve uitvoerbaarheid te zorgen, heeft geanalyseerd op basis van zijn rechtens onjuiste beoordeling (volgens welke de Commissie geen fout had gemaakt bij de uitlegging van de nationale regeling).65. Bovengenoemde onjuiste rechtsopvatting tast dus noodzakelijkerwijs ook de beoordeling door het Gerecht van die rechtvaardiging aan.66.
184.
In het theoretische scenario dat deze middelen van de hogere voorzieningen door het Hof zouden worden beoordeeld, moeten ze echter noodzakelijkerwijs slagen.
4. Vijfde middel van de hogere voorziening van het VK, vierde middel van de hogere voorziening van ITV en vijfde middel van de hogere voorziening van LSEGH — stap 3b: rechtvaardiging van de betrokken vrijstellingen door de noodzaak om de eerbiediging van de vrijheid van vestiging te waarborgen
a) Argumenten van partijen
185.
Het VK stelt met zijn vijfde middel dat het Gerecht bij zijn redenering blijk heeft gegeven van een kennelijk onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het vereiste van de vrijheid van vestiging en de betekenis van het arrest Cadbury, hetgeen neerkomt op miskenning van die zaak. Het oordeel van het Gerecht hierover vertoont verscheidene fouten. In de eerste plaats berust het op een misvatting over de rol van sleutelfuncties in de Britse CFC-regels. In de tweede plaats lijkt het Gerecht ervan te zijn uitgegaan dat het VK een zuiver territoriaal stelstel heeft vastgesteld. In de derde plaats wordt er in dit deel van het bestreden arrest geen melding gemaakt van of niet ingegaan op de wezenlijke argumenten van het VK met betrekking tot de gevolgen van de Cadbury-rechtspraak voor de vormgeving van zijn CFC-regels.
186.
ITV stelt met haar vierde middel dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het arrest Cadbury niet naar behoren te onderzoeken en toe te passen. Het Gerecht heeft dit met name niet gedaan bij het onderzoek van het referentiestelsel en het selectief voordeel, noch bij de analyse van de vraag of de betrokken vrijstellingen gerechtvaardigd kunnen zijn ter bescherming van de in artikel 49 VWEU verankerde vrijheid van vestiging. Voorts of subsidiair heeft het Gerecht zijn vaststellingen op dit punt ontoereikend gemotiveerd.
187.
LSEGH stelt met haar vijfde middel dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de vrijstelling inzake groepsfinanciering in hoofdstuk 9 niet wordt gerechtvaardigd door de aard of de algemene opzet van het referentiestelsel.
188.
De Commissie betwist deze argumenten.
b) Beoordeling
189.
Aangezien het Gerecht de onjuiste uitlegging van de onderliggende nationale regeling door de Commissie ten onrechte heeft bevestigd, is, zoals ik in de punten 182 en 183 van deze conclusie heb uiteengezet, de analyse door het Gerecht van de argumenten die de verzoekende partijen in eerste aanleg hebben aangevoerd om de rechtvaardiging (daaronder begrepen de onderhavige) van de betrokken vrijstellingen aan te tonen, noodzakelijkerwijs ook aangetast.
190.
Het volstaat erop te wijzen dat in de punten 73 tot en met 77 van deze conclusie is geconcludeerd dat de Britse wetgever zich met de nieuwe CFC-regeling heeft willen voegen naar met name het arrest Cadbury en dat de Commissie geen argumenten heeft aangevoerd op grond waarvan het Hof deze opvatting als kennelijk onjuist in twijfel zou kunnen trekken.
191.
In het theoretische scenario dat deze middelen van de hogere voorzieningen door het Hof zouden worden beoordeeld, moeten ze echter noodzakelijkerwijs slagen.
5. Vierde middel van de hogere voorziening van LSEGH
a) Argumenten van partijen
192.
LSEGH stelt dat het Gerecht de artikelen 263 en 296 VWEU heeft geschonden door niet in te gaan op de middelen en zijn motiveringsplicht niet na te komen, en door zijn eigen motivering in de plaats te stellen van die van de Commissie in het litigieuze besluit.
193.
De Commissie betwist deze argumenten en betoogt dat het Gerecht haar bevinding dat de afwijking niet op grond van administratieve uitvoerbaarheid kon worden gerechtvaardigd, terecht heeft bevestigd, en dat het aan zijn motiveringsplicht heeft voldaan.
b) Beoordeling
194.
Aangezien het Gerecht de onjuiste uitlegging van de onderliggende nationale regeling door de Commissie ten onrechte heeft bevestigd, is, zoals ik in de punten 182 en 183 van deze conclusie heb uiteengezet, de analyse door het Gerecht van de argumenten die de verzoekende partijen in eerste aanleg hebben aangevoerd om de rechtvaardiging (daaronder begrepen de onderhavige) van de betrokken vrijstellingen aan te tonen, noodzakelijkerwijs ook aangetast.
195.
In het theoretische scenario dat dit middel van de hogere voorziening door het Hof zou worden beoordeeld, moet het echter noodzakelijkerwijs slagen.
IV. Conclusie
196.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om:
- 1)
het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 8 juni 2022, Verenigd Koninkrijk en ITV/Commissie (T-363/19 en T-456/19, EU:T:2022:349), te vernietigen;
- 2)
besluit (EU) 2019/1352 van de Commissie van 2 april 2019 betreffende steunmaatregel SA.44896 van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot een CFC-vrijstelling inzake groepsfinanciering, nietig te verklaren;
- 3)
de Europese Commissie te verwijzen in de kosten van de hogere voorzieningen en in die van de procedures in eerste aanleg.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑04‑2024
Oorspronkelijke taal: Engels.
Besluit van 2 april 2019 betreffende steunmaatregel SA.44896 van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot een CFC-vrijstelling inzake groepsfinanciering (PB 2019, L 216, blz. 1; hierna: ‘litigieus besluit’).
De volledige tekst van deel 9A TIOPA is opgenomen in bijlage A.3 bij het verzoekschrift van het VK in zaak C-555/22 P. De tekst van deze handeling is te vinden op https://www.legislation.gov.uk/ukpga/2010/8/contents/.
De plaats waar sleutelfuncties worden uitgeoefend wordt beschouwd als een goede indicatie van de plaats waar het aan activa verbonden risico wordt beheerd en van de plaats waar zich de activa bevinden die winst genereren.
Het VK was ten tijde van de feiten nog een lidstaat.
Richtlijn van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt (PB 2016, L 193, blz. 1).
Zie de punten 77, 78 en 80–83 van het bestreden arrest.
Zie punt 85 van het bestreden arrest.
Zie punt 86 van het bestreden arrest.
Zie punt 87 van het bestreden arrest.
Zie punt 88 van het bestreden arrest.
Zie punten 89 en 90 van het bestreden arrest.
Arrest van de Grote kamer van 12 september 2006 (C-196/04, EU:C:2006:544, punten 72 en 73; hierna: ‘arrest Cadbury’).
Arrest van de Grote kamer van 8 november 2022, Fiat Chrysler Finance Europe/Commissie (C-885/19 P en C-898/19 P, EU:C:2022:859; hierna: ‘arrest Fiat’).
Zie arrest van de Grote kamer van 5 december 2023, Luxemburg e.a./Commissie (C-451/21 P en C-454/21 P, EU:C:2023:948, punten 76 en 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest Engie’).
Arrest Fiat, punt 85. Zie ook arrest Engie, punt 78.
Zie arrest Engie, punt 79.
Zie arrest van 3 april 2014, Frankrijk/Commissie (C-559/12 P, EU:C:2014:217, punt 81).
Arrest Fiat (punten 82 en 85).
Punten 46 e.v. van deze conclusie.
Arrest Fiat, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak (cursivering van mij).
Ibidem, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Arrest van de Grote kamer van 6 oktober 2021, World Duty Free Group en Spanje/Commissie (C-51/19 P en C-64/19 P, EU:C:2021:793, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest World Duty Free’).
Ibidem, punt 63.
Zie ook arrest Engie, punten 112 en 118.
Arrest Engie, punt 119 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Ibidem, punten 111 en 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
‘Bij het onderzoek of er sprake is van een selectief belastingvoordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU en bij de vaststelling van de belastingdruk die normaliter op een onderneming rust, kan dus geen rekening worden gehouden met parameters en regels die vreemd zijn aan het betrokken nationale belastingstelsel, tenzij dat belastingstelsel daar uitdrukkelijk naar verwijst’ (cursivering van mij).
Het Hof gebruikt het woord ‘uitdrukkelijk’ overigens wel in het arrest Fiat en het arrest Amazon (arrest van 14 december 2023, Commissie/Amazon.com e.a., C-457/21 P, EU:C:2023:985), maar niet in het arrest Engie.
Arrest Engie, punt 121.
Zie punten 53–65 van deze conclusie.
Zie arrest World Duty Free, punt 63.
Zie deel 1 van deze conclusie (punten 67–115).
Zie Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), BEPS-project, OECD/G20 Inclusive Framework on BEPS, Action 3 Controlled Foreign Company, beschikbaar op https://www.oecd.org/tax/beps/beps-actions/action3/.
Zie de punten 109–120 van het bestreden arrest.
Zie met name de punten 85 en 87 van het bestreden arrest.
Zie zijn conclusie in de zaak Andres (Voorheen Heitkamp BauHolding)/Commissie (C-203/16 P, EU:C:2017:1017, punt 109).
Arrest van 28 juni 2018, Andres (Voorheen Heitkamp BauHolding)/Commissie (C-203/16 P, EU:C:2018:505, punten 101–103; hierna: ‘arrest Andres’). Zie ook punt 55 van deze conclusie.
Arrest World Duty Free, punt 94: ‘de keuze voor een welbepaalde regelgevingstechniek [kan] er niet toe […] leiden dat nationale fiscale bepalingen a priori aan het in het VWEU bedoelde toezicht op staatssteun ontsnappen, [en een dergelijke] keuze [vormt] evenmin een voldoende basis […] om het voor het onderzoek van de selectiviteitsvoorwaarde relevante referentiekader af te bakenen, aangezien dat zou betekenen dat kennelijk meer belang wordt gehecht aan de vorm van de overheidsmaatregelen dan aan de gevolgen ervan’ (cursivering van mij), en arrest Fiat, punt 70: ‘de regelgevingstechniek [kan] niet doorslaggevend […] zijn om te bepalen of een belastingmaatregel selectief is’. Zie ook arrest Andres, punt 92.
Zie OESO, Glossary of Tax Terms (OECD Web Archive).
Zie section 371BC, lid 3, onder b), van deel 9A, hoofdstuk 2, TIOPA.
Zie arrest World Duty Free, punt 63.
In de CFC-wetgeving zijn tal van bepalingen aan te wijzen waaruit blijkt dat deze gebaseerd zijn op bepalingen die elders in de VB-wetgeving staan. In hoofdstuk 9 verwijzen de subsections 371IB, lid 1, en IH, lid 1, beide naar bepalingen van de VB-wet 2009. In belangrijke definities, zoals ‘totale belastbare winst’ in section 371SB, wordt verwezen naar de VB-wet 2010. Subsection 371SD-SR bevat een reeks ‘[VB]-aannames’ waarin uit de VB-wetgeving afkomstige regels worden toegepast. Hoofdstuk 21 van deel 9A (Management) steunt sterk op andere bepalingen, met name de Finance Act 1998 (wet van 1998 op de financiën). In hoofdstuk 22 (Definities) wordt vaak naar de VB-wetgeving verwezen.
Zie voetnoot 11 van de repliek van het VK voor het Gerecht (ook bijlage A.9 bij zaak C-555/22 P).
Zie section 371IA, lid 10, onder a).
Goeth, P., in Kofler e.a. (red.), CJEU — Recent developments in direct taxation 2021 (2022), Linde Digital.
Zie arrest World Duty Free, punt 62.
Zie de punten 58–65 van deze conclusie.
Het ‘interne handboek’ van de Britse belastingdienst (His Majesty's Revenue & Customs, HMRC), dat onder meer CFC's betreft. Zie section INTM216800. Bron: https://www.gov.uk/hmrc-internal-manuals/international-manual/intm190000 (hierna: ‘HMRC-handboek’).
Section 371CB, lid 8, geeft duidelijk aan dat passieve financiële winsten die krachtens hoofdstuk 9 worden belast, niet ook nog eens krachtens hoofdstuk 5 kunnen worden belast. Een van beide is van toepassing: hoofdstuk 9 of hoofdstuk 5.
De Britse uitlegging is ook in overeenstemming met het HMRC-handboek.
Zie voetnoot 50 van deze conclusie.
In de punten 150 e.v. van deze conclusie kom ik op deze verhouding terug.
In de eerste situatie bezit een belastingplichtige een CFC die partij is bij meerdere in aanmerking komende leenverhoudingen, waarbij voor sommige daarvan geldt dat, voor zover geen verzoek is ingediend om onder hoofdstuk 9 te vallen, meer dan 25 % van de daarmee samenhangende passieve financiële winsten onder hoofdstuk 5 zou vallen, terwijl dit voor andere in aanmerking komende leenverhoudingen van de CFC minder dan 25 % van de daarmee samenhangende passieve financiële winsten zou zijn. De CFC zou in deze situatie, indien voor hoofdstuk 9 wordt gekozen, met betrekking tot de eerste categorie in aanmerking komende leenverhoudingen een lager belastingbedrag verschuldigd zijn, maar met betrekking tot de tweede categorie een hoger bedrag. Een belastingplichtige kan er echter niet voor kiezen om hoofdstuk 9 slechts op sommige in aanmerking komende leenverhoudingen van de CFC toe te passen; indien een verzoek wordt ingediend, is hoofdstuk 9 van toepassing op alle in aanmerking komende leenverhoudingen. Een rationeel denkende belastingplichtige kan echter toch besluiten om de aanvraag te doen, indien hij van mening is dat dit hem, gelet op de beide categorieën in aanmerking komende leenverhoudingen, over het geheel genomen voordeel oplevert. In de tweede situatie is de belastingplichtige van mening dat minder dan 25 % van de passieve financiële winsten uit in aanmerking komende leenverhoudingen van een bepaalde CFC onder hoofdstuk 5 zou vallen, maar is de Britse belastingdienst het oneens met de analyse van de belastingplichtige. De belastingplichtige kan in deze situatie redelijkerwijs kiezen voor toepassing van hoofdstuk 9 op de CFC, zodat hij zekerheid verkrijgt en de kosten van een geding met HMRC vermijdt. In dat geval zou, onder toepassing van hoofdstuk 9, 25 % van de betrokken passieve financiële winsten de voorwaarden voor toepassing van de CFC-heffing vervullen, ook al kan de belastingplichtige in theorie gelijk hebben dat dit onder toepassing van hoofdstuk 5 minder dan 25 % zou zijn.
Zie punt 129 van deze conclusie.
Zie de rechtspraak die is aangehaald in punt 63 van deze conclusie.
Zie met name punt 129 van deze conclusie.
Zie het arrest Fiat (punten 70 en 72). In het bijzonder hebben de Commissie en het Gerecht geen rekening gehouden met de risicogebaseerde aard van het rechtskader van deel 9A TIOPA.
ITV voert soortgelijke argumenten aan in het kader van het middel betreffende de vaststelling van het referentiestelsel.
Het Gerecht heeft herhaaldelijk aangenomen dat, wanneer er sprake is van sleutelfuncties in het VK, alle passieve financiële winsten die aan deze sleutelfuncties kunnen worden toegerekend, kunstmatig buiten het VK waren verlegd (zie de punten 106, 139–143, 148 en 149, 150–154, 155–159, 162–165, 176 en 177, 179 en 180, 199 en 201).
De steekproef is getrokken uit geanonimiseerde gegevens van belastingbetalers die sleutelfunctie-rapporten hebben opgesteld en deze met HMRC hebben gedeeld. Het rapport van Deloitte is door ITV aan het Gerecht overgelegd als bijlage E1.
Veel belastingplichtigen hebben gedetailleerde sleutelfunctie-analyses uitgevoerd om na te gaan of zij in dit geval daadwerkelijk staatssteun hebben ontvangen. Een aantal van hen heeft vastgesteld dat de CFC's weliswaar waren opgericht met kapitaal dat met het VK was verbonden, maar dat er in het geheel geen wezenlijke sleutelfuncties in het VK werden uitgevoerd. Meer dan de helft van de aanvankelijk bij het Gerecht ingestelde beroepen tot nietigverklaring is om deze reden ingetrokken.
Zie met name punt 129 van deze conclusie.
Zie de punten 106 en 107.
Zie met name de punten 113–115 alsmede de punten 162–164 van deze conclusie.
Zie naar analogie arrest van 16 september 2021, Commissie/België en Magnetrol International (C-337/19 P, EU:C:2021:741, punten 120–122).