Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/3.1
3.1 Inleiding
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS394717:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De AO is een algemene wet waarin zowel de heffing van belastingen als de invordering is geregeld. De mijns inziens bekendste bepaling uit de wet is §42 AO (Missbrauch von rechtlichen Gestaltungsmöglichkeiten) vergelijkbaar met ons leerstuk van wetsontduiking. Voor een Nederlandstalige uiteenzetting van deze bepaling zie H.J.M. Nieuwenhuizen, Rechtsvinding en fiscale werkelijkheid, Kluwer, 2010, paragraaf 4.2.2.
Het AStG is een wet die zich richt op de internationale verhoudingen van Duitse ingezetenen en sinds 2012 ook op internationale verhoudingen tussen hoofdhuis en vaste inrichting. De voor de winstbelasting van lichamen belangrijke bepalingen zijn bijvoorbeeld §1 AStG waar het at arm’s lengthbeginsel is weergegeven en §7 tot en met §14 AStG waar de Controlled-Foreign-Company (CFC)-bepalingen staan. In hoofdstuk 8 ga ik wel in op de Duitse CFC-regels. Het voornaamste doel van het AStG is het waarborgen van Duitse belastinginkomsten in internationale verhoudingen. Het AStG kan dus als een soort antiontgaanswet worden gezien.
Voor enkele formeelrechtelijke ontwikkelingen rondom horizontaal toezicht en het rulingbeleid zie hoofdstuk 2.10. Zie voor een rechtsvergelijking tussen Nederland en Duitsland ten aanzien van enkele andere formeelrechtelijke aspecten, M.A. Wisselink, Rechtsvergelijkende opmerkingen over het Nederlandse en Duitse stelsel der aanslagbelastingen alsmede de navorderingsbevoegdheid, MBB 1992/360 (met uiteraard wel de kanttekening dat het artikel meer dan 25 jaar oud is).
In hoofdstuk 8 ga ik bijvoorbeeld wel in op de Duitse CFC-regels uit het AStG.
Alvorens ik concreet inga op de verschillende leerstukken in de winstbelasting van lichamen in Nederland en Duitsland, schets ik eerst de hoofdlijnen (het raamwerk) van de winstbelasting van lichamen in beide landen. In dit hoofdstuk zet ik derhalve uiteen welke winstbelastingen van lichamen in Nederland en Duitsland worden geheven en welke verschillen en overeenkomsten er bestaan tussen de (ontwikkeling) van de winstbelasting van lichamen in beide landen. Daaruit zal blijken dat de Nederlandse vennootschapsbelasting en Duitse Körperschaftsteuer en Gewerbesteuer “de hoofdrolspelers’’ van mijn onderzoek zullen zijn.
Ik begin dit hoofdstuk met het Nederlandse gedeelte (hoofdstuk 3.2), waarin ik de huidige situatie weergeef en zal aangeven welke plaats - qua grootte - de vennootschapsbelasting inneemt ten opzichte van de totale belastingopbrengsten in Nederland om een en ander in perspectief te kunnen plaatsen. Vervolgens zet ik de historische ontwikkeling, de rechtsgrond en de relatie tussen de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting uiteen. In hoofdstuk 3.2.5 zal ik mijns inziens relevante discussiepunten in kaart brengen zijnde: de discussie over de rechtsgrondslag van de vennootschapsbelasting, de verruiming van het gemeentelijke belastingbeleid in Nederland en het ontbreken van een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting. Deze discussiepunten analyseer ik in het licht van mijn in hoofdstuk 1.3.2.4 opgestelde toetsingskader.
In het Duitse gedeelte (hoofdstuk 3.3) houd ik zoveel mogelijk eenzelfde paragraafindeling aan.
In de conclusie (hoofdstuk 3.4) ga ik in op de deelvragen of de rechtsgrondslag in Duitsland voor een winstbelasting van lichamen wel eenduidig kan worden vastgesteld, of invoering van een Duitse Gewerbesteuer aanbevelenswaardig zou zijn om in het Nederlandse belastingsysteem in te voeren en of de Duitse Thesaurierungsbegünstigung iets voor Nederland zou zijn. Dit toets ik wederom aan de hand van mijn in hoofdstuk 1.3.2.4 opgestelde toetsingskader. In dit hoofdstuk en ook in mijn verdere onderzoek ga ik niet of nauwelijks in op andere belastingen/heffingen, zoals bijvoorbeeld de dividendbelasting, loonbelasting of btw. Ook zal ik niet gestructureerd ingaan op andere belastingwetten die van toepassing kunnen zijn op de winstbelasting van lichamen, zoals bijvoorbeeld de Nederlandse Algemene Wet Rijksbelasting (AWR), de Duitse Abgabenordnung (AO)1 of het Duitse Außensteuergesetz (AStG)2. Daarnaast worden formeelrechtelijke aspecten in mijn onderzoek niet structureel behandeld.3 Als een andere belasting/ heffing, wet, of formeelrechtelijke aspecten wel een substantiële invloed op of samenloop met een bepaalde rechtsregel of leerstuk heeft, dan zal ik daar uiteraard wel op ingaan.4