Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/V.2
V.2 Collegiaal bestuur vs. taakverdeling
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242703:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/203; Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/194; en Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 13.1, p. 211-212.
Zie de eerste volzin van art. 2:129a/239a lid 1 BW: “Bij de statuten kan worden bepaald dat de bestuurstaken worden verdeeld over één of meer niet uitvoerende bestuurders en één of meer uitvoerende bestuurders.” In gelijke zin Dumoulin, Ondernemingsrecht 2005/91.
Zie onder meer Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 8 en 14 (MvT); en Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 4 en 15-16 (MvA). Idem onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/185; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 13.1, p. 212-214; Handboek 2013/257, p. 560; en Timmerman, Ondernemingsrecht 2009/2.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 21. Zoals ik in § II.3.4 schreef, deed de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht eerder al een soortgelijk voorstel. Zie Advies Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht d.d. 12 september 2003, p. 3. De Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht maakte echter een ommezwaai. In haar advies inzake het voorontwerp van de Wet bestuur en toezicht, gaf zij namelijk aan het uitgangspunt van collegiale verantwoordelijkheid niet te willen verlaten. Zie Advies Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht d.d. 5 juni 2008, p. 3.
Zie Handelingen II 2009/10, 31 763, 34.
Evenzo Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/441.
Idem onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/185; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 13.1, p. 214; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; Handboek 2013/233, p. 486-487; en Verdam, Ondernemingsrecht 2013/102, die zijn standpunt herhaalt in Verdam 2017, p. 166.
Zie onder meer Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 8 (MvT); en Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 23 (MvA). In § 8 van de Departementale Richtlijnen 1986 (oud) kwam dit als volgt naar voren: “Niet toegestaan is de statutaire bepaling dat beslissingen over bepaalde onderwerpen aan het bestuur worden onttrokken; wel de bepaling dat een bestuurder speciaal is belast met bepaalde bestuurswerkzaamheden.”
Evenzo Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/185; Handboek 2013/233, p. 486-487; en Schild & Timmerman, WPNR 2014/7011, p. 272.
De uitzonderingen op het uitgangspunt van collectieve besluitvorming passeren in § V.7.2 e.v. de revue.
Onder anderen Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/194; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/446; Kersten 2018, p. 32-33; Salemink, MvO 2017, afl. 1-2, p. 14; en Schuijling & Kortmann 2017, p. 399.
En dus ook met de Wijsmuller-doctrine. In het Wijsmuller-arrest bepaalde de Hoge Raad dat een besluit van een meerhoofdig orgaan tot stand behoort te komen als vrucht van onderling overleg van alle leden van dat orgaan die, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, aan dat overleg wensen deel te nemen, zie HR 15 juli 1968, NJ 1969, 101 m.nt. Scholten (Wijsmuller). Ik kom hier in § V.7.1 en § VI.4.5.3 op terug.
Verdam 2011, p. 33, die zijn opvatting herhaalt in Verdam, Ondernemingsrecht 2013/103.
De Kluiver 2009, p. 260; en Verdam 2011, p. 33, die zijn opvatting herhaalt in Verdam, Ondernemingsrecht 2013/103. Ook Nowak, Ondernemingsrecht 2008/174, lijkt deze opvatting te zijn toegedaan.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 8, 14 en 17 (MvT); Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 13 en 25 (NV); en Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 23 (MvA).
In gelijke zin onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/446; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; en Verdam, Ondernemingsrecht 2013/102. Vgl. § 8 van de Departementale Richtlijnen 1986 (oud).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 17 (MvT); en Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 13 en 25 (NV).
In het Nederlandse ondernemingsrecht staat het beginsel van collegiaal bestuur centraal. Dit houdt in dat het besturen van de vennootschap bij een meerhoofdig bestuur de taak van de gezamenlijke bestuurders als college is.1 Het beginsel van collegiaal bestuur staat niet aan taakverdeling in de weg. In een monistisch bestuur is het juist de bedoeling dat de taken over de bestuursleden worden verdeeld. De taakverdeling vormt immers de kern van het monistische bestuursmodel.2
Collectieve verantwoordelijkheid blijft evenwel steeds het devies.3 Ondanks de taakverdeling, blijft de verantwoordelijkheid voor de vervulling van de verdeelde bestuurstaken bij de gezamenlijke bestuurders liggen.
De zaken zouden anders hebben gelegen als het amendement van Tweede Kamerlid Weekers was aangenomen. Hij stelde voor in art. 2:9 lid 2 BW op te nemen dat een bestuurder niet verantwoordelijk is voor taken die aan een andere bestuurder zijn toebedeeld.4 Het amendement heeft de eindstreep niet gehaald.5 Ik kom hier in § VII.2.4 op terug.
De niet-uitvoerende bestuurder is dus niet alleen verantwoordelijk voor de taken die specifiek aan hem zijn toebedeeld. Ook de dagelijkse gang van zaken valt onder zijn verantwoordelijkheid.6 Een taakverdeling leidt er dan ook niet toe dat taken die aan individuele bestuurders zijn toebedeeld, aan het bestuur als collectief worden onttrokken. Het bestuur kan de verdeelde taken te allen tijde naar zich toetrekken. Ook kan het bestuur individuele bestuurders bindende instructies geven met betrekking tot de uitoefening van de bestuurstaak. Een taakverdeling binnen het bestuur werkt met andere woorden niet privatief.7
De taakverdeling tast het uitgangspunt van collectieve besluitvorming evenmin aan.8 Bestuurders die met een bepaalde taak zijn belast kunnen de besluitvorming voorbereiden en het bestuur van advies voorzien, maar uiteindelijk is het steeds het college van gezamenlijke bestuurders dat het bestuursbesluit neemt.9 Althans, dat is het uitgangspunt. Op dit uitgangspunt bestaan een aantal uitzonderingen.10
Een van de uitzonderingen op het uitgangspunt van collectieve besluitvorming betreft de regeling van art. 2:129a/239a lid 3 BW. Art. 2:129a/239a lid 3 BW voorziet in de mogelijkheid bij of krachtens de statuten te bepalen dat een of meer uitvoerende of niet-uitvoerende bestuurders rechtsgeldig kunnen besluiten omtrent zaken die tot zijn respectievelijk hun taak behoren. In de literatuur wordt wel gesteld dat deze regeling op gespannen voet staat met het beginsel van collegiaal bestuur.11
Ik vraag mij af of die zienswijze juist is. Het staat buiten kijf dat de regeling breekt met het uitgangspunt van collectieve besluitvorming.12 Maar dat wil niet zeggen dat de regeling haaks op het uitgangspunt van collegiaal bestuur staat. Volgens Verdam bestaat het beginsel van collegiaal bestuur uit een pijler van collegiale besluitvorming en een pijler van collegiaal toezicht.13 Net als De Kluiver constateert hij dat de betekenis van het beginsel van collegiaal bestuur de laatste jaren verschuift van collegiale besluitvorming naar collegiaal toezicht. Door de regeling van art. 2:129a/239a lid 3 BW boet de pijler van collegiale besluitvorming aan belang in, terwijl de pijler van collegiaal toezicht aan belang wint.14
Ik deel de zienswijze van Verdam en De Kluiver. Ik voeg daar nog aan toe dat de regeling van art. 2:129a/239a lid 3 BW het uitgangspunt van collectieve verantwoordelijkheid niet aantast. Naast besluiten die door alle bestuurders tezamen zijn genomen, vallen ook besluiten die niet de gehele bestuurstafel zijn gepasseerd onder de verantwoordelijkheid van ieder van de bestuurders.15 Bovendien werkt de regeling van art. 2:129a/239a lid 3 BW niet privatief. In verband met de collectieve verantwoordelijkheid kan het bestuur steeds vorderen dat over een bepaalde zaak door het bestuur als collectief wordt besloten. Daarnaast heeft het bestuur de bevoegdheid instructies te geven aan de besluitbevoegde bestuurder.16
Vanwege de collectieve verantwoordelijkheid heeft de niet-uitvoerende bestuurder er belang bij dat hij op de hoogte is van bestuursbesluiten die op grond van art. 2:129a/239a lid 3 BW door zijn medebestuurders zijn genomen. De minister merkte in dit kader op dat de besluitbevoegde bestuurder zijn medebestuurders binnen een redelijke termijn behoort in te lichten over besluiten die hij aldus genomen heeft. Daarnaast doet de niet-uitvoerende bestuurder er verstandig aan regelmatig te informeren naar de taakuitoefening door de besluitbevoegde bestuurder.17 De vraag hoe de ‘brengplicht’ van de bestuurder met besluitvormingsbevoegdheid zich verhoudt tot de ‘haalplicht’ van de niet-uitvoerende bestuurder, beantwoord ik in § VI.4.3.3.