Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/V.3.3
V.3.3 De algemene regels uit het arrest Zondag Beheer
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS378580:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De rechtbank (Rb. Arnhem 28 oktober 1993, n.g.) wees als peildatum de datum van het onherroepelijk worden van haar uittredingsvonnis aan. De deskundige koos vervolgens voor 31 december 1993.
Zie conclusie A-G Mok sub 5.2.3.6-5.2.3.8 bij HR 11 september 1996, NJ 1997, 177 (Zondag Beheer).
HR 11 september 1996, NJ 1997, 177 (Zondag Beheer), ro. 3.3. Maeijer schreef in zijn noot dat de rechter rekening 'kan en moet houden met dergelijke omstandigheden.'
Maeijer kwam hiermee terug op zijn oude standpunt dat de deskundigen als peildatum het moment zij aan het werk gaan moesten kiezen; 'het moment van hun optreden', zie Asser-Maeijer 2-111 (1994), nr. 498.
Zie de noten van Maeijer resp. Van den Ingh onder HR 11 september 1996, NJ 1997, 177 m.nt. Ma; JOR 1996/114 m.nt. Van den Ingh (Zondag Beheer).
De Hoge Raad formuleerde in 1996 in zijn eerste uittredingsarrest een aantal belangrijke regels over de waardebepaling van de aandelen en de peildatum.
De drie heren Zondag namen als tweede generatie de meubelfabriek van hun respectievelijke vaders over, waarin zij ook reeds werkzaam waren. Zij kregen via hun houdstervennootschappen een aandelenbelang in Zondag Beheer BV. Nadat met één van hen (Rator) op zijn verzoek de arbeidsverhouding beëindigd werd, dreven toenemende spanningen tussen de aandeelhouders een wig tussen de heren Zondag. Uiteindelijk werd de uittreding van Rator bevolen. Bij eindvonnis van 8 september 1994 bepaalde de rechtbank Arnhem na een uitgebracht deskundigenrapport (waarin als peildatum 31 december 1993 was gekozen) de prijs waartegen overgedragen moest worden.1 De overdracht vond een kleine 12 dagen later plaats, doch inmiddels was een (nieuw) geschil gerezen. De uittredende aandeelhouder Rator wilde ook de wettelijke rente over de periode tussen de peildatum (31 december 1993) en de daadwerkelijke overdracht (20 september 1994). Daarnaast zouden de aandelen inmiddels aanmerkelijk in waarde zijn gestegen.
De OK zag in dat de uittredende aandeelhouder onvermijdelijk nadeel leed indien de BV na de peildatum winst maakte, doch dit niet voor de overdracht uitkeerde. Analoge toepassing van de bepaling over wettelijke rente in de uitkoopregeling (art. 2:92a/201a lid 5 BW) was niet de oplossing, omdat deze regel ook bij waardedaling zou gaan gelden. Anderzijds was er geen rechtvaardiging voor het buiten beschouwing laten van een duidelijk kenbare waardestijging. Zij vond dat een voldoende aanmerkelijke waardestijging in de prijs tot uitdrukking gebracht moest worden. Hiertegen gingen de twee aandeelhouders die moesten overnemen en betalen in cassatie. In zijn conclusie schreef Mok dat in de praktijk behoefte bestond aan de mogelijkheid rekening te houden met waardeverandering na het opstellen van deskwidigenbericht. Hij dacht dat `machtshebbers in een vennootschap' de dividenduitkering zouden hinderen, hetgeen onbillijk was ten opzichte van de uittredende aandeelhouder. Hij wees op de vrijheid die de wet de rechter bood: ingevolge art. 2:340 lid 1 BW stelde laatstgenoemde de prijs vast. Mok vond dat de rechter hierbij vrij was om de waardestijging 'globaal te taxeren'. Een (nieuw) deskundigenbericht zou hierbij denkbaar zijn, maar was zeker niet noodzakelijk. Overigens zag Moks visie alleen op een waardestijging na de overdracht en niet op een waardedaling.2
De Hoge Raad deelde de visie van de OK. Een redelijke toepassing van art. 2:343 BW verzet zich niet tegen mogelijkheid dat de rechter bij de vaststelling van de waarde rekening houdt met omstandigheden die van invloed zijn op die waarde. Deze omstandigheden kunnen zich voordoen tussen het tijdstip dat de deskundigen als peildatum hanteren en het tijdstip waarop die overdracht in feite plaatsvindt.3
Annotator Maeijer vond dat de rechter een redelijke vrijheid heeft bij het geven van een richtlijn over de peildatum die deskundigen moesten hanteren. De wetsgeschiedenis biedt op dit punt geen duidelijke oplossing.4 De hierin aangegeven grenzen vormen de 'afbakening in het verleden': het onherroepelijk worden van het toewijzend vonnis of het feitelijke optreden van de deskundigen. Onjuist achtte Maeijer de peildatum die ligt op het moment dat de eerste schadelijke gedragingen van de aandeelhouders zich manifesteren, zodat de depreciërende werking van die gedragingen in de prijs verdisconteerd kan worden. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de uittredende aandeelhouder hiervoor een vordering op grond van onrechtmatige daad moet instellen, aldus Maeijer. Hij had dan ook zijn twijfels bij het pleidooi van Van den Ingh in zijn noot, waarin laatstgenoemde opperde dat waardedalingen in de periode vóór de peildatum ook meegenomen kunnen worden door de rechter. Het voordeel dat een nevenvordering op grond van art. 6:162 BW achterwege kan blijven, stuit volgens Maeijer op de onwenselijke vermenging die dan optreedt tussen twee in wezen ongelijksoortige procedures.5
De uitspraak Zondag Beheer illustreert dat een gefixeerde peildatum weliswaar rechtszekerheid brengt, maar tot een onvermijdbaar lange procedure leidt. Door de waardestijging zien aandeelhouders zich genoodzaakt in hoger beroep te gaan, waarin de rechter het geschil in volle omvang nogmaals beoordeelt.