De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/6.6:6.6 Samenvatting
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/6.6
6.6 Samenvatting
Documentgegevens:
mr. J.T. Hiemstra, datum 01-07-2018
- Datum
01-07-2018
- Auteur
mr. J.T. Hiemstra
- JCDI
JCDI:ADS372321:1
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk zijn de verhaalsmogelijkheden van de patiënt die schade heeft geleden ten gevolge van een medische hulpzaak naar Frans recht besproken. Daarbij is allereerst in de paragrafen 6.2 en 6.3 de relatie tussen de hulpverlener en de patiënt en de aansprakelijkheid van de hulpverlener in het algemeen aan bod gekomen. De relatie tussen de hulpverlener en de patiënt is contractueel van aard indien de behandeling in een privékliniek plaatsvindt. Indien de patiënt in een publiek ziekenhuis behandeld wordt, ontbreekt een contractuele relatie. De consequentie hiervan is dat de aansprakelijkheid van de hulpverlener voor schade van een patiënt die in een privékliniek is behandeld door de civiele rechter wordt beoordeeld en de aansprakelijkheid van de hulpverlener voor schade van een patiënt die in een publiek ziekenhuis is behandeld door de administratieve rechter wordt beoordeeld. In beide gevallen wordt de aansprakelijkheid beheerst door de regels uit de in 2002 in de CSP geïntroduceerde wet relative aux droits des maladies et à la qualité du système de santé. De centrale bepaling ten aanzien van de aansprakelijkheid van de hulpverlener is artikel 1142-1 CSP. Volgens de formulering van deze bepaling is de hulpverlener slechts aansprakelijk indien er sprake is van schuld. Hierop geldt een uitzondering indien de schade van de patiënt het gevolg is van een ziekenhuisinfectie of een gebrekkige medische zaak.
De uitzondering van artikel 1142-1 CSP die betrekking heeft op medische zaken wordt door de civiele en administratieve rechter verschillend geïnterpreteerd. Waar de hoogste administratieve rechter, de Conseil d’état, oordeelt dat voor aansprakelijkheid van de hulpverlener voor het gebruik van medische zaken geen schuld vereist is, oordeelt de hoogste civiele rechter, het Cour de Cassation, dat de hulpverlener enkel aansprakelijk kan zijn indien er sprake is van schuld. Dit is in paragraaf 6.4 aan bod gekomen. Deze divergentie bestaat sinds 2012. Tot die tijd oordeelden beide instanties dat voor de aansprakelijkheid van de hulpverlener voor het gebruik van een gebrekkige medische zaak geen schuld vereist is. Waar de Conseil d’état dat regime nog steeds hanteert, is het Cour de Cassation in 2012 overgestapt naar een regel van schuldaansprakelijkheid voor de hulpverlener voor het gebruik van een gebrekkige medische zaak. De hulpverlener is volgens het Cour de Cassation slechts aansprakelijk indien hij een fout heeft gemaakt bij het gebruik van de medische zaak of indien hij gekwalificeerd kan worden als de producent van de zaak. De benadering van de Conseil d’état leidt tot een letterlijke interpretatie van de uitzondering van artikel 1142-1 CSP: de hulpverlener is aansprakelijk op grond van schuld, tenzij de schade het gevolg is van een gebrekkige medische zaak. Daarvoor is hij ook zonder schuld aansprakelijk. In de benadering van het Cour de Cassation zou de uitzondering van artikel 1142-1 CSP slechts verwijzen naar het regime voor productaansprakelijkheid en een zeer beperkte betekenis hebben: de hulpverlener is voor het gebruik van een medische zaak aansprakelijk op grond van schuld, tenzij hij aangemerkt kan worden als de producent die de zaak als een gebrekkig product in het verkeer heeft gebracht. Daarvoor is hij op grond van het regime van de Richtlijn Productaansprakelijkheid ook zonder schuld aansprakelijk.
Door het verschil in interpretatie is de bijzondere situatie ontstaan dat de patiënt die in een publiek ziekenhuis schade heeft geleden ten gevolge van het gebruik van een medische zaak in een betere positie verkeert dan de patiënt die in een privé- instelling schade heeft geleden ten gevolge van het gebruik van een medische zaak. Dit verschil zal blijven bestaan tot het Cour de Cassation en de Conseil d’état hun benadering van dit vraagstuk op elkaar afstemmen of de wetgever duidelijkheid verschaft over de uitleg van de uitzondering in artikel 1142-1 CSP en beide instanties daarbij aansluiting zoeken.
De omslag van het Cour de Cassation heeft tot veel verbazing en weerstand in de literatuur geleid. Door de beperkte motivering van het Cour de Cassation is onduidelijk wat het civiele hooggerechtshof tot deze omslag heeft bewogen. De codificatie van het uitgangspunt van schuldaansprakelijkheid van de hulpverlener in artikel 1142-1 CSP zou hieraan ten grondslag kunnen liggen, evenals de introductie van een publiek compensatiesysteem waardoor de eerder gevoelde noodzaak om de gelaedeerde patiënt tegemoet te komen door de kwalificatie van de verbintenis van de hulpverlener als een obligation de sécurité de résultat afnam.
Dit compensatiesysteem is in paragraaf 6.5 aan de orde gekomen. Het in 2002 in de CSP geïntroduceerde compensatiesysteem strekt ertoe slachtoffers van ziekenhuisinfecties, iatrogene ziekten of medische ongevallen met ernstige gevolgen te compenseren uit een publiek fonds. Het systeem bevat een bemiddelingsprocedure onder leiding van een regionale commissie. De patiënt kan bij deze commissie zijn schade aanmelden, waarna zijn claim wordt onderzocht en mogelijkerwijs wordt gekanaliseerd naar een (verzekeraar van de) laedens of het publieke fonds. Indien de claim wordt gekanaliseerd naar de laedens en deze niet (tijdig) betaalt, dan wordt de schade van de patiënt uit het fonds voldaan en draagt de commissie zorg voor het verhaal van deze schade op de laedens.