NJB 2024/2143:Bij echtscheiding verzoekt de vrouw om afgifte van een bruidsgave. De rechtbank past Iraans recht toe en wijst het verzoek af. Het hof oordeelt dat de man geen grief heeft hoeven richten tegen het oordeel over het toepasselijke recht en verder dat de man in hoger beroep heeft betoogd dat Iraans recht niet van toepassing is. Het hof past Nederlands recht toe op grond van de nauwe verbondenheid als bedoeld in art. 10:8 BW. Hoge Raad: 1. Appelprocesrecht. Voor de man bestond geen noodzaak om incidenteel te appelleren, nu het verzoek was afgewezen. Voorts stond het de man vrij om in hoger beroep nieuw verweer te voeren. 2. Uitleg gedingstukken. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof in het betoog van de man een beroep op de toepasselijkheid van Nederlands recht heeft gelezen. 3. Internationaal privaatrecht. Nauwe verbondenheid. Boek 10 BW. Als een internationale of communautaire regeling van toepassing is, kan de rechter art. 10:8 BW slechts toepassen voor zover dat in het concrete geval verenigbaar is met de toepasselijke internationale of communautaire regeling.