HR, 14-06-2024, nr. 23/03663
ECLI:NL:HR:2024:861
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-06-2024
- Zaaknummer
23/03663
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑06‑2024
ECLI:NL:HR:2024:861, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑06‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:2599
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2024/1052
V-N 2024/29.26 met annotatie van Redactie
NLF 2024/1487 met annotatie van Olga Menger
NTFR 2024/1154 met annotatie van mr. R.C.H. Graves
Viditax (FutD) 2024061419
FutD 2024-1330
Beroepschrift 14‑06‑2024
Hoge Raad
T.a.v.: Sector Bestuursrecht
Postbus 20303
2500 EH DEN HAAG
Onderwerp: beroep in cassatie
Ons kenmerk: […]
Procedurenummer gerechtshof: BK-SHE 22/00976
Edelhoogachtbare,
Hierbij teken ik namens mijn cliënt, [X], beroep in cassatie aan tegen de uitspraak van het hof inzake de procedure met bovenvermeld procedurenummer. Een machtiging treft u als bijlage aan (bijlage 1). Ik verzoek u de nota griffierecht op te nemen in de rekening-courantverhouding met debiteurnummer […] t.n.v. […].
Feiten:
1.
Op 01-01-2021 was mijn cliënt belastingplichtige voor het object [a-straat 1]. Uit hoofde hiervan heeft belastingplichtige een aanslag gemeentelijke belastingen ontvangen met mede daarop vermeld de WOZ-beschikking.
2.
Hiertegen is namens de belastingplichtige bezwaar aangetekend.
3.
Bij brief van 02-10-2020 heeft de heffingsambtenaar van de Gemeente Nuenen, Gerwen, Nederwetten uitspraak op bezwaar gedaan.
4.
Tegen dit besluit is namens onze cliënt beroep aangetekend bij de rechtbank.
5.
Rechtbank Oost-Brabant (Den Bosch) heeft bij brief van 30-03-2022 de uitspraak op dit beroep toegezonden.
6.
Bij brief van 10-05-2022 is hoger beroep aangetekend tegen de onder het voorgaande punt bedoelde uitspraak.
7.
Het gerechtshof zond bij brief van 09-08-2023 de uitspraak (bijlage 2) op het hoger beroep toe.
Cassatiemiddelen:
Er is sprake van schending van het recht en/of verzuim van vormen, omdat:
- 1.
het hof miskent dat artikel 40 Wet WOZ wel degelijk een toezendverplichting in de bezwaarfase behelst en dat verweerder de aan de waardering ten grondslag liggende stukken derhalve wél had moeten toezenden.
- 2.
het hof ten onrechte geen gevolgen verbindt aan de schending van het inzagerecht.
- 3.
het hof miskent dat vanwege de schending van het inzagerecht ook het hoorrecht is geschonden.
- 4.
het hof ten onrechte van mening is dat belanghebbende danwel zijn gemachtigde het bestuursorgaan moet wijzen op de schending van het inzagerecht/het ontbreken van gevraagde informatie om daar nog aanspraak op te kunnen maken.
Standpunt belanghebbende:
Met deze uitspraak van kan mijn cliënt zich niet verenigen, om de hierboven, onder ‘cassatiemiddelen’ verkort weergegeven redenen. Hierna zullen de cassatiemiddelen alsmede de toelichting daarop uiteen worden gezet.
Cassatiemiddel I
In het bezwaarschrift is het volgende verzoek opgenomen:
‘Ik verzoek u bij niet volledig tegemoetkoming aan het bezwaar de opbouw en een controleerbare onderbouwing van de kavelwaarde, de zogenoemde grondstaffel, op basis van recente uitspraken van de rechtbank Oost Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2018:357) en de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2017:1051) tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te overleggen. Ik verzoek u de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren, alsmede de manier waarop u de verschillen hebt verdisconteerd, van het onderhavige object en van de door u opgevoerde vergelijkingsobjecten tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te verstrekken.’
In de conclusie werd het volgende standpunt van, nota bene hof Den-Bosch, onderschreven:
Naar het oordeel van het Hof volgt uit artikel 40 van de Wet WOZ dat een belastingplichtige recht heeft op alle gegevens die van belang kunnen zijn voor het controleren van de voor zijn onroerende zaak vastgestelde waarde, een en ander met inachtneming van het belang van de privacy van anderen. Het Hof heeft vervolgens overwogen dat ook de grondstaffel in dit verband van belang kan zijn. In casu is daarvan volgens het Hof inderdaad sprake.
Het Hof heeft voorts geoordeeld dat ook afgezien van artikel 40 van de Wet WOZ de Heffingsambtenaar de grondstaffel in de bezwaarfase ter beschikking had moeten stellen van belanghebbende, nu belanghebbendes gemachtigde hierom reeds in de bezwaarfase had verzocht. Immers ingevolge artikel 7:4, tweede lid, van de Awb dient de Heffingsambtenaar alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen ter inzage te leggen voor belanghebbende gedurende ten minste een week. Naar het oordeel van het Hof had de Heffingsambtenaar de grondstaffel, als zijnde een op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in de zin van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb ter inzage moeten leggen, en indien de belanghebbende bij de inzage om een afschrift daarvan had verzocht, hem dat moeten verstrekken. Gelet hierop had de Heffingsambtenaar het verzoek van belanghebbende (een afschrift van) de grondstaffel te verstrekken niet mogen weigeren.
Het verzoek in het bezwaarschrift kan niet anders opgevat worden dan een verzoek conform artikel 40 Wet WOZ. Het hof is hier ten onrechte aan voorbij gegaan. Ik verwijs naar uw meest recente arrest, ECLI:NL:HR:2023:1052, waarin u nogmaals benadrukt dat de aan de waardering ten grondslag liggende gegevens op verzoek in de bezwaarfase moeten worden verstrekt.
Cassatiemiddel II
Zowel de rechtbank als het hof gaan op onterechte gronden voorbij aan de schending van het inzagerecht in onderhavige zaak. De rechtbank merkt onder punt 3.3.5. van de uitspraak in beroep op dat het inzagerecht weliswaar is geschonden maar dat daar geen gevolgen aan verbonden hoeven te worden nu verweerder in beroep toch met een nieuwe onderbouwing is gekomen. Volstrekt onbegrijpelijk! De schending vindt plaats in de bezwaarfase en moet in die fase worden beoordeeld. De rechtbank miskent hiermee dat het inzagerecht als een van de meest fundamentele waarborgen voor een goed verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen is. Zoveel mogelijk moet namelijk vermeden worden dat het bestuursorgaan zijn beslissing doet steunen op informatie welke de betrokken belanghebbenden niet hebben kunnen kennen. Ongewenst ook is de situatie dat pas in een latere fase (bijvoorbeeld bij de administratieve rechter) een belanghebbende kennis kan nemen van stukken die voor hem in een eerdere fase ontoegankelijk waren. De consequentie daarvan zou immers kunnen zijn dat geschilpunten die in de bezwaarfase definitief beslist hadden kunnen worden indien alle stukken bekend waren geweest, zonder voldoende noodzaak tot een procedure voor de administratieve rechter leiden.
Bovendien heeft belanghebbende het recht op controle omtrent de juistheid van het aan hem/haar gerichte besluit en moet deze een weloverwogen beslissing kunnen nemen om al dan niet over te gaan tot het instellen van beroep. Wat nu als belanghebbende enkel beroep had aangetekend tegen de schending van het inzagerecht? Dan had de rechtbank het beroep gegrond moeten verklaren. Nu verweerder in het inhoudelijke beroep met een nieuwe onderbouwing komt mag de schending zonder gevolgen blijven? De rechtbank gaat hier uit van een totaal onjuiste rechtsopvatting. Ook in dit kader verwijs ik naar bovenvermeld arrest van uzelf waarin u in de slotsom nogmaals benadrukt dat het van groot belang is dat belanghebbende reeds in de bezwaarfase over de gevraagde informatie beschikt.
Dat de informatie na de hoorzitting alsnog ter inzage is gelegd doet hier ook niets aan af omdat de termijn zoals opgenomen in artikel 7:4 lid 2 een harde termijn is en ervoor is bedoeld dat alle informatie tijdens de hoorzitting kan worden meegenomen. In onderhavige situatie heeft de hoorzitting ook niet op de juiste manier plaats kunnen vinden waardoor ook het hoorrecht is geschonden.
Voorts ben ik van mening dat bij een schending van artikel 7:4 lid 2 Awb geen ruimte bestaat voor de vraag in hoeverre belanghebbende hierdoor in zijn procespositie is benadeeld. Als er sprake is van schending van het inzagerecht dan moet een rechter hier gevolgen aan verbinden. Artikel 6:22 Awb mag niet worden toegepast als vaststaat dat er sprake is van schending van artikel 7:4 lid 2 Awb. Deswege had de rechtbank in dit geval de uitspraak op bezwaar dienen vernietigen en de zaak moeten terugverwijzen. Ik wil uw college vragen zich hierover uit te laten.
Cassatiemiddel III
Ook ben ik van mening dat schending van het inzagerecht per definitie ook schending van het hoorrecht (artikel 7:2 Awb) betekent daar informatie die van essentieel belang is voor het hoorgesprek niet voorhanden is. Belanghebbende kan zich nu namelijk niet uitlaten over de besluitvorming van het bestuursorgaan.
Cassatiemiddel IV
De opvatting van het hof dat schending van het inzagerecht tijdens de hoorzitting moet worden aangekaart om er echt sprake te laten zijn van schending van het inzagerecht is een volstrekt onjuiste. Waarop deze opvatting is gebaseerd is mij een groot vraagteken. Kennelijk is het hof van mening dat het bestuursorgaan bij schending van het inzagerecht altijd recht heeft op een herstel vormverzuim. De rechtbank is van mening dat het bestuursorgaan in beroep een volledig nieuwe kans tot onderbouwen krijgt die ook zonder gevolgen mag blijven en bovendien maakt dat aan de schending van het inzagerecht in bezwaar voorbij kan worden gegaan. In beide gevallen is de burger de pineut en komt de fout van het bestuursorgaan voor rekening van hem of haar. Dit kan en mag niet de bedoeling zijn! Ik vertrouw erop dat uw college deze opvattingen van zowel rechtbank als het hof rechtzet.
Conclusie:
Op basis van de bovenstaande grieven verzoek ik u:
- 1.
Het beroep in cassatie gegrond te verklaren;
- 2.
De uitspraak van het gerechtshof te vernietigen;
- 3.
Verweerder te veroordelen tot een proceskostenvergoeding voor de kosten zoals gemaakt in de (hoger-) beroepsfase op grond van artikel 8:75 Awb en conform het arrest van de Hoge Raad d.d. 27 mei 2022 (ECLI:NL:HR:2022:752).
Uitspraak 14‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Wet WOZ; artikel 40, lid 2; Awb; artikel 7:4, leden 2 en 4.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/03663
Datum 14 juni 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN NEUNEN, GERWEN EN NEDERWETTEN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 augustus 2023, nr. 22/009761., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant, (nr. SHE 20/3078) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Bij beschikking is de WOZ-waarde van de woning van belanghebbende (hierna: de woning) voor het jaar 2020 vastgesteld. Tevens is de aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 bekendgemaakt.
2.2
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de hiervoor in 2.1 genoemde beschikking en aanslag. Daarbij is de heffingsambtenaar van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten (hierna: de heffingsambtenaar) onder verwijzing naar artikel 40 Wet WOZ verzocht om de taxatiekaart te verstrekken met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren van de woning en de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten en de manier waarop de verschillen met de vergelijkingsobjecten zijn verdisconteerd (hierna gezamenlijk aangeduid als: de gevraagde stukken).
2.3
Op 3 juni 2020 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. De gevraagde stukken hebben niet voorafgaand aan de hoorzitting ter inzage gelegen. Zij zijn ook niet tijdens de bezwaarprocedure aan belanghebbende toegezonden. Op 31 augustus 2020 is belanghebbende door de heffingsambtenaar uitgenodigd om de gevraagde stukken alsnog in te zien. Die hebben, voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar van 2 oktober 2020, tussen 7 en 11 september 2020 ter inzage gelegen. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid tot inzage.
3. Procedure voor het Hof
3.1
Voor het Hof was de waarde van de woning niet meer in geschil. Wel was in geschil of de heffingsambtenaar in de bezwaarfase de gevraagde stukken had moeten toezenden. Ook was in geschil of de heffingsambtenaar het inzagerecht van artikel 7:4, lid 2, Awb heeft geschonden.
3.2
3.3
Verder heeft het Hof geoordeeld dat op de heffingsambtenaar niet de verplichting rust om in de bezwaarfase bepaalde stukken aan belanghebbende toe te zenden. Artikel 7:4, lid 4, Awb bevat, aldus het Hof, niet de verplichting tot toezending van (alle) op de zaak betrekking hebbende stukken.
4. Beoordeling van de middelen
4.1
Middel I komt op tegen het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel van het Hof met het betoog dat op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ wel degelijk een toezendverplichting bestaat indien is verzocht om verstrekking van de in die bepaling bedoelde gegevens. Het middel slaagt. Aangezien de gevraagde gegevens behoren tot de gegevens als bedoeld in artikel 40, lid 2, Wet WOZ, zoals het Hof ook terecht heeft overwogen, was de heffingsambtenaar gehouden een afschrift daarvan aan belanghebbende toe te zenden.2.Het Hof heeft dit miskend met zijn – kennelijk op artikel 7:4 Awb gebaseerde – overweging dat op de heffingsambtenaar niet de verplichting rust om in de bezwaarfase bepaalde stukken aan belanghebbende toe te zenden.
4.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie).
4.3
Gelet op het hetgeen hiervoor in 4.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Aangezien in hoger beroep de waarde van de woning niet meer in geschil was, kan de Hoge Raad de zaak afdoen.
5. Proceskosten
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank maar uitsluitend met betrekking tot de beslissing inzake de proceskosten en het ontbreken van een beslissing inzake het griffierecht,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136,
- draagt de heffingsambtenaar van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 136 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 48,
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.750 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.750 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 1.750 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 14‑06‑2024
HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052, rechtsoverweging 3.2.1.