Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/15.2.5
15.2.5 Overige voorgestelde maatregelen
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS456986:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het Europees Parlement zet namelijk in op een verruiming van het bereik van de richtlijn en wil daar ook reguliere rechtsbijstand onder brengen. Zie J. Altena, ‘Rubriek Europees strafrecht’, Delikt & Delinkwent 2015/55.
Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende voorlopige rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden wie de vrijheid is ontnomen en rechtsbijstand in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, COM (2013) 824 final.
Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure, COM(2013) 822 def.
Zie hiervoor in paragraaf 15.2.
De door de Commissie voorgestelde richtlijnen aangaande het recht op gefinancierde rechtsbijstand en aangaande waarborgen voor kinderen die verdachte zijn, zijn tot op heden niet vastgesteld. De voorstellen zullen daarom niet in detail worden besproken, nu ongewis is in welke vorm zij zullen worden vastgesteld. Het is wel mogelijk op hoofdlijnen te bezien wat deze richtlijnen beogen toe te voegen aan het bestaande niveau van rechtsbescherming en op welke wijze zij kunnen bijdragen aan het onderling vertrouwen bij de samenwerking in strafzaken binnen de EU.
Het voorstel voor een richtlijn betreffende gefinancierde rechtsbijstand is vooralsnog1 beperkt van opzet: het voorziet enkel in voorlopige rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures wie de vrijheid is ontnomen en voorlopige rechtsbijstand in het kader van de procedure van een Europees aanhoudingsbevel.2 Zoals hiervoor ook al is opgemerkt, zou deze richtlijn de richtlijn die het recht op toegang tot een advocaat garandeert op een belangrijk punt aanvullen, te weten de financiering van die rechtsbijstand.
Hoewel de richtlijn vooralsnog beperkt van opzet is, heeft zij juist voor de samenwerking in strafzaken toegevoegde waarde, met name waar het gaat om overlevering. Rond de daadwerkelijke overlevering – vooraf in de uitvoerende staat, maar ook daarna in de uitvaardigende staat wanneer het om een verdachte gaat die na overlevering van zijn vrijheid is beroofd – is de rechtsbijstand dan gegarandeerd. Dat kan enerzijds het vertrouwen vergroten dat de opgeëiste persoon zijn rechten in de overleveringsprocedure daadwerkelijk kan uitoefenen, terwijl anderzijds de verdachte na overlevering niet in een vacuüm terecht komt. Vooral de autoriteiten die de overlevering toestaan, kunnen daar het vertrouwen aan ontlenen dat de verdachte die wordt overgeleverd uiteindelijk een eerlijk proces krijgt. De advocaat die de verdachte in de fase na overlevering, gedurende de vrijheidsberoving, bijstaat, kan toezien op de rechten die de verdachte in het algemeen toekomen, maar daarnaast ook op de andere waarborgen die het Europees recht hem inmiddels biedt, zoals de hier besproken procedurele waarborgen en de beperkingen die voortvloeien uit de overleveringsbeslissing (zoals de specialiteitsregel). Ook kan hij waar mogelijk pogen te bewerkstelligen dat alternatieven voor voorlopige hechtenis worden benut, zodat de impact van de overlevering zo beperkt mogelijk wordt gehouden.
Deze bijstand is, na vaststelling en implementatie van deze conceptrichtlijn, niet langer afhankelijk van de financiële middelen waarover de verdachte beschikt. Juist dat is in de uitermate kwetsbare en onzekere positie waarin de betrokkene rond een overleveringsprocedure verkeert, een belangrijke verbetering die het onderling vertrouwen versterkt.
Het voorstel voor een richtlijn betreffende waarborgen voor kinderen in een strafprocedure3 geeft, zoals eerder bleek, slechts ten dele uitvoering aan maatregel E uit de Routekaart; omdat een gezamenlijke definitie daarvan ontbreekt en uit overwegingen van subsidiariteit en evenredigheid ziet het voorstel niet op het bieden van waarborgen aan andere kwetsbare personen.4 Dat is uit een oogpunt van onderling vertrouwen, te betreuren. Juist in strafzaken met een internationale dimensie, overleveringszaken in het bijzonder, bevindt nagenoeg elke verdachte of veroordeelde zich in een min of meer kwetsbare positie, zoals eerder al is opgemerkt. Als het daarnaast ook nog om iemand gaat die ‘intrinsiek’ kwetsbaar is, bijvoorbeeld als gevolg van een beperkte geestelijke ontwikkeling of psychische stoornis, dan is diens situatie uitermate precair te noemen. Uiteraard bieden de andere waarborgen, met name de gegarandeerde bijstand door een advocaat die deze kwetsbaarheid tot op zekere hoogte kan compenseren, in enige mate soelaas. Toch zou het meerwaarde hebben als ook andere kwetsbare personen op gelijke wijze als kinderen, aanvullende waarborgen worden geboden.
Een belangrijke waarborg die deze richtlijn, indien aangenomen, aan kinderen biedt, betreft de bepaling dat zij geen afstand kunnen doen van het recht op toegang tot een advocaat. Daarnaast verleent de richtlijn informatierechten, zowel voor het kind, als voor de ouders of andere geschikte volwassenen. Voorts kent de voorgestelde richtlijn diverse rechten die gemeenschappelijk hebben dat de bijzondere positie van kinderen tot terughoudendheid en voorzichtigheid bij het toepassen van strafrechtelijke maatregelen, in het bijzonder vrijheidsbeneming, noopt. Zij waarborgt het recht op een individuele beoordeling, het recht op een medisch onderzoek, rechten rond het verhoor, het recht op vrijheid, op alternatieve maatregelen en op een specifieke behandeling bij vrijheidsbeneming. Daarnaast kent de richtlijn vertalingen van algemeen geldende mensenrechten, zoals die op een tijdige behandeling van de strafzaak, het recht op privacy en het aanwezigheidsrecht, dat ook aan de ouders wordt geboden.
Hoewel deze rechten tot op zekere hoogte een herhaling vormen van rechten die kinderen toch al toekomen op grond van mensen- en kinderrechtenverdragen, bieden zij toch aanvullende waarborgen die het onderling vertrouwen nadrukkelijk kunnen versterken. In het bijzondere de verplichte rechtsbijstand door een advocaat, vormt een belangrijke waarborg dat sprake is van een eerlijk proces, maar ook, waar mogelijk, van een beperking van de impact van een overleveringsprocedure. Zowel de advocaat als de uitvoerende lidstaat kan, in elk geval informeel, trachten te bewerkstelligen dat naar alternatieven wordt gezocht voor een overleveringsprocedure, dan wel dat na overlevering de periode van vrijheidsbeneming zo beperkt mogelijk wordt gehouden. De onderhavige conceptrichtlijn ademt subsidiariteit. Waar in het algemeen al geldt dat een Europees aanhoudingsbevel niet lichtvaardig dient te worden uitgevaardigd, daar biedt deze richtlijn concrete Europeesrechtelijke aanknopingspunten voor een dergelijk subsidiariteitsprincipe. Indien deze normen onderdeel uitmaken van het recht van de uitvaardigende staat, bijvoorbeeld als nadere voorwaarden die de uitvaardigende staat meeweegt bij de beslissing al dan niet een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen en het vervolg daarop na overlevering, kan dat het vertrouwen in de uitvoerende staat vergroten indien in een bepaald geval toch een dergelijk bevel is uitgevaardigd.